Skip to content

Germaanse naamstammen

Hieronder volgt een overzicht van de meest gebruikelijke naamstammen die vanouds op het Germaanse vasteland in gebruik waren. Van iedere naamstam is gegeven: zijn losse Nederlandse vorm (d.w.z. de vorm die hij als afzonderlijk woord heeft), zijn Oudnederlandse vorm, zijn betekenis en gebeurlijk zijn herkomst, en voorbeelden van namen die ermee gemaakt zijn. Let wel dat naamstammen er na samenvoeging meestal anders uitzien dan los.

Ga naar
* enkele regels voor het samenstellen van een Germaanse naam
* de lijst met vrouwelijke namen
* de lijst met mannelijke namen
* de inleiding met verwijzingen

Nederlandse vorm(en) [Oudnederlandse vorm(en)] duiding

A

aal [alh] ‘tempel, heiligdom’ – als eerste lid in enkele namen als Aldraven/Aldram en Alwin/Alewijn

aard [ard] ‘woonplaats, woning’, beantwoordend aan o.a. Oudsaksische ard ‘woonplaats, woning’, waarschijnlijk niet verwant aan aard ‘wezen, inborst’ en stellig niet aan aarde ‘wereldbol; grond’ – als eerste lid in enkele namen als Ardber en Arderik

ad, oed [ath, ód] ‘nakomend, voorgaand (in het geslacht)’, van de Oudgermaanse wortel *aþ-, *ad-, *ōþ-, *ōd- ‘komen, gaan’, vanwaar o.a. Gotisch aþn ‘jaar’ en atta ‘vader’, Oudnoords óða ‘grootmoeder’ en de naamstammen adel ‘(goede) afkomst’ en oedel, oel ‘erfgoed, vaderland’ – deze naamstam komt vooral zelfstandig voor, in de namen Ade, Adde, Ate, Atte en Oede

adel [athal] ‘goede afkomst, goed geslacht’, van dezelfde wortel als de naamstam ad, oed (zie daar) – als eerste lid (vaak samengetrokken tot Al-) in namen als Adelbert/Albert, Adelbrand/Albrand en Adelheid/Aleid

af, oef [af, óf] ‘inspannend, krachtig’, van de Oudgermaanse wortel *af-, *ab-, *ōf-, *ōb- ‘inspannen, krachtig zijn’, vanwaar o.a. ook Nederlands oefenen, Gotisch aba ‘man’, Oudhoogduits uobo ‘landbouwer’ en de naamstam aver ‘krachtig’; buiten het Germaans verwant aan o.a. Latijn opus ‘werk’ – deze naamstam komt vooral zelfstandig voor, in de namen Ave, Abbe, Appe en Oeve

ag, oeg [ag, óg] ‘fel, strijdbaar’, van de Oudgermaanse wortel *ah-, *ag-, *ōh-, *ōg- ‘scherp zijn’, vanwaar o.a. ook de naamstammen eg, ein en eil; buiten het Germaans verwant aan o.a. Latijn ācer ‘scherp’ en Grieks akmē ‘punt, piek’ – deze naamstam komt vooral zelfstandig voor, in de namen Age, Agge, Ake, Akke en Oege

ak, oek [ak, ók] ‘leidend’, van de Oudgermaanse wortel *ak-, *ōk- ‘leiden, voortdrijven’, vanwaar ook Nederlands akker en IJslands aka ‘rijden’ – deze naamstam komt vooral zelfstandig voor, in de namen Ake, Akke en Oeke

al, oel [al, ól] ‘groeiend, jong’, van de Oudgermaanse wortel *al-, *ōl- ‘groeien, voeden’, vanwaar ook de naamstammen al  ‘geheel’ en oud (ouder ald, eigenlijk ‘gegroeid’) en IJslands ala ‘baren, voeden’ – deze naamstam is moeilijk te onderscheiden van de volgende, maar komt zelfstandig voor in de namen Ale, Alle en Oele

al [al] ‘al, geheel, zeer’, ook in samenstellingen als almachtig en alwetend, van dezelfde wortel als de naamstam al, oel (zie daar) – als eerste lid in enkele namen als Alwijs

alf, elf [alf, elf] ‘zeker edel wezen bekend om diens schoonheid, kracht en vaardigheid in de kunsten’, vermoedelijk van een wortel die ‘wit’ betekent – als eerste lid in namen als Alfhard/Elfhard, Alfdag/Elfdag en Alfruin/Elfruin

am, oem [am, óm] samenval van twee woorden: 1 ‘onvermoeibaar, volhardend’, van de Oudgermaanse wortel *am-, *ōm- ‘aanhouden, doorgaan’, vanwaar ook de naamstam amel ‘onvermoeibaar’, Duits emsig ‘nijver’ en veel namen van rivieren (zoals Amer en Eems), waarbij men denke aan hun onafgebroken stromen 2 brabbelwoord voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, vergelijk amme ‘min, zoogmoeder’, Oudnoords amma ‘grootmoeder’ – deze naamstam komt vrijwel uitsluitend zelfstandig voor, in de namen Ame, Amme en Oeme

amel [amal] ‘onvermoeibaar, volhardend’, van dezelfde wortel als de naamstam am, oem (zie daar) – als eerste lid in namen als Amelberge en Amelrik

an, oen [an, ón] ‘levenskrachtig, bezield’, van de Oudgermaanse wortel *an-, *ōn- ‘ademen’, vanwaar ook Gotisch usanan ‘uitademen, sterven’, Oudhoogduits ano ‘voorvader’ en de naamstammen ande en (waarschijnlijk) ans – deze naamstam komt vooral zelfstandig voor, in de namen Ane, Anne en Oene

ande [ando] ‘hartstocht, toorn’, van dezelfde wortel als de naamstam an, oen (zie daar) – als eerste lid (meestal in de vorm And-) in namen als Andger en Andolf

ans [ans] ‘godheid, goddelijke macht, oergeest’, beantwoordend aan Oudnoords áss ‘godheid’ (meervoud æsir), vermoedelijk van dezelfde wortel als de naamstam an, oen (zie daar) – als eerste lid in namen als Ansboud, Ansgar en Anshild

arn [arn] ‘arend’; de -d in arend is van latere toevoeging – als eerste lid in namen als Arnolf en Arnoud

aruw, aar [aru] ‘snel, gereed’, beantwoordend aan Oudsaksisch aru en IJslands ör ‘levendig, vlug’ – als eerste lid (in de vorm Are- of Ar-) in namen als Aregast

as [ask] ‘es, essenboom’, maar vooral overdrachtelijk ‘speer’, aangezien speren vaak van essenhout werden gemaakt; men overwege evenwel dat volgens de Oudnoordse overlevering de wereldboom Yggdrasill een es was, dus het was op zichzelf een belangrijke boom – als eerste lid in namen als Asserik en Aswin

at, oet [at, ót] samenval van twee woorden: 1 ‘fel, strijdbaar’, van de Oudgermaanse wortel *at-, *ōt- ‘scherp zijn’, vanwaar o.a. ook Middelnederlands atel ‘ontzagwekkend, gevreesd’ en Oudnoords etja ‘tot vechten aanzetten’ 2 brabbelwoord voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, vergelijk Gotisch atta ‘vader’ en Latijn atta ‘vader’ – deze naamstam komt uitsluitend zelfstandig voor, in de namen Ate, Atte en Oete

aver [avar] ‘sterk, krachtig’, van dezelfde wortel als de naamstam af, oef (zie daar) – als eerste lid in een enkele naam als Averhild

B

bad, boed [bad, bód] vermoedelijk ‘fel, strijdbaar’, en dan verwant aan Oudsaksisch undarbadon ‘doen vrezen’ en de naamstam baduw ‘strijd’, waar die moeilijk van te onderscheiden is – deze naamstam komt voor in de namen Bade, Badde, Bate, Batte en Boede

baduw, bade [badu] ‘strijd, krijg’, beantwoordend aan dichterlijk Oudengels beadu ‘strijd, krijg’, mogelijk van dezelfde wortel als de naamstam bad, boed (zie daar) – als eerste lid (vrijwel altijd als Bade-) in namen als Badelog en Baderik, als tweede lid (als -bad) alleen in mannelijke namen, zoals Hildebad

baf, boef [baf, bóf] vermoedelijk oorspronkelijk een brabbelwoord voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, Oudgermaans *bab-, *bōb-; vergelijk Fries beppe ‘grootmoeder’ en Engels baby; Nederlands boef hoort hier oorspronkelijk ook bij – deze naamstam komt uitsluitend zelfstandig voor, in de namen Bave, Babbe, Bappe en Boeve

bal, boel [bal, ból] ‘lief, geliefd, bemind’, van de Oudgermaanse wortel *bal-, *bōl-, vanwaar ook Middelnederlands boel ‘geliefde; verwante’ (Nederlands boel ‘liefje, bijzit’), en buiten het Germaans verwant aan Grieks (e)thélō en Oudkerkslavisch želěti, beide ‘willen, wensen, verlangen’ – deze naamstam komt vrijwel uitsluitend zelfstandig voor, in de namen Bale, Balle en Boele

ban, boen [ban, bón] ‘glanzend, mooi’, nog in Middelnederlands boen ‘mooi’, van de Oudgermaanse wortel *ban-, *bōn- ‘glanzen, mooi zijn’, vanwaar ook Nederlands boenen ‘schrobben’ (eigenlijk ‘glanzend maken, mooi maken’) – deze naamstam komt vrijwel uitsluitend zelfstandig voor, in de namen Bane, Banne en Boene

band [band] vermoedelijk ‘leider, heerser’, eigenlijk ‘binder’, vergelijk hoe in de Oudnoordse overlevering de goden gezamenlijk ook wel bönd en höpt werden genoemd, letterlijk ‘banden, boeien, kluisters’; anders wellicht ‘vaandel, veldteken’, vergelijk Gotisch bandwo ‘teken’ – als eerste lid in een enkele naam als Bandolf, als tweede lid in een enkele mannelijke naam als Segeband

bant [bant] ‘(eigen) streek, woongebied’, een woord dat ook schuilt in streeknamen als Brabant en Swifterbant – als eerste lid in namen als Bantlef

bard [bard] mogelijk ‘schild’, overdrachtelijk uit een woord dat beantwoordt aan Oudnoords barð ‘rand’ (vergelijk de naamstam rand); anders misschien zoveel als ‘krijger, man’, van de Germaanse wortel *ber-, *bar- ‘slaan’, net als o.a. Oudnoords berja ‘slaan, doden’ en Oudfrankisch baro ‘vrij man’ (vanwaar Frans baron ‘edelman’); allengs verward met bard baard’ – als eerste lid hoogst ongebruikelijk, als tweede lid in namen als Hagebard

barn [barn] ‘kind, zoon’, beantwoordend aan o.a. Fries bern ‘kind’ en Noors barn ‘kind’, van de Germaanse wortel *ber-, *bar- ‘dragen’, vanwaar ook baren en de naamstam beur – als eerste lid niet gebruikt, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Adelbarn/Albarn

bas, boes [bas, bós] vermoedelijk ‘gebiedend, leider’ en eender met Oudfries bas ‘meester’, Middelnederlands baes ‘hoofd van het gezin’, verwant aan Middelnederlands bannen ‘gebieden’ en buiten het Germaans aan o.a. Grieks phēsō ‘zal spreken’ – deze naamstam komt vrijwel uitsluitend zelfstandig voor, in de namen Baze, Basse en Boeze

bat, boet [bat, bót] ‘goed, uitstekend’, van de Oudgermaanse wortel *bat-, *bōt-, vanwaar ook de stamnaam *Batawiz ‘goeden, uitstekenden’ (gelatiniseerd als Batavi) en Nederlands baat, beter, best en boeten (eigenlijk ‘goed maken’) – deze naamstam komt vooral zelfstandig voor, in de namen Bate, Batte en Boete, als eerste lid in namen als Batwin en Boetolf

beel [bili] vermoedelijk ‘schijnend, glanzend licht, rechtvaardig’, van de Germaanse wortel *bel-, *bal-, *bl- ‘schijnen, wit glanzen’, vanwaar o.a. ook bles, Duits Belche ‘meerkoet’ en misschien blij en beeld ‘verschijning’; het woord schuilt ook in billijk ‘rechtvaardig’ en de oude samenstelling belewit ‘mild, rechtvaardig’, dat verzelfstandigd als belewitte een bijnaam van elven was (zie alf) – als eerste lid (meestal als Bele- of Bel-) in namen als Beledruid en Belegrim

beer [bero] ‘beer’, een oude nevenvorm van de meer gebruikte naamstam bern – als eerste lid (meestal verkort tot Ber-) in namen als Berger en Berlind, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Adelber

berge [berga] vermoedelijk ‘beschermster’, bij het werkwoord bergen ‘in veiligheid brengen’; anders wellicht ‘vruchtbare vrouw’, bij het werkwoord baren (zie barn); als eerste lid weinig gebruikt, als tweede lid alleen in vrouwelijke namen, zoals Amelberge en Gerberge

bern [bern] ‘beer, krijger’, een oude nevenvorm van de minder gebruikte naamstam beer, beantwoordend aan Zweeds björn en Noors bjørn – als eerste lid in namen als Bernhard en Bernolf, als tweede lid (vaak verkort tot -ben) alleen in mannelijke namen, zoals Erbern/Erben en Gerbern/Gerben

bert, brecht [berht] ‘schitterend’, beantwoordend aan Engels bright en IJslands bjartur – als eerste lid in namen als Bertolf en Bertram, als tweede lid zowel in mannelijke namen, zoals Engelbert, Gijsbert en Halbert, als vrouwelijke namen, zoals Ingeberte en Madelberte

beur [buri] ‘zoon, telg’, beantwoordend aan o.a. Oudengels byre ‘zoon, telg’, verwant aan baren en de naamstam barn – als tweede lid (verkort tot -ber) in een enkele naam als Ardber

bind [bind] vermoedelijk ‘leider’, eigenlijk ‘binder’ (vergelijk band); het bestaan van deze naamstam is echter niet zeker – als tweede lid alleen in een enkele mannelijke naam als Erbind

blijde [blíthi] ‘genadig, vriendelijk, helder, licht’, vermoedelijk van dezelfde wortel als de naamstam beel – als eerste lid in namen als Blijdhild

bloem [blómo] ‘bloem, jeugd, schoonheid’, van de wortel van bloeien – als eerste lid in een enkele naam als Bloemhard gebruikt

bon, buin [bun, bún] ‘ontkiemd, ontstaan, verrezen, hoog’, van de wortel *beu-, *bō-, *bū- ‘ontkiemen, ontstaan, verrijzen, zijn’, vanwaar o.a. ook bouwen, (ik) ben en Engels to be – deze naamstam komt vooral zelfstandig voor, in de namen Bone, Bonne en Buine

bood [bôd] ‘gebieder, leider’, van de Germaanse wortel *beud-, *baud-, *bud-, vanwaar ook bieden en gebod – als eerste lid in namen als Bodwin, als tweede lid (doorgaans verkort tot -bod) alleen in mannelijke namen, zoals Gerbod en Marbod

boog [bôg] ‘ring’ (vergelijk de naamstam ring), van de Germaanse wortel *beug-, *baug-, *bug-, vanwaar ook buigen en beugel – als eerste lid in namen als Bogolf

boud [bald] ‘boud, stoutmoedig’, hetzij van een wortel die ‘zwellen’ betekent, net als o.a. bol en balg, hetzij van een wortel die ‘schijnen, wit glanzen’ betekent (zie beel) – als eerste lid in namen als Boudewijn en Bouter, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Grimboud en Romboud

brand [brand] ‘vlam, zwaard’, mogelijk een samensmelting van twee afzonderlijke woorden, een voor ‘vlam, vuur’ en een voor ‘zwaard’, of toch oorspronkelijk een enkel woord; de voorstelling van zwaard als vlam of schijnsel vinden wij ook in o.a. dichterlijk Oudengels beaduléoma ‘strijdschijnsel’; in de betekenis ‘zwaard’ schuilt het woord ook nog in de samenstelling brandschoon – als eerste lid in namen als Brandolf, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Erkenbrand, Gerbrand en IJsbrand

brord [brord] ‘punt, speerpunt’ – als eerste lid weinig gebruikt, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Willebrord

bruin [brún] ‘glanzend’, waarbij men bedenke hoe bij uitstek de bruine vacht van wilde dieren kan glanzen; al vroeg trad verwarring op met de naamstam brunne, beurne ‘ringhemd, halsberg’ – als eerste lid (voor medeklinkers verkort tot Brun-) in namen als Bruining, Brunger en Brunsten

brunne, beurne [brunna] ‘ringhemd, halsberg’, overdrachtelijk ‘bescherming’; al vroeg trad verwarring op met de naamstam bruin ‘glanzend’; vergelijk voor het vormverschil dat tussen bron en born, beide ‘wel, stroom’ – als eerste lid in namen als Brunhild, als tweede lid alleen in vrouwelijke namen, zoals Gerbrun

burg [burg] ‘burcht, bescherming’, mogelijk van dezelfde wortel als bergen ‘in veiligheid brengen’ – als eerste lid in namen als Burghard en Burgraad, als tweede lid alleen in vrouwelijke namen, zoals Hildeburg en Walburg

D

dad, doed [dad, dód] vermoedelijk oorspronkelijk een brabbelwoord voor verwanten, ontstaan in de kindertaal; vergelijk Engels dad, daddy – deze naamstam komt vrijwel uitsluitend zelfstandig voor, in de namen Dade, Dadde, Date, Datte en Doede

daf, doef [daf, dóf] ‘goed, geschikt’, van de Oudgermaanse wortel *dab-, *dōb- ‘passen, schikken’, vanwaar o.a. ook Nederlands deftig – deze naamstam komt uitsluitend zelfstandig voor, in de namen Dave, Dabbe, Dappe en Doeve

dag [dag] ‘dag’, overdrachtelijk ‘licht, stralendheid’ – als eerste lid in namen als Dagbert en Dagolf, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Alfdag en Everdag

dan, den, doen [dan, deni, dón] vermoedelijk ‘onstuimig’, van een Oudgermaanse wortel *dan-, *dōn- ‘voortgaan, stromen’, vanwaar ook de stamnaam *Danīz (Nederlands Denen) en buiten het Germaanse verscheidene riviernamen, zoals de Donau – deze naamstam komt vooral zelfstandig voor, in de namen Dane, Danne, Dene, Denne en Doene

dank [thank] ‘gedachten, geest’, hetzelfde woord als dank ‘erkentelijkheid’, verwant aan denken – als eerste lid in namen als Dankmar en Dankraad

degen, dein [thegan] ‘dappere krijger’ – als eerste lid in namen als Degenhard, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Ermendein

die [theo] ‘dienaar, krijger’, waarbij men bedenke hoe jonge krijgers hun heer dienden (vergelijk schalk); verwant aan dienen en deerne (eigenlijk ‘dienstmeid’) – als eerste lid in namen als Diemoed, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Fanedie en Hamedie

diede [theoda] ‘(eigen) volk’, vanwaar is afgeleid Duits en diens Vlaamse nevenvorm Diets – als eerste lid (voor medeklinkers vaak verkort tot Det-) in namen als Diederik, Diedlef/Detlef en Diedmar/Detmar

ding [thing] ‘rechtspraak, rechtsvergadering, rechtzaak’, hetzelfde woord als ding ‘voorwerp, zaak’, verwant aan geding en (mede)dingen – als eerste lid in  namen als Dingolf

doem [dóm] ‘oordeel, gezag’, van de Germaanse wortel *dō-, *dē- ‘plaatsen, schikken’, vanwaar ook doen en (onder)daan; ook verworden tot het achtervoegsel -dom, zoals in hertogdom, dat dus eigenlijk ‘gezag van de hertog’ betekent – als eerste lid in namen als Doemolf, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Ouddoem

don [dun] ‘donker’, beantwoordend aan Engels dun ‘bruin-donkergrijs’; doch wellicht betekent het net als de naamstam bruin eerder ‘glanzend’; zie bijvoorbeeld de Oudengelse naam Dunstán, die wel te duiden is als ‘glanzende steen’ en dus ‘edelsteen’ (en vergelijk deze vervolgens weer met de Nederlandse naam Brunsten) – als eerste lid in namen als Donder en Dunning

door [thor] ‘wagend, vermetel’ dan wel ‘held’, verwant aan Oudnoords þora ‘wagen’ en misschien Oudengels þyrs ‘reus’, doch niet aan de Oudnoordse godennaam Þórr (die weer aan Nederlands Donder beantwoordt) – als eerste lid in enkele namen als Dorbert

dras [thras] ‘snel, strijdbaar’, vermoedelijk van een wortel die ‘verschrikken’ en bij uitbreiding ‘zwaar ademen, snuiven’ betekent, vanwaar ook Oudnederlands thrásilo ‘stier’ – als eerste lid in namen als Drasmond, als tweede lid niet gebruikt

drucht [druht] ‘leger, gevolg’, vanwaar ook Middelnederlands drochtijn ‘legerhoofd, heervorst’; ook schuilend in de sterk verbasterende samenstelling drost (voorheen druhti-seto ‘leger-gezetene’) – als eerste lid in namen als Druchtman

druid [thrúth] ‘kracht, sterkte’, van een wortel die ‘groeien, gedijen’ betekent, vanwaar o.a. Oudhoogduits drouwen en Oudnoords þróast, beide ‘gedijen’; al vroeg verward met het niet verwante druid ‘vriend, vriendin’ (vergelijk Duits traut ‘geliefd, dierbaar’) – als eerste lid in namen als Drudwin, als tweede lid alleen in vrouwelijke namen, zoals Ameldruid en Gerdruid

duur [diuri] ‘dierbaar, kostbaar, bemind’, naast de Vlaamse vorm dier (vandaar dierbaar), beantwoordend aan Engels dear – als eerste lid in namen als During en Durolf

E

ee [êo] ‘wet, gewoonte, zede’, oorspronkelijk een en hetzelfde woord als eeuw, waarbij men denke aan een eeuwige rechtelijke orde; ook in o.a. echt ‘werkelijk; huwelijk’ (ouder ee-hacht ‘wet-behorend’) en eega ‘echtgenoot’ (eigenlijk  ee-gade ‘wettelijk verenigde’) – als eerste lid in namen als Emond, Erik en Ewoud

eed [êd] vermoedelijk ‘vuur’, beantwoordend aan Oudsaksisch êd en Oudengels ád, beide ‘brandstapel’; niet te verwarren met Eed-/Ed- in van oorsprong Engelse namen als Eduard en Edwin, welke de Engelse vorm is van de naamstam ood – als eerste lid (voor medeklinkers verkort tot Ed-) in enkele namen als Edbert en Edolf

eer [êr] ‘eer, waardigheid’ – als eerste lid (meestal verkort tot Er-) in namen als Erbern/Erben en Erwin/Erewijn

eer [eri] vermoedelijk ‘edel, voornaam’, buiten het Germaans verwant aan o.a. Sanskriet aryá- ‘minzaam; goed; heer’ – als eerste lid (wel verkort tot Er-) in enkele namen als Erbind en Erwist

eg [egga] ‘zwaard’, eigenlijk ‘scherp van het zwaard, scherpe rand’, beantwoordend aan Engels edge ‘rand’, van dezelfde wortel als de naamstam ag, oeg (zie daar) – als eerste lid (meestal verkort tot Eg-) in namen als Egbert

eil [egil] ‘fel, strijdbaar’, van dezelfde wortel als de naamstam ag, oeg (zie daar) – als eerste lid in namen als Eilhard en Eilmond

ein [egin] ‘fel, strijdbaar’, van dezelfde wortel als de naamstam ag, oeg (zie daar) – als eerste lid in namen als Einbert en Einhard

eis [egis] ‘ontzagwekkend’, verwant aan ijzen ‘beven van angst’ (voorheen gespeld als eisen en niet verwant aan ijs) – als eerste lid in namen als Eisburg, Eisger en Eizolf

el [eli-] vermoedelijk hetzelfde woord als el ‘ander, vreemd’, dat ook schuilt in elders en ellende, en buiten het Germaans beantwoordt aan Latijn alius ‘ander’ – als eerste lid in namen als Elegast

elf zie alf

ellen [ellan] ‘moed, ijver, volharding’, mogelijk verwant aan de riviernaam Elbe – als eerste lid in namen als Ellenhard

Engel [Engil] ‘een van de Germaanse stam der Engelen’; de Engelen woonden in wat nu het het Deens-Duitse grensgebied is voordat zij samen met groepen Saksen in groten getale westwaarts trokken, waarschijnlijk ook door de Lage Landen (alwaar een deel achterbleef), en uiteindelijk in Brittannië koninkrijken stichtten (vandaar de benamingen Engeland en Engels); later is deze naamstam verward met engel ‘boodschapper van God’, een woord dat aan het Grieks is ontleend – als eerste lid in namen als Engelbert, Engelburg en Engelmar

erel [erl] ‘edelman’, beantwoordend aan Oudnoords jarl en Oudengels eorl (Engels earl) – als eerste lid in namen als Erelboud

erken [erkan] ‘zuiver, heilig’ – als eerste lid in namen als Erkenbrand en Erkenheid

ermen [erman, irmin] ‘groots, verheven’, een woord dat wij verder terugvinden in o.a. Irminsúl, de Oudsaksische naam van een zeer heilige houten zuil, en Jörmungandr, de Oudnoordse naam van de reusachtige slang die Middenaarde omringt – als eerste lid in namen als Ermenrik en Ermengard

erp [erp] ‘donker’, of wellicht eerder ‘glanzend’ (vergelijk bruin en don), beantwoordend aan IJslands jarpur ‘goudbruin, kastanjebruin’, verwant aan gewestelijk Nederlands erpel ‘mannetjeseend’ – als eerste lid in namen als Erpolf

ever [evor] ‘ever(zwijn), wild zwijn’, een dier dat aanzien genoot om zijn geweldige kracht en verbeten verdediging en in de Noordse overlevering verband werd gebracht met de god Freyr (zie Ing) – als eerste lid in namen als Everhard en Everhild

F

f zie ook v

Frank [Franko] ‘een van het Germaanse volk der Franken’, van vrank ‘vrij, vrijmoedig’; de Franken ontstonden als losse vereniging van verscheidene Germaanse stammen langs de Rijn en breidden zuidwaarts uit en stichtten uiteindelijk Frankrijk, waar zij evenwel een minderheid waren en hun taal verloren; het Nederlands is ruwweg de voortzetting ervan – deze naamstam komt vrijwel uitsluitend zelfstandig voor, in de namen Frank en Franka

Fries [Fréso] ‘een van het Germaanse volk der Friezen’, vermoedelijk van de wortel van vrij ‘zelfstandig, ongebonden’ (zie vrede); de Friezen hebben zich in hun lange geschiedenis gekenmerkt door een uitzonderlijke drang naar vrijheid, vervat in de welbekende leus leaver dea as slaef ‘liever dood dan slaaf’ – deze naamstam komt vrijwel uitsluitend zelfstandig voor, in de naam Fries, Frieso, Friso

G

gaard [gard] ‘gaard, omheining’, overdrachtelijk ‘bescherming’ – als eerste lid in namen als Gardolf, als tweede lid alleen in vrouwelijk namen, zoals Alfgard, Hildegard en Ermengard

gad, goed [gad, gód] ‘goed, geschikt’, van de Oudgermaanse wortel *gad-, *gōd- ‘voegen, passen, verenigen’, vanwaar ook Middelnederlands gaden, Nederlands gade en vergaderen – deze naamstam komt zelfstandig voor, in de namen Gade, Gadde, Gatte en Goede, als eerste lid (soms verkort tot God-) in namen als Goedman en Goederade

gal, goel [gal, gól] vermoedelijk ‘glanzend’, van de Oudgermaanse wortel *gal-, *gōl-; anders ‘zingend’, van de wortel *gal-, *gōl- ‘zingen’, vanwaar ook Oudnederlands galan ‘zingen’ – deze naamstam komt vrijwel uitsluitend zelfstandig voor, in de namen Gale, Galle en Goele

gamel [gamal] ‘oud’, overdrachtelijk ‘ervaren, wijs’, een nevenvorm van gammel, beantwoordend aan IJslands gamall ‘(zeer) oud’ – als eerste lid in een enkele naam als Gamelboud

gamen [gaman] ‘spel, vertier’, beantwoordend aan Engels game – als eerste lid in een enkele naam als Gamenolf

gand [gand] mogelijk ‘staf’ en bij uitbreiding ‘tovermacht’ – als eerste lid in namen als Gandolf, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Fredegand

gang [gang] ‘gang, reis, tocht’, waarbij men denke aan de rooftochten en andere reizen die jonge krijgers ondernamen – als eerste lid in namen als Gangolf, als tweede lid in namen als Wolfgang

garuw, gaar [garu] ‘(strijd)gereed’, eigenlijk hetzelfde woord als gaar ‘voldoende toebereid’ – als eerste lid (in de vorm Gare- of Gar-) in namen als Garboud, als tweede lid (in de vorm -gar) alleen in mannelijke namen, zoals Ansgar en Badegar

gast [gast] ‘gast, reiziger, krijger’, waarbij men denke aan de rooftochten en andere reizen die jonge krijgers ondernamen – als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Aregast en Elegast

geel [gêl] ‘vreugdevol’, eigenlijk hetzelfde woord als geil ‘belust’ – als eerste lid (meestal verkort tot Gel-) in namen als Gelmar

geer [gêr] ‘speer’, verwant aan de naamstam gijzel indien die ‘pijl’ betekent, doch niet verwant aan begeren ‘verlangen’ – als eerste lid (meestal verkort tot Ger-) in namen als Gerhard, Gernand en Gerlind, als tweede lid (verkort tot -ger) alleen in mannelijke namen, zoals Berger, Fredeger en Heilger

geld [geld] vermoedelijk ‘waard, kostbaar, dierbaar’ en niet ‘vergelding’ – als eerste lid in namen als Geldolf

geve [geva] ‘gift, geschenk’ – als eerste lid in namen als Gevehard

gijzel [gísil] vermoedelijk ‘pijl’, beantwoordend aan Langobardisch gísil en Oudnoords gísli, beide ‘pijl’, verwant aan de naamstam geer ‘speer’; een andere mogelijkheid is evenwel dat dit hetzelfde woord is als gijzelaar (-aar  is een latere toevoeging), een begrip dat zijn oorsprong vindt in het gebruik om kinderen van voornaam geslacht als borg te geven ter bestendiging van vredesverdragen, zodat deze naamstam vanzelf de lading ‘edel kind’ droeg – als eerste lid (vooral in de vorm Gijs-) in namen als Gijsbert, Gijsbrand en Gijshild, als tweede lid (vooral in de vorm -gis) alleen in mannelijke namen, zoals Adelgis en Hildegis

god [god] ‘godheid, goddelijke macht, oergeest’, als naamstam voornamelijk in meervoud gebruikt (vergelijk ans), daar de goden doorgaans als geheel werden benaderd; na de kerstening betekende hij ook enkelvoudig ‘God’, waarbij Godsschalk (letterlijk ‘Gods dienaar, krijger’) de tweede naamval enkelvoud toont – als eerste lid (vaak in de vorm Gode-) in namen als Godemar, Godsschalk en Godelieve

gonde [gunda] ‘strijd, krijg’ – als eerste lid in namen als Gondbert en Gonderade, als tweede lid alleen in vrouwelijke namen, zoals Belegond, Fredegond en Hildegond

gooi [gôio] ‘landsman, bewoner’, afgeleid van de naamstam gouw ‘landstreek’ – als tweede lid in enkele mannelijke namen als Wedegooi

goot [gôt] vermoedelijk ‘man’, eigenlijk ‘verwekkende’ of ‘onstuimige’, beantwoordend aan de Noordgermaanse stamnaam *Gautōz (Zweeds Götar) en verwant aan de Oostgermaanse stamnaam *Gutaniz (Nederlands Goten), van de wortel *geut-, *gaut-, *gut- ‘gieten, voortstromen’ – als eerste lid (meestal verkort tot Got-) in namen als Gotmar en Gotwin, als tweede lid (meestal verkort tot -got) in namen als Alfgot, Adelgot en Reingot

goud [gold] ‘goud’ – als eerste lid in een enkele naam als Goudruin, als tweede lid in enkele mannelijke namen als Erkengoud en Hergoud

gouw [gouwi] ‘(eigen) gouw, landstreek’, met (uit de verbogen naamvallen) de nevenvorm gooi, zoals in de streeknaam het Gooi; verder is afgeleid de naamstam gooi – als eerste lid in namen als Gouwbrand en Gouwerik

graad [grád] ‘honger, begeerte’, vanwaar graag (samengetrokken uit gradig) – als eerste lid in een enkele naam als Gradolf

grauw [gráo] ‘grauw, grijs’, overdrachtelijk ‘ervaren, wijs’; vergelijk hoe het woord heer ‘voornaam man’ teruggaat op een woord voor ‘grijs’ dat beantwoordt aan Engels hoar – als eerste lid (meestal als Gra-) in namen als Gralog en Graman

grijm [grímo] ‘helm, masker, bescherming’; de verkorte vorm van deze naamstam werd al vroeg verward met grim ‘toornig’ – als eerste lid (voor medeklinkers verkort tot Grim-) in namen als Grijmoud, Grimbert en Grimhild, als tweede lid (altijd verkort tot -grim) alleen in mannelijke namen, zoals Alfgrim, Belegrim en Evergrim

groen [gróni] ‘groen, bloeiend’, van de wortel van groeien – als eerste lid in een enkele naam als Groenhard

H

haag [hagu] vermoedelijk ‘haag’, overdrachtelijk de ‘omheining en bescherming van een heer’; moeilijk te onderscheiden van de naamstam hag, hoeg – als eerste lid mogelijk in namen als Hagebard en Hagestoud

haai [háh] vermoedelijk ‘hengst’, verwant aan hengst – als eerste lid (in de vorm Ha-) in enkele namen als Hamond en Haward

had, hoed [had, hód] vermoedelijk ‘fel, strijdbaar’, en dan verwant aan de naamstam hade ‘strijd’, waar die moeilijk van te onderscheiden is – deze naamstam komt zelfstandig voor in de namen Hade, Hadde, Hate, Hatte en Hoede

hade [hathu] ‘strijd, krijg’, mogelijk verwant aan de naamstam had, hoed, waar die moeilijk van te onderscheiden is – als eerste lid in namen als Hadewijg en Hademar, als tweede lid (verkort to -had, -ad of -d) alleen in mannelijke namen, zoals Starkhad en Willehad

haf, hoef [haf, hóf] ‘overwinnend, slagend’, van de Oudgermaanse wortel *hab-, *hōb- ‘overwinnen, slagen, lukken’, vanwaar o.a. ook Engels happy ‘gelukkig’, en buiten het Germaans verwant aan o.a. Oudiers cob ‘zege’ – deze naamstam komt vrijwel uitsluitend als eerste lid voor, in de namen Have, Habbe, Happe en Hoeve

hag, hoeg [hag, hóg] ‘bekwaam’, beantwoordend aan Oudnoords hagr en hœgr ‘bekwaam’, van de Oudgermaanse wortel *hah-, *hag-, *hōh-, *hōg- ‘kunnen, vermogen’, moeilijk te onderscheiden van de naamstam haag – deze naamstam komt vooral zelfstandig voor, in de namen Hage, Hagge, Hake, Hakke en Hoege

hal, hel, hoel [hal, heli, hól] vermoedelijk ‘hard, verdurend’, van een Oudgermaanse wortel *hal-, *hōl- ‘hard’, vanwaar ook held en buiten het Germaans aan o.a. Latijn callum ‘harde stof’ en Oudiers calath ‘hard’; een andere mogelijkheid is ‘mooi, edel’, en dan buiten het Germaans verwant aan o.a. Grieks kalós ‘mooi, edel, goed’ en Sanskriet kalya- ‘gezonde’ – deze naamstam komt zelfstandig voor in de namen Hale, Halle, Hele, Helle en Hoele, als eerste lid in namen als Halbert en Halbrand

ham, hoem [ham, hóm] vermoedelijk ‘bemind, minzaam’, van de Oudgermaanse wortel *ham-, *hōm- ‘beminnen’, vanwaar ook de stamnaam *Hamawiz ‘beminden’ (gelatiniseerd als Chamavi) – deze naamstam komt vooral zelfstandig voor, in de namen Hame, Hamme en Hoeme, daarnaast als eerste lid in een enkele naam als Hamedie

han, hoen [han, hón] mogelijk ‘strevend’, en dan verwant aan gewestelijk Zweeds höna ‘(zich) strekken, laten merken’ en Oudnoords Hœnir, de naam van een god die ook wel wordt vereenzelvigd met een god met de naam Vili ‘wil’, en buiten het Germaans aan Latijn cōnor ‘pogen, ondernemen’ en Servo-Kroatisch kániti ‘van plan zijn, in gedachten hebben’; een andere mogelijkheid is ‘zingend’ en dan verwant aan haan en buiten het Germaans aan o.a. Latijn canō ‘zingen’ – deze naamstam komt vrijwel uitsluitend zelfstandig voor, in de namen Hane, Hanne en Hoene

hand [hand] ‘hand’, overdrachtelijk ‘bescherming’ (vergelijk de naamstam mond) – als eerste lid bijna nooit gebruikt, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Starkhand

hard [hard] ‘hard, sterk, verdurend’ – als eerste lid in namen als Hardger, Hardmoed en Hardraad, als tweede lid (meestal verkort tot -ard, -erd, -ert en zelfs -d en -t) in namen als Arnhard/Arend, Folkhard/Folkert en Gerhard/Gerard

has, hoes [has, hós] ‘glanzend, grijs, wijs’, verwant aan haas en Oudhoogduits hasan ‘gepolijst’ – deze naamstam komt vrijwel uitsluitend zelfstandig voor, in de namen Haze, Hasse en Hoeze

heem [hêm] ‘heem, thuis, vaderland’, beantwoordend aan Engels home, verwant aan inheems – als eerste lid (meestal verkort tot Hem-) in namen als Hembert en Hemerik

heen [hên] vermoedelijk ‘uitstekende steen’, beantwoordend aan Oudengels hán ‘steen, rots, grenssteen’ (Engels hone ‘slijpsteen’); volgens de gangbare opvatting bestaat deze naamstam niet en is er slechts sprake van verbastering van de naamstam heem, maar dat zou wel een uitzonderlijk geval zijn – als eerste lid (verkort tot Hen-) in namen als Hendrik

heer [heri] ‘heerschare, krijger’, ook in samenstellingen als hereweg en hertog (letterlijk ‘hij die het heer toogt’); niet verwant aan heer ‘voornaam man’ – als eerste lid (meestal verkort tot Her-) in namen als Herbert, Herlind en Herman, als tweede lid (altijd verkort tot -er) alleen in mannelijke namen, zoals Folker, Reinder enWouter

heid [heid] ‘stand, waardigheid’, hetzelfde woord als het achtervoegsel -heid – als eerste lid in namen als Heiderik, als tweede lid alleen in vrouwelijke namen, zoals Adelheid en Erkenheid

heil [heil] ‘heil, heelheid, voorspoed’, ook wel ‘gunst van de goden’, verwant aan heel ‘onverdeeld, ongeschonden’ – als eerste lid in namen als Heilbrand en Heilswind

heist [heist] ‘strijd, geweld’, verwant aan heftig; werd door het Frans ontleend en als haast ‘spoed’ weer terug ontleend – als eerste lid in een enkele naam als Heistolf

helm [helm] ‘helm, bescherming’, van de Oudgermaanse wortel *hel-, *hal- ‘verbergen’, vanwaar o.a. ook helen ‘verbergen’ en hullen – als eerste lid in namen als Helmbert, als tweede lid (vaak als -elm of -em) alleen in mannelijke namen, zoals Anshelm/Anselm en Wilhelm/Willem

help [helpa] ‘hulp’ – als eerste lid in namen als Helperik en Helpraad

hemel [himil] ‘hemel’, een naamstam die met de kerstening zijn intrede deed – als eerste lid in enkele namen als Hemeldruid en Hemelger

heruw, heer [heru] ‘zwaard’, een zeldzame naamstam die op het vasteland minder gebruikelijk was dan in Engeland (heoru) en Scandinavië (hjörr) – als eerste lid in een enkele naam als Hereward

hilde [hilda] ‘strijd, krijg’ – als eerste lid (vaak verkort tot Hil-) in namen als Hildebrand en Hildegonde, als tweede lid alleen in vrouwelijke namen, zoals Averhild, Brunhild en Reinhild

honde [hunda] ‘buit, roof, het geroofde, prooi’, van de Oudgermaanse wortel *henþ-, *hanþ-, *hunþ- ‘grijpen’, vanwaar ook Gronings hude ‘bergplaats’ en vermoedelijk hand (eigenlijk dus ‘grijper’); niet verwant aan hond ‘trouwe viervoeter’ – als eerste lid in een enkele naam als Hondolf

hoog [hôh] ‘hoog, rijzig, verheven’ – als eerste lid (in de vorm Ho-) in enkele namen als Horaad en Hosten, als tweede lid (vaak verkort tot -ig) alleen in mannelijke namen, zoals Alfhoog en Brandhoog

houd [hold] ‘trouw, genegen’, vanwaar de afleiding hulde, van dezelfde wortel als hellen ‘nijgen’ – als eerste lid in namen als Houdbrand

huig [húg] wel ‘zinnend’, afgeleid van een werkwoord dat voortleeft als onder meer Drents hoegen, hugen ‘verlangend loeren’ en Oostfries hugen, hügen ‘zinnen, denken, verlangen’, en verwant is aan heug ‘zin’ (in tegen heugen en meug), heugen ‘herinneren aan’, geheugen en verheugen – zelfstandig gebruikt als Huig, Huige (gewestelijk en Frans in de vorm Hugo), als eerste lid (voor medeklinkers vaak verkort tot Hui-) in namen als Huibert

huin [hún] wel iets als ‘knuppel, knaap’, beantwoordend aan Oudnoords húnn ‘dik uiteinde van een mast; jonge beer’, van een oud werkwoord dat nog voortleeft als Drents huien ‘zwellen’ – als eerste lid in namen als Hunbert en Hunlef, als tweede lid (in de vorm -hun, -en) alleen in mannelijke namen, zoals als Gerhun/Geren

huis [hús] ‘huis, woning’ – als eerste lid (voor medeklinkers vaak verkort tot Hus-) in enkele namen als Huisman/Husman en Huisward

I

ied [eod] ‘kind, zoon’, beantwoordend aan Oudnoords jóð ‘boreling, nakomeling’ – als eerste lid in enkele namen als Iedfred

ijd [íd] ‘vlijtig’, verwant aan o.a. Oudnoords íð ‘arbeid, werkzaamheid’ en de naamstam ijf – als eerste lid in enkele namen als Idwin, en zelfstandig in IJde

ijf [íf] ‘levenskrachtig, onvermoeid, vlijtig’, verwant aan o.a. ijver ‘vlijt’, Engels ivy ‘klimop’ en de naamstam ijd – deze naamstam komt vrijwel uitsluitend zelfstandig voor, in namen als IJve

ijg zie uw

ijzen [ísan] ‘ijzer’, eigenlijk een nevenvorm van ijzer – als eerste lid (veelal verkort tot IJs- en IJze-) in namen als IJsbrand en IJsburg

-ing [-ing, -ung] achtervoegsel waarmee toebehoren, afstamming en eigenschap wordt aangeduid – in namen als Ameling, Dunning, During en Ravening

Ing [Ingo] ‘een van het Germaanse volk der Ingen’; tot de Ingen werden oorspronkelijk gerekend de Germaanse stammen langs de zee, waaronder de Friezen, Saksen, Engelen, Denen en Zweden (vergelijk Zwaaf); de naam betekent eigenlijk ‘zij die bij Ing horen’ en is afgeleid van Ing, de naam van een belangrijke god voor de Germanen, bekend als Freyr ‘heer’ (zie Vro) en Yngvi-Freyr ‘heer der Ingen’ bij de Noordgermanen; met het achtervoegsel -ing is geen verwantschap – als eerste lid in namen als Ingeburg, Ingemar en Ingeram

J

jong [jung] ‘jong, bloeiend’ – als eerste lid in een enkele naam als Jongeram

K

-k- [-k-] verkleinend achtervoegsel waarmee koosnamen worden gevormd – in namen als Geveke, Meinke, Sipke en Willeke

kal, koel [kal, kól] vermoedelijk ‘bekwaam’, en dan buiten het Germaans verwant aan o.a. Middeliers gál ‘moed, strijdgeest’, Middelwels gallu ‘kunnen, vermogen’ en Litouws galiù ‘kunnen, vermogen’ – deze naamstam komt vooral zelfstandig voor, in de namen Kale, Kalle en Koele, en als eerste lid in namen als Kolbert en Kolbrand

kan, koen [kan, kón] ‘bekwaam’, van de Oudgermaanse wortel *kan-, *kōn- ‘kunnen, vermogen’, vanwaar ook kunnen – deze naamstam komt zelfstandig voor in de namen Kane, Kanne en Koen, als eerste lid in namen als Koenraad

kind [kind] ‘kind, zoon’, van een wortel die ‘verwekken’ betekent, net als de naamstam kunne – als tweede lid in een enkele mannelijke naam, zoals Wedekind

kunne [kunni] ‘voorgeslacht, voornaam geslacht’, van een wortel die ‘verwekken’ betekent, net als de naamstam kind – als eerste lid (in de vorm Keune-) in enkele namen als Keunegond

L

-l- [-l-] verkleinend achtervoegsel waarmee koosnamen werden gevormd – in namen als Andele en Goedele

laak [láki] ‘bezweerder, tovenaar, waarzegger, geneesheer’, beantwoordend aan Deens lege ‘arts’ – als tweede lid (verkort tot -lak) alleen in mannelijke namen als Gerlak

land [land] ‘(eigen) land, thuisland, vaderland’ – als eerste lid in namen als Landbert en Landolf, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Roeland

lede [lêda] vermoedelijk ‘weg, gang, tocht’, verwant aan leiden en lijden (eigenlijk ‘reizen, gaan’) – als eerste lid in namen als Lederaad en Leedolf

leef [lêf] ‘overblijfsel, nazaat, telg’, van dezelfde wortel als blijven (eigenlijk be-lijven) en Engels leave – als eerste lid in een enkele naam als Leven, als tweede lid (altijd verkort tot -lef) alleen in mannelijke namen, zoals Bernlef, Diedlef/Detlef en Roelef

leek [lêk] ‘lied, spel, vertier’, schuilend in de samenstelling huwelijk (eigenlijk het ‘huw-spel’) – als eerste lid in een enkele naam als Lekhard/Lekert, als tweede lid (altijd verkort tot -lek) alleen in mannelijke namen, zoals Gerlek

lief [leof] ‘lief, geliefd’ – als eerste lid in namen als Liefhard en Lieven, als tweede lid in zowel mannelijke namen als vrouwelijke namen, zoals Godelief en Godelieve

lien [leon] vermoedelijk ‘genadig, mild’ en dan verwant aan Oudengels alynnan ‘vrijlaten, verlossen’; werd later wel verward met Latijn leō ‘leeuw’ – als eerste lid in een enkele naam als Lienhard

lind [lind] ‘zacht, zachtmoedig’; wordt ook wel geduid als ‘slang, draak’, overdrachtelijk ‘kenster van geheimen’, maar dat is ook vóór de kerstening weinig waarschijnlijk; daarnaast geduid als ‘linde, lindenhout’, overdrachtelijk ‘schild’, maar aangezien in het Oudengels de naamstam líþ luidt en de boomnaam lind lijkt dat niet aannemelijk – als eerste lid in enkele namen als Linderam en Lindolf, als tweede lid alleen in vrouwelijk namen, zoals Adellind, Gerlind en Segelind

loog [lôh] vermoedelijk ‘man’, van de Oudgermaanse wortel *leug-, *laug- ‘een eed zweren, zich wettelijk binden’, vanwaar ook Gotisch liuga ‘eed, huwelijk’ en Nederlands oorlog; anders wellicht ‘vlam’ en dan verwant aan Middelnederlands loge ‘vlam’; zie ook de naamstam loge – als tweede lid (meestal verkort tot -log) in enkele namen als Erkenlog en Gralog

loge [lôga] vermoedelijk ‘vrouw’ dan wel ‘vlam’, de vrouwelijk vorm van de naamstam loog (zie daar); anders wellicht ‘zuiverheid, reinheid’ en verwant aan Nederlands loog ‘zuiverende oplossing’ en Oudnoords laug ‘warme bron, badwater’ – als tweede lid (meestal verkort tot -log) in enkele namen als Badelog en Hadelog

luide [liudi] ‘(eigen) volk’, van een wortel die ‘groeien’ betekent – als eerste lid in namen (voor medeklinkers vaak verkort tot Lud-) in namen als Ludger, Luidewij en Luidolf

M

maar [már] ‘vermaard, beroemd, groots’, verwant aan mare ‘bericht’ – als eerste lid (meestal verkort tot Mar-) in namen als Marlind, Marolf en Marwig, als tweede lid (altijd verkort tot -mar) alleen in mannelijke namen, zoals Adelmar, Eilmar en Folkmar

maar [marh] ‘paard, ros’, vanwaar de afleiding merrie – als eerste lid in namen als Maarschalk en Marbod

macht [maht] ‘macht, kracht, vermogen’, verwant aan (ver)mogen en de naamstam mein – als eerste lid in namen als Machthild/Machteld

madel [mathal] ‘rechtspraak, rechtszitting’, van dezelfde wortel als gemaal ‘echtgenoot’ – als eerste lid (vaak verkort tot Mal-) in namen als Madelbrand/Malbrand en Madelberte/Malberte

mal [mal] vermoedelijk ‘driest, vermetel’, hetzelfde woord als mal ‘dol, dwaas’, met een betekenisontwikkeling van ‘driest’ naar ‘doldriest’ tot ‘dol’; verder dan verwant aan Oudsaksisch malsk ‘overmoedig’ – als eerste lid in een enkele naam als Malrik

mam, moem [mam, móm] vermoedelijk oorspronkelijk een brabbelwoord voor verwanten, ontstaan in de kindertaal; vergelijk mamma (in verschillende talen) en Duits Muhme ‘tante’ – deze naamstam komt uitsluitend zelfstandig voor, in de namen Mame, Mamme en Moeme

man [man] ‘man, mens’, in latere tijden ook wel gebruikt als liefkozend achtervoegsel – als eerste lid in namen als Manfred, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Goedman en Rijkman

mark [mark] ‘mark, grensgebied, grens’, verwant aan merken, beantwoordend aan Oudnoords mörk ‘woud’, waarbij men bedenke dat wouden vroeger vaak grenzen vormden (vergelijk wede) – als eerste lid in namen als Markolf en Markward

mein [megin] ‘macht, kracht, vermogen’, verwant aan (ver)mogen en de naamstam macht – als eerste lid (voor medeklinkers vaak verkort tot Men-) in namen als Meinhard/Meindert, Meinhild en Meinoud

mel [mel] vermoedelijk ‘glanzend wit’, beantwoordend aan streektalig Zweeds mjäll ‘mooi, glanzend wit; los (van sneeuw)’, mogelijk van de wortel van malen ‘fijn maken’ – als eerste lid in een enkele naam, als tweede lid in een enkele vrouwelijke naam, zoals Flademelle

menig, manig [menig, manag] ‘menig, veel’ – als eerste lid in een enkele naam als Menegoud/Manegoud

meun [muni] ‘gedachte, verstand’, verwant aan o.a. manen ‘herinneren aan’; zie ook de opmerkingen bij raven, ram – als eerste lid (als Meune- en Mon-) in namen als Monolf

moed [mód] ‘geest, gemoed’ – als eerste lid in namen als Moedolf en Moeter, als tweede lid (vaak verkort tot -mod) in zowel vrouwelijke namen, zoals Willemoed/Welmoed, als mannelijke namen, zoals Hermoed/Hermod

mond [mund] ‘hand’, overdrachtelijk ‘bescherming’, vanwaar de afleiding mondig; buiten het Germaans verwant aan Latijn manus, doch niet verwant aan mond ‘holte tussen neus en kin’ – als eerste lid in een enkele naam als Monderik, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Hermond, Reinmond/Reimond en Warmond

N

nan, noen [nan, nón] vermoedelijk oorspronkelijk een brabbelwoord voor verwanten, ontstaan in de kindertaal; vergelijk Engels nana ‘oma’ en Italiaans nonno ‘grootvader’ – deze naamstam komt uitsluitend zelfstandig voor, in de namen Nane, Nanne en Noene

nand [nand] ‘wagend, moedig, dapper’ – als eerste lid in een enkele naam als Nandwin/Nandewijn, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Ferdenand, Gernand en Wijnand

neer, noer [neri, nór] ‘mannelijk, dapper’, van de Oudgermaanse wortel *nar-, *nōr-, vanwaar de stamnaam *Naristōz ‘mannelijksten, dappersten’ (gelatiniseerd als Naristi), en buiten het Germaans verwant aan o.a. Sanskrit náryas ‘mannelijk, dapper’ en Grieks anèr ‘man’ en Wels ner ‘held’ – deze naamstam wordt zelfstandig gebruikt als Nere en Noere, als eerste lid in enkele namen als Nerbert, Nerswind en Norbert, als tweede lid alleen in een enkele mannelijke naam

nieuw [niuwi] ‘nieuw, jong, bloeiend’, overdrachtelijk als ‘dochter’ – als eerste lid in namen als Nieuwraad, als tweede lid (veelal verkort tot -nie) alleen in vrouwelijke namen, zoals Dagnieuw/Dagnie, Hildenieuw/Hildenie en Segenieuw/Segenie

nijd [níth] ‘woede, vijandschap, strijdlust’ – als eerste lid (voor medeklinkers verkort tot Nid-) in namen als Nidger en Nijdolf

nood [nôd] ‘nood, noodzaak, plicht’ – als eerste lid (voor medeklinkers verkort tot Nod-) in namen als Nodger, als tweede lid (verkort tot -nod) alleen in mannelijke namen, zoals Gernod

noord [north] ‘noord’ – als eerste lid in namen als Noordman en Norbert

O

oedel, oel [óthil, óthal] ‘erfgoed, vaderland, grondbezit’, van dezelfde wortel als de naamstam ad, oed – als eerste lid (voor medeklinkers verkort tot Ol-) in namen als Olburg, Olfred en Olger

ood [ôd] ‘voorspoed, geluk, heil, bezit, weelde’, schuilend in de samenstelling ooievaar (eigenlijk ode-baar ‘heil-brenger’) en vermoedelijk in kleinood; zie ook oon en ouw – als eerste lid (voor medeklinkers verkort tot Od-) in namen als Odberge, Odmar en Oderik

oon [ôn] mogelijk ‘voorspoedig’, indien van dezelfde wortel als de naamstammen ood en (misschien) ouw; anders wellicht iets als ‘nageslacht’, verwant aan o.a. Oudnoords ái ‘overgrootvader’ en Gotisch awo ‘grootmoeder’ – als eerste lid (voor medeklinkers verkort tot On-) in namen als Onger en Onolf

oor [ôr] vermoedelijk ‘lichtend, schijnend’, verwant aan oost (waar de zon verschijnt) en vermoedelijk schuilend in Middelnederlands orewoet ‘vurige verrukking, geestelijke gloed’ – als eerste lid in namen als Orendel en Orolf

oord [ord] ‘punt, speerpunt’, overdrachtelijk ‘speer’, hetzelfde woord als oord ‘streek’ – als eerste lid in namen als Oordwin en Oorter

ooster [ôstar] vermoedelijk eerder ‘lichtend, schijnend’ dan ‘uit het oosten’ (vergelijk oor); zal niet verwijzen naar de Germaanse godin Oostere – als eerste lid in namen als Oosterbert en Oosterware

oud [ald] ‘oud’, overdrachtelijk ‘ervaren, wijs’; oorspronkelijk ‘volwassen, volgroeid’, van dezelfde wortel als de naamstam al, oel (zie daar) – als eerste lid in namen als Oudburg en Ouderam

ouw, ooi [ouwi, ôi] vermoedelijk ‘geluk, voorspoed’, beantwoordend aan auja in Scandinavische ruinkervingen, verwant aan de naamstammen ood en (misschien) oon – als eerste lid in een enkele naam als Ouwlef/Olef

R

raad [rád] ‘raad, raadgever’ – als eerste lid (voor medeklinkers meestal verkort tot Rad- of Ra-) in namen als Radboud en Radswind, als tweede lid in zowel vrouwelijk namen, zoals Bertrade, als mannelijke namen, zoals Koenraad

rand [rand] ‘rand’, overdrachtelijk als ‘schild’ (vergelijk bard) – als eerste lid in namen als Randolf en Randwig, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Bertrand en Walrand

raven, ram [hravan, hramn] ‘raaf’; als slimme aaseters werden raven verbonden met zowel de wijsheid als het slagveld; volgens de Noordse overlevering had de god Óðinn (Nederlands Woen) –heer van wijsheid, dichtkunst, vervoering en strijd– twee raven als gezellen, genaamd Huginn en Muninn, beide ongeveer ‘de gedachte’ betekenend  (zie meun) – als eerste lid in namen als Ramburg en Ravengrim, als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Walraven/-ram en Wouderaven/-ram

rein [regin] ‘de goddelijke orde, de goden tezamen, de autoriteiten’, een oud meervoud dat beantwoordt aan Oudnoords regin mv. en Oudsaksisch regin mv. (in regino-giskapu mv. ‘verordeningen van de goddelijke orde’, d.w.z. ‘het noodlot’), het enkelvoud is overgeleverd als Gotisch ragin ‘beschikking, verordening, besluit, wet, mening’, buiten het Germaans verwant aan o.a. Sanskriet racana- ‘ordening, vorming, schepping’ en Russisch rok ‘(nood)lot’ – als eerste lid (voor medeklinkers vaak verkort tot Ren-) in namen als Reinder, Reinhild en Reinoud, vaak ook in lossere zin dienend als versterkend voorvoegsel

rijk [rík] ‘heerser, heer’, waarvan afgeleid rijk ‘vermogend, machtig’, dat op diens beurt ook werd verzelfstandigd tot rijk ‘machtsgebied’ – als eerste lid (voor medeklinkers meestal verkort tot Rik-) in namen als Rijkolf, Rikhard en Rikswind, als tweede lid zowel in vrouwelijke namen (in de vorm -rieke), zoals Diederieke en Frederieke, als mannelijke namen (verkort tot -rik), zoals Diederik, Frederik

rijm [hrím] ‘rijp, bevroren dauw’, een onwisse naamstam; wellicht verwijst het naar wit haar en dus naar ouderdom en wijsheid – als eerste lid in een enkele naam als Rijmoud

ring [hring] ‘ring’, en dan vooral de arm- en halsringen die heren aan hun krijgers schonken, vanwaar dichterlijke benamingen voor heer zoals Oudengels hringgefa ‘ring-gever’ (vergelijk boog) – als eerste lid in een enkele naam als Ringolf

roed [hróth] ‘roem’, verwant aan de naamstam roem – als eerste lid (voor medeklinkers meestal verkort tot Rod- of Roe-) in namen als Rodmar en Roedolf

roem [hróm] ‘roem’, verwant aan de naamstam roed – als eerste lid (voor medeklinkers meestal verkort tot Rom-) in namen als Roemoud en Romboud

ruin [rúna] ‘geheim, raadsel’, ook ‘Germaans schriftteken’, vanwaar de afleiding ruinen ‘fluisteren’ (voorheen ‘in het geheim overleggen’); beter bekend in de vorm rune, maar die is langs het Duits ontleend aan het Oudnoords – als eerste lid (voor medeklinkers verkort tot Run-) in een enkele naam als Runfred, als tweede lid alleen in vrouwelijke namen, zoals Alfruin, Baderuin en Goudruin

S

s zie ook z

-s-, -z-, -ts- [-s-, -z-] achtervoegsel waarmee koosnamen worden gevormd – in namen als Eelze, Meinze en Reinze

Saks [Sahso] ‘een van het volk der Saksen’; de Saksen waren oorspronkelijk een stam in wat nu Holstein in Duitsland is, maar breidden wijd uit en verdreven en lijfden verscheidene stammen in, zodat in Nederland uiteindelijk Groningen, Drenthe, Overijssel, de Veluwe en de Achterhoek Saksisch zijn geworden; ook stichtten groepen Saksen samen met het gros der Engelen verscheidene koninkrijken in Brittannië, waaraan streeknamen als Essex (eigenlijk ‘Oost-Saksen’) ons herinneren; de naam van dit volk is afgeleid van een woord voor een kenmerkend lang mes – de naamstam wordt zelfstandig gebruikt als Saks/Sakso en Saksia/Saskia, als eerste lid (ook in de vorm Sas-) in namen als Saksbern, Saksmar en Saksger

schalk [skalk] ‘dienaar, krijger’ (vergelijk die) –als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Godsschalk en Maarschalk

schier [skír] ‘glanzend wit, schijnend’, verwant aan schijnen – als eerste lid in een enkele naam als Schierboud

schoon [skôni] ‘mooi’, verwant aan schouwen ‘bekijken’) – als eerste lid in een enkele naam als Schoneberge

snel [snel] ‘snel, sterk, moedig’ – als eerste lid in namen als Snelhard

staal [stál, stahal] ‘staal’, overdrachtelijk ‘bewapening’ – als eerste lid in een enkele naam als Staalhard

stark [stark] ‘sterk, krachtig’, oude nevenvorm van sterk – als eerste lid in namen als Starker en Starkhand

steen [stên] ‘steen’, overdrachtelijk als ‘hardheid, verduring’, een naamstam die meer voorkwam in het oude Engeland (stán) en Scandinavië (steinn) dan op het vasteland – als eerste lid (voor medeklinkers meestal verkort tot Sten-) in namen als Steenhard/Stendert, als tweede lid (meestal verkort tot -sten) in namen als Brunsten en Hosten

stil [stilli] ‘stil, rustig’ – als eerste lid in een enkele naam als Stillemoed

stoud [stald] ‘verwerver’, mogelijk verwant aan stellen – als tweede lid in een enkele mannelijke naam, zoals Hagestoud

T

tat, toet [tat, tót] vermoedelijk oorspronkelijk een brabbelwoord voor verwanten, ontstaan in de kindertaal; vergelijk Sanskriet tata ‘vader’ – deze naamstam komt uitsluitend zelfstandig voor, in de namen Tate, Tatte en Toete

teet [têt] ‘lief, blij’, beantwoordend aan IJslands teitur ‘blij’; ook wel te beschouwen als liefkozend achtervoegsel – als eerste lid (voor medeklinkers verkort tot Tet-) in namen als Tetburg en Tetman, als tweede lid (verkort tot -te en -t) alleen in mannelijke namen, zoals Brunte, Meinte en Swante

til [til] ‘goed, deugdzaam’, beantwoordend aan Oudengels til ‘goed’, verwant aan telen ‘kweken’ – als eerste lid in namen als Tilbert en Tilman

U

uw, ijg [íwa, íh, ígo] ‘taxusboom’; de uw kan zeer oud worden en vertegenwoordigt vanouds levenskracht en eeuwigheid; daarnaast is uwenhout bij uitstek geschikt voor handbogen – vooral zelfstandig gebruikt als mannelijke namen Uwe en IJge, als eerste lid in een enkele naam als IJgolf

V

vaart [ferd] ‘reis, heertocht’, afgeleid van varen (eigenlijk ‘gaan, reizen’) – als eerste lid (in de vorm (Ferde-) in enkele namen als Ferdenand

vag, voeg [fag, fóg] ‘goed, geschikt’, van de Oudgermaanse wortel *fah-, *fag-, *fōh-, *fōg- ‘passen, voegen’, vanwaar o.a. Nederlands voegen, de naamstam vager en misschien vein – deze naamstam komt vooral zelfstandig voor, in de namen Fage, Fagge, Fake, Fakke en Foege

vager [fagar] ‘mooi’, van dezelfde wortel als de naamstam vag, voeg (zie daar) – als eerste lid in een enkele naam als Fagerlind

van, voen [fan, fón] vermoedelijk ‘hoedend, beschermend’, en dan verwant aan o.a. vader en voeden – als eerste lid in de namen Fanedie en Fonger

var, voer [far, fór] ‘nakomend, voorgaand’, van de Oudgermaanse wortel *far-, *fōr- ‘gaan’, vanwaar o.a. Middelnederlands voorvaer ‘voorganger, voorouder’, Nederlands varen ‘gaan’ en de naamstam vare ‘afkomst, geslacht’, waar die moeilijk van te onderscheiden is – deze naamstam komt zelfstandig voor, in de namen Fare, Farre en Foere

vare [fara] ‘afkomst, geslacht’, beantwoordend aan Oudengels faru ‘geslacht’, verwant aan de naamstam var, voer (zie aldaar) – als eerste lid in namen als Farehild en Faremond, als tweede lid in een enkele mannelijke naam

vas, voes [fas, fós] ‘leven inblazend, verwekkend, telend’, van de Oudgermaanse wortel *fas-, *fōs- ‘leven inblazen, verwekken, telen’, vanwaar o.a. ook Oudengels fæsl ‘nageslacht, kroost’ en de stamnaam *Fōsōz (gelatiniseerd als Fosi) – deze naamstam komt vrijwel uitsluitend zelfstandig voor, in de namen Faze, Fasse en Foeze

vast [fast] ‘vast, standvastig, trouw, betrouwbaar’ – als eerste lid in namen als Fastolf en Fastrade

veel [filu] ‘veel, zeer’, doorgaans gebruikt als versterkend voorvoegsel – als eerste lid in namen als Felebert en Felemar

vein [fegin] vermoedelijk ‘vreugdevol’, beantwoordend aan (verouderd) Engels fain ‘gaarne’, verwant aan Engels fair ‘mooi, licht van huid en haar, rechtvaardig’; anders ‘mooi’, van dezelfde wortel als de naamstam vag, voeg (zie daar) – als eerste lid in enkele namen als Feinhild en Feinolf

vlaad [flád] ‘schoonheid’ – als eerste lid in een enkele naam als Flademelle, als tweede lid alleen in vrouwelijke namen, zoals Adelflaad en Ermenflaad

volk [folk] ‘(eigen) volk, leger’ – als eerste lid in namen als Folkhard/Folkert, Folklind en Folkwin, als tweede lid in enkele mannelijke namen, zoals Herfolk

vons [funs] ‘gereed (voor de strijd, voor de reis)’, vermoedelijk verwant aan vinden, van een wortel die ‘weg, pad’ betekent – als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Hildefons en Hadefons

vorm [form, frum] ‘eerst, voorst’, verwant aan voor en vorst ‘heer’ (eigenlijk ‘voorste’) – als eerste lid in enkele namen als Former

vrad, vroed [frath, fród] ‘verstandig, wijs’, van de Oudgermaanse wortel *fraþ-, *frad-, *frōd- – deze naamstam komt zelfstandig voor, in de namen Frade, Fradde, Frate, Fratte en Froede, en als eerste lid in namen als Froedolf en Froedwin

vram [fram] ‘voorwaarts’, verwant aan Engels from ‘(weg) van’ – als eerste lid in enkele namen als Framerik

vrede [frithu] ‘veiligheid, bescherming’, te weten: ‘rust binnen de eigen kring of gemeenschap’, of er nu wel of niet strijd met buitenstaanders was, nog te voelen in de samenstelling huisvrede; de betekenis ‘rust tussen gemeenschappen’ tegenover oorlog is van latere tijden; van een wortel die ‘eigen’ betekende, vanwaar ook vrij ‘zelfstandig, ongebonden’, vrijen (voorheen ‘liefhebben’  en oorspronkelijk ‘als zijn eigen bejegenen’), het daarvan afgeleide vriend, en misschien Fries – als eerste lid (in de vorm Frede-) in namen als Fredeger, Frederik en Fredelind, als tweede lid (meestal in de vorm -fred, -fert) alleen in mannelijke namen, zoals Manfred/Manfert, Olfred/Olfert en Willefred/Wilfred

vro [frô] ‘heer’, mogelijk ‘godheid’ in het bijzonder, nevenvorm van een woord dat beantwoordt aan de Oudnoordse godennaam Freyr ‘heer’ (zie Ing); de tweede naamval meervoud ervan versteende tot Middelnederlands vrone ‘heilig, heerlijk’  (eigenlijk ‘van de heren, van de goden’) en vrone ‘heerlijkheid, domein’ – als eerste lid in namen als Froger en Fromond

W

Waal [Walh] ‘Waal, Kelt’, later ook ‘Romein’ en ‘niet-Germaan, vreemdeling’; eigenlijk de naam van één Keltisch volk in het bijzonder; de Kelten waren eeuwen lang hoger in aanzien dan de Germanen; de naamstam is in verkorte vorm nauwelijks te onderscheiden van wal – als eerste lid (meestal verkort tot Wal-) in namen als Walbert en Walrik, als tweede lid in enkele mannelijke en vrouwelijke namen

waar [war] ‘gewaar, hoedend’, vanwaar o.a. gewaarworden en ontwaren; zie ook de naamstam ward – als eerste lid (verkort tot War-) in namen als Warboud en Warmond, als tweede lid in zowel mannelijke namen, zoals Halwar en Ingewar/Ingwar, als vrouwelijke namen, zoals Grimware en Oosterware

wad, woed [wath, wód] ‘razend’, van de Oudgermaanse wortel *waþ-, *wad-, *wōd- ‘razen, buiten zinnen zijn’, vanwaar o.a. ook Oudsaksisch Wódan, Nederlands Woen – deze naamstam komt vooral zelfstandig voor, in de namen Wade, Wadde, Wate, Watte en Woede, en als eerste lid in een enkele naam als Wadolf

wakker [wakar] ‘waakzaam, wakend’, van waken ‘opletten, de wacht houden, niet slapen’ – als tweede lid (in verscheiden vormen) alleen in mannelijke namen, zoals Berneker, Everokker en Odewakker

wal [wal] ‘slagveld, de gesneuvelden tezamen’, beantwoordend aan Oudnoords val, valr, ook in Valhöll en valkyrja, schuilend in Middelnederlands walstat ‘slagveld’; verder verwant aan o.a. Oudsaksisch wól ‘ziekte, ondergang, verderf’; de naamstam is nauwelijks te onderscheiden van de verkorte vorm van Waal – als eerste lid in namen als Walburg en Walraven/Walram

ward [ward] ‘hoeder’, verwant aan de naamstam waar – als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Dankward, Markward en Segeward

wede [widu] ‘bos, woud’, beantwoordend aan Engels wood en Noors ved, beide ‘hout’ (doch niet verwant aan woud); wellicht verwant aan weduwe, van een wortel die ‘scheiden’ betekent, waarbij men bedenke dat wouden vroeger vaak de grenzen vormden; vergelijk hoe omgekeerd Oudnoords mörk ‘woud’ oorspronkelijk ‘grensgebied’ betekende (zie mark) – als eerste lid in namen als Wedegooi en Wedekind

weern [werin] ‘hoede, bescherming’, verwant aan hetzij de naamstam waar ‘gewaar, hoedend’ hetzij weren ‘verdedigen, beschermen’ – als eerste lid in namen als Werenbert en Werner

wees [wisu] ‘goed, edel’, buiten het Germaans verwant aan o.a. Grieks eu- ‘goed’ – als eerste lid in enkele namen als Wezemar en Wezerik

welp [hwelp] ‘welp, wolvenjong, berenjong’ – als eerste lid in een enkele naam als Welphard, als tweede lid alleen in een enkele mannelijke naam als Berewelp

wendel [wendil] vermoedelijk ‘doler, reiziger’, verwant aan wandelen en wenden; de Germaanse volksnaam der Wendels (opgeschreven als Vandali in Latijnse bronnen) is ofwel hieraan ontleend ofwel van andere herkomst; hoe dan ook zal de volksnaam in tenminste sommige namen bedoeld zijn – als eerste lid in namen als Wendelgis en Wendelmar, als tweede lid alleen (meestal met uitval van -w-) alleen in mannelijke namen, zoals Gerendel en Orendel

werk [werk] ‘verrichtend’, verwant aan werk ‘verrichting’ – als tweede lid alleen in mannelijke namen, zoals Hadewerk en Meinwerk

wij [wíh] ‘heiligdom, tempel, gewijde plaats’, overdrachtelijk ‘bescherming’ (vergelijk gaard), verwant aan wijden ‘zegenen’ en aan een bijvoeglijk naamwoord wij ‘heilig, gewijd’ in wierook – als eerste lid in namen als Wijburg en Wijmoed, als tweede lid (soms in de vorm -wijg) alleen in vrouwelijke namen, zoals Adelwij, Luidewij en Hadewij/Hadewijg

wijd [wíd] ‘wijd, ver’ – als eerste lid in namen als Widmar

wijf [wíf] ‘vrouw’, oorspronkelijk zonder slechte bijklank, in latere tijden ook wel gebruikt als liefkozend achtervoegsel – als eerste lid in een enkele naam als Wijverade, als tweede lid alleen in vrouwelijk namen, zoals Hildewijf en Soetwijf

wijg [wíg] ‘strijd, krijg’ – als eerste lid in namen (voor medeklinkers in de vorm Wij- of Wig-) in namen als Wijboud/Wigboud en Wijnand/Wignand

wijs [wís] ‘wijs, vroed’, verwant aan weten – als tweede lid (vaak verkort tot -wis) in enkele mannelijke namen, zoals Alwijs en Reinwis

wil [willo] ‘wil, wilskracht’, van willen ‘wensen, verlangen’ – als eerste lid (als Wil- en Wille-) in namen als Wilhelm/Willem en Willehad

win, ween [wini] ‘vriend’, van een wortel die ‘begeren’ betekent, vanwaar o.a. ook wens, waan (voorheen ‘hoop, verwachting’) – als eerste lid in namen als Wenefred en Wenemar, als tweede lid (in de vorm -win of gerekt tot -wijn) alleen in mannelijke namen, zoals Erwin, Gerwin en Boudwin/Boudewijn

wist [wist] vermoedelijk ‘aard, wezen’, van dezelfde wortel als wezen ‘zijn’, vergelijk de naamstam heid; anders wellicht ‘leider’, van de wortel van wijzen, vergelijk Oudsaksisch wíso ‘leider’; aan het gebruik van dit woord als naamstam kan getwijfeld worden, want hij zou dan alleen in de naam Erwist schuilen, en die is mogelijk eerder Gallisch en dus Keltisch

wolf [wulf] ‘wolf’, overdrachtelijk ook ‘krijger’; zowel gevreesd als bewonderd waren wolven voorname dieren in de Germaanse verbeelding; sommige krijgers trachtten zich voor d e strijd in de geest van een wolf te verplaatsen; volgens de Noordse overlevering had de god Óðinn (Nederlands Woen) twee wolven als gezellen, genaamd Geri en Freki, beide ‘begerig’ betekenend; geen naamstam heeft tot zoveel namen geleid als deze – als eerste lid in namen als Wolfgang, Wolfhard en Wolfrik/Wolverik, als tweede lid (bijna altijd met uitval van -w- en vaak vervormd tot -lof) alleen in mannelijke namen, zoals Arnolf, Bertolf, Luidolf en Roedolf/Roelof

wonne, wunne [wunna] ‘genot, vreugde’, verwant aan winnen – als eerste lid in namen als Wunneboud

worm [wurm] ‘draak, serpent, slang, worm’ – als eerste lid in een enkele naam als Wormer

woud [wald] ‘heerser, heer’, beantwoordend aan Oudnoords valdr ‘heerser, heer’, verwant aan geweld en Engels to wield ‘beschikken’ – als eerste lid in namen als Woudmar en Wouter, als tweede lid (bijna altijd met uitval van -w-) alleen in mannelijke namen, zoals Arnoud, Meinoud, Menegoud en Reinoud

wuld [wuld] ‘glans, roem’, beantwoordend aan de Oudnoordse godennaam Ullr, maar in namen niet verwijzend naar die god – als eerste lid in namen als Wulderik

Z

zal, zeel, zel, zoel [salu, seli, sól] ‘gezond, heel, goed, kloek’, van de Oudgermaanse wortel *sal-, *sōl-, vanwaar ook de stamnaam *Salīz (gelatiniseerd als Salii), en buiten het Germaans verwant aan o.a. Latijn salvus en Grieks hólos – deze naamstam komt zelfstandig voor als Sale, Salle, Sele, Selle en Soele, als eerste lid in namen als Salegast/Selegast

zam, zoem [sam, sóm] ‘gunstig, aangenaam’, vermoedelijk eigenlijk ‘passend, gelijk’, van de Oudgermaanse wortel *sam-, *sōm- ‘een, samen, gelijk’, vanwaar ook Nederlands samen en Engels same – deze naamstam komt vooral zelfstandig voor, in de namen Same, Samme en Soeme

zan, zoen [san, són] vermoedelijk ‘vrede houdend’, en dan verwant aan Nederlands verzoenen en verzadigen en buiten het Germaans aan Latijn sānus ‘gezond’ – deze naamstam komt vooral zelfstandig voor, in de namen Sane, Sanne en Soene, als eerste lid in namen als Sonbert en Songard

zand [sand] ‘waar, waarlijk, waarachtig’, beantwoordend aan Oudengels sóþ ‘waar’ (Engels sooth in soothsayer ‘waarzegger’), vergelijk voor de vorm gans naast Engels goose – als eerste lid in namen als Sandraad en Santer

zaruw [saru] ‘bewapening’, beantwoordend aan o.a. Oudengels searu/saru ‘bewapening; kunstigheid; sluwheid, list’, welk de schrijver J.R.R. Tolkien gebruikte voor Saruman, de naam van een listige ‘tovenaar’ – als eerste lid in namen als Sareward en Sarolf

zede [sidu] ‘zede, gewoonte, gebruik, traditie’ – als eerste lid in namen als Sedemond

zege [sigi] ‘zege, overwinning’ – als eerste lid in namen als Segebrand, Segelind en Seger

zelf [self] ‘zelf, eigen’ – in enkele namen als Selfraad

zeze [sisu] ‘lange slaap, dood’ – als eerste lid (in de vorm Seze-, Zeze-) in enkele namen als Sezenand

zind [sind] ‘weg, reis, tocht’, verwant aan zenden  en gezin – als eerste lid in namen als Sindolf, als tweede lid alleen in vrouwelijke namen, zoals Meinsind en Riksind

zoet [swót] ‘zoet, lief’ – als eerste lid in namen als Soeteman en Soetewijf

zonder [sundar] ‘uitzonderlijk, bijzonder, uitmuntend’, bijvoeglijk gebruik van zonder ‘niet met’ – als eerste lid in enkele namen als Sonderoud

Zwaaf [Swáf] ‘een van het Germaanse volk der Zwaven’ (Duits Schwaben); de Zwaven (in Romeinse bronnen opgeschreven als Suebi) bestonden uit een groot aantal Germaanse stammen in de binnenlanden (vergelijk Ing); de naam is waarschijnlijk afgeleid van de Germaanse wortel *swe-, *swē- ‘eigen’, vanwaar o.a. Oudengels swǽs ‘iemands eigen, verwant (in bloed of huwelijk), aangenaam’ en de volksnaam Zweden – als eerste lid in namen als Swaver

zwaan [swan, swano] ‘zwaan’; deze dieren genoten hoog aanzien en spelen vaak een voorname rol in Germaanse sprookjes en legenden, waarin gedaanteverwisselingen tussen mens en zwaan een bekend gegeven zijn; het woord zelf komt van de Germaanse wortel *swen-, *swan-, *sun- ‘klinken, luiden’, vanwaar ook Oudengels swinn ‘geluid, melodie’ en swinsian ‘(aangenaam) geluid maken, muziek maken’; buiten het Germaans verwant aan Latijn sonus ‘klank, geluid, toon’ – als eerste lid in namen als Swanburg, Swanhild en Swante

zwind [swind] ‘sterk’, met voorvoegsel gezwind ‘snel’, verwant aan gezond – als eerste lid in namen als Swindbert en Swindger, als tweede lid alleen in vrouwelijke namen, zoals Amelswind, Folkswind en Rikswind

Terug naar boven
Advertenties
2 reacties

Trackbacks

  1. Germaanse namen herbezocht « Taaldacht
  2. Baduhenna | Taaldacht

Reacties zijn gesloten.