Skip to content

Winter gaat zijn gang

10 februari 2015

winterwegNa weinig indrukwekkend gewoed te hebben maakt Koning Winter zich op voor zijn vertrek naar het uiterste Noorden. Hopelijk raast en rommelt de oude Rijmbaard volgende keer met wat meer sneeuw en vorst over onze landen. Maar laat ons wel goed voorbereiden, ter wille van lijf en leden. En laat ons nog eens een steelse blik werpen op winter, een woord waar geleerden zich nog steeds over verwonderen. Waar komt het toch vandaan?

Allereerst: de Germanen rekenden hun jaren in winters, waardoor het woord oorspronkelijk ook ‘jaar’ zou kunnen hebben betekend. Er bestaat verder weinig twijfel over dat het in het Oudgermaans –de voorloper van o.a. het Nederlands en het Engels– de vorm *wintruz had. En het lijkt erop dat *wint- hier de wortel is, daar er in het Oudgermaans geen achtervoegsel *-tru- bestond maar wel een *-ru-. Daarna wordt het moeilijker, maar er zijn twee duidingen die vaak herhaald worden.

De eerste is dat *wintruz teruggaat op ouder *wentruz en afkomstig is *wet-, *wat-, *ut-, een wortel die wij kennen van water en otter. Ook Fries wiet, Engels wet en Noors våt, allen ‘nat’, horen hierbij. De invoeging van een -n- in de wortel is op zichzelf geen bezwaar, want komt elders ook voor: vergelijk hoe Oudgermaans *rinkanan ‘recht zijn, rechtop staan’ (ouder *renkanan) teruggaat op de wortel *rek-, *rak- ‘recht maken, oprichten’. Maar wanneer en onder welke omstandigheden deze nasalisering is gebeurd blijft in dit geval onduidelijk. Bezwaarlijker is wellicht dat de winter dan naar diens natheid vernoemd zou zijn, terwijl hij veeleer door koude wordt gekenmerkt.

De tweede bekende duiding is dat *wintruz op dezelfde oerwortel teruggaat als Proto-Keltisch *windos, dat is overgeleverd als Gallisch vindus, Oudiers find, Middelwels gwynn en Bretons gwenn, allen met de betekenis ‘wit’. De winter zou dan naar de witheid van diens sneeuw zijn vernoemd. Maar aangezien het Keltische woord zelf verder geen verwanten lijkt te hebben en we diens herkomst niet kennen, is het wat hachelijk om het met ons Germaanse woord in verband te brengen en schieten we er uiteindelijk weinig mee op.

Laat ons dan een andere oplossing pogen te vinden door naar de oorsprong van een zeer vergelijkbaar woord te kijken. Oudgermaans *splintraz, de voorloper van Nederlands splinter, is afkomstig van *splīt-, *splait-, *split-, een wortel die anderszins is te vinden in o.a. Nederlands splijten en Engels to split. Het is hier niet helemaal duidelijk wanneer en onder welke omstandigheden de -n- is ingevoegd, maar dát hij is ingevoegd is een gegeven.

Welnu, op dezelfde wijze kunnen wij Oudgermaans *wintruz terugvoeren op *wīt-, *wait-, *wit-, een wortel die wij kennen van Oudengels gewítan ‘gaan; voorbijgaan; weggaan’, een woord dat ook gebruikt werd met betrekking tot het verlijden van tijd en wereld. Fyrst forþ gewát (‘de tijd ging voort’), lezen we bijvoorbeeld. Of: Dagas sind gewitene (‘dagen zijn voorbijgegaan’). En: Ðæt wuldor ðysses Middangeardes is sceort and gewítende (‘de luister dezes Middengaards is kort en vergankelijk’). Middengaard is overigens Middenaarde, oftewel de wereld der stervelingen.

Klopt deze duiding, dan werd met *wintruz oorspronkelijk het ten einde lopen van het jaar bedoeld, en vandaar het koudste jaargetijde. Maar aangezien de oude Germanen zoals gezegd hun jaren in winters rekenden, is het ook mogelijk dat *wintruz oorspronkelijk de ‘(omme)gang’ van de vier jaargetijden tezamen op Middenaarde betekende, en vandaar ‘jaar’ en uiteindelijk ‘het koudste jaargetijde’.

Mocht dit nog niet overtuigen, dan bedenke men dat Oudgermaans *aþnaz ‘jaar’ (overgeleverd als Gotisch aþns) en Latijn annus ‘jaar’ de voortzetting zijn van Proto-Indo-Europees *h2etnos ‘jaar’, en dat dit een afleiding is van de wortel *h2et-, *h2ot- ‘gaan’.

Verzoeken wij dan Koning Winter om ons volgend jaar met sneeuw en vorst te belonen, als ware het een godsoordeel, indien onze nieuwe duiding klopt.

Afbeelding

Gemaakt door Thomas Teubert. Enige rechten voorbehouden.

Verwijzingen

Bjorvand, H. & F.O. Lindeman, Våre Arveord, revidert og utvidet utgave (Oslo, 2007)

Bosworth, J. & T.N. Toller, An Anglo-Saxon Dictionary (Oxford, 1989)

Krahe, H. & W. Meid, Germanische Sprachwissenschaft III: Wortbildungslehre (Berlijn 1969)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Lehmann, W.P., A Gothic Etymological Dictionary (Leiden, 1986)

Matasović, R., Etymological Dictionary of Proto-Celtic (Leiden, 2009)

Orel, V., A Handbook of Germanic Etymology (Leiden, 2003)

Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, webuitgave

Rix, H., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Vries, J. de, Nederlands etymologisch woordenboek (Leiden, 1971)

Advertenties
2 reacties leave one →
  1. Bas permalink
    10 februari 2015 23:36

    Volgens mij is de winter juist vaak niet nat. Zeker in ons land regent het meer in de andere jaargetijden. De nieuwe verklaring lijkt mij inderdaad ook logischer.
    Nou maar hopen op goeie winter volgende keer. =)

  2. Luc Vanbrabant permalink
    14 februari 2015 16:36

    Het artikel was boeiend genoeg om ook enkele oudere stukken te lezen over de jaargetijden. Af en toe iets oprakelen, helpt om zaken te onthouden.
    In mijn jeugd had ik het gevoel dat de mensen maar over twee seizoenen bezig waren, de winter en de zomer. De twee andere seizoenen waren gewoon overgangsperiodes. Men gebruikte zelfs de woorden ‘lente’ en ‘herfst’ niet. Dat heette toen het spruiten van het blad en het vallen van de blaadten (bladeren). Een beetje zoals de ‘harvest’ (oogsttijd) in het Engels.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s