Skip to content

Oude reuzen

5 oktober 2010

In de Germaanse godenwereld speelden reuzen van oudsher een grote rol. Voor ‘reus’ hebben in de Germaanse talen dan ook meerdere woorden bestaan. Een zoektocht naar de duiding van één zo’n woord begint bij het woord hunebed.

Volgens het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (EWN) is het woord hunebed waarschijnlijk “gevormd in navolging van ouder Duits Hünengrab ‘hunebed’ (…), Noord-Duits Hünenbett.” Hüne is hier oorspronkelijk een Nederduits woord voor ‘reus’ dat in de negentiende eeuw door dichters in het Hoogduits terecht is gekomen. Het Hoogduits had daarvoor wel een eigen vorm gekend: Vroegnieuwhoogduits heune ‘reus’ en daarvoor Middelhoogduits hiune id.

Nu stelt het EWN dat dat dit woord voor ‘reus’ hetzelfde is als de naam van de historische Hunnen, een oosters steppevolk dat ongeveer tussen 370 en 450 na Christus menig Germaanse (en niet-Germaanse) stam de stuipen op het lijf joeg en zodoende een stempel heeft gedrukt op het geheel van Germaanse legenden. Zo hadden de Oost-Germaanse Goten dan ook gewaagd hun toevlucht te zoeken binnen de grenzen van het Romeinse Rijk, om maar aan de Hunnen te ontkomen. In 551, een eeuw nadat de Hunnen voorgoed waren verslagen en min of meer waren verdwenen, beschreef de Gotische geschiedschrijver Jordanes hen als volgt:

They made their foes flee in horror because their swarthy aspect was fearful, and they had, if I may call it so, a sort of shapeless lump, not a head, with pin-holes rather than eyes. Their hardihood is evident in their wild appearance, and they are beings who are cruel to their children on the very day they are born. For they cut the cheeks of the males with a sword, so that before they receive the nourishment of milk they must learn to endure wounds. Hence they grow old beardless and their young men are without comeliness, because a face furrowed by the sword spoils by its scars the natural beauty of a beard. They are short in stature, quick in bodily movement, alert horsemen, broad shouldered, ready in the use of bow and arrow, and have firm-set necks which are ever erect in pride. Though they live in the form of men, they have the cruelty of wild beasts.

In de verhalen die van stam naar stam zijn gegaan zullen de Hunnen onsterfelijk zijn geworden als figuren met haast bovennatuurlijke krachten. Het zou dan ook niet vreemd zijn als hun naam later opduikt als een woord voor ‘reus’, hoe klein van gestalte ze eigenlijk ook waren. Dat is ook wat het EWN zegt. Maar daar lijken toch etymologische bezwaren aan te kleven.

De huidige benaming Hunnen is naar het voorbeeld van Latijn (mv.) Hunnī/Chunnī en Grieks (mv.) Ούννοι, met een onduidelijke herkomst. Men heeft deze wel verbonden met die van de Xiongnu, een volk dat in de derde eeuw heerste over wat nu Mongolië is. Enkele eeuwen na het verdwijnen van de Hunnen uit Europa vinden we nog in verschillende verhalen Oudsaksisch Hūn ‘Hun’, Oudhoogduits Hūn id., Oudengels Hún id. en Oudnoords (mv.) Húnar/Hýnir ‘Hunnen’. Op grond hiervan valt te reconstrueren Oudgermaans *hūniz/*hūnaz ‘Hun’.

Het EWN stelt nu dus dat het eerder genoemde woord Hüne ‘reus’ via Middelnederduits hune teruggaat op Oudsaksisch Hūn ‘Hun’ en dat Middelhoogduits hiune teruggaat op Oudhoogduits Hūn. Maar dit is moeilijk te geloven. Want terwijl Oudsaksisch Hūn ‘Hun’ en Oudhoogduits Hūn id. teruggaan op Oudgermaans*hūniz gaan Middelnederduits hune en Middelhoogduits hiune duidelijk terug op Oudgermaans*heuniz.

Vergelijk voor de klankontwikkeling hoe Nederlands lui ‘mensen’, Middelnederduits lude id., en Middelhoogduits liute id. (Nieuwhoogduits leute id. en Oudhoogduits liuti id.) teruggaan op *leudīz ‘mensen’ (enkelvoud *leudiz ‘man’).

Hier lijkt sprake van verhaspeling van de naam der Hunnen met een oud Germaans woord voor ‘reus’. Als dat werkelijk zo is, dan zou *heuniz ‘reus’ een voortzetting kunnen zijn van ouder *heuhniz ‘reus’ en dan verwant zijn aan *hauhaz ‘hoog’, vanwaar o.a. Nederlands hoog en Engels high, en misschien ook aan *heuhman, vanwaar Gotisch hiuhma (ook wel hiuma) ‘drom, menigte, hoop’. Het verband tussen ‘reus’ en ‘hoog’ is dan ook gauw gelegd.

Het is hierbij ook het vermelden waard dat in sommige verhalen klaarblijkelijk Germaanse helden en volkeren “Hunnen” worden genoemd. Zo wordt er in de dertiende eeuwse Þiðrekssaga (uit Noorwegen) verhaald van Húnaland, waar ene Attila over de Húnar heerst. Met Húnaland wordt hier duidelijk het Saksische Westfalen bedoeld; de Húnar zijn in deze saga dan ook gewoon Saksen en dus Germanen, en Attila is hier niet Attila de Hun maar een Saksische hoofdman. Nu komt het vaker voor dat in verhalen historische gebeurtenissen en namen van volkeren worden geplakt op andere volkeren, dichter bij huis. Dit proces wordt ook wel localisering genoemd. De hoofdpersoon van deze saga, Þiðrek, is uiteindelijk dan ook niemand anders dan Theodorik de Grote, een legendarische koning der Goten uit de vierde en vijfde eeuw, evenwel geboren vlak ná de dood van Attila. Hoe het ook zij, een dergelijke ‘overheveling’ van namen zou echter een stuk gemakkelijker gebeuren als er in de Germaanse talen al een woord bestond dat zeer leek op de historische, ‘overgehevelde’ naam.

Overigens is het opmerkelijk dat de historische Saksen, die in voornoemde saga Húnar (ook wel Hýnir) worden genoemd, rond de derde eeuw na Christus hun buurstam de Chauci hadden ingelijfd. De stamnaam Chauci (ook wel Cauci en Chauchi) is hier hoogstwaarschijnlijk een gelatiniseerd meervoud van *hauhaz ‘hoog’. De Chauci waren dus ‘de hogen’. Maar ‘hogen’ in welke zin precies? In de zin van hun uiterlijk, hun leefomgeving (terpen mogelijk), hun afkomst of misschien hun zedelijke uitmuntendheid? De Romeinse geschiedschrijver Tacitus heeft over de Chauci het volgende te zeggen (vertaling door J.B. Rives, 1999):

(35. 1) Up to this point we know Germania towards the west; towards the north it recedes in a huge bend. And first of all is the tribe of the Chauci. Although beginning from the Frisii and inhabiting part of the coast, they extend along the flanks of all the tribes that I have described until they wind their way as far as the Chatti; so immense an expanse of territory the Chauci not merely hold but actually fill. They are a people of great renown among the Germani, the sort that prefer to guard their greatness by acting justly. (35. 2) Devoid of greed and recklessness, orderly and aloof, they neither instigate wars nor ravage others through pillage and plunder. The paramount proof of their valour and strength is the fact that their superior rank does not rest on aggression; yet everyone keeps his arms at hand, and should circumstances require, they have armies abounding in horses and men. Even in peace their repute is the same.

Over hun rechtvaardigheid bestaat in elk geval twijfel, aangezien andere bronnen wel melding maken van aanvallen en plunderingen van de Chauci op buurstammen. Daarbij moet ook gezegd worden dat Tacitus’ beschrijving van Germanië en haar stammen hoe dan ook niet altijd betrouwbaar is. Van de latere Saksen (dus na inlijving van de Chauci) weten we in elk geval dat ze vaak met grof geweld buurstammen onderwierpen. Vervolgens verlaagden ze de mensen uit die stammen tot de status van lijfeigene. Geen Germaanse stam had een strenger klassensysteem dan de Saksen; het had veel weg van een kastensysteem. Zo werden huwelijken tussen mensen uit verschillende klassen bestraft met de dood.

Het lijkt er wat dat betreft eerder op dat de Chauci hun naam ontleenden aan hun rijzige gestalte dan aan enig vertoon van rechtvaardigheid en mildheid; anders zou hun positieve invloed toch wel merkbaar zijn geweest in de aard van de latere Saksen. De Chauci waren dan misschien eerder ‘hogen’ in de zin dat ze ‘reuzen’ waren. Maar een dergelijke gevolgtrekking valt niet te bevestigen. Al is het wel opmerkelijk hoe de Friezen in de Oudengelse letterkunde soms als ‘reuzen’ worden omschreven. De Friezen waren oorspronkelijk buren van de Chauci en later van de Saksen, en het onderscheid tussen Friezen, Saksen en ook Franken was vaak bijzonder onhelder.

Het wordt in het Oudengelse heldendicht Beowulf overigens allemaal nog verwarrender wanneer het oude Friesland door een groep of stam genaamd de Hugas wordt verdedigd tegen koning Hygelác en zijn Geaten uit Zweden. Wie de Hugas zijn in historisch perspectief is niet helemaal duidelijk, maar de naam is vaak in verband gebracht met de Chauci. Uit de proza-vertaling van Beowulf door Jan Jonk (regels 2910–2921):

Voor het volk ligt nu wel oorlog in het verschiet, als overal bij de Franken en de Friezen de dood van de koning bekend wordt. Er ontwikkelde zich verbitterde vijandschap met de Hugen, toen Hygelac met een vloot oorlogsschepen naar Friesland gevaren was, waar de Hetwaren hem in heftige strijd aanvielen, en zo krachtig en overmachtig aangrepen, dat de geharnaste strijder daar moest buigen, daar viel te midden van zijn voetvolk. Geer rijke beloningen gaf hij aan krijgers die hun moed in de strijd bewezen hadden. Sinds die tijd is de koning de [sic] Merowingen ons nooit meer gunstig gezind geweest.

Het is opmerkelijk dat er op verschillende ogenblikken in de geschiedenis van een betrekkelijk nauwbepaald gedeelte van de Germaanse wereld benamingen opduiken die vrij goed met elkaar te verbinden zijn. Alles hierboven beschouwd is het mogelijk dat er in de Germaanse overlevering, nog vóór het contact met de historische Hunnen uit het Oosten, doorgaans een stam bekend stond als de ‘hogen, rijzigen, reuzen’ en dat deze naam, of eigenlijk titel, na verloop van tijd kon verschuiven van één stam naar een andere. Maar uiteindelijk berust een beschouwing als deze uiteraard voor een groot gedeelte op speculatie en aannames.

Advertenties
8 reacties leave one →
  1. 5 oktober 2010 19:35

    De mogelijke verklaring van Chauci als zijnde hugas/hauhaz is erg verhelderend!
    Fraai om te zien hoe het te herleiden valt.
    Het hunebed als bed van reuzen is op zich ook niet zo gek.
    Kan jij echter licht laten schijnen over een andere verklaring, die ik zelf aannemelijker vind?
    Het betreft het Duitse woord ‘hune’ (in Groningen terug te vinden in ‘henneklaid’) voor overledene.
    Geen idee of dat taalkundig klopt, maar het zou beter passen dan de ‘reuzenverklaring’.
    Hunebed is dan gewoon rustplaats voor de doden.
    🙂

    • Olivier van Renswoude permalink*
      5 oktober 2010 20:27

      Nou, mijn vermoeden is ook dat in hunebed/Hünenbett/Hünengrab het eerste lid inderdaad oorspronkelijk bij een (verder zeer hypothetische) wortel *hen-/*han-/*hun- ‘dood’ hoorde, maar dat deze later is vervangen/verbasterd door Hüne ‘reus’.

      Hunebed/Hünenbett/Hünengrab als ‘reuzenbed’ is dan een latere duiding. Maar dat staat los van de duiding van Hüne.

      • 6 oktober 2010 07:37

        Het wordt nog interessanter wanneer je de “Magere Hein/Freund Hein” erbij neemt, welke respectievelijk “de dood” en “de duivel” aanduiden.
        Zo is er ook nog “Frau Hinne”, welke Holda (Frau Holle) is. De aanvoerder van de Wilde Jacht wordt ook wel “Hennequin” genoemd. (Frans; ook wel “Herlequin”, dus dit zal een verwording van de naam zijn. In Engeland “King Herle”, waarin ik Woen meen te zien, mede door de “Frau Hinne” connectie)

        De Hunebedden heten ook “Jaettegrafnar” , “Troldstuer” en “Zwergekammer”.
        “Dwergen”, “Trollen” en “Joten” zijn vaak onderling verwisselbaar, terwijl Dwergen ook niet klein zijn. Dat worden ze later pas.

        Tot slot zou ik nog willen wijzen op “huyn” (ags. hún ‘impurity’): vuiligheid en “hune”: horehound (plant), waarvan het eerste deel hetzelfde betekent.

        Of nu het element “h*n” (o.i.d.) eerst “dood”, daarna “vuiligheid” werd, of andersom, of dat het wees op een oud en vergeten volk van reuzen/dwergen die men in verband bracht met de dodenkamers, weet ik niet.

      • Olivier van Renswoude permalink*
        6 oktober 2010 17:18

        Vergeet ook niet henneblome, een gewestelijke naam voor de plant bitterzoet (Solanum Dulcamara), ook wel bekend onder de namen doodkruid en doodbloem.

        Overigens lijkt het me sterk (zo niet onmogelijk) dat Oudengels hún bij de wortel *hen-/*han-/*hun- hoort. Een wortel met een dergelijke ablaut-reeks heeft geen /u:/.

  2. 6 oktober 2010 22:35

    Dat kan wel zo zijn, Olivier, maar hij past er wel bij. 😉

    Ik ben erg benieuwd wat toch die connectie van dit woord is met de dood.
    Ik zou haast nog “Ge Hinnom” erbij halen…. 😛

  3. William L. Higgins permalink
    3 november 2010 10:14

    Ik vond al webduinend een vers (via Grimm) dat Woedan aanduidt als “des Hemels’ Hune”:

    „Wold, Wold, Wold !
    Hävenshüne wei wat schüt,
    jümm hei dal van Häven süt. Vulle
    Kruken un Sangen hät hei,
    upen Holte wässt manigerlei:
    hei is nig barn un wert nig old.
    Wold, Wold, Wold ! “

    Interessant, niet?.

    http://www.asawiki.de/index.php?title=Wodan

    • Olivier van Renswoude permalink*
      9 november 2010 17:28

      Zeker!

      Woedan als hemelhuin, daar kan ik wel aan wennen, denk ik zo.

  4. walter gauwloos permalink
    17 mei 2011 19:13

    Ooit hoorde ik een Engels legerofficier zich smalend uitspraken over
    de Duitsers en gebruikte daarbij het woord THE HUNS.Ik begreep niet
    wat Hunnen en Duitsers met elkaar gemeen hadden, maar deze laas
    heeft me alles verduidelijkt

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s