Spring naar inhoud

Wafelwoede

15 mei 2012

Weinig dingen zijn zo ontzettend Nederlands als de stroopwafel. De stroopwafel mag zich voor menig buitenlander meten met de molen en de klomp, zodat er op Schiphol velen duiten worden neergelegd voor vele stroopwafels in Delfts blauwe blikken, die vervolgens naar alle windrichtingen vliegen. Voor Nederlanders zelf is deze geruite versnapering in zekere zin de belangrijkste van de drie, want alledaagser dan molens en klompen.

Albekende keten Albert Heijn, hoeder van onze vaderlandse voorraad van levensmiddelen, verkoopt sinds een tijdje naast gewone stroopwafels ook hóningstroopwafels. Een welkom wapenfeit, ware het niet dat deze grenzeloze grootgrutter in zijn onnavolgbare spitsvondigheid heeft besloten deze nieuwkomers Sticky Treats te noemen.

Sticky Treats.

Uw schrijver heeft ze met eigen ogen gezien, om ze vervolgens grimassend links te laten liggen. Meent Albert Heijn de wereld te gaan veroveren met Sticky Treats? Niet? Waarom, in hemelsnaam, is er dan gekozen voor deze tenenkrommend ‘hippe’ naam? Nieuwerwets is niet-Nederlands lijkt de wijsheid van de week. In het schap onder de gewone stroopwafels en Sticky Treats liggen overigens de stroopwafels van het ondermerk Euroshopper, onder de even zo tergende naam caramel waffles. Albert Heijns klasse hier is platter dan de koek zelf.

Bij dezen het voorstel de Allerhande om te dopen tot Allerhandelszucht.

Dit naamgeweld staat uiteraard niet op zichzelf. Al jaren bukken invloedrijke taalgebruikers in ons land gretig voor dergelijke dwangmatigheden. De buis heeft ons de afgelopen tijd in de ogen en oren gestoken met namen als Idols, X Factor, So You Think You Can Dance? en Holland’s Next Top Model, elk met hun eigen fans op Hyves. Misschien is het te overwegen een TV-wedstrijd te beginnen voor wie het beste zijn taal in de uitverkoop doet, genaamd, hoe kan het ook anders: Sale.

Taalverdedigers lijken hier een loopgravenoorlog te voeren tegen bommenwerpers. Mochten we met veel moeite Sticky Treats weten te verdrijven, nadien zullen we omkijken en onze bodem meer dan tevoren belaagd zien met knallende namen en woorden uit het Hersenloos.

Laat ons nochtans een poging wagen en beginnen door vooral geen Sticky Treats te kopen.

Lind

19 april 2012

De meeste Germaanse namen zijn van oudsher een samenstelling van twee naamstammen, oftewel woorden die uit gewoonte gebruikt worden voor het samenstellen van een naam.  Zo is de naam Herman niets anders dan een (licht verbasterde) samenstelling van heer ‘heerschare, leger’ en man, en betekent Herman zoveel als ‘krijger, soldaat’. Van de meeste naamstammen is de betekenis vrij duidelijk, maar in sommige gevallen tasten we ietwat in het duister.

Een van die geheimzinnige naamstammen is lind, die tegenwoordig jammer genoeg bijna uitsluitend nog voorkomt in Linde en Linda, vleivormen van namen die op -lind eindigen. Wat betekent lind nu eigenlijk als we het tegenkomen in een naam?

Als tweede lid bestond en bestaat lind enkel in vrouwennamen. In Oudnederlandse namen was de vorm -lind (zoals in Reginlind in de Balderiksoorkonde uit 850), in Oudhoogduitse namen -lind (zoals in Adallind in het Reichenauer Verbrüderungsbuch uit 820, 19v-12) en in Oudengelse namen -líþ (zoals in Hildelíþ). In vorm én betekenis passen deze vormen bij het Oudgermaanse bijvoeglijk naamwoord *linþaz, *linþijaz, vanwaar Oudhoogduits lind, lindi ‘mild, vriendelijk, zacht, enz.’ en Oudengels líþ, líðe ‘mild, vriendelijk, zacht, goedwillend, genadig’. Dan zou deze naamstam een geslachtsgebonden contrast vormen met -hard, dat als tweede lid enkel in mannennamen voorkomt en ‘hard, sterk’ betekent.

Maar deze vormen passen in vorm en betekenis ook bij Oudgermaans *linþaz ‘serpent, slang, draak, worm’, vanwaar Oudhoogduits lind ‘id.’ en Oudnoords linnr ‘id.’. (Een woord dat ook voortleeft in de overbodige samenstelling *linþawurmaz, vanwaar Oudhoogduits lindwurm ‘slang, lintworm’, Middelnederduits lindeworm, Oudnoords linnormr ‘draak’ en Middelnederlands lintworm ‘serpent, slang, draak’, vanwaar Nederlands lintworm ‘zekere platworm’.) De naamstam -lind hoeft dan niet meteen opgevat te worden als ‘serpent, slang, draak’, maar zou overdrachtelijk ‘zij die geheimen kent’ kunnen betekenen (zoals gesteld door Van der Schaar en Gerritzen in Prisma Voornamen). Het probleem is echter dat dit oude woord mannelijk was, en mannelijke woorden/naamstammen volgens de gewoonte van Germaanse naamgeving alleen voor mannennamen het tweede lid kunnen zijn. Bovendien, overdrachtelijke betekenis of niet, het is moeilijk voorstelbaar dat sommige vrouwen een naam droegen met daarin een woord dat letterlijk nog altijd ‘serpent’ betekende. Al keek men in de heidense tijd anders tegen slangachtigen aan, getuige de aanwezigheid van draken en slangen in versieringen van toen.

Men zoekt de naamstam -lind ook wel te verbinden met Oudgermaans *lindō, *lindijō ‘linde, lindenboom’, vanwaar o.a. Nederlands linde ‘lindenboom’. Wat betekenis betreft past dit bijzonder goed. Van oudsher werden schilden vaak van lindenhout gemaakt, zodat bijvoorbeeld Oudengels lind niet alleen ‘lindenboom’ betekent, maar in de dichtkunst ook ‘schild’. Dan zou -lind ‘schild’ betekenen en bij verdere uitbreiding misschien zelfs ‘schildmaagd’. Een dergelijke overdrachtelijke betekenis vinden we bovendien bij andere Germaanse naamstammen, zoals as (Nederlands es), dat zowel ‘essenboom’ als ‘speer’ betekent. Maar vormelijk is deze verbinding uit te sluiten. Want Oudengels lind ‘lindenboom; schild’ is niet te rijmen met Oudengels -líþ (in o.a. Hildelíþ). In het Oudhoogduits evenmin: linta ‘lindenboom’ tegenover -lind (in o.a. Adallind).

Dan lijkt het erop dat -lind als tweede lid in vrouwennamen inderdaad zoveel als ‘mild, vriendelijk, zacht, goedwillend, genadig’ betekent. Zo bekeken zijn Linde en Linda, doorgaans gezien als vleivormen van namen die op -lind eindigen, ook op te vatten als namen op zichzelf. Linde dan wel Linda betekent dan letterlijk ‘(de) milde, vriendelijke, zachte, goedwillende, genadige’.

Maar een zelfde of gelijkende stam kwam ook voor als eerste lid in mannen- en vrouwennamen. En dan wordt het meteen moeilijk, want in het Oudengels vinden we enerzijds Líþ- (zoals in Líðulf) en anderzijds Lind- (zoals in Lindwulf). Líþ beantwoordt waarschijnlijk aan -líþ, zodat Líðulf zoveel als ‘zachtmoedige wolf’ betekent, terwijl Lind- (zoals in Lindwulf) enkel met Oudengels lind ‘lindenboom; schild’ is te verbinden, zodat Lindwulf dan toch zoveel als ‘schild-wolf’ betekent en niet verwant is aan namen als Linde en Linda.

Men bedenke zich dat de mensen in de tijd vlak na de Germaanse oudheid wellicht net zo verward konden zijn over naamstammen als wij. Toen het Oudgermaans zich splitste in de verschillende dochtertalen raakten veel woorden vereenvoudigd, waardoor oorspronkelijk verschillende woorden gelijkluidend konden raken. Zo kon een naamstam als lind ook opgevat worden als een ander woord dan het oorspronkelijk was.

Overigens zijn de drie Germaanse woorden die wij met de naamstam lind hebben vergeleken (*linþaz, *linþijaz ‘mild, vriendelijk, zacht, goedwillend, genadig’, *linþaz ‘serpent, slang, draak, worm’ en *lindō, *lindijō ‘lindenboom’) goed mogelijk oorspronkelijk onderling verwant. Men kan een wortel bedenken die zoveel als ‘buigzaam’ betekent.

Mierzoet of smaakvol?

16 april 2012

Veel van de zinnebeelden die we dagelijks gebruiken ontlenen we aan onze unieke geschiedenis. Talloze uitdrukkingen zijn gevormd tijdens het rijke scheepvaartverleden. Al bouwen we de duinen tot de wolken, ook de zee stroomt immer onze taal binnen. En een debat wordt bij ons in blessuretijd beslist, waar dit elders bijvoorbeeld in de ninth innings zou gebeuren.

Toch is het metaforische vlechtwerk van onze taal niet geheel cultuurgebonden. Zo zullen er weinig landen zijn waar niet met enige regelmaat een maaltijd genuttigd wordt; onlangs viel me op hoe we ook in het Nederlands onze eetgewoontes bij onze taal betrekken.  Woorden ontleend aan de smaak, maar ook aan het opdienen en nuttigen van eten, vormen een onuitputtelijke bron voor metaforen – veelal onbewust gebruikt.

Ik denk bijvoorbeeld dat weinigen ervan op zouden kijken wanneer een parlementariër zulke woorden zou gebruiken:

Voorzitter, de heer W. heeft ons zojuist zijn ongezouten doch pikante mening aangaande het asielbeleid voorgeschoteld. Zijn opvattingen mogen in het land als warme broodjes over de toonbank gaan; voor ons is zijn verbitterde kijk op de samenleving onverteerbaar.

Ook maken wij bezwaar tegen de smakeloze wijze waarop zij opgediend wordt; zijn betoog, doorspekt met quasihumoristische terzijdes en gelardeerd met nodeloos grievende hyperbolen, is een slap aftreksel van een serieus politiek pleidooi – wij zouden bijna zeggen: het product van een verdorven geest.

Zonder er verder woorden aan vuil te willen maken, voorzitter, hoop ik dat duidelijk is dat de misselijkmakende retoriek die de heer W. serveert, ons een onaangename nasmaak achterlaat. Graag zouden wij een hartig woordje met hem spreken over de tafelmanieren die verwacht worden van eenieder die aanschuift bij het banket van de democratie.

Wellicht dat ik met deze laatste uitdrukking de grens tussen ingeburgerde en uitheemse metaforen overschrijdt, maar voor de rest is het gebruik van deze smaak- en etengerelateerde beelden zo gewoon dat het nauwelijks meer opvalt.

Overigens vraag ik me wel af of dergelijke uitdrukkingen niet meer taalgebonden zijn dan ik zoeven veronderstelde. De smaken mogen we dan delen met andere culturen, maar dat kan over onze eetgewoonten toch niet gezegd worden. Bovendien heeft een woord als sweet een veel breder bereik dan ons zoet. Zo is de Engelstalige popmuziek ondenkbaar zonder een (misselijkmakende?) overdaad aan sweet eyes en sweet smiles – terwijl toch weinig Nederlandsen zich gevleid zullen voelen wanneer we over hun zoete ogen of zoete glimlach beginnen. Onze spijsvertering raakt danig van slag van zulke mierzoete romantiek.

Bondig

11 april 2012

Waarom geniet het Engels bij Nederlanders zo vaak de voorkeur, in zang en handel en wat niet al, boven de eigen taal? Afgezien van het aanzien en de klanken komt dit misschien doordat het Nederlands doorgaans meer lettergrepen vergt dan het Engels. Alleen al het voltooid deelwoord met zijn ge- maakt het Nederlands betrekkelijk lang: vergelijk geboren met born.

De bondigheid van het Engels komt ook door het alleraardigste achtervoegsel -ed, dat zoveel betekent als ‘beschikkend over, in het bezit van, behept met’, terwijl wij het moeten zien te redden met aanvoegsels als ge–(d/t), be–(d/t) en -ig om datzelfde uit te drukken. Zo zeggen de Engelsen bijvoorbeeld horned waar wij gehoornd zeggen. Zij zeggen bearded en blue-eyed, wij gebaard/bebaard en blauwogig.

En doch, Joost van den Vondel (1587-1679) had het nog over de “blaeuooghde jeught” van het “woeste Duitschlant” – hier het oude Germanië. Want het achtervoegsel was oorspronkelijk niet beperkt tot het Engels. En nog steeds niet: hoewel het in het algemeen Nederlands is verdwenen wordt het nog gebruikt in de streektalen, vooral die langs de kust. Zo vinden wij in het Drents het woord scholmaagd, dat gewoonlijk ‘kieskeurig bij het eten’ betekent, maar letterlijk ‘met ondiepe maag’ – het eerste lid schol is verwant aan Engels shallow.

In het Gronings is het achtervoegsel ook nog ruim aanwezig. Diens overleven zal ook te danken zijn aan het feit dat het voltooid deelwoord in het Gronings doorgaans geen ge- heeft (vergelijk ik heb goed geslapen met ik heb goud sloapen).

Wij noemen:

laankhoard ‘langharig’ (vergelijk Engels longhaired)
laankbaind ‘langbenig’
uterbaind ‘met o-benen’
twijbaind ‘tweebenig’
ainoogd ‘eenogig’ (vergelijk Engels one-eyed)
holoogd ‘hologig’
doeknekt ‘ineengedoken, met ingetrokken hoofd’
nievelteund ‘met de tenen naar binnen’
dwaarshakt ‘met de tenen naar buiten’
maalkopt ‘driftig, humeurig’
dikkopt ‘met een dikke kop’
stiefkopt ‘stijfkoppig’
witbekt ‘bleek’
radbekt ‘gebekt’
haalfbekt ‘gebrekkig sprekend’
spitsbekt ‘spitssnavelig’
radneersd ‘ijverig’ (neers, neerze = Nederlands aars)
laankneersd ‘traag’
swoarneersd ‘traag’
drijkleurd ‘driekleurig’
leegstamd ‘laag van stam’
laankstoald ‘met een lange steel’
gruinschild ‘met groene schil’
haardschild ‘met harde schil’
waikschild ‘met zachte schil’
ribbeld ‘hobbelig’
streept ‘gestreept’ (vergelijk Engels striped)
bloumd ‘gebloemd’
grimd ‘gevlekt (van vee)’

Wat is er op tegen om dit achtervoegsel weer te gebruiken in het Nederlands? Wat let ons bondig te spreken van bost land, bloemde weiden, hoornd vee en grijshaard volk? Het zou ook terugdringen de alomtegenwoordige g, die in zijn noordelijke, harde uitspraak weinig bemind is bij anderstaligen.

Het besproken achtervoegsel gaat terug op Oudgermaans *-ōda- (en diens variant *-ōdija-). Een oude vorming was *hringōd(ij)a-, vanwaar Oudsaksisch hringōdi, Oudengels hringed en Engels ringed. Het achtervoegsel is zelfs ouder dan het Oudgermaans en kwam voor in wijdverwante talen in voorbeelden als Latijn barbātus ‘bebaard’ en Grieks ἀπύρωτοσ (apúrōtos) ‘onaangeroerd door vuur’, letterlijk ‘ongevuurd’.

Verloren in vertaling

16 maart 2012

Poëzie is wat verloren gaat bij het vertalen. Dat was althans de mening van de Amerikaanse dichter Robert Frost (1874-1963). Het is een veelgehoorde opvatting, en niet zonder reden: meer nog dan prozaschrijvers, spelen dichters voortdurend met de ritmes en bijzondere beelden, gedachten, en subtiele associaties van woorden. Wie kan bijvoorbeeld zonder de dreunende, monotone klank van het woord ‘tomorrow’, Macbeths beroemde klacht ‘Tomorrow, and tomorrow, and tomorrow’ vertalen?

Maar we kunnen ook de vergelijking met andere kunsten trekken. De poëzievertaler is dan een uitvoerend muzikant, die een eigen invulling geeft aan andermans noten. Beter nog: een arrangeur die, bijvoorbeeld, een lied van de Beatles omwerkt voor symfonieorkest. Of een schilder die middeleeuwse fresco’s nabootst met olieverf op doek. In ieder geval is er iets dat verandert, iets dat verloren gaat, maar tegelijkertijd een constante: de geschreven bladmuziek, de contouren van een compositie, de geschilderde voorstelling.

Juist door de discipline die vereist is om verloren poëzie in vreemde woorden weer te vinden, is het vertalen van gedichten één van de beste manieren om een taal te leren kennen. J.R.R. Tolkien schreef eens dat de vaste schooloefening om Latijnse dichters naar het Engels te vertalen, hem meer over de uitdrukkingskracht van zijn taal geleerd had dan menig studieboek. Voortdurend wordt een vertaler gedwongen te kiezen welke subtiele associaties, klanken en beelden hij laat vallen, en welke hij over kan nemen in zijn eigen taal.

Vertalend naar het Nederlands, leidt vooral het krampachtig vasthouden aan rijm mijns inziens vaak tot gekunstelde vertalingen. Je hoeft het niet met John Milton (1608-1674) eens te zijn dat eindrijm de uitwas van een barbaarse tijd is, om te zien dat een vertaling naar het Nederlands met ritme, alliteratie en assonantie het gemis van rijm grotendeels op kan vangen. Bovendien biedt de grotere vrijheid in woordkeuze meer mogelijkheden om nauwkeurig te vertalen.

Om meteen de (verbale) daad bij het woord te voegen: hieronder het romantische sonnet I have been very lonely all today uit Owen Barfields allegorische sprookje The rose on the ash-heap. Er gaat in het Nederlands ongetwijfeld veel verloren, onder meer het rijm, maar toch hoop ik dat iets van het vloeiende ritme, de beelden en de ongedwongen stijl terug te horen zijn in de vertaling. Zo niet dan heb ik in elk geval, door mezelf te verliezen in vertaling, de poëzie van het Nederlands weer beter leren kennen – èn dan bevatten Robert Frosts woorden wellicht meer waarheid dan ik geneigd ben te denken.

I have been very lonely all today,
Above the million voices of the crowd
Hearing one voice I might not set at bay
Of lost imagination, crying loud
How wide the world was it must wander through
And for what empty years – till in dismay
I turned mine eyes up to the stars and knew
Only that they were very far away.
     Ah, God, to come this evening to some room
     And, dropping soft the latch on stars and men,
     To find my Lady in its firelit gloom
     Filling it with her loveliness, and then
     To take her in my arms and hear her say:
     I have been very lonely all today!

Hoe eenzaam ben ik heel de dag geweest!
Ver boven al de stemmen van de wereld
Vertelde één stem, die niet te stillen was,
Van dromen die verdwenen. Luid riep zij:
Hoe wijd is deze wereld, en hoe leeg
De jaren die mij wachten. In wanhoop hief
Ik toen mijn ogen hemelwaarts en wist
Niets dan dat de sterren ver weg waren.
     Ach kon ik nu maar komen in een kamer
     En zacht de luiken tot de wereld sluiten,
     En in de schemer daar mijn liefste vinden
     En haar schoon gelaat. Dan zou ik haar
     Vasthouden in mijn arme’ en zij zou zeggen:
     Hoe eenzaam ben ik heel de dag geweest!

De wedewees

13 maart 2012

In het jaar van Onze Heer 1393 maakt Karel VI van Frankrijk de blits op het bal. De koning, niet geheel onterecht bekend als Karel de Waanzinnige, voert met vijf edelen een bijzonder vermakelijke dans op, want de heren zijn verkleed als wilde bosmannen. Geheel gehuld in pakken van linnen, hars en vlas lijken ze van top tot teen behaard. Zelfs het gezicht is bedekt, en zo weten de toeschouwers niet dat de koning zelf daar huilend als een wolf opgaat in zijn rol. Omdat de pakken zeer brandbaar zijn worden toortsen op afstand gehouden. Doch één toorts komt toch te dichtbij en binnen enkele tellen vatten alle zes dansers vlam. De koning wordt gered door de vijftienjarige hertogin van Berry die schielijk haar grote rok over hem werpt. Een andere danser weet zich te doven in een ton met water, maar voor de overige vier is het gauw te laat: zij worden levend verbrand. Het toch al schamele vertrouwen van het volk in de koning wordt er niet groter op, na dit bal des ardents (‘bal der brandenden’).

De Engelse geschiedschrijver John Capgrave schrijft in 1460 over dit opmerkelijke voorval:

In that same ȝere the Kyng of Frauns daunsed in his halle with IIII. knites, and was arayed lich a wodwous, having a streyt cote, dippid in rosyn and pich. And sodeynly, with touching of a torch, the cote was on fire, and he had brent, had not a lady rysen, and pulled him oute of the dauns. It was seide that this was the ymaginacion of his brothir, whech desired to be Kyng.

Het woord dat Capgrave gebruikt voor een wilde bosman is wodwous –niet zeldzaam in de Middeleeuwse Engelse woordenschat– dat in later Engels de vorm woodwose krijgt (ook wel verbasterd als woodhouse), en al veel eerder bestond als Oudengels wuduwása. Het eerste lid in deze samenstelling is duidelijk en betekent ‘bos, woud’, met als Nederlandse tegenhanger het zo goed als vergeten wede ‘bos, woud’. Het tweede lid gaat net als Nederlands wees ‘ouderloos kind’ terug op Oudgermaans *waisō, een woord dat waarschijnlijk een meer algemene betekenis had als ‘verlaten, alleengelaten persoon’. En zo zouden wij in het Nederlands kunnen spreken van een wedewees, een verstoten, verwilderde bosbewoner.

De wedewees was een bekende verschijning in Middeleeuwse verhalen en komt dan ook in verscheidene uitbeeldingen voor, meestal volledig behaard. J.R.R. Tolkien meende dat het idee van dit schepsel zijn oorsprong heeft in het daadwerkelijke bestaan van wild volk lang geleden, “remnants of former peoples driven out by invaders, or of outlaws, living a debased and savage life in forests and mountains” (in Guides to the Names in LR). In het na zijn dood uitgebrachte boek The Children of Húrin laat hij de elf Saeros spotten met de dolende Túrin: “How long shall we harbour this woodwose?” en “Outside the hall I could answer you, Woodwose!” Túrin brengt dan ook veel tijd door in het gezelschap van grimme, vogelvrije mannen die in de bossen wonen. En in The Lord of the Rings worden de raadselachtige bewoners van Drúadan Forest ook wel Woses genoemd door Elfhelm van Rohan: “Remnants of an older time they be, living few and secretly, wild and wary as the beasts.”

Een echte wedewees zou geen stap wagen buiten het woud, laat staan een dans opvoeren ten vermake van hoge adel.

Mooie woorden – Oliviers keuze

11 maart 2012

Al jaren behoort liefde volgens velen tot de mooisten onzer woorden. Maar wat is er mooi aan liefde behalve hetgeen het uitdrukt? Welke schoonheid bezit het woord zelf? Eerder lijkt het niet bijzonder welluidend en vrij gewoon in opbouw. Evenmin schuilt er grote dichterlijkheid achter. Dan heeft dat andere welbeminde woord, desalniettemin, meer recht op roem, al is het nog altijd meer een versteende uitdrukking dan een echt woord.

Vandaar, met uw welnemen en stavelijk gerangschikt, de volgende voorstellen:

Boreling is een woord sprookjesachtig en tijdloos, in tegenstelling tot het immer lelijke, onaangepaste modewoord baby, al zijn de twee niet geheel evenwoorden. Wij mogen gerust een vergelijking trekken tussen kinderen en kids. In boreling vinden wij de klank -ore-, die uw schrijver zeer vaak welluidend voorkomt, net als in orewoed, storen en verloren. En in boreling vinden wij het fraaie achtervoegsel ­-ling, waar meer woorden mee gemaakt zouden moeten worden. Maar ook weer niet te veel, want overdaad schaadt.

Ellende ontleent zijn schoonheid aan zowel diens klank als diens eigenlijke betekenis. Het is de voortzetting van Oudnederlands elilendi, een samenstelling van eli ‘ander’ en lendi, een nevenvorm van land. Wie in elilendi is, is in een ander land, in een vreemd land, zonder bescherming van verwanten en vrienden, en bevindt zich dus in een nare toestand. Uiteindelijk is ellende ‘narigheid’ in het algemeen gaan betekenen.

Havik is scherp en stoer als de vogel zelf. Ha- betaamt de opengesperde bek en klauwen, -vik het dichtklappen daarvan. Hoewel inheems heeft het een zonderlinge, ogenschijnlijk ondoorgrondelijke vorm. Vermoedelijk is het woord gevormd bij een wortel die ‘grijpen’ betekent en is het dan verwant aan hebben. De -k is eigenlijk een achtervoegsel waar meer vogelnamen mee gevormd zijn, zoals alk, valk, vink en wellicht leeuwerik, aldus het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (EWN).

Horzel, indien uitgesproken met een fatsoenlijke rollende r, is een zeer betamelijke naam voor dat zoemende, nare kleindier dat vooral vee tergt. Het is de onheilspellende, grote klankkracht van dit woord dat het bijzonder en zelfs mooi maakt.

Klimop is niet welluidend maar wel vertederend en sprookjesachtig. Het woord geeft haast de indruk dat deze plant door een toverspreuk de hoogte is geboden te nemen: kleef, klauter, klim op, broeder plant! De letterlijke vertaling zal menig Engelsman (climbup) een glimlach geven. Klimop is een van de zogenaamde zinwoorden, net als durfal, dwingeland en uiteraard vergeet-me-niet, dat zelf mee zou dingen naar mooiste woord als het iets meer woord dan zin zou zijn.

Lichaam is niet bepaald welluidend, maar wel bijzonder dichterlijk. Het is de wat verbasterde voortzetting van Oudnederlands līkhamo, dat in minder verbasterde vorm thans lijkhaam zou luiden. Lijk betekende oorspronkelijk ‘gestalte’ en haam ‘omhulsel’. Lichaam betekent dus eigenlijk ‘omhulsel dat gestalte geeft’. Daar het woord in alle (oude) Germaanse talen is overgeleverd, stamt het hoogstwaarschijnlijk uit de Oudgermaanse en dus heidense tijd. Het is een van meerdere aanwijzingen dat het Christendom met de leer van de onsterfelijke ziel een oud, inheems geloof bevestigde.

Momber, ook wel momboor, een oud woord voor ‘voogd’ dat steeds minder mensen kennen, lijkt een mompelwoord uit de kindertaal zoals mamma en pappa dat oorspronkelijk zijn, maar is eigenlijk de verbastering van Oudnederlands mundboro, een samenstelling van mundō ‘hand, bescherming, voogdij’ en boro ‘drager’. Het eerste lid vinden we nog in de afleiding mondig en het tweede lid is verwant aan baren, dat oorspronkelijk ‘dragen’ betekende (vergelijk Engels to bear). Deze samenstelling kwam ook voor in andere oude Germaanse talen en moet zeer oud zijn. De overgang van Oudnederlands mundboro naar Nederlands momber is een goed voorbeeld van de neiging naar vloeiende spraak. Vergelijk ook de overgang van aanbeeld naar aambeeld.

Oorlog is een nagalm van het oude lotsdenken van onze heidense voorouders, al zal het voor de meeste mensen een volstrekt ondoorzichtig en raadselachtig woord zijn, oud haast als oorlog zelf. Erin zijn samengevallen twee afzonderlijke woorden: enerzijds een dat ‘noodlot, bestemming’ betekende, anderzijds een dat volgens het EWN zoveel als ‘opheffing der rechtsgeldige verbindingen’ zal hebben betekend. Met het oude oorlog onderscheidt het Nederlands zich van zustertalen, die andere woorden gebruiken: war, Krieg, enzovoort.

Telg is een van de jongste dichterlijke woorden van onze taal. Oorspronkelijk beduidde het ‘loot, boomtak’ en slechts enkele eeuwen geleden overdrachtelijk ook ‘afstammeling’. Deze laatste betekenis is tegenwoordig voor de meesten van ons ook de enige betekenis.

Vijand vangt de aandacht als het enige inheemse woord dat een nog een volle klinker heeft in diens verbuigingsuitgang. Het is het onvoltooid deelwoord van het inmiddels vergeten werkwoord vijen, dat ‘haten, vijandig bejegenen’ betekende. Vijand is dus een oudere vorm van vijend ‘hatend, vijandig bejegenend’. Wel te vergelijken is vriend, een verbasterde vorm van vrijend. Vrijen betekende oorspronkelijk ‘liefhebben, als een verwante bejegenen’.

Vlinder, door uw schrijver liefst uitgesproken als flinder, draagt de kwetsbaarheid en bewegelijkheid van het beestje. Het woord heeft een onduidelijke herkomst en is alleen in het Nederlands bekend, al is rond 1340 in Kent, Engeland ook eens vlindre ‘mot’ opgeschreven.

Zilver heeft een klank zwierig en zeldzaam als het goed zelf. Elders vindt men -ilve- nog in de plaatsnaam Hilversum en in de woorden milve en milver, gewestelijke nevenvormen van meluw ‘houtluis’. Vandaar bestaat in sommige delen van Vlaanderen ook het wonderlijke vermilveren ‘aangetast worden door houtluis, tot stof vergaan, vermolmen’. Zilver, dat uw schrijver liever als silver uitspreekt, is in een ver verleden ontleend aan een vreemde taal. Zeer gelijk in vorm doch onverwant is het Latijnse woord silva ‘bos, woud’, waar de eigennamen Silvia en Silvester van afgeleid zijn.

Het oude hoge pad

29 februari 2012

Liefde maakt blind: wie heeft de woorden nooit toegeworpen gekregen door een vriend of familielid? Het is een van de grote leugens uit onze taal. Liefde maakt niet blind. Haat maakt blind. Angst maakt blind. Wanhoop maakt blind. Liefde opent juist de ogen. Wie denkt dat een verliefde verblind wordt door een rooskleurige blik op de werkelijkheid, zou de rake woorden van de Britse dichter Thomas Traherne (1637-1674) ter harte kunnen nemen: ‘When we dote upon the perfections and beauties of some one creature, we do not love that too much, but other things too little. Never was anything in this world loved too much.’

William Butler Yeats zou het hier vast mee eens geweest zijn. De Ierse dichter schreef een oeuvre waarin de liefde, en juist ook de romantische liefde, altijd een centrale plaats inneemt. Zijn eerste bundels, van Crossways (1889) tot In the Seven Woods (1904), lezen als één lange liefdesbrief, een dichterlijke meditatie op verliefdheid, de geliefde, en de Liefde. In de slotregels van Adam’s Curse legt Yeats de drijvende motivatie achter zijn vroege poëzie bloot:

I had a thought for no-one’s but your ears:
That you were beautiful and that I strove
To love you in the old high way of love.

Yeats gaat het ‘oude hoge pad’ van de liefde, een weg gebaand door Dante en Petrarca, Shakespeare en Shelley. Het voert hem niet alleen tot mystieke visioenen, maar ook tot een onbedwingbare drang om nieuwe schoonheid te scheppen. Het kwaad van de lelijke, vormloze dingen van deze wereld is hem ondraaglijk: ze verloochenen het droombeeld dat een vrouw in hem ontwaakte. Hij wil de wereld herscheppen ‘like a casket of gold for my dreams of your image’, en kan pas rusten als hij haar tijdloze schoonheid met zijn woorden verweven heeft.

Nu is Yeats niet de eerste schrijver wiens dichterschap geboren werd uit een vurige verliefdheid. Doch in een tijd van verscheurende oorlogen en politieke, anti-Romantische kunstopvattingen is hij wèl een van de weinigen die trouw bleef aan zijn oorspronkelijke visie. Later tekent hij zijn vreemde beelden op in taal van een soberdere, haast Spartaanse schoonheid. Maar wanneer Thomas Mann hem vlak voor zijn dood verwijt dat hij met zijn liefdesgedichten de politieke arena ontvlucht, is daar meteen weer het oude vuur. 

How can I, that girl standing there,
My attention fix
On Russian or on Roman
Or on Spanish politics?
Yet there’s a travelled man
That knows what he talks about,
And there’s a politician
That has read and thought
And maybe what they say is true
Of war and war’s alarms,
But O that I were young again
And held her in my arms.

Yeats’ verzen vonden een zielsverwant in de jonge literatuurstudent Owen Barfield, die dezelfde thema’s in meer filosofische termen uit zou werken. Maar eerst maakte Barfield in de jaren twintig naam als dichter. De kiem voor zijn latere werk werd gelegd toen een klassiek geval van ‘unrequited love’ hem in een diepe depressie stortte. De wolken schoven pas uiteen toen hij ontdekte dat hij de schoonheid van de vrouw voor wie hij gevallen was, kon terugvinden in heel de natuur. Hij schreef een sonnettencyclus, waarin hij het cliché dat liefde blind maakt aan flarden schrijft. Eén van de gedichten eindigt: ‘O Eve, my soul, my eyes with which I see’.

Dit is ook het thema van zijn poëtische drama Orpheus (1982), waarin de goddelijke muzikant tijdelijk verblind wordt door het verlies van zijn Eurydice:

Dark!
The very sun is dark!
How can I go on breathing here in space
Dark with the vanished brightness of her face?

Orpheus krijgt zijn zicht pas terug wanneer hij zijn ogen opent voor de schoonheid van de natuur, en zich onbaatzuchtig voor haar opoffert. Het is een symbolische weergave van wat Barfield beschrijft als de overgang van Eros naar Agape, ‘neither as a Platonic transfer of attention from carnal copy to ghostly original, nor simply as darkness giving way to light, but rather as moonlight brightening imperceptibly into sunshine’. Zo is romantische verliefdheid (Eros) voor Barfield de eerste stap op een weg die voert naar Agape of algemene mensenliefde, een gedachte die hij verder uitwerkt in zijn inleiding tot Vladimir Solovjovs The Meaning of Love.

Nu we steeds meer horen over de ‘biochemische’ processen die aan de ervaring van romantische liefde ten grondslag zouden liggen, lijkt er weinig ruimte voor het poëtische en filosofische perspectief van een Yeats of Barfield. Het ‘oude hoge pad’ ligt er verlaten bij, overwoekerd door prozaïscher jaren. Doch zij is niet verdwenen. En één ding is zeker: hadden Yeats en Barfield het spreekwoord geloofd en hun romantische gevoelens afgedaan als blinde zinsbegoocheling – of biochemie – dan was de vorige eeuw niet alleen een groot filosoof armer geweest, maar ook een Nobelprijswinnende dichter.

Aan de overkant

29 december 2011

De Engelsman J. A. Russell schreef in 1939 een bijzonder lezenswaardige en geenszins gedateerde verhandeling over de Nederlandse dichtkunst, getiteld Dutch Poetry and English. Voor iemand die onze letteren met liefde en aandacht beziet, een zeldzaamheid onder Britse critici, maakt hij wel een aantal verbluffend verwoestend opmerkingen over het Nederlands. Op de eerste pagina is het meteen raak:

Dutch is definitely a literature of fluctuating inspirations and minor realizations, in no sense greater than the language (about the uncouthness and terrors of which people on this side of the North Sea seem to be altogether of one mind).

De Nederlandse literatuur kenmerkt zich bovenal door onbestendige inspiratie en beperkte prestaties. Zij stijgt nauwelijke uit boven een taal die ons, aan de overzijde van de Noord-Zee, voorkomt als een onbeschaafde, afschrikwekkende gruwel.

Een dergelijk vernietigend oordeel lijkt de opmaat tot een meedogenloze aanval op onze dichters – maar schijn bedriegt. Russell blijkt een uitstekend criticus, die oog heeft voor zowel de krachten als de zwakheden van dichters van Vondel tot Kloos.

Zijn soms ontnuchterend scherpe oordeel over schrijvers als Vondel en Hooft berust niet op rancune, maar op verheven opvattingen over het belang en de potentie van de dichtkunst – opvattingen ontleend aan de rijke traditie van de Britse literatuur. Zo wordt de flikkerende ster van Vondel overschaduwd door de schittering van zonnen als Shakespeare en Milton, en vallen voorzichtige Nederlandse Romantici in het niet tegen de achtergrond van reuzen als Wordsworth en Shelley. Dutch Poetry and the English is een meedogenloze maar eerlijke en scherpe kritiek van de Nederlandse literatuur tegen het licht van Britse schrijvers.

Russell durft vragen te stellen die, zeker nu de meeste Nedelandse literatuurliefhebbers het Engels machtig zijn, ook voor ons relevant zijn: waarom zouden we Vondels betrekkelijk tamme Lucifer verkiezen als de genadeloze duivel van Miltons Paradise Lost ons verlokt? Of Gorters Mei lezen als we kunnen drinken van de verhevener extase die Shelley uitgiet in Prometheus Unbound? Dit zijn geen gemakkelijke vragen voor wie onze taal en literatuur liefheeft, maar ze dienen wel gesteld te worden – al is het maar om te voorkomen dat we door een al te nauwe, nationalistische blik onze dichters begraven onder valse lof.

Gelukkig eindigt Russell zijn studie op een hoopvolle noot. Als ondertitel gaf hij zijn boek A Study in the Romantic Revival mee: de oudere Nederlandse dichtkunst beschouwt hij als een weinig bevredigend voorspel voor de opkomst van de Tachtigers eind negentiende eeuw – die voor het eerst in ons land een even doorleefde als krachtige snaar aansloegen. Gorter, Verwey en Kloos, die de schrijver persoonlijk kende, prijst hij uitvoerig, ook al putten ze hun inspiratie nadrukkelijk uit de diepe bron van de Engelse Romantiek (in dit licht is het wel betreurenswaardig dat Russell geen ruimte heeft voor latere dichters als Roland Holst, Marsman en Slauerhoff):

The ‘Nieuwe-Gids-Beweging’ took over the traditions best fitted to inspire a new national Muse, and thus added a wealth of passionate thinking about life, about nature, about love, and about beauty.

De Nieuwe-Gids-Beweging nam die tradities over die het meest geschikt waren voor het scheppen van een nieuwe nationale Muse. Zij gaf ons een rijkdom aan bevlogen gedachten over het leven, over de natuur, over liefde, en over schoonheid.

Weerlicht

21 december 2011

The difference between the almost right word and the right word is like the difference between the lightning-bug and the lightning.

(Het verschil tussen een passend woord en het perfecte woord is als het verschil tussen een flitspaal en de bliksem.)

Zo schreef de geestelijk vader van Huckleberry Finn, Mark Twain (1835-1919), eens in een wegwijzer voor beginnende schrijvers. In Poetic Diction gebruikt de Britse filosoof Owen Bafield (1898-1997) een al even lumineus zinnebeeld voor de beleving van dichterlijke taal. Een esthetische schok, aldus Barfield, licht plotseling op wanneer we voelen dat ons bewustzijn een verandering ondergaat. Als een bliksemflits verlichten ‘perfecte woorden’ de wereld om ons heen, waarna onze belevenissen rijker zijn en minder gefragmenteerd dan voorheen. Barfield voert zijn betoog aan de hand van gedichten door Engelse schrijvers als Shelley en Wordsworth, maar zijn conclusies, mits juist, zouden evengoed voor Nederlandse dichtkunst op moeten gaan.

Ter illustratie een strofe uit het verhalende gedicht De Wanhoop van Hendrik Marsman (1899-1940), een tijdgenoot van Barfield. De wanhopige verteller, die wij slechts als ‘man’ kennen, woont ten einde raad een mis bij:

De gelovigen knielden als graan,
Langs de golven wandelde ’t licht,
Als het eenmaal op zee had gedaan
Tot de storm was getemd en gezwicht.
Het kwam recht als een zwaard op hem aan,
Doch hoezeer ook verblind door dit licht,
De man bij de zuilen bleef staan.

De ongebreidelde beeldenrijkdom en heldere, scherpe taal van een dichter als Marsman is wel bij uitstek geschikt om Barfields esthetische schok teweeg te brengen. De metaforen vloeien ononderbroken in elkaar over: de gelovigen zijn eerst als graan dat buigt, dan als golven die knielen voor het Licht, dat ten slotte als een zwaard de onbuigzame wanhopige verblindt.

Als Barfield gelijk heeft, ligt er een diepere betekenis besloten in het zinnebeeld van een ‘esthetische schok’. Een aardschok laat immers altijd sporen na; er heeft diep onder de aarde een verschuiving plaatsgevonden, en die zal zijn weerslag hebben op het landschap. Zo verschuift er ook bij een ‘schok’ van esthetisch plezier iets onder het oppervlak; ons bewustzijn van de wereld ondergaat een subtiele verandering. Er is zoveel schoonheid en waarheid in Marsmans regels, dat we na het lezen met andere ogen kijken naar een bijeenkomst van gelovigen, naar golven, licht en zwaarden, en naar het Licht dat onderwerp van het gehele gedicht is.

Zo wordt de muur geslecht die traditionele critici, waaronder Barfields vriend C.S. Lewis, oprichtten tussen werkelijkheid en verbeelding, kunst en wetenschap, feit en fictie. De dichterlijke ervaring, zo luidt de hoofdstelling van Poetic Diction, opent een weg naar een rijker bewustzijn van de wereld en daarmee naar nieuwe kennis en wijsheid: zij leert ons nieuwe relaties te zien, eenheid waar eerst louter verscheidenheid was. Hiermee verlost Barfield de dichtkunst van een gedoodverfde toekomst als marginaal of louter academisch tijdverdrijf – net zoals hij in History in English Words de semantische etymologie redde van de oppervlakkigheid waarin zij soms dreigt te vergaan.

Poetic Diction (1928) verscheen immers op een kritiek moment in de literatuurgeschiedenis: met de opkomst van het Modernisme, vers libre, en andere vernieuwingen zonderden dichters zich steeds meer af van hun lezers. Hun kunst werd verdrongen naar de marges van het leven; wat eens gezien werd als een van de grootste prestaties van de menselijke geest devalueerde tot een futiel tijdsbedrijf waar serieuze volwassenen – levend temidden van vernietigende oorlogen – zich niet mee bezighouden. Juist op dit moment bevestigde Barfield de grote en blijvende waarde van dichtkunst, en het cruciale belang van de scheppende verbeelding voor de toekomst van onze cultuur en wetenschap. Ook nu heel andere krachten de kunsten belagen, schijnt zijn antwoord op de grote vraag – Waarom Literatuur? – nog steeds als een weerlicht in stormige tijden.

Gekleurd glas

14 december 2011

In zijn strijd tegen taalverloedering zal de schrijver gekleurd glas niet aanzien voor een helder venster. Al spreekt rond hem heel de wereld onbedoeld in zinnebeelden, hijzelf houdt zijn ogen wijd geopend voor de stilzwijgende metaforen die onze blik verkleuren.

Zo schreef de Britse kunstcriticus Walter Pater in zijn Essay on Style (1889). Ook meer dan een eeuw later staan de kranten en  boeken nog vol met argeloos gebruikte beeldspraak, en niet alleen in literatuur, maar ook, of juist, in teksten die pretenderen een nuchtere weergave van de werkelijkheid te geven. Gedachteloos worden metaforen doorgegeven die niet alleen ons denken sturen, maar zelfs – zoals Lakoff en Johnson aantoonden in Metaphors We Live By (1980) – ons handelen kunnen bepalen.

Een mooi voorbeeld biedt de huidige berichtgeving rond het wankele reilen en zeilen van onze economie. Je hoeft de dagbladen maar open te slaan of de economische metaforen, niet zelden met elkaar in tegenspraak, rollen van iedere pagina. Bij politici zijn uitdrukkingen geliefd die de economie doen voorkomen als een motorisch voertuig – laten we zeggen: een auto. Het midden- en kleinbedrijf is de motor van de economie, geestdriftige economen roepen onze regering op om (bij gebrek aan andere benzine) toch vooral veel geld in de economie te pompen. We hebben immers maatregelen nodig die de economie repareren en opnieuw aandrijven voordat zij, al dan niet met piepende remmen, geheel tot stilstand komt.

Doch nog voor we de implicaties van deze verborgen beeldentaal goed en wel in ons opgenomen hebben, worden we opeens verteld dat onze economie helemaal geen auto is. Veeleer is het een levend organisme, dat als de mens zelf krimpt en groeit, dat bedreigt wordt door besmette hypotheken en gezond of ziek kan zijn. Nu haar levenssappen en masse weg lijken te vloeien, hebben we dus zachte (of harde) heelmeesters nodig, die ons een remedie aanbieden waarmee we de economie weerbaar kunnen maken, haar ruggengraat en weerstand teruggeven, om zo te voorkomen dat zij verder aftakelt of zelfs volledig ineenstort.

Maar wacht eens even: met ineenstorten moeten we ons beeld alwéér bijstellen. Nu hebben we immers niet meer van doen met een rijdende auto of een levend wezen, maar met een stilstaand bouwwerk, bijvoorbeeld een huis. We lezen dat we aan de economie moeten bouwen, haar fundering verstevigen – wat evenwel weinig zal opleveren als zij, zoals sommigen beweren, op drijfzand gebouwd is. Een andere bron van zorgen is het lekkende dak dat volgens onze minister nog steeds niet gedicht is – een onmiskenbaar teken dat het eens zo sterke bouwwerk van onze economie behoorlijk in verval is geraakt.

Wie moeten we nu geloven? Moeten we onze auto repareren en volpompen met benzine, een ziek organisme genezen, of nu eindelijk eens aan de slag met dat achterstallige onderhoud? Het punt is uiteraard dat geen van deze drie zinnebeelden – en er zijn er vast nog talloze andere – werkelijk overeenkomt met ‘de economie’. Maar vóór we ons hier bewust van zijn, en bewust van blijven, lopen we het gevaar onze ogen stuk te staren op het veelkleurige glas-in-lood in het venster. En hoe schoon ook, de mozaïsche kleurpatronen die taalgebruikers achteloos schilderen kunnen ons toch nooit vertellen hoe de werkelijkheid buiten tegemoet te treden.

Verdromen

2 december 2011

…zo werd ik vanzelf onzichtbaar, een bleke vlek onder de populieren die daar de zomer verdroomde…

In een van de mooiste zinnen uit zijn Caesarion roept Tommy Wieringa een bijna vergeten woord in herinnering. Het dichterlijke verdromen is helaas geworden tot een zeldzame verschijning in het prozaïsche landschap onzer letteren. Toch hebben we sinds het woord in de zeventiende eeuw onze taal binnenzwierf vele dagen en nachten, maanden, jaargetijden, ja zelfs eeuwen verwijld in innige verdroming.

Wie van ons heeft niet in de verliefdheid der jeugd verdroomd door de straten van zijn geboorteplaats gelopen? Of, in later jaren, bij het horen van dierbare vergeten muziek, gevoeld hoe zijn aandacht verdroomde in herinnering? En wie kent, ten slotte, niet de vreemde verdroming die over een mens komt wanneer hij maar lang genoeg in de wankele vlammen van een vuur tuurt, of naar het eeuwige spel van de golven?

Zo zijn het ook de steeds wisselende seizoenen, en vooral de zomer en de winter, die we in verdroming doorbrengen of zouden willen doorbrengen. Dus nu de eerste decemberregen over het land waait en de langverwachte winter eindelijk in aantocht lijkt, kunnen we wellicht meevoelen met de eenvoudige herfstverzen van A.H. Hoffmann von Fallersleben (1798-1874), die eeuwen her de komst van een winter met lede ogen aanzag:

Wie zal nog plukken en winden
De rozen tot een krans?
Wie zal nog onder de linden
Gaan springen den avonddans?

Ik woude ik mochte verdromen
Den argen winter koud,
En slapen met al de bomen
En bloemen in beemd en woud!

Valse noot

18 november 2011

Lang heb ik gedacht dat het eigenlijk vreemd is om een enkel woord ‘mooi’ of ‘lelijk’ te vinden. Zijn woorden immers niet als muzieknoten die pas betekenis krijgen wanneer ze samengeweven worden tot zinnen en verhalen als tot melodieën en akkoorden? Maar wellicht gaat dit niet altijd op. Alsof de duvel zelf ermee speelde, werd ik onlangs op één dag driemaal geconfronteerd met een woord waarvan ik dacht dat het reeds lang verbannen was naar een afgelegen, verlaten Elba van de Nederlandse taal. Kennelijk echter is deze kleine banneling even sluw en vindingrijk als ooit de Kleine Keizer was.

Eerst in een televisieprogramma, vervolgens in een verkoopfolder, en ten slotte in een krantencolumn, werd ik gewag van respectievelijk een sweatertje, een wijnkoker, en een jurkje die alledrie werden aangeprezen met de typering kek. Al gauw voelde ik een ononderdrukbare fysieke weerzin opkomen – gepaard gaande met lichte doch onmiskenbare oprispingen. Eenmaal bekomen van mijn acute misselijkheidsaanval, rees de vraag waarom een enkel woord nu zo’n heftige reactie kan oproepen.

Qua klank is kek niet bepaald welluidend, maar dat kan toch geen verklaring zijn: gelijkklinkende woorden als kok en pep liggen mij immers heel wat prettiger op de maag. Neen, het moet iets met de betekenis van doen hebben, met die mengeling van oubollige ironie en gefingeerde humor die kek immer uitstraalt. Ironie werkt immers juist wanneer we een woord in een andere betekenis dan gewoonlijk gebruiken (‘mooi weer vandaag hè’); als een woord altijd op ironische toon gebezigd wordt is er weinig lol meer aan.

Volgens de etymologen werd midden jaren zeventig het bijvoeglijk naamwoord keck geleend van onze oosterburen, een verwant van Nederlands kwiek en Engels quick. Helaas kan ik niet achterhalen hoe precies de betekenis van het Duitse woord gevormd is, maar ik vermoed dat er geen Goethe of Rilke aan te pas is gekomen: kek is wel bij uistek een ‘ondichterlijk’ woord. Iedere taaluiting waarin het voorkomt wordt meteen omlaag getrokken naar het banaalste stijlregister. Het zou ongetwijfeld zelfs in de onlangs verschenen ‘straattaalbijbel’ een goddeloze stijlbreuk opgeleverd hebben wanneer een van Jezus’ discipelen Hem gezeten aan het Laatste Avondmaal, tussen de Wijn en het Brood, gecomplimenteerd had met zijn schoeisel: ‘Wat een kekke sandaaltjes heeft u vandaag weer aan, Heer!’

Was er voor woorden (als voor hardleerse Franse keizers) een St. Helena, een banningsoord waar ze in alle rust onherroepelijk uit het collectieve geheugen weg kunnen zinken, dan zou ik kek vandaag nog uit ons taalgebied verschepen. In geen enkele omgeving heeft het woord mij ooit kunnen bekoren. Doch mijn muzikale metafoor van taal wil ik hiermee niet direct overboord zetten. Het kan immers ook voorkomen dat een instrument ontstemd is, waardoor de snaren slechts valse noten voortbrengen, die ieder akkoord en iedere melodie omvormen tot een schurende, schelle wanklank. Zo’n valse noot is kek.

Dan nu het nieuws

19 oktober 2011

Om mijn vermoeden te toetsen dat de Nederlandse taal zich bij uitstek voegt naar de cadans van het stafrijm, heb ik vanmorgen eens een eenvoudig experiment gedaan. Naar het voorbeeld van W.H. Audens Age of Anxiety – in het bijzonder de passage die inzet met ‘Now the news. Night-raids on.’ – stelde ik me de opgave om de hoofdpunten uit de ochtendkranten in deze vorm te gieten. Haar dreunende ritme is namelijk, zoals Audens verzen laten zien, bijzonder geschikt voor de bondigheid van nieuwsberichten. Vooral de mogelijkheid om lidwoorden weg te laten en een ‘telegramstijl’ te hanteren, biedt veel handvatten om de krachtige cadans van Oudengelse of Oudnoorse gedichten te benaderen. In combinatie met het gebruik van enkel de tegenwoordige tijd kun je bovendien een verre nagalm opvangen van het soort apocalyptische en visionaire verzen dat in de Völuspá (onderdeel van de Edda) overgeleverd is. Of mijn experiment geslaagd is laat ik aan de lezer over, maar ikzelf zou ‘s morgens de krant graag openslaan ware zij in deze vorm gesteld – al wordt het wereldgebeuren er bepaald niet vrolijker op.

19 oktober 2011

Dan nu het nieuws. | Nacht in Griekenland:
Debet dwingt | tot deerlijke acties:
De nijverheid zwijgt; | de natie staakt;
Betogers in Athene. | Twijfel in Israël,
Hamas tevreden: | gevangen soldaat
Na vijf jaar vrij. | Vrijheidsstrijders
Belegeren laatste | Libische bolwerk,
Walid valt, | het volk juicht,
Kaddhafi verdwenen. | Drama verschrikt
Verbijsterd China: | brute chauffeur
Laat machteloos meisje | verminkt achter.
Camera’s kijken: | het kind sterft
Voor ieders oog. | In ‘t oosten onrust,
Druchten Abdullah | bedankt premier
Verguisde regering. | Van Gogh vermoord?

Nibelungenlied – een bespreking

18 oktober 2011

Wee uw vrije uren in dit najaar, want het Nibelungenlied is opnieuw vertaald; ditmaal door Jaap van Vredendaal, die eerder voor zijn rekening nam de Heliand, het vermaarde Oudsaksische heldendicht over Jezus.

Het Nibelungenlied, voor wie zich nu achter de oren krabt, is een Duits heldendicht dat rond het jaar 1200 door een onbekende is opgeschreven in het Middelhoogduits, de voorloper van het hedendaags Hoogduits. Het bijna tienduizend regels tellende rijmwerk wordt gezien als een van de pronkstukken van het Duitse erfgoed; het is een zeer voornaam voorbeeld van de christelijk ingegeven hoofse letterkunde van de middeleeuwen. Doch evenwel is het een nagalm van de Germaans-heidense houding van genadeloze en volstrekte wraak binnen een reeks van lotswendingen die leiden tot de doem van menig ziel. Het Nibelungenlied eindigt niet met “en zij leefden nog lang en gelukkig.”

Verhaal
Vertelt het verhaal van Kriemhilde, wier drie broers Gunther, Gernoot en Giselher heersen over de Bourgonden. Naar haar hand dingt de held Siegfried, gekomen uit Nederland, hier de naam van de streek rond de Neder-Rijn. Gunther, voornaamste van de drie vorsten, zegt Siegfried zijn hulp toe in het verwerven van Kriemhilde, mits Siegfried hem met list helpt de hand te winnen van Brunhilde, de welbewapende koningin van IJsland. Siegfried stemt in. Wat volgt is een aaneenschakeling van noodlottige daden en wederdaden die in de meeste beschrijvingen van dit verhaal jammer genoeg worden verklapt.

Doch het zij bekend dat Siegfried voor zijn komst naar het hof van de Bourgonden te Worms eigenhandig de Nibelungen had verslagen, een volk onder leiding van de broeders Nibelung en Schilbung, en hen zo een reusachtige schat afhandig had gemaakt, en dat hij een draak had geveld in wiens bloed hij naderhand had gebaad. Hij had ook de dwerg Alberik beroofd van de tarnkappe, een mantel die de drager onzichtbaar maakt, en Alberik zelf aangewezen als bewaarder van zijn ‘Nibelungen-schat’.

Achtergrond
In wezen is het Nibelungenlied dan ook een vervlechting van twee verschillende, zeer oude verhalen. Enerzijds is er dat van de tochten en zeges van Siegfried, een figuur uit een Germaanse legende die op zijn minst enkele eeuwen oud was eer wij haar hier terugvinden. Anderzijds is er dat van het lot van de Bourgonden van het Rijnland, die in de vijfde eeuw na Christus een vreselijke nederlaag leden tegen de Hunnen. De Bourgondische koning van toen, Gundahari, is zonder de twijfel de oorspronkelijke Gunther. En de Hunnen komen evenwel voor in het Nibelungenlied, zij het in een andere hoedanigheid; hun beruchte koning Attila heet hier Etzel en speelt een sleutelrol.

Vertaling
Zoals gezegd vertaalde Van Vredendaal eerder de Heliand; hij behield daar naar het leek moeiteloos de oorspronkelijke Germaanse rijmvorm, het stafrijm, en toonde dat onze taal en het stafrijm nog steeds als twee vleugels van één vogel zijn. Het vier eeuwen jongere Nibelungenlied is destijds echter opgesteld in het voor de meeste mensen bekendere eindrijm. Het Nederlands en het eindrijm blijven echter ongemakkelijke deelgenoten. Ter verluchting strofe 129 uit Van Vredendaals vertaling van het Nibelungenlied:

Telkens als de ridders zo de tijd passeerden
en met hun hoofse spel de vrouwen imponeerden,
zag men niemand liever dan de held uit Nederland.
Hij had zijn hart en zinnen aan de hoofse minne verpand.

Hoewel in de eerste twee verzen rijm en klemtoon samengaan (passéérden en imponéérden), loopt het spaak in de andere twee regels, zoals rijm en klemtoon uiteenlopen (Néderland en verpánd). Zulks komt de lezer op iedere bladzijde tegen. Dit is stellig niet Van Vredendaals dwaling, want zo is het nu eenmaal ook in het oorspronkelijke gedicht. Het kan ook niet een eerlijke uitdaging voor Van Vredendaal zijn om voor sluitend eindrijm te zorgen, want eindrijm is nu eenmaal niet de meest geschikte rijmvorm voor enige Germaanse taal, waar de klemtoon van erfwoorden immer op de eerste lettergreep dan wel de stam rust.

Niettemin is Van Vredendaals vertaling een vlotte en doordachte, die gelukkig weinig vervalt in te hedendaags taalgebruik. Dat sommige regels stafrijm bevatten is tot grotere vreugde menig lezer, doch het is moeilijk te zeggen of dit met opzet is. Zulks zou men in elk geval wel verwachten van de man die zesduizend regels van de Heliand in stafrijm heeft vertaald. Het is ook opvallend dat hier net als in zijn andere vertaling het aantal leenwoorden sterk beperkt is. Dat versterkt het begrip dat men met een verhaal uit een ver verleden van doen heeft. Doch zijn keuze om het reeds genoemde woord tarnkappe te vertalen als toverkap zal niet bij iedereen in goede aarde vallen; het doet wellicht wat knullig aan in deze tijden van Kabouter Plop en dergelijken. Het lid tarn­-, van Oudgermaans *darn-, beduidt ook eigenlijk verhulling en vermomming en niet zozeer tovenarij, iets wat Van Vredendaal ongetwijfeld weet. Wat was er op tegen geweest om voor tarnkappe diens letterlijke Nederlandse nevenvorm te gebruiken: daarnkap? Geheimzinnige voorwerpen mogen geheimzinnige namen dragen – desnoods met toelichting in een voetnoot. En anders zou wellicht een vertaling als hulmantel nog te verkiezen zijn.

Toelichting
Net als bij zijn vertaling van de Heliand geeft Van Vredendaal een welkome en doorwrochte inleiding waarin hij de meeste vragen over het hoe, wat en waarom van het werk beantwoordt. Zoals verwacht bespreekt hij de verhouding van dit Middelhoogduitse verhaal tot diens verwant in de Oudijslandse letterkunde, waar Kriemhilde, Siegfried, Brunhilde en Gunther onderscheidenlijk Guðrún, Sigurðr, Brynhildr en Gunnarr heten. De moeite waard is ook de bespreking van de geschiedkundige en mythologische achtergrond van (de gebeurtenissen in) het verhaal, achterin het boek. Beknopter is het een en ander overigens al te lezen op de bladzijden die Van Vredendaal op zijn eigen webstee aan het Nibelungenlied heeft gewijd. Wie wil kan daar ook een samenvatting van het verhaal lezen, al is het uiteraard niet aan te raden voor mensen die het verhaal nog niet kennen.

Een kleine teleurstelling is wel dat een duiding van de naam Nibelung niet echt aan de orde komt. Van Vredendaal schrijft dat vanaf de achtste eeuw Frankische edelen de naam Nibelung dragen, maar behandelt de eigenlijke etymologie met een enkele zin: “De verklaring dat de naam zou zijn afgeleid van ‘Nebel’, ‘nevel’, ‘mist’, is omstreden.” Inderdaad, veeleer lijkt het lid nibel- afkomstig van Oudgermaans *nihwela- ‘diep gelegen, laag gelegen’, ook te vinden als Middelnederlands niel ‘voorover geworpen, op de grond geworpen’ (vanwaar Nederlands vernielen) en in Oudnoords Niflheim ‘onderwereld, hel’ en Niflhel ‘laagste deel van de onderwereld, diepste hel’. Betekent Nibelung dan letterlijk ‘neder-lander’? Siegfried komt immers uit ‘Nederland’. Of is de naam van mythische aard en is hij oorspronkelijk van een bewoner van de wereld onder de grond, zoals een dwerg? Schatten en dwergen zijn immers onlosmakelijk verbonden.

Uitvoering
Het boek is uitgegeven door Boom en is in zetting, opbouw en omslagontwerp gelijk aan Van Vredendaals vertaling van de Heliand, destijds uitgegeven door SUN. Dat is geen verrassing, want SUN is inmiddels onderdeel van Boom. Net als bij de Heliand heeft dit boek geen oorspronkelijke tekst naast de vertaling. Dat is jammer voor de echte taalliefhebbers, maar heel begrijpelijk, daar het boek zo al dik genoeg is. Het enige verschil in uitvoering tussen de twee vertalingen is dat dit nieuwe boek een zachte (doch niet geplastificeerde) kaft heeft, terwijl het andere een harde kaft had. Verder is het boek voorzien van schitterende verluchtingen uit de oorspronkelijke handschriften, in kleur.

Tot besluit
Deze zorgvuldige en welgevormde vertaling van het Nibelungenlied door Jaap van Vredendaal is een aanwinst voor de boekenkast van iedereen met de minste belangstelling voor de geschiedenis van deze streken. Want al is het verhaal in Middelhoogduits opgeschreven, het reikt terug naar een tijd en cultuur waar ook onze eigen voorouders deel aan hadden.

Aranmánoth

12 oktober 2011

Er zijn woorden wier klank en aanschijn mij terstond doen dromen over een land waar metaal en wielen schaars zijn, en plastic en beton niets minder dan het werk van kwade geesten. Ja, het is alsof welluidendheid en geheimzinnigheid niet van deze wereld zijn.

Aranmánoth is niet de naam van een roemrijke burcht in een mythisch en woest land waar koningen om hebben gestreden. Noch is het een duistere, bloed-verzegelde toverspreuk in een gewijde taal uit een heidens verleden, of hoe een vermaard en krachtig strijdros hiet in een groot half-verloren heldendicht. Nee, het is evenmin de naam van een scheerse whisky uit de Schotse Hooglanden.

Aranmánoth is hoe men in de vroege middeleeuwen van de Lage Landen ook wel de maand augustus noemde. Het betekende in het Oudnederlands letterlijk ‘oogstmaand’. Het verband tussen deze maand en de oogst is een vanzelfsprekende – oogstmaand zelf is ook een andere naam voor augustus. Bovendien is het woord oogst zelf een verbastering van augustus. Het eerste lid, aran ‘oogst’, is inheems en vinden we terug in Middelnederlands arne, arn ‘oogst’, naast het werkwoord arnen, arenen, aernen, aren ‘oogsten, inzamelen’. De beide leden zijn opgenomen in de lijst van vergeten woorden, in de vorm aarn en aarnen.

Aranmánoth is verrukkelijk ondof: vrij van de kwelling die wij sjwa of stomme e noemen – in diens twee onbeklemtoonde lettergrepen vinden wij vólle klinkers. Het bevat de klanken r, n, m en th, die verdacht vaak aanwezig zijn in welluidende woorden, zo leert mij de ervaring. Bovendien zorgt een lichte botsing tussen n en m ervoor dat het woord niet te zoet is, niet té gemakkelijk van de tong rolt. Het woord is mij een genot. En dat terwijl ik eigenlijk helemaal niet houd van maandnamen die maand bevatten.

~

Kennelijk was ik niet de enige die Aranmánoth bijzonder vond, want het is ook de titel van een Spaans boek. Gelijkende woorden zijn marathon, mits door een Engelsman uitgesproken, en Aranrúth, de naam van het zwaard van Thingol, koning van Doriath, in de verhalen van J.R.R. Tolkien – een samenstelling van aran ‘koning’ en rûth ‘toorn’ in de elventaal Sindarijn.

Het mooie kwijnen

10 oktober 2011

Het was het gezicht van mijn moeders vader, het zijn de bomen in herfst, het zijn de oude boerderijen, de verweerde schuren en door gras verzwolgen paden… Het zijn de handen van herders, de vervallen houten hekken rond de weiden, de omloverde muren, de gammele stoelen van gisteren… Getekend zijn zij door vergankelijkheid — met de jaren en de sleet hebben zij hun schoonheid en eigenheid verworven. Zij schitteren in verwering. Heeft zoiets een naam in onze taal? Is het ooit genoemd? Het heugt mij niet.

Denken wij dan aan die grauwgroene laag van oud brons en koper, die mooie roest die men patina noemt. In het Engels betekent patina hetzelfde, doch ruimer ook de “surface appearance of something grown beautiful especially with age or use.” Of in het Japans, waar namen en woorden meer gekoesterd lijken, vinden wij het verledenrijke sabi, een begrip dat niet alleen de mooie veroudering behelst, maar ook eenzaamheid en rust, met een vanzelfsprekende nadruk op natuurlijke materialen. Vaak wordt het in een adem genoemd met wabi, de idee van de bescheiden, eenvoudige schoonheid, volgens welke men de lichte onvolmaaktheid mag loven.

Ik verlang naar een woord in eigen tong dat zulks mag beduiden. En mijn taaldacht drijft mij naar het Oudsaksisch, de voorouder van de Saksische streektalen in Nederland en Duitsland. Want in diens schat was wánam, een woord dat men verstond als ‘mooi’ en ‘glanzend’ en ‘stralend’ – vermoedelijk verwant aan woorden als Nederlands wens en Oudnederlands wini ‘vriend’, en in de verte aan Latijn venus ‘hartstocht, mingenot, schoonheid’. Wánam zou in het Nederlands wanem luiden. En wat nu zo mooi is: het draagt dezelfde klank als dat oude werkwoord wanen, dat ‘afnemen, verminderen’ beduidt. In het Engels spreekt men nog van de waning moon, waar wij thans de afnemende maan zeggen. Een woord als wanem zou aldus goed de schoonheid in vergankelijkheid kunnen weergeven. Dat is, als dat andere gelijkende woord niet zou bestaan: waan ‘gedachte die niet op waarheid berust’. Helaas voor wanem

Ik denk aan een ander woord, van mijn eigen smeding. Met de vergankelijkheid als punt van vertrek neem ik het woord kwijnen ‘langzaam verzwakken, verwelken’: zoals naast bijten het woord bitter (letterlijk ‘bijtend, scherp’) zo naast kwijnen het woord kwinner (letterlijk ‘kwijnend’). Of liever kwinder, want wij plegen een -d- te plaatsen tussen -n- en -r-, zoals is gebeurd in minder, diender en donder. Het wil dat in het Gronings een bouwvallig huis ook wel een kwint of kwinde heet. Dat dat woord aan kwijnen verwant is durf ik niet te beweren, maar ik vermoed het wel.

Kunnen wij zeggen dat de bomen in herfst kwinder zijn? Wordt hen zo recht gedaan? Kwinderen de handen van een oude schilder? Is er kwinder in een verweerde, goed gebruikte houten schuur? Ik hoop het!

Gársecg

9 oktober 2011

Hoe’n ontzag zou de grote, open zee bij onze ere voorouders hebben gewekt, in een tijd dat schepen bijna niet van boten te onderscheiden waren? Hoe vreselijk en verschrikkelijk moet de zee wel niet zijn geweest in hun voorstelling. Roerend als de baren van dit onvergeeflijke en onmetelijke ruim zullen de geruchten zijn geweest over hetgeen voorbij. Niet groot kan dan de verrassing zijn dat men vroeger menig naam had voor de zee, voor het wilde haf.

Evenmin mag het verbazen dat de grote wereldzee om de bewoonde wereld bij eigen woord bekend was, zoals wendelmeer. De Angelsaksen van het oude Brittannië –broeders tot de Saksen en Friezen in deze Nederlanden– noemden haar ook wel de gársecg.

Be norþan ðæm beorgum, andlang ðæs gársecges, óþ ðone norþ-éast ende ðyses middangeardes, ðǽr Bore séo éa scýt út on ðone gársecg.

Benoorden de bergen, langs de gársecg, tot het noord-oost-einde van deze Middengaard, daar schiet de rivier de Bore uit in de gársecg.

Tamelijk mistig is dit woord gársecg. Volgens een gebruikelijke duiding is het te lezen als gár-secg, een samenstelling van enerzijds gár ‘speer’, hetzelfde woord als Nederlands geer, en anderzijds secg, een dichterlijk woord voor ‘man’ dat met dezelfde betekenis ook bestaat als Oudsaksisch segg en Oudijslands seggr. Is de wereldzee als ‘speerman’ dan vernoemd naar de Germaanse tegenhanger van de drietand-houdende Neptunus of Poseidon? Het zou een schitterende nagalm zijn van een oud, heidens wereldbeeld.

Een andere, minder roemrijke mogelijkheid is dat de benaming gársecg het woord secg bevat, hetzelfde als Nederlands zegge, de naam van een grassoort die gedijt in vochtige streken, zoals oevers en kusten.

Wellicht! Doch wellicht is gársecg eerder te lezen als een samentrekking van gáres ecg. Het woord ecg betekent ‘rand’ en leeft in het hedendaags Engels voort als edge. Gáres is dan de tweede naamval van gár, hetzelfde woord als gár ‘speer’, maar dan in de tevens overgeleverde betekenis ‘spits toelopend land’ (hier ‘landtong, nes’). Het Nederlandse geer heeft ook zo’n tweede, of beter gezegd ruimere betekenis. Gáres ecg, oftewel ecg-van-de-gár, is dan op te vatten als ‘rand van de nes’, met een betekenisverschuiving naar ‘zee’.

Want wie op de uiterste punt van een nes staat –werkelijk aan de rand, on gáres ecge– die waant zich al op zee, te midden van de golven.

De kunst van het noemen

6 oktober 2011

Groot werd hun kennis en hun kunnen; doch groter nog was hun dorst naar meer kennis, en in vele dingen overtroffen zij aldra hun onderwijzers. Zij waren veranderlijk in spraak, want zij hadden grote liefde voor woorden, en zochten immer te vinden namen voeglijker voor alle dingen die zij kenden of zich voorstelden.

(Over de Noldor, Hoge Elven in The Silmarillion van J.R.R. Tolkien.)

De wijsgeer, die naar zijn aard de werkelijkheid in al haar lagen zoekt te doorgronden, heeft vaak nood aan nieuwe woorden. Zo kan hij zijn gedachten verder ordenen, zo kan hij het verdere onderscheid tussen zijn geestesdoelen scherp houden. Zoals Owen Barfield het echter zou zeggen: hoe meer men onderscheid aanbrengt in de werkelijkheid, des te meer zij versplinterd raakt. De wijsgeer, en dat is ieder mens in enige mate, raakt aldus verwijderd van een oorspronkelijke toestand van volkomen eenheid van het bestaan, onszelf inbegrepen.

Maar Barfield betreurde deze verwijdering niet – hij zag haar zelfs als onvermijdelijk. Want gelukkig is er de dichter, die immer spelend met metaforen en wendingen ons met de schok van verrassing weer eenheid kan laten ervaren, als een wonder opnieuw. Waren wij vroeger allen dichters, omdat onze vroege taal zoals een geheel van metaforen was, wij waren ons het dichterlijke niet bewust. Zijn nu slechts enkelen van ons dichters, wij ervaren allen het dichterlijke. Onderscheid in de werkelijkheid is zo geoorloofd en vanzelfsprekend.

Schroom dan niet te noemen wat nog geen naam heeft. Doch noem met mate, lijkt de les, want waar het noemen als een kunst wordt bedreven wordt de werkelijkheid, die ons dwergt, eerbiedigd.

Nu is noeming als kunst, oftewel de noemkunst, helaas zeldzaam dan wel onbestaand – in onze taal althans. De nieuwe woorden die komen zijn zelden kunstig, en meestal ontleend aan andere talen. De namen die men aan kinderen geeft ontberen meestal enige betekenis, op losse associatie en gevoelswaarde na, en zijn ook steeds vaker ontleend aan andere talen. Over de namen van voorwerpen en andere zaken hoeven wij maar te zwijgen. Is een volk dat onbezonnen is over noeming niet onbezonnen over de wereld? Voeglijkheid lijkt thans uit den boze.

De noemkunst te noemen is, nu en eltijds, de noemkunst te roemen. Gedije zij weer.

Hersterking

5 oktober 2011

Een glazige blik kreeg ik toen ik het woord ried liet vallen. “Ik ried haar deze aan,” had ik gezegd. Enige verduidelijking later bekende mijn toehoorder enkel raadde te kennen. Waarop ik een glazige blik terug wierp. Nu wordt het oorspronkelijk sterke werkwoord raden al enige eeuwen ook zwak verbogen, maar dit onweten stak.

Want vaarn en vervig is het sterke werkwoord. Waar het zwakke werkwoord bestaat bij de gunst van een achtervoegsel blijft het sterke werkwoord zichzelf, terwijl het zich hult in verschillende gedaanten zoals het jaar getijden heeft. Het heeft integriteit en karakter – is eigenzinnig in de beste zin van het woord.

Een taal die enkel op achtervoegsels en samenvoegingen steunt, hoe mooi ook, is vlak. Een taal waar de klinkers wisselen, zoals in sterke werkwoorden, heeft diepgang en verborgenheid. Zij is van de glooiingen en hellingen en krochten.

Onze taal is in verleden eeuwen enige sterke werkwoorden kwijtgeraakt; werkwoorden die ooit sterk waren zijn nu geheel of deels zwak. Andersom zijn er ook zwakke werkwoorden deels sterk geworden, gelukkig. Doch niets let ons de hersterking. Niet de haviken van het Groene Boekje noch uw fronsende frinden kunnen u berispen als u weer sterk laat zijn wat ooit sterk was.

Gaarne leid ik u daarom naar Ooit sterk, een lijst van werkwoorden met hun oude sterke vervoeging.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 46 other followers