Skip to content

Wichtnamen

of: namen van wezens en zaken uit de Germaanse oudheid

Door Olivier van Renswoude

(Voor een kort voorwoord en de mogelijkheid tot reageren kunt u hier terecht.)

aal (m.; alen) ‘tempel, heiligdom’

Oudsaksisch alah ‘tempel’, Oudengels ealh ‘tempel, woning’, Oudnoords -áll (in samenstellingen), Gotisch alhs ‘tempel’

Van Oudgermaans *alhaz. De oorspronkelijke betekenis was ‘beschutte, afgeschermde plaats’. Vermoedelijk is het woord ook verborgen in de plaatsnamen Aalst (Noord-Brabant), Aalst (Gelderland) en Elst (Gelderland), al is het niet te achterhalen of het woord binnen die namen dan ‘tempel, heiligdom’ betekent of iets algemeners. Het woord is in oorsprong hetzelfde als Litouws alkas, alkà ‘heilig woud’.

Aarde (v.) ‘het geschapen koninkrijk, de wereld’

Oudnederlands ertha (Middelnederlands erde, eerde, aerde), Oudsaksisch ertha, Oudhoogduits erda (Duits Erde), Oudfries ertheirthe (Fries ierde), Oudengels eorðe (Engels earth), Oudnoords jörð (Zweeds jord, Deens jord, Noors jord), Gotisch airþō

Van Oudgermaans *erþō ‘aarde’.

adel (o.) ‘afstamming, aard, karakter’

Middelnederlands adel ‘adeldom, edele afkomst’, Oudsaksisch aðal(i) ‘eigendom, afstammeling’, Oudhoogduits adal ‘geslacht, afstamming, familie’ (Duits Adel), Fries adel (en eallju ‘adellijken’), Oudengels æðeloæðelu ‘voorname afkomst, afstammeling’, Oudnoords aðal ‘aanleg, natuur’ en eþli ‘aard, karakter’

Van Oudgermaans *aþalan en varianten. Verdere herkomst onwis. Verwant aan oel en edel.

alf, elf (m.;alven, elven) ‘wezen bekend om zijn kunst, kracht, wijsheid, rijzigheid en schoonheid’

Middelnederlands alf, elf (Nederlands alf), Oudsaksisch alf (Middelnederduits alf), Oudhoogduits alpalb (Duits AlpAlb), Oudengels ælfelf (Middelengels alve, Engels elf), Oudnoords alfr (IJslands álfur, Zweeds alv, Deens alf, Noors alv, elv

Van Oudgermaans *albaz of *albiz. Verdere herkomst onwis. Mogelijk van de Proto-Indo-Europese wortel *h2elbh ‘glanzend, wit’, vanwaar onder andere ook Latijn albus ‘wit’, alsmede wellicht Oudnederlands elvit, alvit ‘zwaan’.

ans (m.; anzen) ‘god, godheid’

Oudnederlands ans (in voornamen), Oudsaksisch ōs, Oudhoogduits ans (in voornamen), Oudengels ós, Oudnoords áss (Noors ås), Gotisch ansus

Van Oudgermaans *ansuz. Verdere herkomst onwis.

belewitte (m./v.; belewitten) ‘soort goede geest’

Middelnederlands beelwitte, belewittebeluwitte ‘goede geest; elf, kobold’ (Nederlands beeldwit ‘slaapwandelaar’), Middelhoogduits bil(e)wiz ‘kobold’

Waarschijnlijk oorspronkelijk een bijnaam voor de alf. Zelfstandig gebruik van Oudgermaans *biliwitaz (voortgezet in Oudsaksisch biliwit ‘gelijkmoedig, mild’ en Oudengels bilewit ‘genadig, onschuldig, goed’), een samenstelling van *biliz, dat waarschijnlijk ‘passend, rechtvaardig’ betekent, en *witaz ‘wijs, wetend’. Een belewitteis aldus een wezen dat weet wat rechtvaardig is. Thans in verbasterde vorm nog te vinden als beeldwit ‘slaapwandelaar’.

degen (m.; degens) ‘jonge man, krijger, gevolgsman’

Oudnederlands thegen (Middelnederlands degen ‘dappere held, ridder’), Oudsaksisch thegan ‘man, knaap’, Oudhoogduits degan ‘soldaat, gevolgsman, held’ (Duits Degen ‘held’), Oudengels þegn ‘dienaar, gevolgsman’ (Engels thane ‘gevolgsman’), Oudnoords þegn ‘krijger, gevolgsman’

Van Oudgermaans *þegnaz ‘jonge man, krijger’. De oudere betekenis is ‘knaap’. In oorsprong is het bijna hetzelfde woord als Grieks téknon ‘kind’. Degen was lang de benaming van de jonge krijger die trouw aan zijn heer zwoer in ruil voor onderhoud en kans op weelde.

deurs (m.; deurzen) ‘soort reus’

Oudhoogduits duris  ‘duivel, kwade geest’, Oudengels þyrs ‘reus’, Oudnoords þyrs ‘reus’

Van Oudgermaans *þurisaz. Waarschijnlijk verwant aan Oudnoords þora ‘durven’ en in de verte aan Sanskriet turá- ‘sterk, machtig, rijk’.

Dijs, DijseDijso (m.)

Zeer oude nevenvorm van Dings. Waar in vormen als Middelnederlands dinxendach en Nederlands dinsdag de vorm Dings verborgen zit, vinden we in vormen als Middelnederlands dijssendach de vorm Dijs.

ding (o.) ‘volksvergadering, rechtszitting, gerechtsplaats’

Oudnederlands thing ‘zaak, voorwerp’ (Middelnederlands dinc, ding ‘rechtzaak; zaak, voorwerp’), Oudsaksisch thing ‘geding, zaak’, Oudhoogduits thing, ding ‘rechtbank, rechtszaak’ (Duits Ding ‘zaak, ding’), Oudengels þing ‘rechtszitting, ding’ (Engels thing), Oudfries thing ‘rechtszaak, aanklacht, ding’ (Fries ding), Oudnoords þing ‘gerechtsplaats, rechtszitting, ding’ (Zweeds ting, Deens ting, Noors ting)

Van Oudgermaans *þingaz ‘volksvergadering van alle vrijen’, van ouder *þengaz ‘bepaald tijdstip’. De betekenisontwikkeling is aanzienlijk: ‘bepaald tijdstip’ > ‘volksvergadering’ > ‘rechtszitting’ > ‘rechtszaak’ > ‘zaak’ > ‘voorwerp’. Zie ook Dings en Dijs.

Dings, DingseDingso (m.) ‘belangrijke god van de Franken en Zassen/Saksen’

Gelatiniseerd Oudgermaans Thingsus (lees: *Þingsō)

Hoogstwaarschijnlijk oorspronkelijk een titel van de oorspronkelijke oppergod Tuw. Waarschijnlijk betekende Dings oorspronkelijk ‘rechtspreker, rechter’, afgeleid van *þingaz ‘rechtspraak, rechtzaak’ (zie ding). De naam *Þingsō, of eigenlijk diens tweede naamval *Þingsenaz, is nog verborgen in de dagnaam dinsdag, die langs Middelnederlands dinxendach komt van Oudgermaans *Þingsenaz dagaz ‘dag van Dings’. Vergelijk Engels Tuesday, dat langs Oudengels Tíwes dæg komt van Oudgermaans *Tīwas dagaz ‘dag van Tuw’. Zie ook Dijs.

Donder, Dondar (m.) ‘god van donder, bliksem, kracht, bescherming en vernietiging’

Oudnederlands thunar (Middelnederlands donre), Oudsaksisch thunar, Oudhoogduits donar (Duits Donner), Oudengels þunar (Engels thunder), Oudfries thuner (Fries tonger), Oudnoords þórr (van ouder þunarr)

Hetzelfde woord als donder ‘geluid bij onweer’. Van Oudgermaans *þunraz. De (tweede naamval van de) naam is nog verborgen in de dagnaam donderdag, die langs Middelnederlands donresdach komt van Oudgermaans *Þunras dagaz ‘dag van Donder’. Wordt in de Lage Landen ook wel Donar genoemd, maar dat is een Oudhoogduitse vorm.

drucht (v.; druchten) ‘leger, krijgsdienstig volk; schare van krijgers rond een machtig man’

Oudsaksisch druhtfolk (Middelnederduits drucht), Oudhoogduits truht (Middelhoogduits truht, Oudengels dryht, Oudfries drecht, Oudnoords drótt; Gotisch drauhts in drauhtiwitoþ ‘heertocht’

Van Oudgermaans *druhtiz. Van dezelfde wortel als *dreuganan ‘(krijgs)dienst doen’. Het woord schuilt ook in Middelnederlands drossate, drussate ‘hofmeester’ (Nederlands drost ‘gerechtsdienaar op het platteland’). Zie ook druchten.

druchten (m.; druchtens) ‘legerleider; machtig man met een schare krijgers; heer, heerser’

Oudnederlands druhtīn (Middelnederlands drochtijn),Oudsaksisch drohtin, druhtin, Oudhoogduits truhtīn (Middelhoogduits truhtīn), Oudengels dryhten, Oudfries drohten, Oudnoords dróttinn

Van Oudgermaans *druhtīnaz, een afleiding van drucht. Met de kerstening werd druchten in de Germaanse talen een toenaam van Christus en God, de heer der heerscharen.

dwerg (m.; dwergen) ‘kunstvaardig en schadelijk wezen’

Middelnederlands dwerch (Nederlands dwerg) Oudhoogduits twerg (Duits Zwerg), Oudfries dwerch (Fries dwerch), Oudengels dweorg (Engels dwarf); Oudnoords dvergr (IJslands dvergur, Zweeds dvärg, Deens dværg, Noors dverg)

Van Oudgermaans *dwergaz. Mogelijk van een wortel ‘schaden’, vanwaar ook bedriegen en gedrocht. Anders wellicht verwant aan dwaas en dan misschien van uiteindelijk van een wortel die zoveel als ‘geest hebben, ademhalen’ betekent.

ee (v.) ‘gewoonte, zede; godsdienstig gebruik; godsdienst; wet; huwelijk’

Oudnederlands ēwa ‘wet’ (Middelnederlands ewe, eeu, eewe, ee ‘tijdperk, eeuwigheid; (zeden)wet’), Oudsaksisch ēwa ‘wet’, Oudhoogduits ēwa ‘wet; lange tijd, eeuwigheid’ (Duits Ehe ‘huwelijk’), Oudfries ēwe ‘wet’ (Fries ieu), Oudengels ǽ(w) ‘wet’, Oudnoords ævi ‘lange tijd’ (Noors æva), Gotisch aiws ‘lange tijd’

In oorsprong hetzelfde woord als eeuw, maar met een eigen vorm- en betekenisontwikkeling. Van Oudgermaans *aiwō ‘tijdperk; recht, zede, gewoonte’. De betekenis ‘wet, huwelijk’ is een latere, West-Germaanse ontwikkeling. Het woord is nog te vinden in eega ‘echtgenoot, echtgenote’ (< ee-gade ‘wettelijke echtgenoot/echtgenote’), echt ‘werkelijk’ (< ē-haft ‘wettig’) en echt ‘huwelijk’ (zelfstandig gebruik van het vorige woord). Verwant zijn verder (n)iets, ieder, (n)iemand, (n)immer, (n)ergens en (n)ooit.

Ermengand (m.) ‘Alomvattende Slang’

Oudnoords jörmungandr

Een naam en voorstelling die wij enkel van de Noordgermaanse overlevering kennen. De Ermengand is het reusachtige serpent dat samen met de zee waarin het leeft (bij de Zuid-Germanen o.a. als de Wendelzee bekend) Midden-Aarde omringt en zijn eigen staart vat. Als de naam en voorstelling van dit beest teruggaan tot de Oudgermaanse tijd dan luidt de oorspronkelijke vorm *ermunagandaz, een samenstelling van *ermunaz ‘groots, verheven, wijds, alomvattend’ en *gandaz, een raadselachtig woord dat in de eropvolgende Noordgermaanse letterkunde verscheidene dingen kon betekenen, zoals ‘slang’, ‘tovenarij’ en ‘wolf’. Het eerste lid vinden we ook in Ermengrond en Ermenzuil.

Ermengrond (m.) ‘Wijdse Grond, de Aarde’

Oudengels eormengrund, Oudnoords jörmungrund

Dichterlijke benaming voor de Aarde. Van Oudgermaans *ermunagrunduz, een samenstelling van *ermunaz ‘groots, verheven, wijds, alomvattend’ en *grunduz ‘grond, bodem’. Het eerste lid vinden we ook in Ermengand en Ermenzuil.

Ermenzuil (v.) ‘Grootse Zuil, belangrijkste heiligdom voor de Zassen/Saksen’

Oudsaksisch irminsūl

Van Oudgermaans *erminasūliz, een samenstelling van *erminaz ‘groots, verheven, alomvattend’ en *sūliz ‘zuil’. De Ermenzuil, waarschijnlijk een hoge boomstam in de open lucht, was het heiligste der heiligdommen in Midden-Aarde voor de heidense Zassen/Saksen, en laat zich vergelijken met Yggdrasill van Noordgermaanse overlevering: de grootse boom van leven en kennis die als as van de negen werelden dient. De Ermenzuil, waarvan de rol niet helemaal duidelijk is, werd eind achtste eeuw na Christus vernietigd door Karel de Grote, koning der Franken. Het eerste lid van de naam wordt ook wel geduid als de (bij)naam van een god (Tuw wellicht), waardoor de gehele naam in plaats van ‘Grootse Zuil’ eerder ‘Zuil van de Grootse’ zou zijn. Doch een dergelijke (bij)naam is nergens anders overgeleverd, terwijl Oudgermaans *erminaz (en nevenvormen) als bijvoeglijk naamwoord in samenstellingen wel vaker voorkwam, zoals in Ermengand en Ermengrond.

etten (m.; ettens) ‘soort reus’

Middelnederduits eteninne (v.) ‘heks’, Oudengels eoten ‘reus’ (Engels ettin), Oudnoords jötunn ‘reus’ (IJslands jötunn, Zweeds jätte, Deens jætte, Noors jotun, jutul, jøtul, jute)

Van Oudgermaans *etunaz. Waarschijnlijk van de wortel van eten. Een etten is dan eigenlijk een ‘zwelger’.

Geerzeg (m.)

Oudengels gársecg

Benaming van de Wendelzee onder de Angelsaksen. Herkomst onwis. Lijkt een samenstelling van gár ‘speer’ en secg ‘man’, en zou dan oorspronkelijk een (toe)naam van de speerdragende god der zeeën zijn; vergelijk Poseidon met zijn drietand. Anders is het wellicht ontstaan uit een samentrekking van gáres ecg ‘uiterste punt van de nes’.

geest (m.; geesten)‘onstoffelijk wezen; schrikbarend wezen’

Oudnederlands gēst (Nederlands geest) Oudsaksisch gēst (Middelnederduits gēst), Oudhoogduits geist (Duits Geist), Oudfries gāst (Fries geastgeest), Oudengels gást (Engels ghost)

Van Oudgermaans *gaistaz. Verwant aan IJslands geiski ‘schrik’ en Gotisch usgeisnan ‘vervuld van schrik’ en usgaisjan ‘doen schrikken’. Gaat terug op de Proto-Indo-Europese wortel *ǵheis– / *ǵhois– ‘schrikken’.

god (o.) ‘god, godheid’

Oudsaksisch god (Middelnederduits got), Oudhoogduits got (Duits Gott), Oudfries god (Fries god), Oudengels god (Engels god), Oudnoords guðgoð (Zweeds gud), Gotisch guþ

Van Oudgermaans *gudan (meervoud *gudō). Mogelijk van dezelfde wortel als gieten, en is het woord ontstaan uit de gewoonte om drankoffers aan de goden te brengen. Oorspronkelijk was het woord onzijdig en vooral in meervoud gebruikt om alle goden tezamen mee aan te duiden. Vanaf de kerstening werd het als een mannelijk woord gebruikt.

goom, gome (m.; gomen) ‘man, mens’

Oudsaksisch gumo, Oudhoogduits gomo, Oudengels guma, Oudnoords gumi (Zweeds gumme ‘oude man’), Gotisch guma

Van Oudgermaans *gumō ‘man’. Hoort net als Latijn homō ‘man’ bij de Proto-Indo-Europese Wortel *dhǵhem- ‘aarde’. Hierbij ook Latijn humus ‘grond, aarde’ en Grieks khthn ‘aarde, grond, land’. Een goom is dus eigenlijk een ‘aardling’, een ‘van de aarde geschapene’. Vergelijk Hebreeuws adam, dat op een zelfde wijze is gevormd. Het woord is overigens nog in verbasterde vorm te vinden in de samenstelling bruidegom.

gouwer, gouder (o.; gouwers, gouders) ‘toverzang, toverwoord, bezwering’

Oudhoogduits galtar ‘bezwering, toverwoord’, Oudengels gealdor ‘id.’, Oudnoords galdr ‘zang; hekserij, tovenarij’

Van Oudgermaans *galdran ‘toverzang, toverwoord, bezwering’, een afleiding van de wortel van *galanan ‘zingen, bezweren met zang, betoveren’ (Oudnederlands galan ‘zingen’), net als de vogelnaam *nahtigalōn ‘nacht-zangeres’ (Nederlands nachtegaal). Ook verwant aan galm en gillen.

hagetisse (v.; hagetissen, hagetisses) ‘heks’

Middelnederlands hagetisse ‘heks’, Oudhoogduits hagazussa, hāzus, hāzissa (Duits Hexe), Oudengels hægtesse, hægts (Engels hag)

Waarschijnlijk van Oudgermaans *hagatusjō. Het tweede lid is waarschijnlijk hetzelfde als o.a. Noors dial. tysja ‘elf’, met een oorspronkelijke betekenis ‘tovenares’ o.i.d. Het eerste lid is onduidelijk; misschien hetzelfde als haag, of anders een woord dat zo veel als ‘voortplanting’ betekent. Een hagetisse is dan een ‘bostovenares’ of een ‘sekstovenares’. Overigens is heks, net als Zweeds häxa, waarschijnlijk ontleend aan de Duitse vorm van hagetisse. Met hagedis is het woord overigens niet verwant, maar wel enigszins verhaspeld.

harg (m.; hargen) ‘offersteen, heiligdom’

Oudhoogduits harug ‘heilig woud, heilige steen’, Oudengels hearg ‘tempel, afgodsbeeld’, Oudnoords hörgr ‘heidens altaar van stenen’

Van Oudgermaans *harugaz. Vermoedelijk ontleend aan ofwel Proto-Keltisch *karrika ‘steen’ (vergelijk Oudwels carrecc en Oudbretons carrec), ofwel de niet-Indo-Europese bron daarvan. Het woord is nog verborgen in de plaatsnamen Hargen (Noord-Holland) en Harich (Friesland).

heil (o.) ‘voorspoed, gunst van de goden, charisma; gunstig voorteken’

Oudnederlands heil ‘welzijn, voorspoed’ (Middelnederlands heil, heel), Oudsaksisch hēl ‘voorteken’ (Middelnederduits heil ‘geluk, zegen’), Oudhoogduits heil ‘geluk, voorspoed’ (Duits Heil), Oudfries hēl, Oudengels hǽl ‘gunstig voorteken, voorspoed’, Oudnoords heill ‘gunstig voorteken’

Van Oudgermaans *hailiz. Verwant aan heel ‘ongedeeld, ongeschonden’. Een afleiding hierbij is heilig.

Hel, Helle, Hella ‘onderwereld, dodenrijk’

Oudnederlands hella (Middelnederlands helle), Oudsaksisch hellia (Middelnederduits helle), Oudhoogduits hella (Duits Hölle), Oudfries helle (Fries hel), Oudengels helle (Engels hell), Oudnoords hel (Zweeds helvete), Gotisch halja

Van Oudgermaans *haljō. Mogelijk van een wortel die ‘verbergen’ betekent, vanwaar ook hal, hol, holster, hullen, huls, helm, verholen en helen (eigenlijk ‘verbergen’). Een andere mogelijkheid is dat het woord verwant is aan een oud woord voor ‘steen’.

helleruin (v.) ‘hekserij, tovenarij, magie, dodenbezwering’

Oudhoogduits hellirūna ‘magie’

Van Oudgermaans *haljōrūnō, een samenstelling van *haljō ‘hel, onderwereld, dodenwereld’ (zie Hel) en rūnō ‘geheim, bezwering’ (zie ruin). Zie ook helleruine.

helleruine (v.; helleruinen, helleruines) ‘heks, tovenares, dodenbezweerder’

Oudengels hellerúne ‘tovenares, dodenbezweerder’, gelatiniseerd Gotisch haliurunae mv. ‘heksen’

Van Oudgermaans *haljōrūnōn, een samenstelling van *haljō ‘hel, onderwereld, dodenwereld’ (zie Hel) en rūnōn ‘bezweerster’ (van dezelfde wortel als ruin). Zie ook helleruin.

hou, houde (m./v.; houden) ‘vriend, goede geest’

Oudnederlands holdo ‘getrouwe, vriend’ (Middelnederlands houde ‘getrouwe’), Oudhoogduits holdo ‘vriend’(Duits Holde ‘elfje’ v.), Oudfries holda ‘vriend’

Ook wel goede houde id. Van Oudgermaans *hulþō (m.), *hulþōn (v.), een zelfstandige vorm van *hulþaz ‘genegen, trouw, vriendelijk’, dat nog te vinden is in de uitdrukking hou en trouw. Verder verwant aan hulde en hellen ‘neigen’, doch niet aan het werkwoord houden. Zie ook onhou en kovoud.

huin, huine (m.; huinen)‘soort reus’

Middelnederlands hune, huyne, Middelnederduits hune (Noordduits hüne), Middelhoogduits hiune (Vroegnieuwhoogduits heune)

Mogelijk van een vorm als Oudgermaans *heuhniz en dan net als hoog en Gotisch hiuma, hiuhma ‘hoop, menigte’ van de Oudgermaanse wortel *heuh-, *hauh-, *hug- ‘hoog’. Huin is waarschijnlijk verhaspeld geraakt met de naam van de Hunnen, een oosters steppevolk dat Europa in de vierde en vijfde eeuw na Christus terroriseerde. We vinden de naam hoogstwaarschijnlijk ook terug in hunebed.

Ing (m.) ‘god van o.a. vruchtbaarheid’

Oudgermaans Ingwaz (in gelatiniseerd Ingvaeones ‘afstammelingen van Ing), Oudengels Ing

Van Oudgermaans *ingwaz. Verdere herkomst onwis. Ing werd door onder andere de Friezen, Saksen en Angelen als stamvader gezien. Zijn naam is nog te vinden in voornamen als Ingrid en Ingmar. Zie ook Vro.

Jiel (o.) ‘(viering rond de) winterzonnewende, midwinterfeest’

Oudengels geoh(h)ol, géol, Oudnoords jól mv. (Zweeds jul, Deens jul, Noors jul)

Van Oudgermaans *jehwlan. Verdere herkomst onwis. Verwantschap met wiel, zoals nog  wel eens wordt geopperd, is uitgesloten. Het woord werd in meervoud gebruikt omdat de viering oorspronkelijk meerdere dagen duurde. Zie ook juil.

juil (m.) ‘de maand vóór en de maand ná de winterzonnewende, tezamen’

Middelnederlands juul ‘januari’, Oudengels gíuli ‘december en januari tezamen’, Oudnoords ýlir ‘mid-november tot mid-december’, Gotisch fruma jiuleis ‘november’

Van Oudgermaans *jehwljaz ‘de bij Jiel horende’. Zie Jiel.

kovoud, koveld (m./v.; kovouden, kovelden)‘huisgeest’

Middelnederlands coboud (Nederlands kabouter), Middelhoogduits kobolt (Duits Kobold)

De klankwettige vorm van kabouter. Van Oudgermaans *kubahulþaz, een samenstelling van *kubaz ‘huis’ en een zelfstandig gebruikt *hulþaz ‘trouw, genegen, vriendelijk’. Kovouden, oftewel kabouters, waren huisgebonden geesten die men te vriend moest houden om de huisvrede te bewaren. Zie ook hou en onhou.

lee, leeuw (m.) ‘heuvel, grafheuvel; tombe’

Oudsaksisch hlēo, Oudhoogduits hlēo, lēo, Oudengels hláw, hlǽw, Gotisch hlaiw; alle ‘heuvel, grafheuvel; tombe’

Van Oudgermaans *hlaiwaz en nevenvormen. Het woord ligt besloten in plaatsnamen als Heiligerlee (Groningen), Westerlee (Groningen) en Leeuwen (Gelderland).

lind (m.; linden) ‘draak, serpent, slang’

Oudnoords linnr ‘draak, slang’, Oudhoogduits lindlint ‘slang’

Van Oudgermaans *linþaz ‘draak, serpent, slang’ (ouder *lenþaz). Waarschijnlijk een zelfstandig gebruik van *linþaz ‘buigzaam, zacht’ (ouder *lenþaz) en zo van dezelfde wortel als linde ‘soort boom’. In het Middelnederlands alleen te vinden in lintworm ‘draak’, dat thans ‘soort platworm’ betekent. Zie ook Oudhoogduits lindwurm ‘slang, lintworm’ en Oudnoords linnormr ‘draak’ (Zweeds lindorm ‘lintworm’). Zie ook worm.

Maan, ManeMano (m.) ‘lamp des nachts’

Oudnederlands māno (Middelnederlands mane, maen), Oudsaksisch māno (Middelnederduits mane), Oudhoogduits māno (Middelhoogduits mōne, maar Vroegnieuwhoogdits Mond o.i.v. Monat ‘maand’), Oudfries mōna (Fries moanne), Oudengels móna (Engels moon), Oudnoords máni (Zweeds måne), Gotisch mēna

Van Oudgermaans *mēnō ‘maan, maand’. Verwant aan maand.

Man (m.) ‘stamvader van de Germanen’

Gelatiniseerd Oudgermaans Mannus

Hoogstwaarschijnlijk hetzelfde woord als man, dat oorspronkelijk ‘mens’ betekende. Buiten het Germaans verwant aan Sanskriet Mánu(s), de mythische voorvader van de mensheid. Het woord man en diens afgeleide mens gaan waarschijnlijk terug op de Proto-Indo-Europese wortel *men-, *mon-, *mn- ‘denken, herinneren’, vanwaar in elk geval ook o.a. manen ‘herinneren aan’, min ‘liefde’ en Engels mind. Oorspronkelijk was man dan de ‘denker, herinneraar’ bij uitstek.

mare (v.; maren, mares) ‘kwade geest, nachtspook’

Middelnederlands mare ‘nachtspook’, Oudsaksisch mara (Middelnederduits mārmare), Oudhoogduits mara (Duits dial. Mahr), Oudengels mære, Oudnoords mara (Zweeds mara)

Van Oudgermaans *marōn ‘kwade geest, nachtspook’, een vrouwelijk verschijning. Het woord zit ook in de samenstelling maretak, en in nachtmerrie, dat door verhaspeling met merrie ‘vrouwelijk paard’ is verbasterd uit Middelnederlands nachtmare ‘nachtspook’. Vergelijk ook Engels nightmare en Noors mareritt ‘rit van de mare’ (op de borst van de slaper).

Merkwede (m.) ‘legendarisch oeroud, onmetelijk grenswoud’

Gelatiniseerd Oudsaksisch miriquidi, miriquido (lees: mirkiwidu), Oudnoords myrkviðr

Van Oudgermaans *merkwiwiduz, een samenstelling van *merkwiz ‘duister’ en *widuz ‘woud’. Merkwede was de naam van een onmetelijk, moeilijk doorgaanbaar woud dat ruwweg de zuidelijke en oostelijke grens van de Germaanse wereld vormde. Een overblijfsel van dit ooit onafgebroken woud is het Zwarte Woud in huidig Zuid-Duitsland. De Engelse schrijvers William Morris en J.R.R. Tolkien diepten het woord op voor hun verhalen en pasten het aan naar de hedendaags Engelse vorm en spelling, tot Mirkwood.

Metod (m.) ‘noodlot, dood; lotsbeschikker, God’

Oudsaksisch metod ‘noodlot, dood; lotsbeschikker, God’, Oudengels metod, meotod ‘id.’, Oudnoords mjötuðr ‘id.’

Van Oudgermaans *metōduz, een afleiding bij *metōjanan ‘een maat stellen, een doel stellen, beschikken, beëindigen’, van dezelfde wortel als *metanan, vanwaar Nederlands meten.

Middengaard, Middelgaard, Midgaard (m.) ‘de bewoonde wereld, de wereld van mensen’

Oudsaksisch middilgard ‘aarde, wereld’, Oudhoogduits mittilagart, Oudengels middangeard ‘aarde, wereld’, Oudnoords miðgarðr ‘aarde’, Gotisch midjungards ‘bewoonde wereld’

Van Oudgermaans *medjanagardaz, letterlijk ‘het bewoonde land in het midden’. Buiten Middengaard woonden de goden en de reuzen. De vormen met middel- en mid- zijn latere nevenvormen. Zie ook Midden-Aarde en Ermengrond.

Midden-Aarde, Middel-Aarde (v.)

Latere nevenvormen van Middengaard.

na’s (v.) ‘drietal moedergodinnen, schikgodinnen’

Als tweede lid in gelatiniseerd Oudgermaans Mahlinehae, Vacallinehae, Vallabneihae, Vanginehae, Udravarinehae enz.

Steevast matronae en matres ‘moeders’ genoemd in Latijnse inscripties van Germanen in het Romeinse Rijk. Mogelijk in oorsprong dezelfde figuren als de Oudnoordse Nornir, de drie schikgodinnen die het web van het lot weven. In één van de inscripties staat dan ook matribus Parcis ‘aan de moeders, de schikgodinnen’. Hier wordt -nehae dan begrepen als een gelatiniseerde vorm van een verder niet overgeleverd woord *nēhōz ‘naaisters, weefsters’, van dezelfde wortel als *nējanan (> naaien) en *nēþlō (> naald). De -h- in *nēhōz is een later ingevoegde overgangsklank, net als de -j- in *nējanan.

nikker, nekker (m.; nikkers, nekkers) ‘watergeest’

Middelnederlands necker, nicker ‘waterdemon, zeegodheid’, Middelnederduits necker ‘watermonster’, Oudhoogduits niccus ‘watermonster, krokodil’ (Duits Nix(e) ‘watergeest’), Oudengels nicor ‘nijlpaard, watermonster’, Oudnoords nykr ‘watermonster, watergeest’ (IJslands nykur, Zweeds näck, Deens nøkke, Noors nøkk, nykke, nykkje)

Van Oudgermaans *nikwiz-*nikus-. Van een oude wortel die ‘wassen’ betekent. Nikkers waren volgens de overlevering zwart van kleur.

oel, oedel (o.) ‘erfgoed, voorouderlijk eigendom’

Oudsaksisch othil ‘woning, eigendom, erfenis’, Oudhoogduits uodil ‘eigendom’, Oudfries ethel ‘woning, eigendom, erfenis’, Oudengels óðel ‘thuis, thuisland’, éðel ‘woning, eigendom, erfenis’, Oudnoords óðal ‘aard, eigendom, erfgoed, erfenis’, Bourgondisch *oþil ‘landgoed’

Van Oudgermaans *ōþalan, *ōþilan. Verwant aan adel en edel.

onhou, onhoude (m./v.; onhouden) ‘kwade geest, demon, duivel’

Oudnederlands unholdo ‘kwaadwillige’, Oudsaksisch unholdo ‘duivel’, Oudhoogduits unholdo ‘duivel’ (Duits Unhold), Oudengels unholda ‘demon’, Gotisch unhulþa ‘duivel’

Tegenovergestelde van hou.

ood (m.) ‘lot, voorspoed, weelde’

Oudsaksisch ōd ‘geluk’, Oudengels éad ‘bezit, rijkdom, welzijn, geluk’, Oudnoords auðr ‘lot, voorbestemming, weelde’, Bourgondisch *aud(s) ‘weelde’, Gotisch auda-hafts ‘voorspoedig, gezegend’

Van Oudgermaans *audaz. Verborgen in het woord ooievaar, de verbasterde vorm van een oorspronkelijke samenstelling: *audabarō ‘brenger van voorspoed’. En mogelijk is het het tweede lid van kleinood ‘kleine kostbaarheid’.

oorlog (m.) ‘(iemands) noodlot; krijg, strijd’

Middelnederlands orloge, orloch, orlage ‘krijg, gewapende strijd’, Oudsaksisch orlagorlagiurlagi ‘strijd; noodlot’, Oudhoogduits urliugi ‘strijd’, urlag ‘noodlot’, Oudfries orloch ‘strijd’ (Fries oarloch), Oudengels orlege ‘strijd’, orlæg ‘noodlot’, Oudnoords ørlög ‘noodlot’, ørlygi ‘strijd’

Een verhaspeling van twee woorden: Oudgermaans *uzliugan ‘krijg, strijd’ en *uzlagaz ‘noodlot’. Het tweede woord is verwant aan liggen en leggen. Vergelijk ook hard gelag ‘hard lot’. Het voorvoegsel *uz- betekende ‘uit, weg van’, en is ook te vinden in woorden als oorsprong en oorkonde.

Oostere, Oostara (v.) ‘godin van vruchtbaarheid en licht’

Oudhoogduits Ōstara, Oudengels Éastre, Éostre

Van Oudgermaans *austrōn; vermoedelijk verwant aan oost (Oudgermaans *austaz). Haar naam zou dan letterlijk zo veel als ‘die van het oosten’ of anders ‘lichtende’ betekenen. Buiten het Germaans verwant aan o.a. Latijn aurōra ‘ochtendschemer; oosten’ (Aurōra ‘Romeinse godin van de dageraad’) en Grieks éōs ‘ochtendschemer; oosten’ (Éōs ‘Griekse godin van de dageraad’). De naam van deze Germaanse godin is nog te vinden in de Duitse en Engelse benamingen van het paasfeest: Ostern en Easter. Zie ook Orendel.

Orendel (m.) ‘mythische held, morgenster’

Oudhoogduits Ōrentil, Ērentil, Oudengels Éarendel, Oudnoords Aurvandill, Lombardisch Auriwandalo

Van Oudgermaans *auziwandilaz, een samenstelling van *auzaz ‘lichtend’ en *wandilaz ‘doler’. Het eerste lid schuilt vermoedelijk ook in Middelnederlands orewoet ‘geestelijke gloed’ en is verwant aan oost en Oostere. Het tweede lid is verwant aan wenden en wandelen. In de gebrekkige overlevering komt Orendel enerzijds naar voren als een mythische held, anderzijds als de morgenster.

reus (m.; reuzen) ‘zeer groot en krachtig wezen’

Middelnederlands rose, ruese, rese, Middelnederduits rese, Oudhoogduits risiriso (Duits Riese), Oudnoords risi (IJslands risi, Zweeds rese, Noors rise)

Waarschijnlijk van Oudgermaans *wrisiz (ouder *wresiz), van een Proto-Indo-Europese wortel *wer- ‘hoge plek, hoog’, vanwaar ook Oudnederlands wrisil ‘held’ en Oudsaksisch wrisilīk ‘reusachtig’. De w- van *wrisiz is later verloren gegaan door invloed uit het Oudhoogduits, waar wr- in de regel al tot r- was vereenvoudigd,  en/of door verhaspeling met de wortel van rijzen. De -eu- in reus is ofwel ablautend ofwel een ronding van later. De klankwettige vorm is wrees dan wel wreus.

ruin, ruine (v.; ruinen) ‘geheim (overleg), mysterie; rune, Germaans schriftteken’

Oudsaksisch rūna ‘vertrouwelijk gesprek, raad’, Oudhoogduits rūna id., girūni ‘geheim’, Oudengels rún ‘mysterie, geheim, toverspreuk; Germaans schriftteken’, Oudnoords rún ‘toverspreuk, geheim; Germaans schriftteken’, Gotisch runa ‘mysterie; plan; raad’

Van Oudgermaans *rūnō. Van dezelfde wortel ook het werkwoord *rūnōjanan (vanwaar o.a. Middelnederlands runen, ruynen ‘fluisteren; een geheime bespreking houden’ en later Nederlands ruinen ‘fluisteren’). De vorm rune is langs het Duits aan het Oudnoords ontleend. Zie ook helleruin en helleruine.

spook (o.; spoken) ‘onstoffelijke verschijning’

Middelnederlands spoick ‘schrikgestalte, spook’, Middelnederduits spōk, spūk ‘spook, bovennatuurlijk wezen’ vanwaar door ontlening Duits Spuk, Deens spøge en Zweeds spöke

Waarschijnlijk overgenomen uit het Middelnederduits. Van onbekende herkomst.

tuw (m.; tuwen) ‘god, godheid’

Oudnoords týr (mv. tívar) ‘god, godheid’

Van Oudgermaans *tīwaz, in oorsprong gelijk aan o.a. Latijn deus ‘god, godheid’. Werd vooral in meervoud gebruikt om de goden als geheel mee aan te duiden. Doch het werd in het bijzonder gebruikt als benaming van de oude oppergod (zie Tuw). Verwant, maar niet gelijk, aan het eerste lid in Latijn Iūpiter, Grieks Zéus patr, Sanskrit Dyáu pitā, allen letterlijk ‘hemel-vader, god-vader’. Verder verwant aan Latijn dies.

Tuw (m.) ‘God, de oude oppergod, hemelvader, god van recht en krijg’

Oudhoogduits Zīu, Oudengels Tíw, Oudnoords Týr, Gotisch Teiws

Bijzonder gebruik van tuw ‘god, godheid’. Tuw (letterlijk dus ‘God’) was de oorspronkelijke oppergod, maar werd in de laat-heidense tijd als ondergeschikt gezien aan Donder en met name Woen. Zijn bijnaam in de Lage Landen is Dings. Mogelijk waren Voorniet en Zasnoot ook bijnamen van hem.

veer (o.) ‘leven, levenskracht’

Oudfries ferch ‘leven, ziel’, Oudsaksisch ferah id., Oudhoogduits ferah id., Oudengels feorh id., Oudnoords fjör ‘leven’

Van Oudgermaans *ferhwan. Waarschijnlijk verwant aan *ferhwuz ‘eik’.

Voorniet (m.) ‘zekere reus of godheid’

Oudengels Fornet, Forreot, Oudnoords Fornjótr

In de Oudengelse geneeskundige overlevering is zijn naam te vinden in de plantnaam Fornetes folm ‘hand(palm) van Voorniet’, bedoeld voor lustkwalen en een gescheurde Achilleshiel. Waarschijnlijk betreft dit een handvormige orchideesoort. Dergelijke orchideesoorten stonden later in Middeleeuws Engeland bekend als o.a. Palma Christi ‘handpalm van Christus’ en in Duitsland als o.a. Christihändel, Gotteshand en Teufelshändel. In de Oudnoordse overlevering is Fornjótr de vader van Ægir (heerser van de zee), Logi (vuurreus) en Kári (god van de wind), alsook een voormalig heerser van Finland en Gotland. De betekenis van zijn naam is duister; mogelijk ‘voormalige bezitter’, ‘oude beschikker’, ‘al-beschikker’, ‘vernietiger’ e.a. Vergelijk Njótr ‘bezitter, beschikker’, een bijnaam van Óðinn (dat is Woen). Mogelijk is Voorniet een oude bijnaam van de oorspronkelijke oppergod Tuw, die immers volgens de Oudnoordse overlevering zijn hand opofferde. Vegelijk daarbij koning Nuada uit de Oudierse mythologie, die ook een hand (of arm) verloor, en wiens naam hoogstwaarschijnlijk verwant is.

Vrije, Vrija, Frija ‘godin van liefde, schoonheid en vruchtbaarheid’

Oudhoogduits Frīja, Oudnoords Frigg

Van Oudgermaans *Frijjō, een zelfstandige vorm van *frijjaz ‘bemind, geliefd’, een woord dat wij, met betekenisverschuiving, kennen als vrij. Hier is duidelijk sprake van een titel ‘de geliefde, de beminde’. De (tweede naamval van de) naam vinden we in de dagnaam vrijdag, die langs Middelnederlands vri(en)dach komt van Oudgermaans *frijjōz dagaz ‘dag van Vrije’. Hoogstwaarschijnlijk oorspronkelijk een andere titel van Vrouwe.

vro (m.; vrooien) ‘heer; god, godheid’

Oudsaksisch frō(ho), Oudhoogduits frō (nog in Duits Fronleichnam ‘sacramentsdag, Corpus Christi’), Oudengels fréa; daarnaast Oudsaksisch frōio, Gotisch frauja

Van *frawō, *frawjō ‘heer’, nevenvormen van *frawjaz, vanwaar Vro. Een spoor van heidens gebruik van dit woord is te vinden in Middelnederlands vrone ‘heilig’, dat eigenlijk diens tweede naamval meervoud is en letterlijk ‘van de heren, van de goden’ betekent.

Vro, Fro (m.) ‘Heer, belangrijke god van de Scandinaviërs’

Oudnoords Freyr ‘god van de vruchtbaarheid’

Van *frawjaz ‘heer’, nevenvorm van *frawō, *frawjō ‘heer’ (zie vro). Hoogstwaarschijnlijk oorspronkelijk een titel van Ing. Zie ook Vrouwe.

Vrouwe, Vrouwa, Frouwa (v.) ‘Vrouwe, belangrijke godin van de Scandinaviërs’

Oudnederlands frouwa (Middelnederlands vrouwe), Oudsaksisch frūa (Middelnederduits vrowe, vrouwe), Oudhoogduits frouwa (Duits Frau), Oudfries frowe, frouwe (Fries frou, frouwe), Oudnoords freyja

Van Oudgermaans *frauwōn, *frawjōn ‘voorname vrouw’, de vrouwelijk vorm naast *frawō ‘voornaam man, heer’ (zie Vro). Hoogstwaarschijnlijk oorspronkelijk een andere titel van Vrije.

wal (m./o.) ‘de gedoden op het slagveld (tezamen); slachting’

Middelnederlands wal- in walstat ‘slagveld’, Oudsaksisch wal- in waldād ‘moord’, Oudhoogduits wal ‘slagveld, bloedbad’ (Duits Wal- in Walstatt ‘slagveld’), Oudengels wæl ‘de gedoden’, Oudnoords valr ‘de gedoden’ (Noors val ‘slagveld’)

Van Oudgermaans *walaz, *walan. Dit woord is dus ter aanduiding van het geheel van gedoden op het slagveld. Het is als eerste lid te vinden in walkeure en Walhal. Daarnaast is het verwant aan Oudgermaans *wōlaz, vanwaar Oudsaksisch wōl ‘pest, ondergang’, Oudhoogduits wuol ‘nederlaag, ziekte’ en Oudengels wól ‘pest, ziekte’. Het is ook verwant aan Oudgermaans *sweltanan, vanwaar Middelnederlands swelten ‘wegkwijnen, uitgeput zijn’ (Nederlands zwelten ‘sterven, bezwijken, creperen’), Oudsaksisch sweltan ‘sterven’, Oudengels sweltan id., Oudnoords svelta ‘verhongeren, sterven’ en Gotisch sweltan ‘sterven’.

Walhal, Walhalle, Walhalla (v.) ‘de hal waar de uitverkoren krijgers tot de eindstrijd verblijven’

Oudnoords valhöll

Het is de vraag of deze voorstelling (alsook dier naam) al bestond in de Oudgermaanse tijd. Had zij wel bestaan, dan zou haar naam *walahallō hebben geluid, letterlijk ‘hal van de gesneuvelden’. (Zie wal en walkeure.)

walkeure (v.; walkeuren, walkeures) ‘vrouwelijke geest die de gesneuvelden kiest’

Oudnoords valkyrja, Oudengels wælcyr(i)ge, wælcyrie

Een samenstelling waarvan het onwis is of deze al in de Oudgermaanse tijd bestond. Zo ja, dan is de Oudgermaanse vorm *walakuzjōn, letterlijk ‘zij die de gesneuvelden kiest’. (Zie wal en Walhal.) Het is onwis of de Oudengelse vormen inheems zijn of door invloed van het Oudnoords zijn ontstaan. De walkeuren zijn vooral bekend uit de Oudnoordse overlevering. Het is mogelijk dat zij oorspronkelijk, onder een andere benaming, gezien werden als boze geesten.

Wendelzee (m./v.), Wendelmeer (o.) ‘de zee die Midden-Aarde omringt, de Oceaan’

Middelnederlands wendelsee, wendelmere ‘de zee die Midden-Aarde omringt; Middellandse Zee’, Middelnederduits wendelmere ‘id.’, Oudhoogduits wentilsēo ‘id.’, wentelmeri ‘id.’ (Middelhoogduits wendelsē ‘id.’, wendelmēr ‘id.’), Oudengels wendelsǽ ‘Middellandse Zee’

Benaming(en) voor de zee die Midden-Aarde omringt, en waar volgens de Noordgermaanse overlevering de Ermengand in leeft. Van Oudgermaans *wandilasaiwiz, *wandilamariz, letterlijk ‘wentel-zee, wentel-meer’. In het Oudhoogduits bestond bovendien nog de nevenvorm entilmeri. Kennelijk was de Middellandse Zee voor de Germanen de zuidergrens van Midden-Aarde. Zie ook Geerzeg.

wereld (v.) ‘het tijdperk van de mens’

Oudnederlands werolt, werilt (Middelnederlands werelt), Oudsaksisch werold, Oudhoogduits weralt (Duits Welt), Oudfries wrald (Fries wrâld), Oudengels weorold (Engels world), Oudnoords veröld (wellicht ontleend aan het Oudengels; Zweeds värld)

Van Oudgermaans *weraldiz, een samenstelling van *weraz ‘man’ en *aldiz ‘tijdperk, levenstijd’. Het eerste lid vinden we ook in de samenstellingen weerwolf en weergeld. Het tweede lid is verwant aan oud.

werg, warg (m.; wergen, wargen) ‘vogelvrije, vredeloze, wolf’

Oudnederlands warg ‘misdadiger, vogelvrije’(Middelnederlands werch ‘wild dier’), Oudsaksisch warg ‘misdadiger’, Oudhoogduits warg ‘boosdoener’, Oudengels wearg ‘misdadiger, schurk’, Oudnoords vargr ‘wolf, vogelvrije’ (IJslands vargur, Zweeds varg, Deens varg, Noors varg), Gotisch launawargs ‘ondankbaar mens’

Van Oudgermaans *wargaz. Van dezelfde wortel als wurgen en in oorsprong hetzelfde woord als Litouws vargas ‘behoefte’, Lets vargs ‘armzalig’, Oudpruissisch wargs ‘verdorven’, Proto-Slavisch *vorgъ‘vijand’.

Weurd (v.) ‘het lot’

Oudsaksisch wurd ‘het lot’, Oudhoogduits wurt id., Oudengels wyrd id., Oudnoords Urðr ‘het lot; één der drie Nornen’

Van Oudgermaans *wurdiz, een afleiding bij de wortel van *werþanan (Nederlands worden). Gaat uiteindelijk terug op de Proto-Indo-Europese wortel *wert-*wort-, *urt- ‘draaien, wenden’. Weurd is dan letterlijk op te vatten als ‘de wending der dingen’.

wicht (o.; wichten) ‘wezen/ding in het algemeen’

Oudsaksisch wiht, Oudhoogduits wiht ‘ding, wezen’ (Duits Wicht ‘wicht; ellendig mens; schurk’), Oudengels wiht ‘wezen, demon, ding’ (Engels wight), on. véttr ‘wezen, geest, ding’ (IJslands vættur ‘soort bovennatuurlijk wezen’, Zweeds vätte id., Deens vætte id., Noors vette id.), Gotisch waihts ‘ding, zaak’

Van Oudgermaans *wihtiz ‘ding, zaak’ (ouder *wehtiz). Van onduidelijke herkomst. Mogelijk verwant aan gewag ‘melding’, en zo van een Proto-Indo-Europese wortel die ‘spreken’ betekent.

Wieland (m.) ‘de goddelijke smid’

Oudhoogduits Wiolant, Oudengels Wéland, Oudnoords Völundr

Waarschijnlijk is deze naam een tegenwoordig deelwoord, en wel bij een werkwoord dat zoveel als ‘kunstig vervaardigen’ betekent, verwant aan Oudnoords vél ‘list, kunstgreep’.

wij (o.; wijen) ‘tempel, heiligdom’

Oudnederlands  ‘tempel’, Oudsaksisch wīh ‘tempel, altaar’, Oudhoogduits id., Oudengels wíh ‘afgodsbeeld’, Oudnoords  ‘tempel’

Van Oudgermaans *wīhan. Betekende oorspronkelijk wellicht ‘afgescheiden ruimte’ en hoort dan bij de Proto-Indo-Europese wortel *weik- ‘afscheiden’ of *wei- ‘vlechten, verbinden’. Verwant aan wij zijn wierook en wijden.

Woen, WoedenWoedan (m.) ‘god van o.a. de vervoering en de dichtkunst’

Oudnederlands Wuodan, Oudsaksisch Wōdan, Oudhoogduits Wuotan, Oudengels Wóden, Wéden, Oudnoords Óðinn

Van Oudgermaans *wōdanaz, *wōdinaz ‘heer van de extase’, een afleiding bij *wōdaz, dat ongeveer ‘extase, geestelijke vervoering’ moet hebben betekend en verwant is aan woede. De (tweede naamval van de) naam zit nog verborgen in de dagnaam woensdag, die langs Middelnederlands woensdach komt van Oudgermaans *Wōdanas dagaz ‘dag van Woen’. Wordt in de Lage Landen ook wel Wodan genoemd, maar dat is ofwel op grond van een Oudsaksische vorm, ofwel op grond van een mislezing. Men meent ook wel onterecht de naam te herkennen in de plaatsnamen Woensdrecht en Woensel.

worm (m.; wormen) ‘kruipend dier in het algemeen, dus ook: slang, serpent, draak’

Oudnederlands worm, wurm (Middelnederlands worm), Oudsaksisch wurm (Middelnederduits worm), Oudhoogduits wurm (Duits Wurm), Oudfries wirm, worm (Fries wjirm), Oudengels wyrm (Engels worm), Oudnoords ormr (Zweeds orm), Gotisch waurms; alle ‘worm, slang e.d.’

Van Oudgermaans *wurmiz, *wurmaz. Van een algemene Proto-Indo-Europese wortel met de betekenis ‘kruipend dier, slang, worm’. Zie ook lind.

Zasnoot, Saksnoot (m.) ‘belangrijke god van de Zassen/Saksen’

Oudsaksisch Sahsnōt, Oudengels Seaxnéat

Waarschijnlijk oorspronkelijk een titel van de god Tuw. En waarschijnlijk een samenstelling van Oudgermaans *sahsan ‘soort kort zwaard’ en *nautaz ‘gebruiker, bezitter’. Het tweede lid is een afleiding bij de wortel van *neutanan ‘gebruiken, bezitten’. Met het voorvoegsel *ga-,dat zowel ‘geheel’ als ‘samen’ kan betekenen, vinden we *ganeutanan ‘geheel gebruiken’ (Nederlands genieten) en *ganautaz ‘medegebruiker’ (Nederlands genoot). De titel Zasnoot ‘zwaardgebruiker’ zou dan slaan op het feit dat Tuw de god van het recht is en dus het zwaard van het vonnis hanteert, het zinnebeeld van recht, en dus waarheid van onwaarheid scheidt. Vergelijk Vrouwe Justitia, die in haar rechterhand een zwaard heeft.

Zoel, ZoeleZoela (v.)

Oudengels sól, Oudnoords sól, Gotisch sauil; alle ‘zon’

Van Oudgermaans *sōwilō/*sōwul ‘zon’, een oude nevenvorm van *sunnōn (zie Zon).

Zon, ZonneZonna (v.) ‘lamp des dags’

Oudnederlands sunna (Middelnederlands sunne, sonne), Oudsaksisch sunnasunno, Oudhoogduits sunna (Duits Sonne), sunno, Oudfries sunne, sonne, senne, sinne (Fries sinne), Oudengels sunna (Engels sun), Oudnoords sunna, Gotisch sunno; alle ‘zon’

Van Oudgermaans *sunnōn ‘zon’. Zie ook Zoel.

Verwijzingen
Berkel, G. van & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen, 3e herziene druk (Utrecht, 2006)
Bierbaumer, P., ‘Old English Fornetes folm – An Orchid’, in Old Names – New Growth (Frankfurt am Main, 2009)
Bjorvand, H. & F.O. Lindeman, Våre Arveord, revidert og utvidet utgave (Oslo, 2007)
Bosworth, J. & T.N. Toller, An Anglo-Saxon Dictionary (Oxford, 1989)
Green, D.H., Language and History in the Early Germanic World (Cambridge, 2002)
Harper, D., Online Etymological Dictionary, webuitgave
INL, Middelnederlandsch Woordenboek, webuitgave
INL, Oudnederlands Woordenboek, webuitgave
INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal, webuitgave
Köbler, G., Altenglisches Wörterbuch, 2. Auflage (2003)
Köbler, G., Altfriesisches Wörterbuch, 2. Auflage (2003)
Köbler, G., Althochdeutsches Wörterbuch, 4. Auflage (1993)
Köbler, G., Altniederfränkisches Wörterbuch, 3. Auflage (2003)
Köbler, G., Altnordisches Wörterbuch, 2. Auflage (2003)
Köbler, G., Altsächsisches Wörterbuch, 3. Auflage (2000ff.)
Köbler, G., Germanisches Wörterbuch, 3. Auflage (2007)
Köbler, G., Gotisches Wörterbuch, 2. Auflage (1989)
Lehmann, W.P., A Gothic Etymological Dictionary (Leiden, 1986)
Liberman, A., An Analytical Dictionary of English Etymology (Minneapolis, 2008)
Orel, V., A Handbook of Germanic Etymology (Leiden, 2003)
Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, webuitgave
Prokosch, E., A Comparative Germanic Grammar (Richmond, 2009)
Quak, A. & J.M. van der Horst, Inleiding Oudnederlands (Leuven, 2002)
Ringe, D., From Proto-Indo-European to Proto-Germanic (Oxford, 2006)
Robinson, O. W., Old English and its Closest Relatives (Stanford, 1992)
Schönfeld, M., Historische Grammatica van het Nederlands, 8e druk (Zutphen, 1970)
Vermeyden, P. & A. Quak, Van Ægir tot Ymir (Nijmegen, 2000)
Weijnen, A.A., Etymologisch dialectwoordenboek, 2e druk (’s Gravenhage, 2003)