Hof, harg en hal: het heten van heiligdommen

Op een vredige stede onder grote bomen is de grond bij plecht gewijd. Een houten gebouw zal verrijzen, gesmukt met smaak en mate, als gelegenheid tot bezinning op het goddelijke en het wild. Een naam ontbreekt nog, maar er is gelukkig een schat aan woorden om een goede mee te maken.

Raamwerk
Dit is een oefening in taal en de verbeelding van een gedeeld geestesleven anders dan een godsdienst. Dit is een wijze of een ee, om met een oud woord te spreken, een geheel van zeden naar de goddelijke schikking, waarbij geen sprake van openbaring of heilige schrift hoeft te zijn. Een oude ee is het lang vergane heidendom van onze voorouders. Een andere ee is shintō in Japan. De ee in dit verband is nieuw doch eert wortels en neemt voorbeeld.

Er zijn algemene woorden voor heiligdommen en hun onderdelen, en er zijn vandaar de namen die voor elk te bedenken zijn, naar hun ligging of een ander kenmerk of verband. Van een tempel spreken we niet, want dat woord is beladen met voorstellingen en komt bovendien uit het Latijn. Het is evenmin een kerk, want die oorspronkelijk Griekse aanduiding is onlosmakelijk met het kerstendom verbonden.

fantoft
Opzicht van een houten heiligdom: de staafkerk van Fantoft in Bergen, Noorwegen

Hoe hebben heiligdommen in deze ee dan wel te heten, behalve heiligdom? In het Oudgermaans, de voorloper van de Nederlandse taal en zusterspraken, bestonden verschillende woorden voor zulks of iets dergelijks. Wij zullen die opdiepen en daarbij aangeven wat hun vorm in onze eigen tong is of zou zijn. Daarnaast zijn er genoeg woorden die vroeger niet zozeer in geestelijke zin gebruikt werden maar niettemin geschikt zijn.

Gewijde grond
Meest algemeen voor heiligdommen waren de woorden *alhs en *wīhaz, die nu (de) aal en (de, het) wij zouden luiden. Het ene is opgeschreven als Gotisch alhs en Oudengels ealh, is mogelijk verwant aan Oudengels ealgian ‘hoeden’ en Fries (jin) ealgje ‘letten op, zich bekommeren om’, en beantwoordt buiten het Germaans aan Litouws al̃kas ‘heilig heuvelbos’. Het andere is overgeleverd als Oudsaksisch wíh, Oudengels wéoh en Oudnoords , een verzelfstandiging van wat in onze taal nog voortleeft als wij ‘heilig’ in onder meer wijwater en wijden. Denkelijk verwant zijn wichelen en wikken ‘voorspellen’.

harg
Nabouwing van een ruim 3000 jaar oud houtwerk, vermoedelijk een heiligdom, in 1957 ontdekt te Barger-Oosterveld, Drenthe

Een derde belangrijk woord was *harguz, nu (de) harg of herg. Men zal er eerst wel een offerstede van wisse aard mee bedoeld hebben. In de Oudhoogduitse overlevering gold harug immers ter vertaling van Latijn āra ‘altaar’, maar ook fānum en dēlūbrum, beide ‘heiligdom’, alsmede lūcus en nemus, beide ‘heilig bos’. Het Oudengels had hearg voor zowel een ‘heiligdom’ als een ‘afgodsbeeld’. En in het Oudnoords kon de betekenis van hǫrgr verschillen van ‘steenhoop’ tot ‘wijhuis’. Hier te lande schuilt het woord nog in de oordnaam Hargen in Noord-Holland en vroeger Harga (later Kethel) in Zuid-Holland.

Het vermelden waard overigens is dat de (verwachte) hedendaags Engelse vorm harrow werd opgenomen door de geleerde J.R.R. Tolkien voor zijn rijkelijk verbeelde wereld in The Lord of the Rings. Hij verwerkte deze in de oord- en streeknamen Dunharrow, Harrowdale en Underharrow in het land Rohan. Zeer verdienstelijk is hoe Max Schuchart daar Dunharg, Hargdal en Onderharg van maakte in zijn Nederlandse vertaling van het werk.

Voort naar *hufaz, nevenvorm *hufą, vanwaar (de, het) hof. Dit moet reeds in het Germaans min of meer de betekenis gehad hebben die het in onze taal nog steeds heeft. In het Oudnoords—eveneens als hof—verwees het in het bijzonder naar wijhuizen oftewel tempels. Hoewel die ontwikkeling dus van latere tijden en andere oorden is kunnen we er goed voorbeeld aan nemen. Een heiligdom kan immers bestaan uit enkele gebouwen om een open ruimte.

wilsede2
Germaanse wijhuizen hadden mogelijk gekruiste paardenkoppen op de gevels

In veel gevallen ging het vroeger om een bosheiligdom in het bijzonder, en daarvoor bestond het woord *nemedaz, dat nu de vorm van (de) nemd of nimd zou hebben. Het is zeldzaam in de overlevering: opgeschreven in meervoud nimidas door de Engelse zendelingen die in deze streken werkzaam waren, en voortlevend in verbogen vorm in de Westfaalse naam Nemden, van een oord bij het bekende Teutoburgerwoud, waar de Germanen volgens de Romeinen heilige bossen hadden. Verwanten in andere talen zijn Gallisch nemēton ‘heiligdom’, Grieks némos ‘bos’ en uiteraard Latijn nemus ‘heilig bos’.

Daarnaast was er *barwaz, met (de) baruw of baar als verwachte huidige vorm. De Oudengelse voortzetting bearu was vooral gangbaar in de algemene zin ‘bos’, doch soms ‘heiligdom’, terwijl in de Oudhoogduitse overlevering baro in betekenis gelijk werd gesteld met Latijn āra ‘altaar’, en de afleiding of samenstelling barawāri dienst deed als vertaling van Latijn haruspex ‘offerziener’. Een evenknie buiten het Germaans is Russisch bor ‘naaldbos’.

Als laatste en gewis niet het minste hebben we *lauhaz, nu (de, het) lo of loo. Met dit woord, van dezelfde wortel als licht, werd oorspronkelijk een laar (open plek in het bos) bedoeld en bij uitbreiding enerzijds een bosheiligdom of heilig bos en anderzijds een bos voor alledaagse benutting. Het deelt een gemeenschappelijke voorloper met Latijn lūcus, dat ten eerste ‘heilig bos’ betekent en tevens gewoon ‘bos’.

Verschillende plekken
In het oude heidendom waren oorden vaak gewijd aan een godheid in het bijzonder en zo algauw ernaar vernoemd. Donderslag in Belgisch Limburg bijvoorbeeld is de voortzetting van Donreslo, letterlijk het lo van de god Donder—net als Thundersley in Essex en Thursley in Surrey, Engeland. Van sommige andere oordnamen bestaat enkel het vermoeden dat er een naam van een godheid in schuilt, zoals Ermelo aan de Veluwe, vroeger Irminlo.

eexterharg
Hunebed D14, ook wel de Eexterhalte geheten vanwege het vroegere spoorhof nabij

In de nieuwe ee van onze verbeelding is bij benaming wel eerder verwijzing naar een plek dan naar een godheid te verwachten. Zou er bijvoorbeeld in het oude Drentse brinkdorp Eext een grond gewijd worden, mogelijk van een van de drie hunebedden daar, dan ligt iets als Eexterharg voor de hand. Bedenk daarbij dat harg in sommige streken ook naar een steenhoop kon verwijzen.

En bij de bovenstaande woorden hoeft het geenszins te blijven. Er zijn tal van andere woorden—gangbaar nog of uit de vergetelheid—die ondanks hun alledaagsheid een kenmerk van deze of gene heilige ruimte kunnen vangen: de omgeving, de bomen, gebouwen enzovoort. Een ziel wete zich dan te wonen tussen oorden met allerhande namen, zoals Essendoor, Lindenharg, Rodehalle en Wijlo. Zie onder voor een lijst van geschikte woorden.

Tot slot
Zou een nieuwe ee werkelijkheid worden, met het nodige netwerk van heiligdommen daarbij, dan kon het geen kwaad om enigszins onderscheid in aard te bewaren. Voor een heiligdom in het algemeen voldoet wij, voor het kleinere is harg geschikt, en alleen voor de grotere gevallen is hof (of wijhof) weggelegd, mits ze ook echt bestaan uit meerdere gebouwen om een open ruimte. Een nimd is een wij die zich in het bos bevindt, een lo is wel eerder het (heilige) bos zelf, en onder baruw is dan een groter heilig woud te verstaan.

We kunnen vergelijken hoe het is bij shintō in Japan. Een doorsnee heiligdom daar—in dat verband ook wel schrijn genoemd—heet jinja ‘godenstede’, terwijl enkele grote, belangrijke heiligdommen inmiddels aangeduid worden als taisha ‘grote (offer)stede’. Wisse hoven die verbonden zijn aan het Keizerlijk Huis daarentegen staan bekend als jingū ‘godenhof’.

Voorbeeldig daar is overigens de stijl van de gebouwen zelf: geworteld en volwassen—ambachtelijk geschapen met de vaardigheid en kennis vanuit vele eeuwen ervaring. Een nabootsing is echter niet de bedoeling, daar wij ons eigen erfgoed hebben om uit te putten voor hoogwaardige houtbouw. Hoe het niet moet tonen de nieuwe noordelijke heidenen met een sprookjesschuur in Denemarken en een merkwaardige betonvlaai in IJsland.

meiji3
Meiji-jingū in Tokyo, Japan
meijijingu
Meiji-jingū in Tokyo, Japan
miho
Miho-jinja in Matsue, Japan
okusawa
Okusawa-jinja in Tokyo, Japan
Geschikte woorden bij de noeming van heiligdommen
aal (m.) ‘heiligdom’

baruw, baar (m.) ‘bos; heilig bos’

boede (v.) ‘gebouwtje’

bos (o.) ‘geboomte’

bron, born (m.) ‘opwellend water’

buur (o.) ‘klein gebouw; vertrek’

dan (m.) ‘wouddal, weinig bezochte, omboste plek’

door (o.) ‘poort’

doude, dolde (m.) ‘boomkroon’

gaard, gaarde (v.) ‘omsloten stuk grond’

gadem (m.) ‘klein gebouw; vertrek’

haag (m.) ‘omheining’

hal, halle (v.) ‘groot vertrek’

harg, herg (m.) ‘offerstede, heiligdom’

haven (v.) ‘geborgen plek’

hein (m.) ‘afscheiding’

herm (m.) ‘rust; rustplek’

hof (m./o.) ‘open ruimte met gebouwen’

hout, holt (o.) ‘bos, geboomte’

huis (o.) ‘woongebouw’

kast (m.) ‘steenhoop’

kastel, kestel (m.) ‘steenhoopje’

koof (m.) ‘huisje’

laar (o.) ‘open plek in het bos’

leeuw, lee (m.) ‘grafheuvel’

lie (o.) ‘luwte’

lo, loo (m./o.) ‘open plek in het bos; bosheiligdom; heilig bos’

luw (bn.) ‘beschut, windvrij’

madel, maal (o.) ‘ontmoetingsplek’

nemd, nimd (m.) ‘bosheiligdom’

oord (o.) ‘plek’

raakt (m./o.) ‘huis’

rarn (o.) ‘rustplek; huis’

roe (v.) ‘rust’

rust (v.) ‘toestand zonder vermoeienis’

schaag, schage (m.) ‘klein bos’

stede (v.) ‘plek’

stelle (v.) ‘plek’

tuin (m.) ‘omheining; omheind stuk grond’

vrede (m.) ‘geborgenheid’

vroon (m./o.) ‘heerlijk goed’

wede (m./o.) ‘bos; hout’

wees, weze (v.) ‘overdekte rustplek in een tuin’

wij (m./o.) ‘heiligdom’

woud, wold (o.) ‘groot bos’

zaal, zale (v.) ‘groot vertrek’

zate (v.) ‘gezetenheid’

zeel, zele (v.) ‘groot vertrek’

zelde (v.) ‘groot vertrek’

Beelden

Houten wand door Dan Cook. Enige rechten voorbehouden.

Staafkerk van Fantoft door Dal Lu. Enige rechten voorbehouden.

Heiligdom van Barger-Oosterveen door Alex Hoekerd (bewerkt). Rechtenvrij.

Dak met gevelteken door Derzno (bewerkt). Enige rechten voorbehouden.

Hunebed van Eext door Encyacht (bewerkt). Enige rechten voorbehouden.

Meiji-jingū door Leonard Witzel. Enige rechten voorbehouden.

Meiji-jingū door Chris Ubik (bewerkt). Enige rechten voorbehouden.

Miho-jinja door Boss (bewerkt). Enige rechten voorbehouden.

Okusawa-jinja door Doricono (bewerkt). Enige rechten voorbehouden.

Verwijzingen

Berkel, G. van & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard (2018)

Bocking, B., A Popular Dictionary of Shinto (Richmond, 1995)

Bosworth, J. & T.N. Toller, An Anglo-Saxon Dictionary (Oxford, 1989)

Green, D.H., Language and History in the Early Germanic World (Cambridge, 2002)

Heide, E., “Hǫrgr in Norwegian names of mountains and other natural features”, in Namn og Nemne 31 (2014), blz. 7–51

INL, Middelnederlandsch Woordenboek (webuitgave)

INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)

INL, Wurdboek fan de Fryske taal (webuitgave)

Jónsson, F., “Hǫrgr”, in Festschrift zur 50 Jährigen Doktorjubelfeier Karl Weinholds (Strassburg, 1896), blz. 13–20

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Loon, J. Van, Lo, donk, horst: Taalkunde als sleutel tot de vroege middeleeuwen (Gent, 2017)

Matasović, R., Etymological Dictionary of Proto-Celtic (Leiden, 2009)

Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (webuitgave)

Vaan, M. de, Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages (Leiden, 2008)

16 gedachtes over “Hof, harg en hal: het heten van heiligdommen

    1. In huidig Friesland is niet veel aan te wijzen, jammer genoeg. Het enige geval waar ik vertrouwen in heb is Harich (ouder Harch) als een vorm van harg ‘offerstede, heiligdom’.

      Franeker betekent letterlijk ‘akker van de heer (of heren)’ en is lang geduid als ging het om een god of de goden. Tegenwoordig wordt toch aan een aardse heer gedacht. Ik houd het voor onwis.

      In Holland als voormalig Fries gebied zien we behalve Hargen en het verloren Harga nog wat belangwekkends, met name Heiloo en Oesdom. Over die laatste schrijf ik misschien nog een stuk.

      Terzijde, in tegenstelling tot Friesland heeft Groningen kennelijk nog wat namen bewaard van voor de volksverhuizingen in de derde en vierde eeuw. Opvallend bijvoorbeeld is Eenrum, die vroeger Arnarion e.d. luidde en later is gewijzigd tot -um o.i.v. dergelijke namen in de omgeving. Geen aanwijzing voor een heiligdom, maar het is een mooie hoek om te zoeken.

      1. Merci! Groningen kan kloppen, aangezien de Ommelanden in mindere mate is ontvolkt in de vierde eeuw en bewoning dus continueerde (zoals in beroemd Ezinge). Dit in tegenstelling tot provincie Friesland wat zo goed als leeg raakte.

        Heiloo en (de voormalige berg van) Oesdom, hebben zeker mijn interesse. Een regio met Hargen erbij en Hallem (later Egmond, en denk aan Hallum in Friesland), de vele heilige medicinale bronnen, tjokvol religie. Kijk dus uit naar je post!

        Ik meende ook Wehe-den-Hoorn in Groningen zou verwijzen naar -weoh. En dat de voorganger van Harlingen, Almenum (nog steeds een naam die gebruikt wordt) met -al ook naar een heiligdom zou verwijzen.

      2. Wehe zit me dwars. De overgang van de elfde-eeuwse vorm Wia naar de veertiende-eeuwse vorm Wee wijst erop dat die i kort was. Het woord *wīha- ‘heiligdom’ had echter een lange .

        Om naam en woord hier toch te kunnen vereenzelvigen hebben we aan te nemen dat er in de naam een klinkerverkorting is opgetreden, van Wīa naar Wia. Ik houd het voor mogelijk, maar een bijkomende aanname doet altijd afbreuk aan een duiding.

    1. De bouw van de betonvlaai is in 2015 begonnen en nog steeds niet voltooid omdat het ontwerp moeilijk bleek uit te werken. Kosten zijn ook meer dan verdubbeld, naar twee miljoen euro…

    2. Wel leuk om te zien dat die vermoedelijke wij of harg bij Barger-Oosterveld met een beetje verbeelding lijkt op een shinto heiligdom.

    1. In het Noors vinden we behalve hov ‘wijhuis, tempel’ gewestelijk nog hov ‘kleine hoogte’. Onder de veilige aanname dat dit niet twee verschillende woorden zijn zal de meest oorspronkelijke betekenis van de voorloper, Oudgermaans *hufaz/*hufą, wel ‘kleine hoogte’ geweest zijn. Die werd algauw ‘bewoonde hoogte’ en vervolgens reeds vroeg (ik ga ervan uit nog in het Oudgermaans) ‘huizen met erf, gebouwen om een open ruimte, omheinde ruimte’, zoals in o.a. Oudnederlands hof, Nederlands hof. Dus dat woord is verwant aan *hubilaz en diens voortzetting heuvel. De wisseling van *f en *b is geen bezwaar want te verklaren uit een vroeger klemtoonverschil. Ook hobbel hoort hierbij.

      Daarentegen is *hōbō, vanwaar hoeve, er klankmatig moeilijk mee te verbinden, want binnen een wortel wisselde niet zomaar af met *u. Bovendien heeft de Duitse evenknie Hufe (gewestelijk Hube) sinds de vroegste overlevering de betekenis ‘stuk grond, landmaat’ en dat zal wel de meer oorspronkelijke zijn. Het woord zou van dezelfde wortel als hebben en have ‘bezit; eigendom’ kunnen komen, doch niet havezate.

      In havezate is have met heldere /aː/ namelijk een verkeerde vernederlandsing van oostelijk hoave, de verbogen vorm van… hof. Bij dezelfde dwaling hebben we Ten Kate voor een Twentse achternaam die in Twente zelf Ten Koate luidt, met koate als verbogen vorm van kot ‘eenvoudige boerenwoning’. In het Algemeen Nederlands zouden we dus eigenlijk hovezate en Ten Kote moeten schrijven en zeggen.

  1. In Overijssel ligt het plaatsje Wijhe tussen Zwolle en Deventer aan de IJssel; 960 kopie eind 16e eeuw in villa Wie*, 1133 Wie, Wye, ca. 1310 Wie, 1381-1383 Wie, Wye, 1556 Weije, 1803 Wye, Wyhe, 1883 Wije, 1887 Wijhe. (ik heb deze data niet geverifieerd trouwens)

    Ook vroeg ik me af of het woord aalmoes in verband staat met een “aal” (zoals altaar).

    Vriendelijke groet

    1. Juist, Wijhe staat reeds vermeld bij wij op de lijst van vergeten woorden.

      Nederlands aalmoes komt volgens het EWN langs christelijk Latijn eleēmosyna van Grieks eleēmosúnē ‘medelijden’. De aa- (in stede van ee-) van aalmoes zou o.i.v. iets als middeleeuws Latijn alimonia ‘onderhoud, voedsel’ gebeurd zijn. Dit staat geloof ik wel vast.

      Maar ik moet zeggen, het is prachtig dat aalmoes te verheemduiden is als een samenstelling van aal ‘heiligdom’ en moes, dat vroeger algemeen ‘eten, voedsel, maaltijd’ betekende.

  2. Hoe toepasselijk is het woord schrijn als evenknie voor de hier besproken woorden? Je gebruikt het in het slotwoord als vertaling voor jinja, maar neemt het niet op in de woordenlijst aan het eind.

    Interessant stuk, wederom!

    1. Dank je, Arthur, maar ik heb er mijn bedenkingen bij.

      Voor mijn gevoel verwijst schrijn bij uitbreiding niet zomaar naar een heiligdom maar naar een plek waar relieken worden bewaard of—in het geval van shintō—een oord waar godheden e.d. worden geacht te vertoeven in daartoe bestemde gebouwen en kleiner timmerwerk.

      Het woord heeft aldus een geschiedenis en lading waar geen sprake van is in de ee of wijze zoals ik mij die hier voorstel. Bovendien gaan schrijn en shrine terug op Latijn scrīnium ‘koker, kistje, kastje’. Het is mijn bedoeling om in dit raamwerk leenwoorden zo veel mogelijk te vermijden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.