Lang leve de los

We kennen hem nu vooral onder de vreemde, Griekse naam lynx, een wrange herinnering aan zijn verdwijning uit de Lage Landen en aan ons erbarmelijke geheugen. Hij was hier lang inheems, toen er nog plek voor hem was, met een Nederlandse naam van hoge ouderdom. Die luidt los en is de evenknie van Duits Luchs, zoals vos van Fuchs. Naar welk kenmerk van dit schitterende dier wordt hiermee verwezen? De zwarte kwasten van zijn oren misschien?

Tot grote blijdschap van wildminnend volk is er onlangs een los in de Waalse wouden op beeld gevangen. Niet alleen bevestigde dit zijn terugkeer na een eeuw afwezigheid daar, het was ook een knappe kunst op zich: deze katachtige laat zich zelfs in bekend leefgebied zelden zien. In Nederlands Limburg zou hij enkele jaren geleden ook waargenomen zijn, maar sluitend bewijs ontbrak of was vervalst. In elk geval is er in dit almaar dichter bevolkte land niet de ruimte die het dier nodig heeft.

Vele vormen
Nederlands los en Duits Luchs zijn samen met Oudsaksisch lohs en Oudengels lox voortzettingen van een Oudgermaans *luhsaz. Daarin is de *-s- eigenlijk een verlengend achtervoegsel. Bij de Noord-Germanen in Scandinavië was het de vrouwelijke vorm zonder *-s- die de overhand kreeg: *luhō ontwikkelde zich tot Noors en Zweeds lo. Die vinden we ook in Lofoten, de naam van de bekende eilandengroep voor de kust van Noord-Noorwegen. Foten betekent letterlijk ‘de voet’.

Buiten het Germaans, aan andere takken van de Indo-Europese taalboom, bestaan vergelijkbare namen voor dit dier: ten eerste uiteraard Grieks lúnx (tweede naamval lunkós), dat wij als lynx ontleend hebben, daarnaast onder meer Litouws lūšis, gewestelijk lųnšis, Russisch rýsь en Armeens lusanunk‘, een meervoudsvorm. Bij de Slavische vormen met r- in stede van l- is sprake van verhaspeling met een ander woord of anders ontlening uit een naburige Iraanse taal, waarin elke *l een r is geworden.

Vervolgens zijn ze klankwettig te herleiden tot drie oudere, op elkaar lijkende voorlopers in het Indo-Europese taalruim: *lu voor het Germaans en Armeens, *lū voor het Baltisch en Slavisch, en *lun voor het Grieks en gewestelijk Baltisch. (De letter staat voor de klank /kj/.) Maar daarna wordt het lastig, want die veelvormigheid vergt niettemin een verklaring bij verdere vorsing.

Een wortel
Nu lijkt *luḱ- op het eerste gezicht de onbeklemtoonde vorm van een (werkwoordelijke) wortel *leuḱ-. En aangezien veel Indo-Europese werkwoorden in de tegenwoordige tijd een ingevoegde *n hadden, kan ook *lunḱ- bij een wortel *leuḱ- horen. Daarentegen kan *lūḱ- met zijn lange er alleen bijhoren als die het gevolg is van latere rekking in uitspraak, bijvoorbeeld om gevoelsredenen vanwege taboes in de jacht. Daar beroep op doen is echter een zwaktebod.

Verder kennen we weliswaar anderszins een mogelijke wortel *leuḱ-, maar alleen van enkele voortzettingen in een andere uithoek van de Indo-Europese wereld: Oudindisch: rúśant- ‘lichtend, licht’ en a-ruśa- ‘niet wit’. Van die wortel wordt aangenomen dat hij een nevenvorm is van *leuk- ‘lichten’, die wél uitgebreid is overgeleverd. Ons eigen licht ‘niet donker’ bijvoorbeeld gaat langs Oudgermaans *leuhtaz terug op *leuktos. Maar moeten we ons dan voorstellen dat dit dier naar zijn lichte vacht is vernoemd? Of, omdat *leuk- in sommige gevallen ook ‘kijken’ lijkt te hebben betekend, is het dier vernoemd naar zijn scherpe tuur? Dat is niet meteen overtuigend.

Vanwege deze bezwaren, en omdat het hier om een wild dier gaat, zou het kunnen dat *luḱ-/*lūḱ-/*lunḱ- is ontleend aan een taal die in Europa werd gesproken voordat het Indo-Europees zo’n 5000 jaar geleden verspreid raakte vanuit de steppe benoorden de Zwarte Zee. Het verwijzen naar herkomst uit een andere, onderliggende taal is echter een laatste uitweg, vooral wanneer we verder vrijwel niks weten over die taal, dus we zouden ons ervan moeten vergewissen dat er geen andere mogelijke verklaringen vanuit het Indo-Europees zelf zijn.

Een verholen achtervoegsel
Tot nu toe is aangenomen dat de * hier deel van de wortel is. Het kan echter net zo goed een achtervoegsel geweest zijn. Inderdaad, in verscheidene diernamen in het Indo-Europees is een *-ḱ- als achtervoegsel te vinden. Denk bijvoorbeeld aan *h2rtḱos ‘beer’ (Hettitisch artakkaš, Grieks árktos, Latijn ursus) of *h1elḱos ‘eland’ (Oudgermaans *elhaz, Oudengels eolh). Soms was het duidelijk ter verlenging: naast *bhoru̯os ‘gesneden mannetjeszwijn’ (Russisch borov) bestond een *bhoruḱos (Oudgermaans *barugaz, gewestelijk Nederlands barg, borg, börg).

Mogelijk is bij ons woord dus sprake van afleiding van een *lu-/*lū-/*lun-. De *n is in dat geval te begrijpen als een oude verbuigingsuitgang, dus het gaat in de kern om de herkomst van *lu-/*lū-. Die afwisseling van lengte vergt nog wel een verklaring.

Het volgende wordt dan aannemelijk. Ten grondslag ligge een stam *leHu-. De *H is een schrijfwijze voor een nader vast te stellen keelklank die in bijna alle Indo-Europese talen vroeg verdween, maar waarbij een onmiddellijk voorgaande klinker gekleurd en gerekt raakte. De onbeklemtoonde vorm van *leHu- was *lHu-. Die was moeilijk uit te spreken en kon enerzijds vereenvoudigd raken tot *lu- en anderzijds klankomkering ondergaan tot *luH- en vervolgens veranderen in *lū-. Een dergelijke ontwikkeling is bekend van menige Indo-Europese wortel.

Betekenis
De *H van deze *leHu- is nader vast te stellen als één van drie verschillende keelklanken: *h1, *h2 of *h3. Dat wil zeggen, we hebben te maken met een *leh1u-, *leh2u- of *leh3u-. En we kennen drie zulke wortels. Om met de laatste te beginnen: een *leh3u- ‘wassen’ (nevenvorm *leuh3, zie noot) is bekend van onder meer Latijn lavō ‘wassen, baden’, Grieks loutrón ‘bad, badwater’ en Oudgermaans *laugō ‘loog’. Het is echter onwaarschijnlijk dat een katachtige naar zijn wassen vernoemd is.

Ondertussen kennen we ook een *leh1u- ‘losmaken, loslaten’ (nevenvorm *leuh1, zie noot). Verband tussen ‘losmaken’ en een grote katachtige ligt uiteraard niet voor de hand, maar merk op dat deze wortel bij uitbreiding ook ‘lossnijden, afsnijden’ betekende en zo ten grondslag ligt aan woorden als Oudindisch laví- ‘sikkel’ en Oudgermaans *lewō ‘zeis’. De nagels van dit dier zijn immers goed met sikkels te vergelijken.

Aantrekkelijker is echter vereenzelviging met *leh2u- ‘jagen, vangen, grijpen’ (nevenvorm *leuh2, zie noot). Hiertoe behoren onder meer Oudkerkslavisch lovъ ‘jacht’, Latijn lucrum ‘winst’ en Grieks apo-laúō ‘genieten’, laós ‘leger’ en leía ‘buit, roofgoed’, alsmede Oudgermaans *launą ‘loon’ en *lewwaną (Middelnederlands (ge)louwen ‘grijpen, vangen’, Westvlaams lauwen ‘reiken naar’).

De *-u- van deze wortel en de vorige twee is eigenlijk een versteende vervoegingsuitgang. De meer oorspronkelijke vorm van deze wortel is dus *leh2, bevestigd door het voorkomen van Hettitisch lāḫḫ- ‘krijgstocht’. Deze moet wel dezelfde zijn als *leh2 ‘zich verbergen’, zoals bekend van o.a. Oudkerkslavisch lajǫ ‘opwachten, belagen’, Latijn lateō ‘verborgen zijn’ en Grieks lḗthō ‘onopgemerkt zijn’. Dat zal ook de meer oorspronkelijke betekenis zijn. Bij jagen is het immers van belang niet opgemerkt te worden tot de prooi dichtbij genoeg is om te verrassen.

Besluit
De los wordt ook wel de ‘geest van het woud’ genoemd, zoals hij zich zelden vertoont en heel moeilijk op beeld is vast te leggen. Meestal zijn het kiekjes in de dierentuin. Hij is—in onderscheid van wolf en beer—een stille, ongeziene jager en belager. En het is wel net aan dat kenmerk dat hij zijn naam te danken heeft.

Noot
Bij *leh1u- kon de onbeklemtoonde vorm *lh1u- (Beekes, blz. 881) gemakkelijk klankomkering tot *luh1 ondergaan, waarop vervolgens een nieuwe beklemtoonde vorm *leuh1 (Rix e.a., blz. 418) kon ontstaan. Op dezelfde wijze bij *leh2u- (De Vaan, blz. 349) en *leh3u- (Kümmel e.a.) de nevenvormen *leuh2 (Kroonen, blz. 329) en *leuh3 (Rix e.a., blz. 418).
Verwijzingen

Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)

Bjorvand, H. & F.O. Lindeman, Våre Arveord, revidert og utvidet utgave (Oslo, 2007)

Derksen, R., Etymological Dictionary of the Baltic Inherited Lexicon (Leiden, 2015)

Derksen, R., Etymological Dictionary of the Slavic Inherited Lexicon (Leiden, 2008)

Kloekhorst, A., Etymological Dictionary of the Hittite Inherited Lexicon (Leiden, 2008)

Krahe, H. & W. Meid, Germanische Sprachwissenschaft III: Wortbildungslehre, 7. Auflage (Berlin, 1969)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Kümmel, M. e.a., Addenda und Corrigenda zum Lexikon der indogermanische Verben (2015)

Martirosyan, H.K., Etymological Dictionary of the Armenian Inherited Lexicon (Leiden, 2009)

Pokorny, J., Indogermanisches etymologisches Wörterbuch (Bern, 1959)

Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Vaan, M. de, Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages (Leiden, 2008)

5 gedachtes over “Lang leve de los

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.