Skip to content

Winterwoord

23 november 2010
Van *ǵheim-*ǵhim-*ǵhiem- komen o.a. Latijn hiems ‘winter’, Grieks kheimn ‘winter’ (naast khin ‘sneeuw’), Sanskriet hemantá ‘winter’ (naast himá ‘kou, vorst’), Oudiers gam ‘winter’ en Oudkerkslavisch zima ‘winter’. In de moderne talen vinden we o.a. Wels gaeaf, Iers-Gaelisch geimhreadh, Spaans invierno, Italiaans inverno, Frans hiver, Tsjechisch zima, Pools zima, Russisch zimá, Lets ziema en Litouws žiema. Allen ‘winter’.

De Germaanse talen zijn eigenzinnig met hun woord voor ‘winter’. Terwijl alle andere Indo-Europese talen er een woord voor hebben dat teruggaat op dezelfde Proto-Indo-Europese (pie.) wortel *ǵheim-*ǵhim-*ǵhiem- ‘winter’ (zie kader voor voorbeelden), is winter stellig van mistige herkomst.

Hoewel het in elk geval niet verwant is aan wit, zou het verband kunnen houden met Oudiers find ‘wit’. Het zou dan ooit zo veel als ‘het witte jaargetij’ hebben betekend. Een andere mogelijkheid is dat winter verwant is aan water en oorspronkelijk zo veel betekende als ‘het waterige jaargetij’. Weer een andere duiding is dat het een eufemisme is en hoort bij Oudgermaans *weniz ‘vriend’ (vanwaar o.a. Noors venn ‘vriend’). Het zou dan op dezelfde wijze gevormd zijn als Oudgermaans *wenistra- ‘links, noordelijk’ (eigenlijk ‘vriendelijk’) en letterlijk betekenen ‘het vriendelijke jaargetij’ (lees ‘onvriendelijk, grim’).

Maar terug naar die oude wortel *ǵheim-*ǵhim-*ǵhiem- ‘winter’. Er zijn namelijk nog wel sporen van te vinden in de Germaanse talen. Zie bijvoorbeeld IJslands gimbur ‘ooilam’ en Noors gimmer ‘eenjarige ooi’. Andere mogelijke afleidingen zijn de achtste eeuwse gelatiniseerde Oudnederlandse glosse ingimus ‘eenjarig varken, kalf of schaap’ en het streekwoord garm/germ/girm ‘vrouwelijk konijn; ooi die nog niet gelammerd heeft’. Men rekende vroeger evenwel in winters in plaats van jaren. Vergelijk overigens Grieks khímaira ‘geit dat aan het einde van de voorgaande winter is geboren’ bij kheimn ‘winter’ (overigens van dezelfde pie. wortel). Op een zelfde wijze zijn de woorden enter (< een-winter) ‘eenjarig/-winterig landbouwhuisdier’ en twenter (< twee-winter) ‘tweejarig/-winterig landbouwhuisdier’ gevormd. Verder is gammel misschien verwant, met een betekenisontwikkeling van ‘één winter oud’ naar ‘oud’ tot ‘krakkemikkig’.

Van oorsprong hebben de meeste wortels een regelmatige afwisseling van klinker, oftewel een ablautreeks. Tegenwoordig zien we deze afwisseling vooral nog terug in de sterke werkwoorden: nemen, nam, genomen. Maar ze ligt ook deels ten grondslag aan het klinkerverschil tussen bijvoorbeeld weten en diens verwanten (ge)wis en wijs.

Hoe dat ook zij, van de wortel *ǵheim-*ǵhim-*ǵhiem- is in de Germaanse talen dus geen los woord met de betekenis ‘winter’ overgeleverd. En dat is jammer, want de dichtkunst zou er rijker op zijn als er naast winter nog een ander woord met een dergelijke betekenis voorhanden was. Gelukkig is het mogelijk om op grond van die oude wortel te bedenken hoe zo’n woord eruit zou kunnen zien in het Nederlands. Daarvoor moet eerst de Oudgermaanse vorm worden gekozen. Zowel *gīmaz als *gimaz zijn aannemelijke vormen. Ze zouden leiden tot Nederlands gijm en gim. Voor beiden valt wat te zeggen; gijm (klinker)rijmt op ijs en rijp/rijm ‘bevroren dauw’, terwijl gim (klinker)rijmt op winter, wit, kil en grim.

Overigens hoeft gijm/gim uiteraard niet per se ‘winter’ te betekenen. Wat bijvoorbeeld te denken van ‘winterkou’?

Advertenties
3 reacties leave one →
  1. walter gauwloos permalink
    9 mei 2011 19:57

    Beste Olivier,
    ja ik weet het. Mijn reaktie komt nogal laat, maar ik heb jouw webstek
    nog niet zolang geleden ontdekt. Het is een lovenswaardige voordaad om vanuit het indo-europees verloren gegane woorden uit het Oud- Germaans terug op te diepen.In het etymologisch dialectwoordenboek van A.A.WEIJNEN trof ik een woord aan :GIEZEL en betekent ijzel.Hij veronderstelt dat het hier een kruising betreft van ijzel en een i.e.wortel ghiem.
    Het is dus mogelijk dat er een stukje van deze oospronkelijke stam
    is blijven verder bestaan.

  2. Klaas J Eigenhuis permalink
    20 februari 2012 18:43

    saksisch giezel ‘ijzel’ en giezelen ‘ijzelen’ op vraag van Walter Gauwloos
    Als het gaat ijzelen – ja, moeten we uitkijken voor gladde paadjes – komt er een fraai ijslaagje op alles wat zich daartoe leent. Aan dakranden kan de ijzel zich formeren tot ijspegels, die men in de etymologisch woordenboeken ijskegels noemt. Ik vermoed, dat bij het achterhoekse woord giezelen die ijsp/kegels bij de benoeming centraal hebben gestaan. Het protogermaanse woord hierbij is *gaizaz (> geer, zoals in Giervalk, Gerfaut [Eigenhuis 2004, WNV p.176-177], en in tal van persoonsnamen zoals bijv. Gerben en Rutger), ablautend met *giz- en een suffix –l daarachter. Bij deze reco passen ook tal van persoonsnamen, waarvan Gisela de bekendste is [Schaar J van der, 1994. Prisma Voornamen]
    Klaas J Eigenhuis

Trackbacks

  1. Waars « Taaldacht

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s