Wat is nimden?

Met nimden bedoelen we een nieuwe geestelijkheid uit oude wortels in het Noordwesten des Avondlands. Het behelst een netwerk van te stichten heilige ruimten tussen bomen, onder meer ter bezinning op Ene en de tauw, de grote schikking van het bestaan.

Alleen in de ruime zin van de woorden is nimden een godsdienst of religie. Het kent belijdenis noch bijzondere openbaring of heilige schrift en laat veel open. Het heeft niet zozeer gelovige aanhangers als wel deelgenoten en toegewijden. Het wordt als een weg of wijze beleefd en beoefend met plecht, tucht, kunst en spel. Het is geen hervatting van het volksgeloof van onze voorouders dat hier meer dan duizend jaar geleden bij kerstening ten einde kwam maar wel een erfgenaam zoals het goede delen ervan opneemt en aankweekt, waaronder de benaming nimden, van een oud woord voor woudheiligdommen.

Wie of wat is Ene?

Ene is geen machtig wezen onder de wezens maar Wezen Zelve, het Oerwezen, rein Bewustzijn, de Grond des bestaans, de Zuil der wereld, de eeuwige Bron waarin alles ontspringt, de grote Geest in en om tijd en ruimte. Ene is zonder geslacht doch staat na tot Vader Hemel, het schikkende opperwezen in de voorstelling van vele volkeren wereldwijd reeds lang geleden. Bij onze voorouders was dat Tuw (Hemelse), vader van de rosrijdende hemelse tweeling. In nimden is de mate van acht op Ene en de vereenzelviging met Tuw voor elk een eigen keuze.

Wat is de tauw?

De tauw is de onderliggende schikking, de onophoudelijke schepping, de gang, vloei en werking en het evenwicht der dingen, het geklank des heelals, de werkelijkheid en waarheid. Ze is het stromen van water, het verrijzen van bergen, de vlucht van vogels, het ontvouwen van bladeren, het ontstaan en sterven. Ze stemt en ontstijgt, is ten dele bovenzinnelijk en uiteindelijk ongrijpbaar. In haar hebben alle wezens hun aard en doel. De tauw is in wisse zin de eeuwige zang van Ene.

De tauw is het beginsel van een en ander vanuit Ene, van tegenstelling, verhouding, verandering en wisselwerking, van koude en hitte, dag en nacht, links en rechts, groot en klein, mooi en lelijk, voor en na, man en vrouw, jij en ik, wij en zij—enzovoort. Ze is het bestaan en kennen van het een bij verschil met het ander. Ze is scheiding en zo verscheidenheid tot in het talloze. Ze is twee-in-eenheid en vertakking, oftewel twist in diens vroegere betekenis, en wij stervelingen zijn telgen van twist.

De tauw is tevens twist in de huidige zin van het woord, behelst worsteling en de wil tot macht van een over ander en daarmee de menselijke wil tot bewerking van de wereld. We hebben vanuit de tauw evenwel levensvragen, een aangeboren hang naar zin en waarheid, naar het kennen van de tauw in al haar opzichten, en dat vergt een mate van openheid en gelatenheid van een naar ander, naar de wereld, en het matigen van de eigen wil. Te leven in overeenstemming met de tauw, in samenklank met haar, is dus een tucht ten bate en bloei van ziel en volk. Een geheel van zeden daartoe—zoals nimden—noemen we een tauwzin of met een oud woord een ee.

Is er geloof in goden en geesten?

De eerste, hoogste wezens onder Ene zijn de reinen (schikkingen, machten), ook wel anzen (heersenden) of tuwen (hemelsen) geheten. Zij maken deel uit van de tauw als stemmen in de zang en komen tot uiting in de verschillende wildkrachten, gemoedstoestanden, deugden en meer. Hen te zien als belichamingen van zulks is een omgekeerde voorstelling van zaken. Ze staan zowel binnen als buiten tijd en ruimte, worden weinig vermenselijkt, niet aanbeden en behoeven geen geloof of giften maar kunnen wel ontzag en achting genieten.

Dan zijn er de verscheidene wezens en zaken die als toonbeelden van de tauw te wijden zijn, als of in heiligdommen, doch zonder aanbidding. Het kan in het bijzonder gaan om een machtige oude boom, een bos, berg, een dal, een ven, een stroom of een steen, en in het algemeen vaak om inheemse dieren die iets belichamen en met beelden en bijnamen te achten zijn, zoals bever (bouw), eekhoorn (voorzienigheid), ever (weerbaarheid), hert (hernieuwing), vos (slimheid) en zwaan (liefdestrouw). Elk van deze kan in nauwer verband tot een van de reinen staan.

Het wordt in nimden mogelijk geacht dat er onafhankelijk van ons en doorgaans buiten het bereik van onze zintuigen aan de randen van onze werkelijkheid verder nog wezens bestaan die al dan niet aan oorden gebonden zijn. Hiertoe zijn wellicht ook de elven, dwergen, kobouden en andere wezens in de voorstelling van onze voorouders te rekenen. We zijn als mensen niet bij machte te oordelen welke daarvan—als ze bestaan—ons werkelijk ten goede komen en niet dwalen laten. Ze worden evenmin aanbeden of om gunsten bejegend maar kunnen vanuit openheid begroet worden, zoals we zichtbare wezens in Middelgaard heil wensen.

Hoe zijn de heilige ruimten?

Een heilige ruimte heet in nimden een wij, is vaak verbonden aan een of meer gewijde wezens en zaken, herinnert ons aan Ene, de tauw en de geest in alles en dient als onderbreking van het alledaagse. Wijen zijn te stichten in stad en land en binden de gemeenschap als oorden voor plecht en hoogtijd zoals huwelijk, zang, naamgeving, jaarwisseling en luitering (zuivering) en voor herdenking van de doden. Ze bieden ook vaak ruimte voor begrafenis en verbrantenis. De hoeders en hun helpers beheren de wijen, verzorgen de plechten en zijn vertrouwd met de grondslagen van nimden.

Veel wijen worden gekenmerkt door een of meer ambachtelijk getimmerde en getooide houten bouwwerken van zwierige eenvoud tussen bomen en verschillen zo van omvang, van de kleine kestel langs de weg of in de tuin, naar de middelgrote harg tot het uitgebreide hof met hal en gaarde. Sommige wijen hebben een haag, hek of stenen heining, de grotere hebben een houten door (poort) zonder deuren dat aangeeft dat men gewijde grond betreedt, andere kunnen daarvoor een touw tussen twee bomen hebben, dat in zijn twijning tevens de tauw verbeeldt. Thuis hebbe men een mindel, een schap of tafeltje met bijvoorbeeld een kleine uitvoering van een wijhuis of voorzien van lichtjes ter nagedachtenis van zielen.

In nimden wordt ook gestreefd naar de stichting van menige baruw (heilig bos), een liefst aanzienlijk geboomte dat van uitbating gevrijwaard is, waarin het wild als uiting van de tauw zoveel mogelijk zijn gang kan gaan en waarin de nodige voorschriften gelden voor menselijke bezoekers. Een wij kan zich ernaast bevinden of erbinnen op een laar (open plek).

Hoe is de deelname?

Allen die willen zijn welkom in de wijen van nimden om deel te nemen aan de plechten, tuchten en kunsten of om slechts te bezoeken en van de rust en vrede te genieten of troost te vinden. Ieder kan er bede doen en een honzel (slachteloos offer) brengen, niet in aanzoek bij wezens maar om in verbinding en toewijding nader tot de tauw te stemmen. Er is geen geloof of inschrijving vereist en geen sprake van belijdenis, laat staan bekering of afvalligheid.

Hoewel er veel in de openlucht gebeurt beschikken sommige der hoven over zalen voor zinzate (meditatie) en plechten en tuchten ter zelfbeheersing, waaronder verweerkunsten die al dan niet met staf beoefend worden. Deze staven worden vaak getooid en dienen ook als wandelstokken en kerfstokken voor hen die wensen te wallen, reizen te voet tussen wijen over landelijke paden. De staf als steun vertegenwoordigt bovendien de Ermenzuil, de Wereldzuil die Ene is, en kan aldus waar nodig een tijdelijk wij voor de eigenaar merken.

Daniger toegewijden kunnen voor langere tijd in bestemde hoven wonen om zich in zinzate en andere kunsten en kunden te bekwamen, met zwijgzaamheid of zuinigheid van woorden. Ze streven vanuit openheid in hogere mate naar inwist, een diep bewustzijn en onmiddellijke ervaring van de inwezigheid van zichzelf en Ene in de wereld, van de geest in alles. Vandaar is inwist tevens de naam van de bezinnende tak van nimden—en ook wel een andere naam van nimden als geheel.

Hoe wordt er gesproken en geschreven?

Veel waarde wordt gehecht aan wortels en erfgoed, aan gezamenlijke zelfheid (identiteit) als aandeel in de verscheidenheid vanuit de tauw. Dat behelst ook het behouden van heelheid en het vermogen tot maken. Vandaar wordt er geijverd voor een vorm van eigen taal met eigen vondsten en minder woorden van elders, een spraak die zo nader tot die van onze voorouders staat en groen blijft. In deze geest wordt ook het geven en nemen van namen uit eigen taal aangemoedigd, van toegewijden zelfs verwacht. En zij gebruiken naast het Latijnse schrift der boekstaven (letters) tevens het Germaanse schrift der ruinstaven (runen), onder meer op de gevels der bouwwerken.

Waar zullen de bouwwerken op lijken?

Voorbeeld wordt genomen aan de oude en nieuwe houtbouwkunst van het Noordwesten des Avondlands maar ook elders. Hout als bouwstof heeft de voorkeur omdat het rechtstreeks uit het wild komt, gauw verweert en herbouwing vergt, waardoor we te meer aan de tauw en haar spel herinnerd worden. Van de nood wordt een deugd gemaakt met de ontwikkeling van een kring ambachtelijke bouwers en timmerlui. Die voorzien vanuit oud erfgoed ook menig bouwwerk van een gevelteken dat verwijst naar de hemelse tweeling en dus de tauw. De onderstaande beeldenreeks dient slechts om een indruk te geven van wat er zoal reeds bestaat en ooit bestond. De wijen van nimden zullen hun eigen, onderscheidende stijl en opzet krijgen.


Een lychgate in Sussex, Engeland (Mark Wordy, CC BY 2.0)
Een lychgate in West Yorkshire, Engeland (Tim Green, CC BY 2.0)
De opsmuk van een lychgate in North Yorkshire, Engeland (Geoffrey Thompson, CC BY-NC-SA 2.0)
Een lychgate in Sussex, Engeland (Chrysis ignita, CC BY-NC-SA 2.0)
Een lychgate in Shropshire, Engeland (Philip Pankhurst, CC BY-SA 2.0)
De toegang tot Haverbeckhof in Niederhaverbeck, Nedersaksen (Enbodenumer, CC BY-NC-SA 2.0)
Een Prunkpforte in het ooit door Hollanders ontgonnen Alte Land, Nedersaksen/Hamburg (Margret Pirzer, CC BY-NC-SA 2.0)
Een mariakapel in De Lutte, Twente (Frans-Banja Mulder, CC BY 3.0)
De kapel bij de kroezeboom te Fleringen, Twente (Fred van der Ende, CC BY-ND 2.0)
De Willemstempel in Kroondomein Het Loo, Veluwe (Hans Brongers, alle rechten voorbehouden)
Het Bienenmuseum in Walsrode, Nedersaksen (Frank Schwichtenberg, CC BY-SA 3.0)
Een schuur in Wilsede, Nedersaksen (Joachim Kohler, CC0 1.0)
Een schuur in Hösseringen, Nedersaksen (Hajotthu, CC BY-SA 3.0)
Een dievturība-heiligdom in Lokstene, Letland (Ratobiajin, CC BY-SA 4.0)
Enkele geveltekens in Oost-Nederland en Nedersaksen (Jan Jans)
Een ûleboerd (uilenbord) met zwanen in Surhuisterveen, Friesland (Riettotaal, CC BY-SA 3.0)
Giebelschwäne in het ooit door Hollanders ontgonnen Alte Land, Nedersaksen/Hamburg (Aleksandr Zykov, CC BY-SA 2.0)
De vermoedelijke opzet van het opgegraven tempeltje (1250 v.Chr.) van Barger-Oosterveld, Drenthe (B. Kuitert)
De wederbouwing van bovengenoemd tempeltje in Eext, Drenthe (Olivier van Renswoude, CC BY-NC 4.0)
Plankenweg (135 v.Chr.) met eiken godenbeelden en poort in het Wittemoor bij Hude, Nedersaksen (H. Hayen)
Een torii van het Meiji-heiligdom in Tōkyō, Japan (Daniel Ramirez, CC BY 2.0)
meiji3
Een torii van het Meiji-heiligdom in Tōkyō, Japan (Leonard Witzel, CC BY-NC-ND 2.0)
hakone
Een torii van de shintō-schrijn in Hakone, Japan (Yuan, CC BY-NC-ND 2.0)
nonomiya2
Een torii van de shintō-schrijn in Nonomiya, Japan (Yuan, CC BY-NC-ND 2.0)
Een shintō-schrijn in Matsue, Japan (Boss, CC BY-SA 3.0)
okusawa
Een shintō-schrijn in Tōkyō, Japan (Doricono, CC BY-SA 4.0)
Het grote shintō-heiligdom van Naiku, Japan (Jean-Pierre Dalbéra, CC BY 2.0)
Een shintō-schrijn in Ryūōkyō, Japan (極地狐, CC BY-SA 2.0)