Skip to content

Brabant en andere banten

14 januari 2016

Also available in English.

bant

In Brabant en andere, minder bekende streeknamen van de Lage Landen en daarbuiten stuiten we op het zonderlinge woord bant, meervoud banten. We kunnen uit de naslagwerken vernemen dat dit zoveel als ‘landstreek, gouw’ betekent, maar daar blijft het meestal bij. De verdere herkomst is, zoals men pleegt te zeggen, duister. Maar het kon wel eens met vee te maken hebben…

Banten alom
Getuige de overlevering –de oudste vermelding stamt uit de zevende eeuw na Christus– is Brabant waarschijnlijk een verbastering van Braak-bant, waarin het eerste lid braak te begrijpen is als ‘onbebouwd, onbeploegd’ of anders als ‘struikgewas’. In beide gevallen kunnen we denken aan een verwilderd land. En dat treft, want aan het einde van de derde eeuw na Christus waren de Lage Landen bezuiden de Rijn grotendeels verlaten, eer ze weer werden bewoond door Germaanse boeren uit het huidige Noord-Nederland en Westfalen. Zij zullen de naam gegeven hebben, want ook in het middeleeuwse Westfalen bestond een gouw genaamd Brabant.

Andere bekende banten waren de middeleeuwse Testerbant, die een groot deel van het Nederlandse rivierengebied besloeg, en de Swifterbant, die verder naar het noorden lag – tester en swifter zijn dan ook oude, Germaanse benamingen voor onderscheidenlijk ‘rechter, zuider’ en ‘linker, noorder’. In Frankrijk bestond ten oosten van Atrecht (Frans Arras) een Ôsterbant (Frans Ostrevant) en voor de kust van Oost-Friesland lag enkele eeuwen geleden nog een eiland genaamd Bant. Het woord kon ook naar kleinere stukken land verwijzen, zoals het rond 1700 in de Zuiderzee verdronken oord Bant bij het huidige Lemsterland, of het gehucht Bant (nu Terband) bij Heerenveen, beide in Friesland.

Verder vinden we het in afleidingen als Oudnederlands elibento, Oudhoogduits elibenzo ‘bewoner van een andere streek, vreemdeling’ en Middelhoogduits benz ‘domme, ruwe kerel’ (eigenlijk ‘boerenkinkel, streekling’), en in een enkele naam als Oudhoogduits Banzleib, waarin leib zoveel als ‘zoon, afstammeling’ betekent en aan de Noorse naam Leif beantwoordt. Maar het oudste voorkomen van bant ligt in de Oudgermaanse stamnaam *Tūbantīz (gelatiniseerd als Tubantes). Deze stam wordt in de eerste eeuw na Christus voor het eerst genoemd en was kennelijk verdeeld over twee landstreken, want *tū- is een oud voorvoegsel dat verwant is aan twee. De uitgang *-īz is overigens een achtervoegsel ter aanduiding van stam- of volksnamen.

Maar wat is een bant nu eigenlijk?
De verbinding van bant met windrichtingen wekt een ambtelijke dan wel gerechtelijke indruk, alsof het niet zomaar om een landstreek ging, maar om een stuk land dat nadrukkelijk onder het gezag of in eigendom van een heer was. Mede daarom is het te overwegen dat bant bij binden hoort zoals want ‘handschoen zonder vingers’ bij winden ‘wikkelen’. Voor de betekenisverhouding kunnen we dan een vergelijking trekken met zowel Latijn pāgus ‘gouw; dorp’ bij pangō ‘vastslaan, bevestigen’ als Middeleeuws Latijn districtus ‘rechtsgebied’ bij distringō ‘uiteenhouden, op zijn plaats houden’ (een samenvoeging van dis- en stringō ‘klemmen, binden’). Een bant zou dan oorspronkelijk een streek zijn die als het ware gebonden was door/aan een heer.

Het is mogelijk, maar er is misschien een betere duiding te bedenken. En mits bant niet aan een vreemde taal is ontleend maar rechtstreeks is geërfd van het Oudgermaans (de voorloper van het Nederlands), dan ware de vorm in die taal *bantō – een vrouwelijk woord.

Baltische betrekkingen
Aangezien de Germaanse talen en dus het Oudgermaans ten nauwste verwant zijn aan de Baltische en Slavische talen, ligt het voor de hand om in die talen te zoeken naar mogelijke verwanten van *bantō. En inderdaad, in de Baltische talen zijn enkele woorden te vinden die zowel in vorm als betekenis bij ons woord passen. (Met dien verstande dat de Germaanse /t/ voorheen een /d/ was, zodat bijv. Oudgermaans *nautan ‘vee’ naverwant is aan Litouws naudà ‘bezit’.)

Het Litouws heeft namelijk bandà, in de betekenis ‘vee, veekudde’ en ‘koestal’, en daarnaast de afleiding bandiniñkas ‘herder, herdersjongen’ en ‘knecht aan wie de heer een stuk land als loon gegeven heeft’. Het Lets heeft –waarschijnlijk ontleend aan het Litouws– de woorden bañda en bañds, beide ‘het door de heer aan de knecht als loon gegeven stuk veld of het gezaaide ervan, bijverdienste’. En in een derde Baltische taal, het inmiddels uitgestorven Pruissisch, bestond de uitdrukking ni enbāndan ‘nutteloos’. De grondbetekenis van deze Baltische woorden lijkt dus ‘baat, nut, goed’, en in het bijzonder gaat het om ‘roerend of onroerend goed’ in de vorm van een ‘kudde vee’ dan wel een ‘stuk land of de baten daarvan’.

Een vergelijkbare betekenisverhouding vinden we bij de groep van Middelnederlands noot ‘vee, rundvee’ en note ‘bebouwing van het land, opbrengst van het land’ en Nederlands genieten, nut, nuttig, benutten en genoot (eig. ‘mede-gebruiker’), allen van de Oudgermaanse wortel *neut- ‘in gebruik hebben’.

Dieren
Een bezwaar tegen de verbinding met de Baltische woorden is dat Oudgermaans *bantō kennelijk alleen is overgeleverd met betrekking tot land, niet tot vee. Het is daarom goed om te weten dat er in het Germaans bij menig dierenbenaming een nevenvorm bestond met het sa-achtervoegsel (dat o.a. vertrouwdheid kon aanduiden). Enkele voorbeelden:

*fuhō (Middelhoogduits vohe) – *fuhsaz (Nederlands vos, Duits Fuchs)
*luhō (Oudzweeds ) – *luhsaz (Nederlands los, Duits Luchs) ‘lynx’
*berō (Nederlands beer) – *bersaz (Middelnederlands bers)

In beginsel zou er dus naast *bantō ook een *bantsaz gevormd kunnen zijn – of eigenlijk *bansaz, aangezien de /t/ in die omgeving vanzelf verdwijnt. En in het Oudgermaans bestond ook daadwerkelijk een *bansaz, doch enkel overgeleverd in de betekenis ‘koestal, schuur’, zoals bij Duits Banse, Zuidhollands boes, Schots boose, Noors bås en Gronings baans- in baansder ‘grote, vaak tweeledige deur van een schuur’.

Als koeien te keer gaan
Maar net zoals Litouws bandà pas bij uitbreiding ‘koestal’ betekent, lijkt ook Oudgermaans *bansaz aanvankelijk naar (een kudde) rundvee zelf te hebben verwezen en niet naar hun huisvesting. Er zijn namelijk afleidingen van het woord in de streektalen die naar het gedrag van vee lijken te verwijzen, zoals Kempens banzen ‘overal heenlopen, overal doorlopen’ en Oerles, Middenlimburgs banzele ‘doelloos heen en weer lopen’, alsook Gronings benzen ‘aanhoudend loeien of huilen; blaffen’, bìnzen, bènzen ‘draven’ (bijv. kòien bènzen deur ‘t laand ‘de koeien benzen door het land’) en bìnzeln, bènzeln ‘(rond)lopen en draven; met geweld wegjagen’. (Vergelijk voor de klinkerwisseling de afleiding van Gronings hìnzen, hènzen ‘inwijden’ van hanze ‘gilde’, of lengen naast lang.)

Bovendien zijn er in het Gronings mogelijk sporen van het s-loze *bantō m.b.t. vee i.p.v. land. Naast baansder zijn er namelijk vormen als baander, en bestaat er een werkwoord bentern ‘woest jagen; wild stoeien; hard lopen’ (bijv. kòien bentern in ‘t laand ‘de koeien benteren in het land’), waar maar moeilijk een andere herkomst voor te bedenken valt. Ook Engels to banter ‘gekscheren, schertsend plagen’ is er mogelijk een afleiding van, als we een oudere betekenis ‘stoeien’ mogen aannemen. (Vergelijk kenteren en nevenvorm kanteren naast kant.)

Er was overigens nog een derde woord in het Oudgermaans, gemaakt met het plaatsbepalende sta-achtervoegsel: *banstaz ‘koestal’ (Gotisch bansts ‘schuur’) is afgeleid van *bantō zoals *awistaz ‘schapenkooi’ (Oudhoogduits awist) van *awiz (Nederlands ooi). Dit woord wordt ook wel vereenzelvigd met Middelnederlands banste ‘ronde korf, mand van stro of biezen’, maar dat houde men beter gescheiden.

Slot
Ter samenvatting kunnen we zeggen dat Oudgermaans *bantō zoals zijn evenknie Litouws bandà oorspronkelijk verwees naar goed, zowel onroerend (land en/of de baten daarvan) als roerend (vee). Middels of dankzij de Germaanse neiging om dierenbenamingen van het sa-achtervoegsel te voorzien kwam er op den duur een onderscheid tussen *bantō ‘landgoed’ aan de ene kant en *bansaz ‘vee’ aan de andere. De ene verschoof in betekenis vervolgens naar het meer algemene ‘landstreek’ en eindigde in menig streeknaam, de andere verschoof naar ‘koestal’ en ‘schuur’.

Ten slotte kunnen we voor de verdere herkomst nog overwegen dat *bantō ‘baat, nut, goed’ een zogenaamde genasaliseerde vorm is bij de wortel *bat-, *bōt- ‘baten, nuttig zijn, goed zijn’, die ruim vertegenwoordigd is in het Nederlands: baat, baten, beter, best, boete, boeten (eig. ‘goed maken’) en de stamnaam die achter de Betuwe schuilt.

Naschrift (20 februari)
In verscheidene Engelse streektalen kan to banter ook ‘afdingen, een betere prijs krijgen’ betekenen, en met een bijwoord to banter down ‘afdingen op; de baas worden in enig geschil’ (d.w.z. to get the better of in a dispute of any kind) en to banter about ‘rondscharrelen, druk in de weer zijn’. In Yorkshire en Lancashire vinden we bovendien to bant ‘overwinnen, behalen, klaarspelen; afdingen’ en… bant ‘kracht, fut, vermogen’ (he’s good for nowt; there’s no bant in him ‘hij is nergens goed voor; er zit geen bant in hem’). Dit zelfstandig naamwoord is mogelijk langs de betekenis ‘lichamelijk goed, welzijn’ ontwikkeld uit ons *bantō ‘goed’.

Voor gevorderden
Net zoals er naast Proto-Indo-Europees *dlh1ghús ‘lang’ (Oudgermaans *tulguz ‘duurzaam’) een genasaliseerde vorm *dlonh1ghos ‘lang’(*langaz) bestond (zie Kroonen), kon er naast *bhHdús ‘batend, nuttig, goed’ (*batuz) een genasaliseerde vorm *bhonHdos ‘batend, nuttig, goed’ hebben bestaan. In het Proto-Indo-Europees kon de vrouwelijke vorm van het bijvoeglijk naamwoord ook als abstractum dienen, zodat het vrouwelijke *bhonHdeh2 kon leiden tot Oudgermaans *bantō en Litouws bandà. Er is ten slotte nog de mogelijkheid dat de voorloper van Litouws bandà is ontleend aan de voorloper van Oudgermaans *bantō, maar dat heeft voor de hier gegeven duiding geen gevolgen.
Beeld
“Rivierlandschap met koeien” (1640-50) door Aelbert Cuyp.

Verwijzingen

Berkel, G. van & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen, 3e herziene druk (Utrecht, 2006)

Derksen, R., Etymological Dictionary of the Baltic Inherited Lexicon (Leiden, 2015)

Doornkaat Koolman, J. ten., Wörterbuch der ostfriesischen Sprache. I-III(Norden, 1879-1884)

Fraenkel, E., Litauisches etymologisches Wörterbuch. I-II (Heidelberg-Göttingen, 1955-1965)

Gysseling, M., Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226) (webuitgave)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Laan, K. ter, Nieuw Groninger woordenboek, 2e druk (Groningen, 1989)

Lendering, J., De randen van de aarde – De Romeinen tussen Eems en Schelde (Amsterdam, 2000)

Weijnen, A.A., Etymologisch dialectwoordenboek, 2e druk (‘s Gravenhage, 2003)

Wright, J., The English Dialect Dictionary, 6 vol. (Londen, 1898-1905)

Advertenties
16 reacties leave one →
  1. 14 januari 2016 08:55

    Weer een zeer interessant stukje, Olivier. En een mooie illustratie uit de Haagse School (vermoed ik toch) er boven(op).

    Spontane associaties met bende (zowel in de zin van rommeltje als samenspel van “ruwe kerels”) en Godfried Bomans kwamen bij me op. Dat laatste vanwege diens Haarlemse “sociëteit” (ook een soort van bende, eigenlijk) Teisterbant.

    En dan dacht ik ook nog even terug aan iets wat ik hier, meen ik me te herinneren, al eens eerder aangehaald heb: het in mijn streek bestaan van gebieden, doorgaans enigszins “wild” van aard, aangeduid als “bunt”.

    Altijd leuk als een tekst je ook verder aan het denken zet. Bedankt !

    • Olivier van Renswoude permalink*
      14 januari 2016 10:04

      Dank je, ik had het al een tijdje in m’n hoofd.

      En ik heb een verband overwogen met bunt(gras) –nevenvorm van bent(gras)– als ware bant eigenlijk een ‘schrale, zandige streek’, maar dan kom ik bij de oudere vormen in de moeilijkheden. Afgezien van de uitgang was bunt-/bent- oorspronkelijk namelijk tweeledig (vgl. Oudsaksisch binut, Oudhoogduits binuz, Oudengels beonet-), terwijl bant- vanouds één lettergreep heeft. Daarmee is niet alles gezegd, maar het maakt verband tussen de twee niet zo aantrekkelijk.

      Het schilderij lijkt inderdaad van de Haagse School, maar het is van Aelbert Cuyp en daarmee stukken ouder. 🙂

      • bjroose permalink
        14 januari 2016 10:53

        Verdorie, Aelbert Cuyp … Stond afgelopen weekeinde nochtans nog voor een paar werken van hem in het museum Boij – Van Beuningen in Rotterdam. Bedankt voor de verduidelijking, in ieder geval, ook wat bunt/bant betreft 🙂

  2. Johannes permalink
    14 januari 2016 09:44

    Goed en zeer interessant stuk, waarvoor dank, dit was nu typische een vraag welke ik zelf ook had.

    M.b.t. Brabant kom ik ook wel eens de verklaring Broekbant tegen, is dit mogelijk? Ook daar de hoofdstad lang Broeksel was (inmiddels jammerlijk verfranst naar Bruxelles).

    Vriendelijke groeten.

    • 14 januari 2016 09:50

      Zonder met de kennis ter zake van Olivier te kunnen spreken: een “broek” (ook “brouck”) is in de streek waar ik vandaan kom (de West-Vlaamse kustgouw) een stuk weideland dat regelmatig onder water komt te staan als de nabijgelegen waterloop ten gevolge van regen- of smeltwater uit zijn oevers treedt. Dat stuk weideland is daardoor ook voor niks anders bruikbaar dan voor het, in drogere periodes, laten grazen van vee. Ik meen me te herinneren dat Brussel/Broekzele gebouwd werd op een aantal heuveltjes die uit het moerasland oprezen, dus “broek” en “braak” zullen in dit geval ook wel gelinkt zijn.

      • Johannes permalink
        14 januari 2016 10:26

        Dag heer Roose,

        Dank voor je (ik tutoyeer maar even als dat goed is) antwoord!

        Met de suffix broek ben ik goed bekend. Volgens mij komen deze overal in het nederlandstalige landschap voor. Zelf ben ik bijvoorbeeld woonachtig in Twente (oost Nederland) , waar we bijvoorbeeld ook een Bornerbroek kennen maar ook Okkenbroek, Broekheurne, Enterbroek, Deldenbroek etc.

        Een mooi overzicht hiervan met plaatsnamen met broek erin, leert ons dat er nogal wat zijn:

        https://nl.wikipedia.org/wiki/Broek_(toponiem)

        Ook zijn er families die “Uitdenbroek” hebben als achternaam. Met de huidige betekenis van broek is dit inmiddels een dubieuze achternaam geworden 😉

        Wat ik wel lees is dat de betekenis van het woord broek in het Vlaamse in de loop der tijd een andere betekenis heeft gekregen t.o.v. de Nederlandse broek. Interessant!

      • Olivier van Renswoude permalink*
        14 januari 2016 10:31

        Wel, als we kijken naar de oude vormen, zoals Bracbant, met dien verstande dat dit van voor de tijd van rekking van klinkers in open lettergrepen was, dan is het aannemelijk dat het eerste lid oorspronkelijk een lange klinker had, dus Brācbant. (De lengte van klinkers werd in de oude geschriften meestal niet aangegeven.) Want als het een korte klinker was zouden we eerder Brabbant als verbastering verwachten. Aan te nemen is dan Westgermaans *brāk- < Oudgermaans *brēk-, en dat is goed te vereenzelvigen met Oudgermaans *brēkaz ‘onbewerkt, onbeploegd’ (oftewel braak).

        Verband daarentegen met de groep van Nederlands broek ‘drassig laagland’ en Gronings brag(g)el ‘slijk, modder’ en vermoedelijk ook brak ‘zilt’ (voorheen ook ‘onbruikbaar’), is vormelijk lastig, want *brēk- past qua klinkerwisseling niet goed bij de voorgangers daarvan, *brōkaz, *braglaz en *brakkaz – al valt er wel een mouw aan te passen. Bezwaarlijker is dat een dergelijk woord anders niet is overgeleverd en we diens bestaan dus louter op grond van de naam Brabant zouden moeten opperen.

  3. 14 januari 2016 10:15

    Ik dacht (en hoopte misschien) even dat het hierboven genoemde Benz in de betekenis van ‘boerenkinkel’ wellicht ook ten grondslag lag aan de familienaam waar het bekende Duitse automerk voor de helft naar vernoemd is, maar dat blijkt toch niet zo te zijn.

    • 14 januari 2016 10:16

      Hm, op mijn scherm is niet te zien dat de woorden ‘blijkt toch niet zo te zijn’ een doorklik bevatten naar de bron van die bewering.

      • Olivier van Renswoude permalink*
        14 januari 2016 10:40

        Ah ja, die naam wou ik nog noemen in mijn stuk, maar was ik glad vergeten. Dank je.

        Schakels zijn donkergroen en worden in stukken dik gedrukt, doch om de een of andere reden niet in reacties, waardoor ze moeilijker te onderscheiden zijn van de gewone, donkergrijze tekst. Ik heb je schakel daarom even handmatig verdikt.

  4. Olivier van Renswoude permalink*
    14 januari 2016 15:37

    Voor wie het niet gezien heeft en er wat mee kan: er is ook een Engelse vertaling beschikbaar.

  5. 14 januari 2016 16:32

    In de Achterhoek gebruikten we het woord ‘bateren’ als het over vee ging dat de stal uit of door het weiland rende. Of over kinderen die wild renden en sprongen.

  6. Walter Gauwloos permalink
    15 januari 2016 22:26

    er besaat nog een plaats ten zuiden van Rijsel in Frans Vlaanderen die ‘CAREMBAULT’ heet.In het Vlaams luidde dat eertijds ‘CARIBANT OF KARABANT’ met de betekenis ‘KOREN EN STREEK’.Het is voor het eerst opgetekend in de abdij van Sint Vaast in 673;Sommigen vermoeden dat er ook een ‘Westerbant’ moet hebben bestaan omdat rond het Franse Oosterbant (ostrevant) een paar dorpen waren, waarvan men de naam niet meer terugvindt.

  7. Luc Vanbrabant permalink
    17 januari 2016 16:29

    Aardig stukje over ‘Brabant’. Ik zou schromelijk tekortschieten als ik nu niet had gereageerd. De inhoud was mij grotendeels al bekend natuurlijk, al moet ik toegeven dat ik hier en daar toch nog zaken heb bijgeleerd. Dank dus voor het interessante artikel. Ik blijf alles met genoegen lezen.
    Dat aan het einde van de derde eeuw na Christus de Lage Landen bezuiden de Rijn grotendeels verlaten waren blijft voor mij een hypothese, evenzeer dat ze weer werden bewoond door Germaanse boeren uit het huidige Noord-Nederland en Westfalen. Grote volksverhuizingen kan men volgens mij niet echt hardmaken. Maar dat is een ander verhaal (en mijn aanname).
    De naam Brabant komt in heel wat gebieden voor. In Noord-Nederland en Westfalen zijn er inderdaad toponiemen te vinden, maar die zijn schaarser dan de toponiemen die elders in Europa bestaan. Buiten Brabant zelf vind ik concentraties in de Ardennen en naar het zuiden in de Vogezen en westwaarts tot aan de Seine en zelfs lager tot aan de Loire. Een grote concentratie bevindt zich in West- en Frans-Vlaanderen tot aan de Somme. (Zie o.a. verspreiding Brabant-namen bij Petri 1937) Dat alles staat dan nog los van de andere bant-toponiemen.
    -Kan ‘akkerbant’ (heuvelakker) ook met hetzelfde ‘bant’ te maken hebben?
    -Benzelen. staat in het Algemeen Vlaams Idioticon voor huilen of bulderen.
    -Voor *bansaz, enkel overgeleverd in de betekenis ‘koestal, schuur’, vind ik in West-Vlaanderen poester (stalknecht) en Kiliaen heeft ‘poest’ voor ossenstal. Dat bracht mij op het idee door het Zuidhollandse woordje ‘boes’.
    Blijf ons verrassen!

  8. Walter Gauwloos permalink
    20 januari 2016 19:57

    denk aan de familienaam :STROOBANTS

  9. Olivier van Renswoude permalink*
    20 februari 2016 17:36

    Ik heb na enig struinen in de Engelse streektalen nog een klein naschrift toegevoegd.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s