Kennelijk bij toeval of onbewuste voorkeur beginnen woorden voor vervallen gebouwen e.d. dikwijls met een k, getuige Nederlands krot, gewestelijk knip en Fries klint. Hier heden vestigen we onze aandacht op een vierde: Drents en Gronings kwint.
Begrippen en duidingen
In de woordenboeken staat kwint met zijn nevenvormen kwinte en kwinde in de zin van ‘bouwvallig huis’ (Reker), ‘oude, vervallen woning’ (Kocks), ‘vervallen huis’ (Steenhuis), ‘oud, bijna bouwvallig huis’ (Ter Laan) en ietwat afwijkend ‘kleine, bekrompene, ellendige woning, krot’ (Molema). Begrijpelijkerwijs wordt soms ook de ouderdom van het bouwsel benadrukt, zoals men spreken kan van een ’n aole kwinte in Drenthe en ’n olle kwint in Groningen.
Naar de herkomst lijkt slechts een enkele keer gegist te zijn. In 1915 achtte Wobbe de Vries het verwant aan kont en vergeleek het met gat, dat immers ook bestaat in de betekenis van ‘ellendige woonplaats’. In het grote, doorwrochte Woordenboek der Nederlandsche Taal heet gat zelfs een “verachtelijke benaming van een klein, donker, of wel bouwvallig huis, nauwelijks geschikt om door menschen bewoond te worden.” Tientallen jaren later nam Toon Weijnen bij gebrek aan beter bondig de duiding van De Vries over in zijn herkomstkundig streekwoordenboek. De zwakte ervan is dat kwint niet overgeleverd is met een betekenis die dichter bij die van kont ligt.
Verleidelijk ondertussen is verbinding met kwijnen ‘langzaam verzwakken, verwelken’, hoewel de toedracht dan onduidelijk blijft. Denkbaar is een oude, Germaanse t-afleiding met de oorspronkelijke betekenis ‘gekwijn’ bij dat werkwoord, te vergelijken met bijvoorbeeld Oudengels híewet ‘gehouw’ bij héawan ‘houwen’ en sǽwet ‘gezaai’ bij sáwan ‘zaaien’. Dergelijke afleidingen zijn nochtans zeldzaam en oud, terwijl de late en aardrijkskundig beperkte verschijning van Drents en Gronings kwint juist kan wijzen op een tamelijk jonge ontwikkeling.
Andere verbanden
Nu wil het dat het woord in Drenthe behalve ‘oude, vervallen woning’ ook de betekenis ‘kleine, zure appel’ heeft volgens het woordenboek van Kocks. Dat is te vergelijken met hoe Nederlands krot zowel ‘bouwval’ als ‘klein mens of dier’ beduidt en verwant is aan Gronings kreute ‘kleine appel’ en Drents kreute ‘klein mens of dier’. En het verheldert hoe kwint tevens in de afwijkende betekenis ‘kleine, bekrompene, ellendige woning, krot’ gegeven is.
Gaan we de grens over, stuiten we op Westfaals kwinten voor ‘onaanzienlijke, misvormde vruchten’, maar ook ‘nutteloze dingen’, ‘onschuldige, dommige grappen; grappige invallen’ en ‘voorwendsels, smoezen’. Het Westfälische Wörterbuch schaart dit alles als overdrachtelijk onder kwinte ‘snaar van een viool’ en verwijst naar Rijnlands Quinte ‘dunste snaar van de viool’ in het Rheinische Wörterbuch, waar evenredig het meervoud wordt gegeven als ‘nutteloze werken’ en ‘nukken’, terwijl het enkelvoud daar ook gebruikt wordt voor o.a. ‘oorvijg’, ‘grapjas’, ‘kwaad, koppig meisje’ en ‘vrouw die men een onhebbelijkheid met een lichamelijk gebrek verwijt’.
Ja, wij kennen zelf ook Nederlands kwint ‘vijfde toon; hoogste, dunste snaar van een viool’ en kwint ‘nuk, kuur, gril’. In onze woordenboeken zijn die twee meestal gescheiden en teruggevoerd op enerzijds Frans quinte ‘vijfde toon’ en anderzijds Frans quinte ‘hoestbui; slechte bui’, dat eerst naar een aanval van het vijfde uur verwijzen zou. Doch in beide talen kan het tweede uit het eerste ontstaan zijn. Steun daarvoor is het bestaan van de kluchtige uitdrukking de kwint sprong hem ‘hij werd erg boos, hij ging door het lint’, eigenlijk ‘de hoogste snaar knapte bij hem’. Tevens van belang is het bestaan van Middelnederduits lose quinte ‘valse toon, bedrog, streek’ en lame quinten singen ‘met schijngronden aankomen’, mede gezien het reeds genoemde Westfaals kwinten in de zin van ‘voorwendsels, smoezen’.
Besluit
Dus samenvattend kunnen we voor kwint de volgende betekenisontwikkeling veronderstellen: ‘vijfde toon, hoogste snaar’ werd ‘valse toon’, dan ‘(kwade) gril’, ‘grap’, ‘voorwendsel’ en ‘slecht, nutteloos ding’ en vandaar toen enerzijds ‘onaanzienlijke, misvormde vrucht’ en ‘kleine, zure appel’ in Westfalen en Drenthe en anderzijds ‘kleine, ellendige woning’ in Drenthe en Groningen, om daar ten slotte ruimer ‘vervallen huis’ te worden. Niettemin is het een mooie samenklank hoe kwint op kwijnen lijkt.
Beeld
Verwijzingen
Dittmaier, H., Rheinisches Wörterbuch (webuitgave)
INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)
Kocks, G.H., Woordenboek van de Drentse dialecten, 1e deel A–L (Assen, 1996)
Krahe, H. & W. Meid, Germanische Sprachwissenschaft III: Wortbildungslehre (Berlijn, 1969)
Laan, K. ter, Nieuw Groninger woordenboek, 2e druk (Groningen, 1989)
Molema, H., Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (1895)
Niebaum, H. e.a., Westfälisches Wörterbuch, 5 Bde. (Neumünster, 1969–2021)
Reker, S., Zakwoordenboek Gronings-Nederlands (Groningen, 1998)
Steenhuis, F.H., Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden (Wildervank, 1978)
Vries, J. de, Nederlands Etymologisch Woordenboek (Leiden, 1971)
Vries, W. de, “Etymologische aanteekeningen”, in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 34 (1915), blz. 282–97
Weijnen, A.A., Etymologisch dialectwoordenboek, 2e druk (’s-Gravenhage, 2003)
Geachte heer Van Renswoude,
U schrijft: Nu wil het dat het woord in Drenthe behalve ‘oude, vervallen woning’ ook de betekenis ‘kleine, zure appel’ heeft volgens het woordenboek van Kocks. Dat is te vergelijken met hoe Nederlands krot zowel ‘bouwval’ als ‘klein mens of dier’ beduidt en verwant is aan Gronings kreute ‘kleine appel’ en Drents kreute ‘klein mens of dier’. En het verheldert hoe kwint tevens in de afwijkende betekenis ‘kleine, bekrompene, ellendige woning, krot’ gegeven is.
Het woord kreute kennen we in de Betuwe als kroet voor kleine appels.
Bij Rhenen heb je de zandafgraving Kwintelooijen en daar ging ik bijna de mist in. Want de naam hier heeft niets met een naam voor het gebied te maken maar slaat op de families Kwint en Van Ooijen.
Met hartelijke groet,
Joke Honders
In 2 Koningen 4: 37-41 staat het verhaal over de giftige Coloquinten (SV 1637), die eetbaar worden gemaakt door meel in de pot te doen.