Hoe het groeit

De werking van het wild is schoon en verschrikkelijk en—in wijde spannen—van de hoogste betrouwbaarheid. Volgens het alomwezige schikkende beginsel, de onderliggende orde die wij de tauw mogen noemen, gaat elke dag de zon over, kabbelt er zoet water in beken en richt bij rust een rijzige beuk zich op uit een nietige noot. Zo is het ook dat uit de aarde groen gras groeit en zo is het geen toeval dat die woorden op elkaar lijken. Want met groeien bedoelde men vroeger niet zomaar ‘groter worden’, maar iets dat vooral blad en spriet doen.

Het eigenlijke gewone woord voor ‘groter worden’ in onze taal is wassen, dat steeds meer beperkt is tot enkele uitdrukkingen en afleidingen, zoals wassende maan, volwassen, gewas en aanwas. Het gaat terug op Oudgermaans *wahsaną en is niet te verwarren met wassen ‘schoonmaken’ van *waskaną. In de zustertalen is het vormelijke onderscheid tussen de twee woorden nog bewaard gebleven: Fries waakse en waskje, Duits wachsen en waschen, Engels wax en wash, Noors vokse en vaske enzovoort.

Spruitsels en stekels
Groeien daarentegen betekende vroeger als gezel van bloeien zoveel als ‘uitspruiten’. De Noorse evenknie gro wordt nog overwegend in die zin begrepen. Groen als afleiding is er uiteraard ook bewijs van. Zoals de meeste mensen wel zullen aanvoelen verwijst dat naar niets minder dan de kleur van ontsproten blad, dus kennelijk eigenlijk het verse groen der lente in tegenstelling tot het moede groen in het zomereinde. Dat verklaart ook waarom er buiten het Germaans geen evenknieën van groen voorkomen en omgekeerd een ouder, Indo-Europees woord voor ‘groen’ niet voorkomt in het Germaans, althans niet in die betekenis. Groen is een tamelijk nieuw woord, mogelijk ontstaan in de taal van Germaanse dichters die bekoord waren door wildzame weelde.

Gras is evenwel een ander verhaal, ook al is het op het eerste gezicht gemakkelijk als ‘uitspruitsel’ te begrijpen. Het is verwant aan groeien maar taalkundig niet rechtstreeks ertoe te herleiden en moet ontstaan zijn in een eerdere tijd, bij een andere vorm van het werkwoord met diens oudere, meer oorspronkelijke betekenis ‘uitsteken, opsteken, overeind staan’. Vergelijkbaar in dat opzicht is een ander verwant woord dat alleen in zustertalen is overgeleverd en waarbij een grondbetekenis ‘opsteeksel, uitsteeksel, stekel’ is aan te nemen: Oudengels grǽd ‘gras’ en Middelhoogduits grát ‘spitse punt; scherpe rand’.

Zo is het ook met het eveneens verwante Nederlands graat ‘visbeen’ en diens evenknie, Middelhoogduits graz ‘kiem; dennentak’. En zo zien we het tevens bij Middelnederlands grane ‘korenaar, stekelig, puntig haar; snorrebaard’ en Oudnoords grǫn ‘baardhaar, snorrebaard; naaldboom’. Bij het laatste bestond bovendien als nevenvorm nog een Oudnoords greni ‘naaldboom’. En dat hebben wij in de Hanzetijd—toen de Lage Landen reeds grote hoeveelheden hout uit het Hoge Noorden invoerden—ontleend als grenen(hout).

Eerder en elders
Wroeten we verder in het verleden, naar de wortel van groeien, dan komen we nog tot enkele verrassende ontdekkingen in andere talen. De voorloper van groeien was Oudgermaans *grōaną en diens voorloper was gewestelijk Indo-Europees hroh1 naast hreh1 (onbeklemtoond hrh1), dus met de betekenis ‘uitsteken, opsteken, overeind staan’. Daarvan afgeleid zijn ook hrh1-mn- en hrh1-i̯-ent-, de voorlopers van onderscheidenlijk Latijn grāmen ‘gras’ en Hettitisch kariant-, dat vermoedelijk ook ‘gras’ betekende.

Vervolgens is hreh1 te ontleden als hr-éh1, met *-eh1 als een bekend achtervoegsel waarmee werd aangegeven dat het niet om een handeling ging maar om een toestand of het geraken in een toestand. De eigenlijke werkwoordelijke wortel zonder achtervoegsel is dan dus her- (onbeklemtoond hr-). En net die wortel, met de betekenis ‘uitsteken, steken’ en ‘opsteken, overeind staan’, is te ontdekken in onder meer Grieks khármē ‘speerpunt’ en Latijn horior ‘prikkelen, aansporen’. Langs een betekenis ‘reikhalzen’ zijn Nederlands begeren en gaarne er ook mee te verbinden.

Bovendien komen van de verlenging her-s- nog woorden als Oudindisch hárṣate ‘verheugd zijn’, Latijn horreō ‘stijf staan, huiveren’ en diens afleiding horror ‘huivering, schrik’, en mogelijk ook Nederlands garstig ‘ranzig’ (vroeger ook ‘stinkend’ en ‘bitter’), indien men er oorspronkelijk ‘prikkelig’ mee bedoelde.

Zijn oude vervoeging
Overigens is groeien eigenlijk een sterk werkwoord: groeien, grieuw, gegroeien. In de Middelnederlandse overlevering dook de sterke verleden tijd hier en daar nog op als grieu, maar van een voltooid deelwoord ghegroeyen of iets dergelijks was toen al geen spoor meer. De Engelse evenknie is nog wel geheel sterk gebleven met grow, grew, grown, en ook het Oudijslands had nog gróa, grœ, gróinn. In een zinsnede van de 14e eeuwse Spieghel der wijsheit of leeringhe der zalichede van de Vlaamse dichter Jan Praet is zowel de tegenwoordige tijd als de sterke verleden tijd te lezen, en kennelijk in de oudere betekenis ‘uitspruiten’:

Maer als hi vel,
ghelovic wel,
dat hi hier zieu
van zinen sade,
dat smenschen scade
vele grieu,
ende noch groeyt
ende vele bloeyt
nacht ende dach
uut dezen bome
daer gheene vrome
of comen mach.

Besluit
In betere tijden zou een eenvoudige zin als gras groeit gelijk water vloeit terstond en zonder hoon herkend worden als een onomwonden wijsheid over de wetmatigheden die onze wereld tekenen, als een van de helderste zinnebeelden van de tauw die alles doordringt en in haar geheel niet te vatten is, en daarmee als een troost. Wie de woorden doorgrondt en de gebeurlijke droogheid van geleerde stof kan overwinnen heeft enkel meer te genieten van de diepgewortelde en malse betekenis die ermee gemoeid is.

Verwijzingen

Bosworth, J. & T.N. Toller, An Anglo-Saxon Dictionary (Oxford, 1989)

Cleasby, R. & G. Vigfússon, An Icelandic-English Dictionary (Oxford, 1874)

INL, Middelnederlandsch Woordenboek (webuitgave)

Karg-Gasterstädt, E. & Th. Frings, Althochdeutsches Wörterbuch. Auf Grund der von Elias v. Steinmeyer hinterlassenen Sammlungen im Auftrag der Sächsischen Akademie der Wissenschaften zu Leipzig (Leipzig, 1952-2015ff.)

Kloekhorst, A., Etymological Dictionary of the Hittite Inherited Lexicon (Leiden, 2008)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Lexer, M., Mittelhochdeutsches Handwörterbuch, 3 Bde. (Leipzig, 1872-1878)

Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (webuitgave)

Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Vaan, M. de, Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages (Leiden, 2008)

Vries, J. de, Altnordisches etymologisches Wörterbuch (Leiden, 1962)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.