Skip to content

De Na’s

27 november 2010

Onze heidense voorouders vereerden niet alleen bekende goden als Woen, Donder, Tuw en Vrije (op IJsland bekend als Óðinn, Þórr, Týr en Frigg), zij vroegen ook veelvuldig de gunst van de Moeders, oftewel de Matronen om met een Latijns woord te spreken. Noemen wij hen bij hun verloren inheemse naam, dan zijn zij de Na’s. Buiten academische kringen zijn deze wezens nagenoeg geheel vergeten. Zelfs in het herleefde, ‘nieuwe’ heidendom lijken ze nauwelijks een rol te spelen. En dat terwijl ze vroeger zo belangrijk werden geacht; het heil van de stam hing stellig af van de gunst van de Moeders.

In hun boek Van Ægir tot Ymir hebben Paula Vermeyden en Arend Quak het volgende over deze wezens te zeggen:

Matronen (Matronae, Matres, Matrae) is de aanduiding van door Germaanse en Keltische stammen vereerde moedergodinnen of goddelijke vrouwelijke wezens. Ze treden meestal op in groepen van drie. De cultus is bekend door talrijke Latijnse wij-inscripties uit de Romeinse periode, van de 1e tot de 5e eeuw n.Chr. Met name het Nederrijnse gebied levert talrijke voorbeelden van Germaanse namen op. Vermoedelijk werd de verering van de Matronen door Germaanse legioensoldaten door het gehele Romeinse Rijk verbreid. Er zijn op dit ogenblik ongeveer elfhonderd inscripties met Matronen bekend, waarvan ongeveer de helft mogelijk een Germaanse (bij)naam bevat. De andere zijn Keltisch.

De cultus van de Matronen heeft met verschillende aspecten van het leven te maken gehad. Gezien de namen moet men aan vruchtbaarheid, hulp bij geboorte en ziekte, maar ook aan rechtspraak en oorlog denken. Het ging waarschijnlijk om persoonlijke of aan een familie gebonden godheden die in gevaar en bij calamiteiten werden aangeroepen. Mogelijk bestaat er ook verband met de verering van de Disen in het Noorden, die naar men aanneemt ook een soort beschermgodinnen waren. Deze interpretatie wordt ondersteund door het feit dat in een van de inscripties over de ‘matribus Parcis’ (aan de moeders, de lotsgodinnen) wordt gesproken. Nog aan het begin van de 8e eeuw noemt de Engelse geestelijke en historicus Beda Venerabilis (673-735) de oe. ‘módraniht id est matrum noctem’ (de nacht der moeders), een offerfeest aan het begin van het jaar (De temporum ratione [Over de tijdrekening], 13).

In de Germaanse streken hadden de Moeders per drietal meestal ook nadere, bijzondere Germaanse namen met weliswaar Latijnse verbuigingen, zoals Afliae ‘sterkenden’ en Alagabiae ‘al-gevenden’. Maar in veel van deze namen duikt het geheimzinnige -ne(i)hae op als tweede lid. Zo vaak zelfs dat het lijkt te gaan om de inheemse benaming van de Moeders. Zie bijvoorbeeld de Boudunneihae, de Mahlinehae, de Vacallinehae, de Vallabneihae, de Vanginehae en de Udravarinehae. Het eerste lid van deze namen lijkt steevast op een plaats of iets dergelijks te duiden. Zo lijkt Vacalli- in Vacallinehae de gelatiniseerde vorm van Oudgermaans *Wahalja- ‘behorende bij de rivier de Waal’. De Vacallinehae waren zo de Nehae die bij de Waal hoorden.

Welnu, Nehae is waarschijnlijk de gelatiniseerde weergave van Oudgermaans *Nēōz (enkelvoud *Nēō), een afleiding bij de wortel *nē- ‘naaien, weven, spinnen’, vanwaar onder andere ook naaien en naald. De Nehae, oftewel de *Nēōz, waren dus letterlijk de ‘naaisters’, de ‘weefsters’, de ‘spinsters’. Zij waren de oorspronkelijke Oudgermaanse schikgodinnen die het web van het lot weefden. Enige tijd geleden schreef ik al:

[I]n de meeste Indo-Europese mythologieën spelen de zogenaamde schikgodinnen een belangrijke rol. Zij bepalen het levenslot van mensen (en vaak ook van andere goden), zijn bijna altijd met z’n drieën, net zoals de Nederrijnse moedergodinnen, en worden altijd omschreven als ‘spinners van de levensdraad’. Zo zijn er in de Noord-Germaanse mythologie de Nornen (genaamd Urðr ‘wat geworden is’, Verðandi ‘wordende’ en Skuld ‘wat zal zijn’), in de Griekse mythologie de Moiren (genaamd Klotho ‘spinster’, Lachesis ‘verdeelster’ en Atropos ‘onveranderlijk’) en in de Romeinse mythologie de Parcen (Nona die de levensdraad spint, Decima die de levensdraad meet, en Morta die de levensdraad doorsnijdt).

Vergelijk dit met wat  Vermeyden en Quak nog meer over de Moeders/Matronen te zeggen hebben:

De afbeeldingen van de Matronen tonen aan dat zowel getrouwde als ongetrouwde vrouwen werden vereerd. De gehuwde vrouwen zijn te herkennen aan een kap of muts, de ongehuwden aan hun loshangende haar. Vaak hebben ze een fruitmand bij zich. Behalve fruit vindt men op de afbeeldingen soms ook brandende wierook, offerschalen met fruit, offerdieren, slangen (misschien als doodssymbolen), en ten slotte kinderen en luiers, verwijzend naar hun functie als helpsters bij geboorten.

Wat we zien is niets anders dan de machten die beslissen over een mensenleven. Zij weven voor ieder mens het web van diens lot, van begin tot einde; van geboorte (luiers) in groei (fruit) tot dood (slangen). Daarom worden ze ook weergegeven als van verschillende leeftijden/levensfasen. Elke Moeder was een *Nēō, een naaister, een spinster van de levensdraad, een zoals zij in het Oudnederlands zou hebben geheten, en nu een Na. Samen heten zij de Na’s.

Oude sprookjes als die van Doornroosje, die zich prikt aan het spinnewiel, worden gelijk heel wat geheimzinniger wanneer we stilstaan bij de oude verering van wevende wezens als de Na’s.

Etymologische voetnoot
Eerder reconstrueerde ik -ne(i)hae als *nēhōz in plaats van *nēōz. Pas later besefte ik dat de -h- in -ne(i)hae niet een oorspronkelijke Oudgermaanse -h- weergeeft (die waarschijnlijk werd uitgesproken als in Nederlands nacht), maar een secundaire intervocalische overgangsklank (die dan werd uitgesproken als in Nederlands held), oftewel een latere, extra medeklinker in dienst van een gemakkelijkere uitspraak. Vergelijk hoe Oudgermaans *wēan leidde tot Nederlands waaien, Oudhoogduits wāian, wāhen en wāen, en Duits wähen.
Advertenties
5 reacties leave one →
  1. Olivier van Renswoude permalink*
    28 november 2010 23:57

    De matronennaam Aufaniae (mv.) is hierbij wellicht belangwekkend. De bekende germanist Jan de Vries zag hierin mogelijk een samenstelling Au-faniae. Het eerste lid zou dan bij wortel *au- horen, aan welke een betekenisveld van ‘lot, weelde, voorspoed’ kleeft. Het tweede lid zou mogelijk verband kunnen houden met vaan ‘vlag’, de voortzetting van Oudgermaans *fanan ‘lap, doek’, dat vermoedelijk verwant is aan Grieks pēnós ‘inslagdraad’ en p ‘weefsel’ en dan van de Proto-Indo-Europese wortel *ph2n-*peh2n- ‘weven, spinnen’ komt.

    Dan zou Aufaniae geduid kunnen worden als Awa-fanjōz, met als betekenis ‘weefsters van voorspoed’, ‘gunstige weefsters’, of zoals De Vries stelde: ‘gelukspinnenden’.

Trackbacks

  1. De eed als lotsverkondiging « Taaldacht
  2. De spinnende godin « Taaldacht
  3. Boreas en Irene « Taaldacht
  4. Van zwaardzijde en spilzijde | Taaldacht

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s