Skip to content

Mannelijke namen

Dit is slechts een greep uit de voorraad mannelijke Germaanse namen die van oudsher voorkwamen in Nederland en omstreken. Gegeven zijn de vormen zoals die zijn volgens het algemeen Nederlands – afwijkende Friese en Saksische vormen zijn niet inbegrepen.

Ga naar
* de lijst met vrouwelijke namen
* de lijst met Germaanse naamstammen
* enkele regels voor het samenstellen van een Germaanse naam
* de inleiding met verwijzingen

Nederlandse vorm(en) [Oudnederlandse vorm(en)] duiding

A

Abbe, Ab [Abbo] ‘krachtige’, nevenvorm van Ave – ook in achternamen als Abbing en plaatsnamen als Abbenbroek

Achtolf [Áhtulf] ss. van acht ‘vervolging, vijandschap’ en wolf ‘wolf’, dus ‘vijandige wolf’

Adde, Ad [Addo] ‘telg, voorouder’, eigenlijk ‘nakomende, voorgaande’, nevenvorm van Ade – ook in achternamen als Addens en Adding

Ade, Aad [Ado] samenval van twee namen: 1 ‘telg, voorouder’, eigenlijk ‘nakomende, voorgaande’ (zie de naamstam ad, oed), nevenvormen zijn Adde, Atte en Oede 2 koosvorm van namen die met Adel- beginnen – vermoedelijk ook in de plaatsnaam Adegeest

Adelbarn, Albarn [Athalbarn] ss. van adel ‘goede afkomst’ en barn ‘kind, zoon’, dus ‘edel kind, edele zoon’

Adelber, Alber [Athalbero] ss. van adel ‘goede afkomst’ en beer ‘beer’, dus ‘edele beer’

Adelbert, Albert, Adelbrecht, Albrecht [Athalberht] ss. van adel ‘goede afkomst’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend door goede afkomst’ – ook in achternamen als Albertsen, Alberts en Albrechts

Adelboud, Alboud [Athalbold] ss. van adel ‘goede afkomst’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud door goede afkomst’ – ook in achternamen als Albouts

Adelbrand, Albrand [Athalbrand] ss. van adel ‘goede afkomst’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘edel zwaard’

Adelger, Alger [Athalgêr] ss. van adel ‘goede afkomst’ en geer ‘speer’, dus ‘edele speer’

Adelgis, Algis [Athalgís] ss. van adel ‘goede afkomst’ en gijzel (‘pijl’ dan wel ‘gijzelaar, edel kind’), dus ‘edele pijl’ of ‘edel kind’

Adelgot, Algot [Athalgôt] ss. van adel ‘goede afkomst’ en goot (vermoedelijk ‘man’), dus mogelijk ‘edelman’

Adelhard, Allard, Aaldert [Athalhard] ss. van adel ‘goede afkomst’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘sterk door goede afkomst’

Adelhelm, Alem [Athalhelm] ss. van adel ‘goede afkomst’ en helm ‘helm, bescherming’, dus ‘edele helm, edele beschermer’

Adellef, Adelef, Allef, Alef [Athallêf] ss. van adel ‘goede afkomst’ en leef ‘overblijfsel, nazaat, telg’ dus ‘edele telg’ – ook in achternamen als Allefs

Adelman, Alman [Athalman] ss. van adel ‘goede afkomst’ en man, dus ‘edelman’

Adelmar, Almar [Athalmár] ss. van adel ‘goede afkomst’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard om zijn goede afkomst’

Adelmoed, Almoed [Athalmód] ss. van adel ‘goede afkomst’ en moed ‘geest, gemoed’, dus ‘edel gemoed’

Adeloud, Aloud [Athalold] ss. van adel ‘goede afkomst’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘edel heerser, edele heer’

Adelram, Aldram, Alderam [Athalhramn] ss. van adel ‘goede afkomst’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘edele raaf’

Adelrik, Aldrik, Alderik [Athalrík] ss. van adel ‘goede afkomst’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘edel heerser, edele heer’

Adelsten, Alsten [Athalstên] ss. van adel ‘goede afkomst’ en steen ‘steen’, dus ‘edelsteen’; vergelijk Brunsten

Adelward, Alward [Athalward] ss. van adel ‘goede afkomst’ en ward ‘hoeder’, dus ‘edele hoeder’

Adelwig, Alwig [Athalwíg] ss. van adel ‘goede afkomst’ en wijg ‘strijd, krijg’, dus ‘edele strijd’

Adelwin, Adelwijn, Alwin [Athalwin] ss. van adel ‘goede afkomst’ en win ‘vriend’, dus ‘edele vriend’

Adolf, Alof [Athalulf] ss. van adel ‘goede afkomst’ en wolf, dus ‘edele wolf’ – ook in achternamen als Adolfsen, Adolfs, Alofsen, Alofs

Age, Aag [Ago] ‘felle, strijdbare’ (zie de naamstam ag, oeg), nevenvormen zijn Agge, Ake, Akke en Oege

Agge, Ag [Aggo] ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Age

Ake, Aak [Ako] samenval van twee namen: 1 ‘leidende, leider’ (zie de naamstam ak, oek), nevenvormen zijn Akke en Oeke 2 ‘felle,  strijdbare’, nevenvorm van Age

Akke, Ak [Akko] samenval van twee namen: 1 ‘leidende, leider’, nevenvorm van Ake 2 ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Age

Aldraven, Aldram [Alhramn] ss. van aal ‘heiligdom, tempel’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘raaf van het heiligdom’

Ale, Aal [Alo] samenval van twee namen: 1 ‘kind’, eigenlijk ‘jonge, groeiende’ (zie de naamstam al, oel), nevenvormen zijn Alle en Oele 2 koosvorm van namen die met Adel-/Al- beginnen

Alf, Alve, Elf, Elve [Alf, Alvo, Elf, Elvo] ‘elf, een zeker edel wezen’, koosvorm bij namen die met Alf-/Elf- beginnen

Alfdag, Elfdag [Alfdag, Elfdag] ss. van alf, elf ‘zeker edel wezen’ en dag ‘dag, licht, stralendheid’, dus ‘elf-stralend, elf-schitterend’

Alfer, Elfer, Alver, Elver [Alfhere, Elfhere] ss. van alf, elf ‘zeker edel wezen’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘elf-krijger, strijdend als een elf’

Alfger, Elfger [Alfgêr, Elfgêr] ss. van alf, elf ‘zeker edel wezen’ en geer ‘speer’, dus ‘elvenspeer’

Alfgot, Elfgot [Alfgôt, Elfgôt] ss. van alf, elf ‘zeker edel wezen’ en goot (vermoedelijk ‘man’), dus mogelijk ‘elfse man’

Alfgrim, Elfgrim [Alfgrím, Elfgrím] ss. van alf, elf ‘zeker edel wezen’ en grijm ‘helm, masker, bescherming’, dus ‘elf-helm, beschermend als een elf’

Alfhard, Elfhard, Alfert, Elfert [Alfhard, Elfhard] ss. van alf, elf ‘zeker edel wezen’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘elf-hard, sterk als een elf’

Alfhoog, Elfhoog, Alvig, Elvig [Alfhôh] ss. van alf, elf ‘zeker edel wezen’ en hoog ‘hoog, rijzig, verheven’, dus ‘rijzig, verheven als een elf’

Alfrik, Elfrik, Alverik, Elverik [Alfrík, Elfrík] ss. van alf, elf ‘zeker edel wezen’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘heersend als een elf’

Alfward, Elfward [Alfward, Elfward] ss. van alf, elf ‘zeker edel wezen’ en ward ‘hoeder’, dus ‘hoedend als een elf’

Alfwin, Elfwin [Alfwin, Elfwin] ss. van alf, elf ‘zeker edel wezen’ en win ‘vriend’, dus ‘elvenvriend’

Alle, Al [Allo] ‘kind’, eigenlijk ‘jonge, groeiende’, nevenvorm van Ale

Alwijs, Alwis [Alwís] ss. van al ‘al, geheel, zeer’ en wijs, dus ‘zeer wijs’

Alwin, Alewijn [Alawin en Alhwin] versmelting van twee namen: 1) ss. van al ‘al, geheel, zeer’ en win ‘vriend’, dus ‘hele vriend’; 2) ss. van aal ‘heiligdom, tempel’ en win ‘vriend’, dus ‘vriend van het heiligdom’

Ame, Aam [Amo] samenval van drie namen: 1 ‘onvermoeibare, volhardende’ (zie de naamstam am, oem), nevenvormen zijn Amme en Oeme 2 brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal (zie de naamstam am, oem), nevenvormen zijn Amme en Oeme 3 koosvorm van namen die met Amel- beginnen

Amel, Amele [Amal, Amalo] ‘onvermoeibare, volhardende’ en/of koosvorm bij namen die met Amel- beginnen

Amelbert, Amelbrecht [Amalberht] ss. van amel ‘onvermoeibaar, volhardend’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in zijn volharding’

Amelger [Amalgêr] ss. van amel ‘onvermoeibaar, volhardend’ en geer ‘speer’, dus ‘onvermoeibare speer’

Amelhard [Amalhard] ss. van amel ‘onvermoeibaar, volhardend’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘onvermoeibaar sterk’

Ameling [Amalung] ‘onvermoeibare, volhardende’ en/of ‘zoon, afstammeling van Amel

Amelrik [Amalrík] ss. van amel ‘onvermoeibaar, volhardend’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘onvermoeibaar heerser’

Amme, Am [Ammo] ‘onvermoeibare, volhardende’, nevenvorm van Ame

Andbert, Andbrecht, Ambert, Ambrecht, Ammert [Andberht] ss. van ande ‘hartstocht, toorn’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in zijn toorn, fel schitterend’

Andele, Andel [Anulo] verkleining van Ane

Andger [Andgêr] ss. van ande ‘hartstocht, toorn’ en geer ‘speer’, dus ‘toorn-speer, felle speer’

Andhard, Antert [Andhard] ss. van ande ‘hartstocht, toorn’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘fel-hard, toorn-sterk’

Andolf [Andulf] ss. van ande ‘hartstocht, toorn’ en wolf, dus ‘toorn-wolf, felle wolf’

Andrik, Anderik [Andrík] ss. van ande ‘hartstocht, toorn’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘bezield heerser’

Ane, Aan [Ano] ‘levenskrachtige, bezielde’ (zie de naamstam an, oen), nevenvormen zijn Anne en Oene

Anne, An [Anno] ‘levenskrachtige, bezielde’, nevenvorm van Ane

Ansbert, Ansbrecht [Ansberht] ss. van ans ‘godheid’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend als de goden’

Ansboud [Ansbold] ss. van ans ‘godheid’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud als de goden’

Ansfred, Ansfert [Ansfrith] ss. van ans ‘godheid’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘beschermend als de goden’

Ansgar [Ansgar] ss. van ans ‘godheid’ en gaar ‘(strijd)gereed’, dus ‘gereed voor de goden’

Anshelm, Anselm [Anshelm] ss. van ans ‘godheid’ en helm ‘helm, bescherming’, dus ‘goden-helm, beschermend als de goden’

Anze [Anso] samenval van twee namen: 1 koosvorm van namen die met Ans- beginnen 2 koosvorm van Ane en Anne

Appe, Ap [Appo] ‘krachtige’, nevenvorm van Ave

Ardber, Arber [Ardbure] ss. van aard ‘woonplaats’ en beur ‘zoon’, dus ‘zoon van zijn woonplaats’; de naam werd gedragen door de 5e eeuwse Romeinse bevelhebber Ardabures, die van Alaanse afkomst was

Arderik [Ardrík] ss. van aard ‘woonplaats’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘heer van zijn woonplaats’; de naam werd gedragen door de 5e eeuwse Oostgermaanse koning Ardaricus

Aregast, Argast [Arugast] ss. van aar, aruw ‘snel, gereed’ en gast ‘gast, reiziger, krijger’, dus ‘snelle krijger’; de naam werd gedragen door verscheidene Franken, in vormen als Arvogastes en Arbogastes

Arndie, Arendie [Arntheo] ss. van arn ‘arend’ en die ‘dienaar, krijger’, dus ‘dienend als een arend, krijger als een arend’

Arne, Arno koosvorm van namen die met Arn- beginnen

Arnhard, Arend, Aart [Arnhard] ss. van arn ‘arend’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘arend-sterk’ – ook in achternamen als Arendsen, Arends en Aartsen

Arnolf [Arnulf] ss. van arn ‘arend’ en wolf, dus ‘arend-wolf, als arend en wolf’

Arnoud, Arnout, Aarnout [Arnold] ss. van arn ‘arend’ en woud ‘heerser’, dus ‘heersend als een arend’ – ook in de achternaam Aarnoutsen

Asser [Askhere] ss. van as ‘essenboom, speer’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘speer-krijger’

Asserik [Askrík] ss. van as ‘essenboom, speer’ en rijk ‘heerser’, dus ‘speer-heerser’ of losser ‘krijgsheer’

Aswin, Assewijn [Askwin] ss. van as ‘essenboom’ en win ‘vriend’, dus ‘speer-vriend’ of losser ‘strijdmakker’

Ate, Aat [Ato] samenval van drie namen: 1 ‘felle, strijdbare’ (zie de naamstam at, oet), nevenvormen zijn Atte en Oete 2 brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal (zie de naamstam at, oet), nevenvormen zijn Atte en Oete 3 ‘telg, voorouder’, eigenlijk ‘nakomende, voorgaande’, nevenvorm van Ade

Atte, At [Atto] samenval van drie namen: 1 ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Ate 2 brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Ate 3 ‘telg, voorouder’, eigenlijk ‘nakomende, voorgaande’, nevenvorm van Ade

Ave, Aaf [Avo] ‘krachtige’ (zie de naamstam af, oef), nevenvormen zijn Abbe, Appe en Oeve – ook in de plaatsnaam Avenhorn

B

Babbe, Bab [Babbo] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Bave

Badde, Bad [Baddo] vermoedelijk ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Bade

Bade, Baad [Bado] samenval van twee namen: 1 vermoedelijk ‘felle, strijdbare’ (zie de naamstam bad, boed), nevenvormen zijn Badde, Bate, Batte en Boede 2 koosvorm van namen die met Bade- beginnen

Badegar [Badugar] ss. van baduw ‘strijd, krijg’ en gaar ‘gereed’, dus ‘strijdgereed’

Baderik [Badurík] ss. van baduw ‘strijd, krijg’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘krijgsheer’

Bale, Baal [Balo] ‘lieve, geliefde, beminde’ (zie de naamstam bal, boel), nevenvormen zijn Balle en Boele

Balle, Bal [Ballo] ‘lieve, geliefde, beminde’, nevenvorm van Bale

Bande, Band [Bando] vermoedelijk ‘leider’ dan wel ‘vaandel’ (zie de naamstam band)

Bandolf [Bandulf] ss. van band (vermoedelijk ‘leider’ dan wel ‘vaandel, veldteken’) en wolf ‘wolf’, dus mogelijk ‘leidende wolf’ dan wel ‘vaandelwolf’

Bane, Baan [Bano] ‘glanzende, mooie’ (zie de naamstam ban, boen), nevenvormen zijn Banne en Boene

Banne, Ban [Banno] ‘glanzende, mooie’, nevenvorm van Bane

Bante, Bant [Banto] vermoedelijk koosvorm van namen die met Bant- beginnen

Bantlef [Bantlêf] ss. van bant ‘streek, thuis’ en leef ‘overblijfsel, nazaat, telg’, dus ‘streek-telg, telg van zijn streek’

Bappe, Bap [Bappo] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Bave

Barde, Bard [Bardo, Bard] mogelijk ‘schild’ (zie de naamstam bard) en/of koosvorm van namen die op -bard eindigen

Basse, Bas [Basso] vermoedelijk ‘gebiedende, leider’, nevenvorm van Baze – ook in de plaatsnaam Basse (voorheen Bassinghe)

Bate, Baat [Bato] samenval van twee namen: ‘goede, uitstekende’ (zie de naamstam bat, boet), nevenvormen zijn Batte en Boete 2 vermoedelijk ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Bade

Batte, Bat [Batto] samenval van twee namen: 1 ‘goede, uitstekende’, nevenvorm van Bate 2 vermoedelijk ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Bade

Batwin, Batewijn [Batwin] ss. van bat ‘goed’ en win ‘vriend’, dus ‘goede vriend’

Bave, Baaf [Bavo] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal (zie de naamstam baf, boef), nevenvormen zijn Babbe, Bappe en Boeve – vermoedelijk ook in de plaatsnaam Bavel

Baze, Baas [Baso] vermoedelijk ‘gebiedende, leider’ (zie de naamstam bas, boes), nevenvormen zijn Basse en Boeze

Beerke, Berke, Berk [Biriko] koosvorm met achtervoegsel -k- van beer, dus ‘beertje’, maar ook van namen die met Ber- beginnen

Belegrim, Belgrim [Biligrím] ss. van beel (vermoedelijk ‘schijnend’) en grijm ‘helm, masker, bescherming’, dus mogelijk ‘schijnende helm’

Bene, Been [Beno] nevenvorm van Benne

Benke, Benk [Benniko] koosvorm met het achtervoegsel -k- van namen die met Bern- beginnen

Benne, Ben [Benno] koosvorm van namen die met Bern- beginnen – ook in plaatsnamen als Bennebroek

Bente, Bent, Beinte, Beint [Berntêt] ss. van bern ‘beer, krijger’ en teet ‘lief, blij’, dus ‘beer-lief, lieve beer’

Berenger, Beringer [Berngêr] ss. van bern ‘beer, krijger’ en geer ‘speer’, dus ‘beer-speer’ of losser ‘sterke krijger’

Berewelp [Berohwelp] ss. van beer ‘beer’ en welp ‘welp, wolvenjong, berenjong’, dus ‘berewelp, berenjong’

Berger [Bergêr] ss. van beer ‘beer’ en geer ‘speer’, dus ‘beer-speer’ of losser ‘sterke krijger’

Bern [Bern] ‘beer, krijger’, ook koosvorm van namen die met Bern- beginnen; deze naam is de Nederlandse tegenhanger van Scandinavisch Björn/Bjørn

Berneker [Bernwakar] ss. van bern ‘beer, krijger’ en wakker ‘waakzaam, wakend’, dus ‘waakzaam als een beer’

Berner [Bernhere] ss. van bern ‘beer, krijger’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘beer-krijger, beresterke krijger’

Bernhard, Bernard, Berend, Bernd, Beernt, Bernt, Barend [Bernhard] ss. van bern ‘beer, krijger’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘beer-hard, beresterk’ – ook in achternamen als Berendsen, Berends en Barends

Bernlef [Bernlêf] ss. van bern ‘beer, krijger’ en leef ‘overblijfsel, nazaat, telg’’, dus ‘beren-telg, telg van krijgers’

Bernolf [Bernulf] ss. van bern ‘beer, krijger’ en wolf, dus ‘beer-wolf, als beer en wolf’

Bernoud, Bernout [Bernold] ss. van bern ‘beer, krijger’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘heersend als een beer’

Bersten, Barsten [Berstên] ss. van beer ‘beer, krijger’ en steen ‘steen’, dus ‘berensteen’

Bertgot [Berhtgôt] ss. van bert, brecht ‘schitterend’ en goot (vermoedelijk ‘man’), dus mogelijk ‘schitterende man’

Bertolf, Brechtolf [Berhtulf] ss. van bert, brecht ‘schitterend’ en wolf, dus ‘schitterende wolf’

Bertoud [Berhtold] ss. van bert, brecht ‘schitterend’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘schitterend heerser’

Bertram [Berhthramn] ss. van bert, brecht ‘schitterend’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘schitterende raaf’ – ook in achternamen als Bertrams

Bertrand [Berhtrand] ss. van bert, brecht en rand ‘rand, schild’, dus ‘schitterend schild’

Bertwin, Bertewijn, Brechtwin, Brechtewijn [Berhtwin] ss. van bert, brecht ‘schitterend’ en win ‘vriend’, dus ‘schitterende vriend’

Bloeme, Bloem [Blómo] ‘bloem, jeugd, schoonheid’ – ook in de achternaam Bloemen

Bloemhard, Bloemard, Bloemert [Blómhard] ss. van bloem ‘bloem, jeugd, schoonheid’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘jeugdig sterk’

Bode [Bodo] vermoedelijk ‘gebieder, leider’

Bodwin, Bodewijn [Bôdwin] ss. van bood ‘gebieder, leider’ en win ‘vriend’, dus ‘gebiedende vriend, in vriendschap leidende’

Boede, Boed [Bódo] vermoedelijk ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Bade

Boele, Boel [Bólo] ‘lieve, geliefde, beminde’, nevenvorm van Bale – ook in achternamen als Boelens en Boelen

Boene, Boen [Bóno] ‘glanzende, mooie’, nevenvorm van Bane

Boere, Boer [Búro] streektalige vorm van Bure

Boete, Boet [Bóto] ‘goede, uitstekende’, nevenvorm van Bate

Boetolf [Bótulf] ss. van boet (vermoedelijk ‘goed’) en wolf, dus ‘goede wolf’

Boeve, Boef [Bóvo] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Bave

Boeze, Boes [Bóso] vermoedelijk ‘gebiedende, leider’, nevenvorm van Baze

Bone, Boon [Buno] ‘ontkiemde, ontstane, verrezene, hoge’, nevenvormen zijn Bonne en Buine

Bonne, Bon [Bunno] ‘ontkiemde, ontstane, verrezene, hoge’, nevenvorm van Bone – ook in achternamen als Bonnema

Boude, Boud [Baldo, Bald] ‘boude, stoutmoedige’ en/of koosvorm van namen die met Boud– beginnen – ook in achternamen als Bouwens, Bouwen en Bouts

Bouderaad [Baldrád] ss. van boud ‘boud, stoutmoedig’ en raad, dus ‘boude raad’

Bouderam [Baldhramn] ss. van boud ‘boud, stoutmoedig’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘boude raaf’

Bouderik [Baldrík] ss. van boud ‘boud, stoutmoedig’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘boud heerser’

Boudolf [Baldulf] ss. van boud ‘boud, stoutmoedig’ en wolf ‘wolf’, dus ‘boude wolf’

Boudwin, Boudewijn, Bouden, Bouwen [Baldwin] ss. van boud ‘boud, stoutmoedig’ en win ‘vriend’, dus ‘boude vriend’ – ook in achternamen als Boudewijns

Bouter [Baldhere] ss. van boud ‘boud, stoutmoedig’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘boude krijger’ – ook in achternamen als Boutersen en Bouters

Bouwe, Bouw [Búo] ‘bewoner, landbouwer, boer’, afgeleid van bouwen, dat voorheen ook ‘bewonen, landbouwen’ betekende; een andere afleiding hiervan is Bure; in de huidige hoedanigheid ook een koosvorm van Boudewijn

Brand [Brand] ‘vlam, zwaard’ – ook in achternamen als Brandsen, Brands en Brandsma

Brandhoog, Brandig [Brandhôh] ss. van brand ‘vlam, zwaard’ en hoog ‘hoog, rijzig, verheven’, dus ‘zwaard-hoog, houdt het zwaard hoog’

Brandolf [Brandulf] ss. van brand ‘vlam, zwaard’ en wolf, dus ‘zwaard-wolf’ of losser ‘felle krijger’

Broeder, Broer [Bróthor] ‘broer’ – ook in de achternaam Broersen

Brord [Brord] ‘punt, speerpunt’

Bruine, Bruin [Brúno] ‘glanzende’, dan wel koosvorm van namen die met Bruin-/Brun- beginnen

Bruining [Brúning] ‘glanzende’ dan wel ‘zoon, afstammeling van Bruine

Brunger [Brúngêr] ss. van bruin ‘glanzend’ en geer ‘speer’, dus ‘glanzende speer’

Brunsten, Bruisten, Bruist, Brusten, Brus [Brúnstên] ss. van bruin ‘glanzend’ en steen, dus ‘glanzende steen, edelsteen’ – ook in de achternaam Brussen; vergelijk Adelsten

Brunte, Brunt [Brúntêt] ss. van bruin ‘glanzend’ en teet ‘lief, blij’, dus ‘glanzend lief’

Bui, Buie [Boio] ‘jongen, knaap’, de Nederlandse tegenhanger van Gronings bui, buie, bòi, Fries boai, boi, boie en Engels boy

Buine, Buin [Búno] ‘ontkiemde, ontstane, verrezene, hoge’, nevenvorm van Bone

Buis [Búso?] vermoedelijk een uitbreiding van de naam Bouwe met het achtervoegsel -s- – ook in achternamen als Buijsen

Bure, Buur [Búro] ‘bewoner, landbouwer, boer’, afgeleid van bouwen, dat voorheen ook ‘bewonen, landbouwen’ betekende; een andere afleiding hiervan is Bouwe; eender met het woord boer, dat uit de streektalen afkomstig is

Burghard, Burgert [Burghard] ss. van burg ‘burcht, bescherming’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘sterk in bescherming’

Burgraad [Burgrád] ss. van burg ‘burcht, bescherming’ en raad, dus ‘burcht-raad, wijs in bescherming’

D

Dabbe, Dab [Dabbo] ‘goede, verwante’, nevenvorm van Dave

Dadde, Dad [Dado] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Dade

Dade, Daad [Dado] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal (zie de naamstam dad, doed), nevenvormen zijn Dadde, Date, Datte en Doede

Dagbert, Dagbrecht, Dabbert [Dagberht] ss. van dag ‘dag, licht, stralendheid’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘dag-schitterend, stralend als de dag’

Dagolf [Dagulf] ss. van dag ‘dag, licht, stralendheid’ en wolf, dus ‘dag-wolf’, of losser als ‘stralende krijger’

Dagraven, Dagram [Daghravan, Daghramn] ss. van dag ‘dag, licht, stralendheid’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘dag-raaf, stralende raaf’

Dalle, Dal [Dallo] vermoedelijk ‘glanzende, uitmuntende’; van een bijvoeglijk naamwoord dat beantwoordt aan Oudengels deall en waarschijnlijk ook aan het tweede lid in de Oudnoordse godennaam Heimdallr

Dane, Daan [Dano] vermoedelijk ‘onstuimige’, (zie de naamstam dan, doen) nevenvormen zijn Danne, Dene, Denne en Doene

Danke, Dank [Thanko] koosvorm bij namen die met Dank- beginnen

Dankhard, Dankert [Thankhard] ss. van dank ‘gedachten, geest’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘hard van gedachten, sterk van geest’

Dankmar [Thankmár] ss. van dank ‘gedachten, geest’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard om zijn geest’

Dankolf [Thankulf] ss. van dank ‘gedachten, geest’ en wolf ‘wolf’, dus ‘bedachtzame wolf’

Dankraad [Thankrád] ss. van dank ‘gedachten, geest’ en raad, dus ‘doordachte raad, wijs van geest’

Dankward [Thankward] ss. van dank ‘gedachten, geest’ en ward ‘hoeder’, dus ‘bedachtzame hoeder’

Dankwin [Thankwin] ss. van dank ‘gedachten, geest’ en win ‘vriend’, dus ‘bedachtzame vriend’

Danne, Dan [Danno] vermoedelijk ‘onstuimige’, nevenvorm van Dane

Dappe, Dap [Dappo] ‘goede, verwante’, nevenvorm van Dave

Date, Daat [Dato] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Dade

Datte, Dat [Datto] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Dade

Dave, Daaf [Davo] ‘goede, verwante’, nevenvormen zijn Dabbe, Dappe en Doeve

Degen, Dein [Thegan] ‘dappere krijger’

Degenboud [Theganbold] ss. van degen ‘dappere krijger’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘degen-boud, boud als een dappere krijger’

Degenhard, Degenard [Theganhard] ss. van degen ‘dappere krijger’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘degen-hard, hard als een dappere krijger’

Deile, Deil [Degilo] koosvorm van met het achtervoegsel -l- van namen die met Dag- beginnen

Dene, Deen [Deno] vermoedelijk ‘onstuimige’, nevenvorm van Dane

Denne, Den [Denno] vermoedelijk ‘onstuimige’, nevenvorm van Dane

Deuring  [Thuring] ‘een van het Germaanse volk der Deuringen’ (Duits Thüringen), betekent letterlijk ‘wagende, moedige’; vergelijk Dorbert

Diedbert, Diebert, Diedbrecht, Diebrecht [Theodberht] ss. van diede ‘volk’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend door zijn volk’

Diedboud, Dieboud [Theodbold] ss. van diede ‘volk’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud door zijn volk’

Diedbrand, Diebrand [Theodbrand] ss. van diede ‘volk’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘zwaard van zijn volk’

Diede, Died [Theodo] koosvorm van namen die met Died- beginnen

Diedeker [Theodwakar] ss. van diede ‘volk’ en wakker ‘waakzaam, wakend’, dus ‘waakzaam voor zijn volk’

Diederaad [Theodrád] ss. van diede ‘volk’ en raad ‘raad’, dus ‘raadgever voor zijn volk’

Diederam [Theodhramn] ss. van diede ‘volk’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘raaf onder zijn volk’

Diederik, Dierik, Dirk, Derk [Theodrík] ss. van diede ‘volk’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘volk-heerser, heer van zijn volk’ – ook in achternamen als Diederiks, Diriks en Derks

Diedger, Detger [Theodgêr] ss. van diede ‘volk’ en geer ‘speer’, dus ‘volk-speer, krijger voor zijn volk’

Diedgrim, Detgrim [Theodgrim] ss. van diede ‘volk’ en grijm ‘helm, masker, bescherming’, dus ‘beschermer van zijn volk’

Diedhard, Dietert [Theodhard] ss. van diede ‘volk’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘sterk onder zijn volk, sterk door zijn volk’

Diedlef, Detlef, Dielf [Theodlêf] ss. van diede ‘volk’ en leef ‘overblijfsel, nazaat, telg’, dus ‘volk-telg, telg van zijn volk’

Diedman, Detman, Diemen [Theodman] ss. van diede ‘volk’ en man ‘man’, dus ‘man van zijn volk’

Diedmar, Detmar, Diemer [Theodmár] ss. van diede ‘volk’ en maar ‘vermaard’, dus ‘volk-vermaard, vermaard onder zijn volk’

Diedmond, Detmond, Diemond [Theodmund] ss. van diede ‘volk’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘beschermer van zijn volk’

Diedolf, Dielf [Theodulf] ss. van diede ‘volk’ en wolf, dus ‘volk-wolf’

Diedoud, Diedout [Theodulf] ss. van diede ‘volk’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘volk-heerser, heer van zijn volk’

Diedward, Dieuwert [Theodward] ss. van diede ‘volk’ en ward ‘hoeder’, dus ‘volk-hoeder, beschermer van zijn volk’

Diedwin, Diedwijn [Theodwin] ss. van diede ‘volk’ en win ‘vriend’, dus ‘vriend van zijn volk’

Dieme, Diem [Theomo] koosvorm bij namen als Diedman, Diedmar en Diedmond en Diemoed

Diemoed [Theomód] ss. van die ‘dienaar, krijger’ en moed ‘geest, gemoed’, dus ‘dienstbare geest’; gelijk aan het aan het Nederduits ontleende deemoed ‘ootmoed’

Dieter [Theodhere] ss. van diede ‘volk’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘krijger voor zijn volk’

Dingbert, Dingbrecht, Dimbert, Dimbrecht [Thingberht] ss. van ding ‘rechtspraak’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in de rechtspraak’

Dingolf [Thingulf] ss. van ding ‘rechtspraak’ en wolf ‘wolf’, dus ‘wolf der rechtspraak’

Doede, Doed [Dódo] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Dade

Doemolf [Dómulf] ss. van doem ‘oordeel, gezag’ en wolf ‘wolf’, dus ‘doem-wolf, gezaghebbende wolf’

Doene, Doen [Dóno] vermoedelijk ‘onstuimige’, nevenvorm van Dane

Doeve, Doef [Dóvo] ‘goede, verwante’, nevenvorm van Dave

Donder [Dunhere] ss. van don (‘donkerharig’ dan wel ‘glanzend’) en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘donkerharige krijger’ of ‘glanzende krijger’ – ook in achternamen als Donders

Donne, Don [Dunno] ‘donkerharige’ dan wel ‘glanzende’ en/of koosvorm van namen die met Don- beginnen

Dorbert, Dorbrecht [Thorberht] ss. van door ‘wagend, moedig’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in zijn moed’; vergelijk Deuring

Drasbert, Drasbrecht [Thrasberht] ss. van dras ‘snel, strijdbaar’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in zijn strijdbaarheid’

Drasmond [Thrasmund] ss. van dras ‘snel, strijdbaar’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘strijdbare beschermer’

Droege, Droeg [Drógo] betekenis onwis, vermoedelijk van de wortel van dragen; mogelijk een benaming voor de schenker van de heer (vergelijk de Engelse vertaling cup-bearer ‘beker-drager’), vanouds een hoge bekleding; maar aangezien dragen vroeger ook wel ‘trekken, togen’ betekende is het wellicht eerder een benaming voor een leider, vergelijkbaar met hertog (letterlijk ‘hij die het heer toogt’)

Drouwend, Druwend, Drond [Thróand, Thrúand] vermoedelijk ‘gedijend’, afgeleid van een werkwoord dat beantwoordt aan Oudhoogduits drouwen ‘groeien, gedijen’, verwant aan de naamstam druid; minder waarschijnlijk is afleiding van een werkwoord dat beantwoordt aan Duits drohen ‘dreigen’ en Gronings drouden ‘dreigen, van plan zijn’

Druchter [Druhthere] ss. van drucht ‘leger, gevolg’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘legerkrijger’

Druchtman [Druhtman] ss. van drucht ‘leger, gevolg’ en man, dus ‘legerman, krijger, soldaat’

Druchtolf [Druhtulf] ss. van drucht ‘leger, gevolg’ en wolf ‘wolf’, dus ‘legerwolf’

Drudmond [Thrúthmund] ss. van druid ‘kracht’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘krachthand, sterke bescherming’

Druidwin, Drudwin, Druidewijn [Thrúthwin] ss. van druid ‘kracht’ en win ‘vriend’, dus ‘sterke vriend’

Dunning [Dunning] ‘donkerharige’ dan wel ‘glanzende’ dan wel ‘zoon, afstammeling van Donne

Durand, Durend [Dúrand] betekenis onwis, maar deze naam zal in elk geval niet afgeleid zijn van duren, dat aan het Latijn is ontleend; eerder is hij verwant aan o.a. door ‘dwaas’, duizelen en buiten het Germaans aan Latijn furor ‘woede’, en betekent hij ‘razend, woedend, buiten zinnen zijnd’;  men denke aan Germaanse strijders die zichzelf vlak voor de strijd tot een razernij brachten (en in de Oudnoordse overlevering ook wel bekend waren als berserkir en úlfhéðnar)

During, Diering [Diuring, Deoring] ‘dierbare’

Durolf, Dierolf [Diurulf, Deorulf] ss. van duur, dier ‘dierbaar, kostbaar’ en wolf ‘wolf’, dus ‘dierbare wolf’

Duurman, Dierman [Diurman, Deorman] ss. van duur, dier ‘dierbaar, kostbaar’ en man ‘man’, dus ‘dierbaar man’

E

Ebbe, Eb [Ebbo] nevenvorm van Eve – ook in achternamen als Ebbens en Ebben

Edbert, Ebbert [Êdberht] ss. van eed (vermoedelijk ‘vuur’) en bert, brecht ‘schitterend’, dus mogelijk ‘schitterend als vuur’

Ede [Êdo] vermoedelijk ‘vuur’ en/of koosvorm van namen  die met Eed-/Ed- beginnen

Edolf [Êdulf] ss. van eed (vermoedelijk ‘vuur’) en wolf ‘wolf’, dus mogelijk ‘vuurwolf, vurige wolf’

Eelke, Elke [Eliko] koosvorm met het achtervoegsel -k- van Ale

Eelze, Elze [Eliso] koosvorm met het achtervoegsel -s- van Ale

Eeuwe [Êwo] koosvorm bij namen als Ewoud en Eward

Egbert, Egbrecht [Eggiberht] ss. van eg ‘zwaard’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘zwaard-schitterend, schitterend als een zwaard, schitterend met zijn zwaard’ – ook in achternamen als Egbertsen en Egberts

Egge [Eggo] koosvorm van namen die met Eg- beginnen

Egger [Eggigêr] ss. van eg ‘zwaard’ en geer ‘speer’, dus ‘zwaard-speer, met zwaard en speer’ of losser ‘felle speer’

Eghard, Eggert [Eggihard] ss. van eg ‘zwaard’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘zwaard-hard, sterk als een zwaard, sterk met zijn zwaard’

Egmond [Eggimund] ss. van eg ‘zwaard’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘zwaard-beschermend, beschermend met zijn zwaard’

Eilbern, Elbern, Elben [Egilbern] ss. van eil ‘fel, strijdbaar’ en bern ‘beer, krijger’, dus ‘felle beer’

Eilbert, Eilbrecht, Elbert, Elbrecht [Egilberht] ss. van eil ‘fel, strijdbaar’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘fel-schitterend, schitterend in zijn felheid’

Eile, Eil [Egilo] ‘felle, strijdbare’ en/of koosvorm van namen die met Eil- beginnen

Eilhard, Eildert [Egilhard] ss. van ein ‘fel, strijdbaar’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘fel en hard’

Eilmar, Elmar [Egilmár] ss. van eil ‘fel, strijdbaar’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard om zijn strijdbaarheid’

Eilmond, Elmond [Egilmund] ss. van eil ‘fel, strijdbaar’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘fel-beschermend’

Eilwar, Elwar [Egilwar] ss. van eil ‘fel, strijdbaar’ en waar ‘gewaar, hoedend’, dus ‘fel-hoedend’

Einbert, Eimbert, Eimert, Einbrecht, Eimbrecht, Embrecht [Eginberht] ss. van ein ‘fel, strijdbaar’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘fel-schitterend, schitterend in zijn felheid’ – ook in de achternaam Embrechts

Eindrik, Endrik [Eginrík] ss. van ein ‘fel, strijdbaar’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘strijdbaar heerser’

Eine [Egino] koosvorm van namen die met Ein- beginnen

Einfred, Einfert, Emfert [Eginfrith] ss. van ein ‘fel, strijdbaar’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘fel-beschermend’

Einhard, Eindert [Eginhard] ss. van ein ‘fel, strijdbaar’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘fel en hard’

Einolf [Eginulf] ss. van ein ‘fel, strijdbaar’ en wolf, dus ‘felle wolf’

Einoud [Eginold] ss. van ein ‘fel, strijdbaar’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘strijdbaar heerser’

Eisbern, Esbern [Egisbern] ss. van eis ‘ontzagwekkend’ en bern ‘beer, krijger’, dus ‘ontzagwekkende beer’

Eisger, Esger [Egisgêr] ss. van eis ‘ontzagwekkend’ en geer ‘speer’, dus ‘ontzagwekkende speer’

Eize, Eis [Egiso] ‘ontzagwekkende’ en/of koosvorm van namen die met Eis-/Eiz- beginnen

Eizolf [Egisulf] ss. van eis ‘ontzagwekkend’ en wolf, dus ‘ontzagwekkende wolf’

Eland [Eliland?, Eliand?] ss. en betekenis onwis, maar met het dier heeft het in elk geval niets te maken – ook in achternamen als Elands; vergelijk Elegast

Elding [Elding] ‘oude, wijze’ dan wel ‘zoon, afstammeling van Oude

Elegast [Eligast] mogelijk een ss. van el ‘ander, vreemd’ en gast ‘gast, reiziger, vreemdeling’, dus ‘reiziger uit den vreemde, vreemdeling’

Elf- zie Alf-

Ellenhard, Ellenard [Ellanhard] ss. van ellen ‘moed, ijver’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘sterk door zijn moed’

Elving [Elving] ‘afstammeling van elven’ of ‘zoon, afstammeling van Alf

Eme, Eem [Emo, Imo] koosvorm van namen die met Ermen- beginnen

Emke [Emmuko] koosvorm met het achtervoegsel -k- van namen die met Ermen- beginnen

Emme, Em [Emmo] nevenvorm van Eme

Emond [Êomund] ss. van ee ‘wet, gewoonte, zede’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘beschermer van de zeden’ – ook in achternamen als Emonds

Emte, Ente, Einte [Emito] vermoedelijk ‘volharding’, van dezelfde wortel als de naamstam am, oem

Engel [Engil] ‘een van het Germaanse volk der Engelen’ (zie de naamstam Engel) – ook in de achternaam Engels

Engelbert, Engelbrecht [Engilberht] ss. van Engel ‘een van het Germaanse volk der Engelen’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘Engel-schitterend, schitterend als een Engel’ – ook in achternamen als Engelberts

Engelhard [Engilhard] ss. van Engel ‘een van het Germaanse volk der Engelen’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘hard als een Engel’

Engelmar [Engilmár] ss. van Engel ‘een van het Germaanse volk der Engelen’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard onder de Engelen’

Engelram [Engilhramn] ss. van Engel ‘een van het Germaanse volk der Engelen’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘raaf der Engelen’ of losser ‘wijze Engel’

Erbern, Erben [Êrbern] ss. van eer ‘eer, aanzien’ en bern ‘beer, krijger’, dus ‘aanzienlijke beer, eerwaardig krijger’

Erbind [Eribind] ss. van eer (vermoedelijk ‘edel’) en bind (vermoedelijk ‘binder, leider’), dus mogelijk ‘edele leider’; de naam werd gedragen door de 5e eeuwse Romeinse bevelhebber Ariobindus, die van Gotische afkomst was

Erelbert, Erelbrecht [Erleberht] ss. van erel ‘edelman’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend als een edelman’

Erelboud [Erlebold] ss. van erel ‘edelman’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud als een edelman’

Erelfred, Erelfert [Erlefrith] ss. van erel ‘edelman’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘beschermend als een edelman, edele bescherming’

Erelwin, Erelwijn [Erlewin] ss. van erel ‘edelman’ en win ‘vriend’, dus ‘edele vriend’

Erik, Ierik [Êorík] ss. van ee ‘wet, gewoonte, zede’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘heerser volgens de zeden’; vgl. Ewoud – ook in achternamen als Eriks, Iriks

Erkenbert, Erkenbrecht [Erkanberht] ss. van erken ‘heilig, zuiver’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘zuiver schitterend’

Erkenbod [Erkanbôd] ss. van erken ‘heilig, zuiver’en bood ‘gebieder, leider’, dus ‘zuivere leider’

Erkenboud [Erkanbold] ss. van erken ‘heilig, zuiver’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘zuiver in zijn boudheid’

Erkenbrand [Erkanbrand] ss. van erken ‘heilig, zuiver’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘heilig zwaard, zuivere vlam’

Erkenfred, Erkenfert [Erkanfrith] ss. van erken ‘heilig, zuiver’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘zuivere beschermer’

Erkengoud [Erkangold] ss. van erken ‘heilig, zuiver’ en goud ‘goud’, dus ‘(als) zuiver goud’

Erkenhard [Erkanhard] ss. van erken ‘heilig, zuiver’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘zuiver in zijn verduring’

Erkenlog [Erkanlôh] ss. van erken ‘heilig, zuiver’ en loog (vermoedelijk ‘man’, anders ‘vlam’), dus ‘zuivere man’ dan wel ‘zuivere vlam’

Erkenoud, Erkenout [Erkanold] ss. van erken ‘heilig, zuiver’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘zuivere heerser’

Erkenraad, Erkeraad [Erkanrád] ss. van erken ‘heilig, zuiver’ en raad ‘raad’, dus ‘zuivere raad’

Ermen [Erman, Irmin] ‘groots, verheven’ en/of koosvorm van namen die met Ermen- beginnen

Ermenbert, Ermenbrecht [Ermanberht, Irminberht] ss. van ermen ‘groots, verheven’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘verheven in zijn schittering’

Ermendein [Ermanthegan, Irminthegan] ss. van ermen ‘groots, verheven’ en degen ‘jonge krijger’, dus ‘groots degen’

Ermenfred, Ermenfert [Ermanfrith, Irminfrith] ss. van ermen ‘groots, verheven’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘verheven beschermer’

Ermenhard, Ermenard, Ermend [Ermanhard, Irminhard] ss. van ermen ‘groots, verheven’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘zeer verdurend, geweldig sterk’

Ermenolf [Ermanulf, Irminulf] ss. van ermen ‘groots, verheven’ en wolf ‘wolf’, dus ‘verheven wolf’

Ermenoud, Ermenout [Ermanold, Irminold] ss. van ermen ‘groots, verheven’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘verheven heerser’

Ermenrik, Emmerik [Ermanrík, Irminrík] ss. van ermen ‘groots, verheven’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘groots heerser’

Ernst [Ernost] ‘kracht, strijdlust’

Erpe, Erp [Erpo] ‘donkere’ en/of koosvorm van namen die met Erp- beginnen

Erping [Erping, Irping] ‘donkere’ en/of ‘zoon, afstammeling van Erpe

Erpolf [Erpulf] ss. van erp ‘donker’ en wolf, dus ‘donkere wolf’

Erwin, Erewijn [Êrwin] ss. van eer ‘eer, aanzien’ en win ‘vriend’, dus ‘eerwaardige vriend’

Erwist [Eriwist] ss. van eer (vermoedelijk ‘edel’, niet verwant aan eer ‘aanzien’) en wist (vermoedelijk ‘aard’ of ‘leider’), dus mogelijk ‘(van) edele aard’ of ‘edele leider’; de naam werd gedragen door Ariovistus, een bekende koning der Zwaven in de eerste eeuw voor Christus; anderszins wordt de naam echter als Gallisch en dus Keltisch gezien

Eve, Eef [Evo] koosvorm van namen die met Ever- beginnen

Ever [Evor] ‘ever(zwijn), wild zwijn’

Everdag [Evor] ss. van ever ‘ever(zwijn), wild zwijn’ en dag ‘dag, licht, stralendheid’, dus ‘stralend als een ever’

Everhard, Everard, Evert [Evorhard] ss. van ever ‘ever(zwijn), wild zwijn’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘sterk als een ever’ – ook in achternamen als Evertsen en Everts

Everhelm, Everelm [Evorhelm] ss. van ever ‘ever(zwijn), wild zwijn’ en helm ‘helm, bescherming’, dus ‘beschermend als een ever’

Everik [Evorík] ss. van ever ‘ever(zwijn), wild zwijn’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘heersend als een ever’ – ook in de plaatsnaam Everíkesthorp (nu Achttienhoven geheten)

Evermar [Evormár] ss. van ever ‘ever(zwijn), wild zwijn’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard als een ever’

Evermond [Evormund] ss. van ever ‘ever(zwijn), wild zwijn’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘beschermend als een ever’

Everokker [Evorwakar] ss. van ever ‘ever(zwijn), wild zwijn’ en wakker ‘wakend’, dus ‘wakend als een ever’

Everolf [Evorulf] ss. van ever ‘ever(zwijn), wild zwijn’ en wolf ‘wolf’, dus ‘ever-wolf, als ever en wolf’

Everoud, Everout [Evorold] ss. van ever ‘ever(zwijn), wild zwijn’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘heersend als een ever’

Everwin, Everwijn [Evorwin] ss. van ever ‘ever(zwijn), wild zwijn’ en win ‘vriend’, dus ‘vriend als een ever’

Eward [Êoward] ss. van ee ‘wet, gewoonte, zede’ en ward ‘hoeder’, dus ‘hoeder van de zeden’

Ewoud, Ewout [Êowold] ss. van ee ‘wet, gewoonte, zede’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘heersend volgens de zeden’; vgl. Erik

F

Fader, Faar, Vader, Vaar [Fadar] ‘vader’

Fage, Faag [Fago] ‘goede, geschikte’ (zie de naamstam vag, voeg), nevenvormen zijn Fagge, Fake, Fakke en Foege

Fagge, Fag [Faggo] ‘goede, geschikte’, nevenvorm van Fage

Fake, Faak [Fako] ‘goede, geschikte’, nevenvorm van Fage

Fakke, Fak [Fakko] ‘goede, geschikte’, nevenvorm van Fage

Falke, Falk, Valk [Falko] ‘valk’ – ook in achternamen als Falken

Fanedie, Faande, Fande [Fanotheo] ss. van van, voen (wellicht ‘hoedend’) en die ‘dienaar, krijger’, dus ‘hoedende krijger’

Fare, Faar [Faro] ‘telg, voorouder’, eigenlijk ‘nakomende, voorgaande’ (zie de naamstam var, voer), nevenvormen zijn Farre en Foere

Faremond, Farmond [Faramund] ss. van vaar (‘weg, tocht, reis’ of ‘gevolg, geslacht’) en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘beschermend tijdens reizen’ of ‘beschermer van zijn gevolg, geslacht’

Farre, Far [Farro] ‘telg, voorouder’, eigenlijk ‘nakomende, voorgaande’, nevenvorm van Fare

Fasse, Fas [Fasso] ‘leven inblazende, verwekkende’, nevenvorm van Faze

Fastolf [Fastulf] ss. van vast ‘vast, standvastig, betrouwbaar’ en wolf, dus ‘standvastige, trouwe wolf’

Fastraad, Fasteraad [Fastrád] ss. van vast ‘vast, standvastig, betrouwbaar’ en raad, dus ‘vaste raad, betrouwbare raad’

Fastwin, Fastewijn [Fastwin] ss. van vast ‘vast, standvastig, betrouwbaar’ en win ‘vriend’, dus ‘standvastige, trouwe vriend’

Faze, Faas [Faso] ‘leven inblazende, verwekkende’ (zie de naamstam vas, voes), nevenvormen zijn Fasse en Foeze

Feinolf [Feginulf] ss. van vein (vermoedelijk ‘vreugdevol’) en wolf, dus ‘vreugdevolle wolf’

Felebert, Felbert, Felebrecht, Felbrecht [Filuberht] ss. van veel ‘veel, zeer’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘zeer schitterend’

Felemar, Felmer [Filumár] ss. van veel ‘veel, zeer’ en maar ‘vermaard’, dus ‘zeer vermaard’

Felewoud, Felwoud [Filuwald] ss. van veel ‘veel, zeer’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘heerser over velen’; vergelijk Manegoud en Grieks Polycrates

Felte, Felt, Velte, Velte [Filutêt] ss. van veel ‘veel, zeer’ en teet ‘lief, blij’, dus ‘zeer lief’

Fenger [Fegingêr] ss. van vein ‘vreugdevol’ en geer ‘speer’, dus ‘vreugdevolle speer’

Ferdenand [Ferdinand] ss. van vaart ‘reis, heertocht’ en nand ‘wagend’, dus ‘wagend, moedig op de heertocht’

Foege [Fógo] ‘goede, geschikte’, nevenvorm van Fage

Foere, Foer [Fóro] ‘telg, voorouder’, eigenlijk ‘nakomende, voorgaande’, nevenvorm van Fare

Foeze, Foes [Fóso] ‘leven inblazende, verwekkende’, nevenvorm van Faze

Foke, Fook [Foko] koosvorm van namen die met Folk- beginnen, zoals Folkhard

Fokke, Fok [Fokko] nevenvorm van Foke – ook in de achternamen Fokken en Fokkens

Folkbert, Folkbrecht, Folbert, Volkbert, Volkbrecht [Folkberht] ss. van volk ‘volk, heerschare’ en bert, brecht, dus ‘schitterend onder zijn volk’

Folker, Volker [Folkhere] ss. van volk ‘volk, heerschare’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘krijger voor zijn volk’

Folkhard, Folkert, Volkhard, Volkert [Folkhard] ss. van volk ‘volk, heerschare’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘sterk door zijn volk’

Folkmar, Volkmar [Folkmár] ss. van volk ‘volk, heerschare’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard onder zijn volk’

Folkoud, Folkout, Volkoud, Volkout [Folkold] ss. van volk ‘volk, heerschare’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘heerser van zijn volk, heerser van mensen’

Folkraad, Volkraad [Folkrád] ss. van volk ‘volk, heerschare’ en raad ‘raad’, dus ‘raadgever van zijn volk’

Folkram, Volkram [Folkhramn] ss. van volk ‘volk, heerschare’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘raaf onder zijn volk’

Folkrik, Folkerik, Volkerik [Folkrík] ss. van volk ‘volk, heerschare’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘heerser van zijn volk, heerser van mensen’

Folkward, Volkward [Folkward] ss. van volk ‘volk, heerschare’ en ward ‘hoeder’, dus ‘hoeder van zijn volk’

Folkwin, Volkwijn [Folkwin] ss. van volk ‘volk, heerschare’ en win ‘vriend’, dus ‘vriend van zijn volk’

Fonger [Fóngêr] ss. van van, voen (wellicht ‘hoedend’) en geer ‘speer’, dus mogelijk ‘hoedende speer’

Fons [Funso] zelfstandig gebruik van de naamstam vons ‘gereed (voor de strijd, voor de reis)’ en/of koosvorm van namen die op -fons eindigen, zoals Hadefons en Hildefons

Former [Formhere] ss. van vorm ‘eerst, voorst’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘voorste krijger’

Frade, Fraad [Frado] ‘verstandige, wijze’ (zie de naamstam vrad, vroed), nevenvormen zijn Fradde, Frate, Fratte en Froede

Fradde, Frad [Fraddo] ‘verstandige, wijze’, nevenvorm van Frade

Framerik [Framrík] ss. van vram ‘voorwaarts, moedig’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘voorwaartse heer, moedig heerser’

Frank [Franko] ‘een van het Germaanse volk der Franken’, letterlijk ‘vrije, vrijmoedige’ (zie de naamstam Frank) – ook in achternamen als Franken

Frate, Fraat [Frato] ‘verstandige, wijze’, nevenvorm van Frade

Fratte, Frat [Fratto] ‘verstandige, wijze’, nevenvorm van Frade

Fredebert, Fredebrecht [Frithuberht] ss. van vrede ‘veiligheid, bescherming’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in zijn bescherming’

Fredeboud [Frithubold] ss. van vrede ‘veiligheid, bescherming’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud in zijn bescherming’

Fredegand [Frithugand] ss. van vrede ‘veiligheid, bescherming’ en gand (mogelijk ‘staf’ of ‘tovermacht’), dus mogelijk ‘staf der bescherming’

Fredeger, Freger [Frithugêr] ss. van vrede ‘veiligheid, bescherming’ en geer ‘speer’, dus ‘beschermende speer’ of losser ‘krijger die voor veiligheid zorgt’

Fredehelm [Frithuhelm] ss. van vrede ‘veiligheid, bescherming’ en helm ‘helm, bescherming’, dus ‘veiligstellende beschermer’

Fredemar, Fremer [Frithumár] ss. van vrede ‘veiligheid, bescherming’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard om zijn bescherming’

Fredemond [Frithumund] ss. van vrede ‘veiligheid, bescherming’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘veiligstellende beschermer’

Frederaad [Frithurád] ss. van vrede ‘veiligheid, bescherming’ en raad ‘raad’, dus ‘raadwetend bij bescherming’

Frederik, Frerik, Freerk, Freek [Frithurík] ss. van vrede ‘veiligheid, bescherming’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘beschermend heerser, heerser die voor veiligheid zorgt’ – ook in achternamen als Frederiksen, Frederiks en Freriks

Fredeward, Freduward [Frithuward] ss. van vrede ‘veiligheid, bescherming’ en ward ‘hoeder’, dus ‘veiligstellende hoeder’

Fries, Frieso, Friso [Fréso] ‘een van het Germaanse volk der Friezen’ (zie de naamstam Fries)

Frikke, Frik [Frikko] betekenis onwis, mogelijk ‘verkondiger, heraut’, van hetzelfde Oudgermaanse woord als Oudengels friccea (dezelfde betekenis), anders wellicht van dezelfde wortel als vrek  en dan ‘begerig, stoutmoedig’ betekenend

Frobert, Frobrecht [Frôberht] ss. van vro ‘heer’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend als een heer’

Froede, Froed [Fródo] ‘verstandige, wijze’, nevenvorm van Frade

Froedolf [Fródulf] ss. van vroed ‘vroed, wijs’ en wolf, dus ‘vroede wolf’

Froedwin, Froedewijn [Fródwin] ss. van vroed ‘vroed, wijs’ en win  ‘vriend’, dus ‘vroede vriend, wijze vriend’

Froger [Frôgêr] ss. van vro ‘heer’ en geer ‘speer’, dus ‘herenspeer’ of losser ‘edele speer’ dan wel ‘speer van zijn heer’

Fromond [Frômund] ss. van vro ‘heer’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘beschermend als een heer, edele bescherming’

Frorik [Frôrík] ss. van vro ‘heer’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘edel heerser’

G

Gadde, Gad [Gaddo] ‘goede, verwante’, nevenvorm van Gade

Gade, Gaad [Gado] ‘goede, verwante’ (zie de naamstam gad, goed), nevenvormen zijn Gadde, Gatte en Goede

Gale, Gaal [Galo] vermoedelijk ‘glanzende’, anders ‘zingende’ (zie de naamstam gal, goel), nevenvormen zijn Galle en Goele

Galle, Gal [Gallo] vermoedelijk ‘glanzende’, anders ‘zingende’, nevenvorm van Gale

Gamelbert, Gamelbrecht [Gamalberht] ss. van gamel, gammel ‘oud’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘oud-schitterend’

Gamelboud [Gamalbold] ss. van gamel, gammel ‘oud’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘oud-stoutmoedig’

Gamenolf [Gamanulf] ss. van gamen ‘spel, vertier’ en wolf, dus ‘speelse wolf’

Gandolf [Gandulf] ss. van gand (mogelijk ‘staf’ of ‘tovermacht’) en wolf, dus mogelijk ‘stafwolf’

Gangolf [Gangulf] ss. van gang ‘gang, reis, tocht’ en wolf ‘wolf’, dus ‘reizende wolf’; omgekeerd bestaat Wolfgang

Garbert, Garbrecht [Garuberht] ss. van gaar ‘(strijd)gereed’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘gereed en schitterend’

Garboud [Garubold] ss. van gaar ‘(strijd)gereed’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘gereed en boud’

Gardolf [Gardulf] ss. van gaard ‘gaard, bescherming’ en wolf ‘wolf’, dus ‘gaard-wolf, beschermende wolf’

Garman [Garuman] ss. van gaar ‘(strijd)gereed’ en man, dus ‘gerede man’

Gatte, Gat [Gatto] ‘goede, verwante’, nevenvorm van Gade

Gebbe [Gebbo] nevenvorm van Geve

Geelke, Geelk, Gelke, Gelk [Gêliko] koosvorm met het achtervoegsel -k-van namen die met Geel-/Gel- beginnen

Geldolf [Geldulf] ss. van geld (vermoedelijk ‘waard’) en wolf, dus mogelijk ‘waarde wolf’

Gelmar [Gêlmár] ss. van geel ‘vreugdevol’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard om zijn vreugde’

Gelter [Geldhere] ss. van geld (vermoedelijk ‘waard’) en heer ‘heerschare, krijger’, dus mogelijk ‘waarde krijger’

Gerbern, Gerben [Gêrbern] ss. van geer ‘speer’ en bern ‘beer, krijger’, dus ‘speer-beer’ of losser ‘strijdbare krijger’ – ook in achternamen als Gerbens

Gerbert, Gerbrecht [Gêrberht] ss. van geer ‘speer’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘speer-schitterend’, of losser ‘schitterend in de strijd’

Gerbod [Gêrbôd] ss. van geer ‘speer’ en bood ‘gebieder, leider’, dus ‘speer-leider’ of losser ‘strijdbaar leider’

Gerboud [Gêrbold] ss. van geer ‘speer’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud met zijn speer’ of losser ‘boud in de strijd’

Gerbrand [Gêrbrand] ss. van geer ‘speer’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘speer-zwaard’ of losser ‘strijdbaar met zijn zwaard’ – ook in achternamen als Gerbrands

Gere, Geer [Gêro] koosvorm van namen die met Geer-/Ger- beginnen

Gereker [Gêrwakar] ss. van geer ‘speer’ en wakker ‘waakzaam, wakend’, dus ‘waakzaam met zijn speer’

Gerendel [Gêrwendil] ss. van geer ‘speer’ en wendel (vermoedelijk ‘doler’), dus ‘speer-doler’; vergelijk Orendel

Gerfred, Gerfert, Gervert [Gêrfrith] ss. van geer ‘speer’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘speer-beschermend’ of losser ‘strijdbare beschermer’

Gerhard, Gerard, Gerrit, Geert, Gert [Gêrhard] ss. van geer ‘speer’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘speer-sterk’ of losser ‘sterk in de strijd’ – ook in achternamen als Gerards, Gerritsen en Geerts

Gerhelm, Gerelm [Gêrhelm] ss. van geer ‘speer’ en helm ‘helm, bescherming’, dus ‘speer-helm’ of losser ‘strijdbare beschermer’

Gerhoog, Gerig [Gêrhôh] ss. van geer ‘speer’ en hoog ‘hoog’, dus ‘speer-hoog’

Gerhun, Geren [Gêrhún] ss. van geer ‘speer’ en huin (vermoedelijk ‘jonge beer’ of ‘jonge krijger’), dus mogelijk ‘jonge beer, jonge krijger met de speer’

Gering [Gêring] ‘speerman’

Gerlak [Gêrlák] ss. van geer ‘speer’ en laak ‘bezweerder’, dus ‘bezwerend met de speer’

Gerlef [Gêrlêf] ss. van geer ‘speer’ en leef ‘overblijfsel, nazaat, telg’, dus ‘speer-telg’ of losser ‘strijdbare telg’

Gerlek [Gêrlêk] ss. van geer ‘speer’ en leek ‘lied, spel, vertier’, dus ‘speer-spel’ of losser ‘speels in de strijd’

Germond [Gêrmund] ss. van geer ‘speer’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘speer-hand’ of losser ‘strijdbare beschermer’

Gernand [Gêrnand] ss. van geer ‘speer’ en nand ‘moedig, wagend’, dus ‘speer-moedig’ of losser ‘moedig in de strijd’ – ook in de achternaam Gernands

Gernod [Gêrnôd] ss. van geer ‘speer’ en nood ‘nood, noodzaak, plicht’, dus ‘speernood’, of losser ‘krijger als het nodig is’

Gerolf, Gerlof [Gêrulf] ss. van geer ‘speer’ en wolf, dus ‘speer-wolf’ of losser ‘strijdbare wolf’ – ook in de plaatsnaam Geersdijk (voorheen Gherolfsdijc)

Geroud, Gerout [Gêrold] ss. van geer ‘speer’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘speer-heerser’ of losser ‘strijdbaar heerser’

Gerram [Gêrhramn] ss. van geer ‘speer’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘speer-raaf’

Gerward, Gerwert [Gêrward] ss. van geer ‘speer’ en ward ‘hoeder’, dus ‘speer-hoeder’ of losser ‘strijdbare hoeder’ – ook in de plaatsnaam Gerven (voorheen Gherwerdingen)

Gerwig [Gêrwíg] ss. van geer ‘speer’ en wijg ‘strijd, krijg’, dus ‘speer-strijd’ of losser ‘fel in de strijd’

Gerwin, Gerewijn [Gêrwin] ss. van geer ‘speer’ en win ‘vriend’, dus ‘speer-vriend’ of losser ‘strijdmakker’

Geve [Gevo] koosvorm van namen die met Geve- beginnen

Gevehard, Geefhard, Gevert [Gevahard] ss. van geve ‘geschenk’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘sterk in geven, gul’

Geveke, Gefke [Giviko] koosvorm met het achtervoegsel -k- van namen die met Geve- beginnen – ook in achternamen als Geveke en Gefken

Gijsbert, Gijsbrecht [Gísilberht] ss. van gijzel (‘pijl’ dan wel ‘gijzelaar, edel kind’) en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend als een pijl’ of ‘schitterend als een edelman’ – ook in achternamen als Gijsbertsen, Gijsberts en Gijsbrechts

Gijsboud [Gísilbold] ss. van gijzel (‘pijl’ dan wel ‘gijzelaar, edel kind’) en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘pijl-boud, boud als een pijl’ of ‘boud als een edelman’

Gijsbrand [Gísilbrand] ss. van gijzel (‘pijl’ dan wel ‘gijzelaar, edel kind’) en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘pijl-zwaard, vlug zwaard’ of ‘edel zwaard’

Gijzel [Gísil, Gísilo] betekenis onwis: ‘pijl’ dan wel ‘gijzelaar, edel kind’, anders een koosvorm van namen die met Gijzel-/Gijs- beginnen – ook in achternamen als Gijzels

Gijzelmar, Gijsmar [Gísilmár] ss. van gijzel (‘pijl’ dan wel ‘gijzelaar, edel kind’) en maar ‘vermaard’, dus ‘pijl-vermaard, vlugge roem’ of ‘vermaard als een edelman’

Gijzeram [Gísilhramn] ss. van gijzel (‘pijl’ dan wel ‘gijzelaar, edel kind’) en raven, ram ‘raaf’, dus ‘pijl-raaf, vlugge raaf’ of ‘edele raaf’

Gijzolf [Gísilulf] ss. van gijzel (‘pijl’ dan wel ‘gijzelaar, edel kind’) en wolf, dus ‘pijl-wolf, vlugge wolf’ of ‘edele wolf’

Gijzoud, Gijzout [Gísilold] ss. van gijzel (‘pijl’ dan wel ‘gijzelaar, edel kind’) en woud ‘heerser, heer’, dus ‘pijl-heerser, vlugge heerser’ of ‘edele heerser’

Godebert, Godbert, Godebrecht, Godbrecht [Godoberht] ss. van god ‘godheid’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend als de goden’

Godefred, Godevaart, Govert [Godofrith] ss. van god ‘godheid’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘beschermend als de goden’ of ‘beschermd door de goden’

Godegijzel, Godegijs [Godogísil] ss. van god ‘godheid’ en gijzel (‘pijl’ dan wel ‘gijzelaar, edel kind’), dus ‘pijl van de goden’ of ‘goden-kind’

Godehard, Godert [Godohard] ss. van god ‘godheid’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘sterk als de goden’

Godelief [Godoleof] ss. van god ‘godheid’ en lief ‘bemind’, dus ‘bemind door de goden’

Godemar, Gomar [Godomár] ss. van god ‘godheid’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard bij de goden’

Goderam [Godohramn] ss. van god ‘godheid’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘goden-raaf, raaf der goden’

Godsschalk, Godschalk [Godesskalk] ss. van God ‘God’ en schalk ‘dienaar, krijger’, dus ‘Gods dienaar, Gods krijger’

Godwin, Godewijn [Godwin] ss. van god ‘godheid’ en win ‘vriend’, dus ‘vriend van de goden’

Goede, Goed [Gódo] ‘goede, verwante’, nevenvorm van Gade

Goedman, Goeman [Gódman] ss. van goed ‘goed, verwant’ en man, dus ‘goede man’

Goele, Goel [Gólo] vermoedelijk ‘glanzende’, anders ‘zingende’, nevenvorm van Gale

Gondbert, Gombert, Gondbrecht, Gombrecht [Gundberht] ss. van gonde ‘strijd, krijg’ en bert, brecht, dus ‘schitterend in de strijd’

Gondboud, Gomboud [Gundbold] ss. van gonde ‘strijd, krijg’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud in de strijd’

Gondeker [Gundwakar] ss. van gonde ‘strijd, krijg’ en wakker ‘wakend’, dus ‘wakend in de strijd’

Gonder, Gonter [Gundhere] ss. van gonde ‘strijd, krijg’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘strijdbaar krijger’

Gonderam [Gundhramn] ss. van gonde ‘strijd, krijg’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘strijd-raaf’ of losser ‘wijs in de strijd’

Gonderik [Gundrík] ss. van gonde ‘strijd, krijg’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘strijdbaar heerser, krijgsheer’

Gondhard, Gondert, Gontert [Gundhard] ss. van gonde ‘strijd, krijg’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘hard in de strijd’

Gondmar [Gundmár] ss. van gonde ‘strijd, krijg’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard in strijd’

Gondolf [Gundulf] ss. van gonde ‘strijd, krijg’ en wolf, dus ‘strijd-wolf, strijdbare wolf’

Gondwin, Gondewin, Gondewijn [Gundwin] ss. van gonde ‘strijd, krijg’ en win ‘vriend’, dus ‘strijd-vriend, strijdmakker’

Gooie, Gooi [Gôio] ‘landsman, bewoner’ en/of koosvorm van namen die met Gouw- beginnen

Goot, Gote [Gôt, Gôto] vermoedelijk ‘man’ (zie de naamstam goot); ook wel koosvorm van namen die met diezelfde naamstam Goot-/Got- beginnen

Gotbert, Gotbrecht [Gôtberht] ss. van goot (vermoedelijk ‘man’) en bert, brecht ‘schitterend’, dus mogelijk ‘schitterend onder mannen’

Gotboud [Gôtbold] ss. van goot (vermoedelijk ‘man’) en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud onder mannen’

Gotmar [Gôtmár] ss. van goot (vermoedelijk ‘man’) en maar ‘vermaard’, dus mogelijk ‘vermaard onder mannen’

Gotwin, Gotewijn [Gôtwin] ss. van goot (vermoedelijk ‘man’) en win ‘vriend’, dus ‘manhaftige vriend’

Gouwbert, Gouwbrecht, Goubert, Goubrecht [Gouwiberht] ss. van gouw ‘landstreek’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in zijn gouw’

Gouwbrand, Goubrand [Gouwibrand] ss. van gouw ‘landstreek’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘zwaard van zijn gouw’

Gouwerik [Gouwirík] ss. van gouw ‘landstreek’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘heer van zijn gouw’

Gouwlief, Goulief [Gouwileof] ss. van gouw ‘landstreek’ en lief ‘bemind’, dus ‘bemind in zijn gouw’

Gradolf, Gralof [Grádulf] ss. van graad ‘honger, begeerte’ en wolf ‘wolf’, dus ‘hongerige wolf’

Gralog [Grálôh] ss. van grauw ‘grijs, wijs’ en loog (vermoedelijk ‘man’, anders ‘vlam’) dus mogelijk ‘wijze man’ dan wel ‘grijze vlam’

Gram [Gram] vermoedelijk eender met gram ‘boos, verstoord, toornig’; de Oudnoordse tegenhanger gramr kon in de dichtkunst aldaar overdrachtelijk ook wel ‘koning, krijger’ betekenen – ook in de plaatsnaam Gramsbergen en achternamen als Gramsen

Graman [Gráman] ss. van grauw ‘grijs, wijs’ en man, dus ‘grijze man, wijze man’

Grijm [Grím, Grímo] ‘helm, masker, bescherming’; ook wel koosvorm van namen die met Grijm-/Grim- beginnen

Grijmer, Grimmer [Grímhere] ss. van grijm ‘helm, masker, bescherming’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘helm-krijger’ of losser ‘hoedende krijger’

Grijmolf [Grímulf] ss. van grijm ‘helm, masker, bescherming’ en wolf, dus ‘helm-wolf’ of losser ‘hoedende wolf’

Grijmoud [Grímold] ss. van grijm ‘helm, masker, bescherming’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘helm-heer’ of losser ‘hoedend heerser’

Grijp [Gríp] ‘grijper, verwerver, krijger’ (vergelijk Fonger) – ook in plaatsnamen als Grijpskerk

Grimbert, Grimbrecht [Grímberht] ss. van grijm ‘helm, masker, bescherming’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘helm-schitterend’ of losser ‘schitterend in zijn bescherming’

Grimboud, Grimbout [Grímbold] ss. van grijm ‘helm, masker, bescherming’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘helm-boud’ of losser ‘boud in zijn bescherming’

Grimme, Grim [Grimmo] oorspronkelijk een koosvorm van namen die met Grijm-/Grim- beginnen, oftewel met de naamstam grijm ‘helm, masker, bescherming’, maar zal allengs ook wel begrepen zijn als grimme ‘boze, toornige’

Groenhard, Grondert [Grónhard] ss. van groen ‘groen, bloeiend’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘bloeiend sterk’

H

Habbe, Hab [Habbo] ‘overwinnende, slagende’, nevenvorm van Have

Hadde, Had [Haddo] vermoedelijk ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Hade

Hade, Haad [Hado] samenval van twee namen: vermoedelijk ‘felle, strijdbare’ (zie de naamstam had, hoed), nevenvormen zijn Hadde, Hate, Hatte en Hoede  2 koosvorm van namen die met Hade- beginnen

Hadebert, Hadebrecht [Hathuberht] ss. van hade ‘strijd, krijg’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in de strijd’

Hadeboud [Hathubold] ss. van hade ‘strijd, krijg’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud in de strijd’

Hadebrand [Hathubrand] ss. van hade ‘strijd, krijg’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘strijd-vlam, krijgszwaard’

Hadefons [Hathufuns] ss. van hade ‘strijd, krijg’ en vons ‘gereed (voor de strijd, voor de reis)’, dus ‘strijdgereed, gereed voor de strijd’; vergelijk Hildefons

Hadegot [Hathugôt] ss. van hade ‘strijd, krijg’ en goot (vermoedelijk ‘man’), dus mogelijk ‘krijgsman’

Hadegrim [Hathugrím] ss. van hade ‘strijd, krijg’ en grijm ‘helm, masker, bescherming’, dus ‘strijd-helm’ of losser ‘beschermend in de strijd’

Hadelef [Hathulêf] ss. van hade ‘strijd, krijg’ en leef ‘overblijfsel, nazaat, telg’, dus ‘overlevend in de strijd’ of ‘strijdbare telg’

Hademar [Hathumár] ss. van hade ‘strijd, krijg’ en maar ‘vermaard’, dus ‘strijd-vermaard, vermaard in strijd’

Haderik [Hathurík] ss. van hade ‘strijd, krijg’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘krijgsheer’

Hadeward, Haduward [Hathuward] ss. van hade ‘strijd, krijg’ en ward ‘hoeder’, dus ‘strijd-hoeder, strijdbare hoeder’

Hadewerk [Hathuwerk] ss. van hade ‘strijd, krijg’ en werk ‘verrichtend’, dus ‘krijgsverrichter’

Hadewin, Hadewijn [Hathuwin] ss. van hade ‘strijd, krijg’ en win ‘vriend’, dus ‘krijgsvriend, strijdmakker’

Hadolf, Halof [Hathulf] ss. van hade ‘strijd, krijg’ en wolf, dus ‘strijd-wolf’

Hage, Haag [Hago] ‘bekwame’ (zie de naamstam hag, hoeg), nevenvormen zijn Hagge, Hake, Hakke en Hoege

Hagebard [Hagubard] ss. van haag ‘haag, omheind erf, bescherming’ en bard (mogelijk ‘schild’ of ‘krijger’, zie Bard), dus mogelijk ‘beschermende krijger’

Hagen [Hagano] vermoedelijk ‘beschermer (als een haag)’ of ‘heer van de haag, van het omheinde huishouden’ (vergelijk de naamstam haag); de naam werd ook gedragen door een krijger in legenden als het Nibelungenlied

Hagestoud [Hagustald] vermoedelijk ss. van haag ‘haag, omheind erf, bescherming’ en stoud ‘verwerver’; oorspronkelijk een algemene benaming van jonge mannen die een plaats in het huishouden (de ‘haag’) van een heer hadden verworven, voortlevend als Duits Hagestolz ‘vrijgezel’ – ook in de plaatsnaam Hazelberg (voorheen Hagastaldaburg); vergelijk verder Hagen

Hagge, Hag [Haggo] ‘bekwame’, nevenvorm van Hage

Hake, Haak [Hako] ‘bekwame’, nevenvorm van Hage

Hakke, Hak [Hakko] ‘bekwame’, nevenvorm van Hage

Halbe, Halbo koosvorm van Halbert en Halbrand

Halbert, Halbrecht [Halberht] ss. van haal (vermoedelijk ‘hard, verdurend’) en bert, brecht ‘schitterend’, dus mogelijk ‘schitterend in zijn verduring’

Halbrand [Halbrand] ss. van haal (vermoedelijk ‘hard, verdurend’) en brand ‘vlam, zwaard’, dus mogelijk ‘hard zwaard’

Hale, Haal [Halo] vermoedelijk ‘harde, verdurende’ (zie de naamstam hal, hoel), nevenvormen zijn Halle, Hele, Helle en Hoele

Halle, Hal [Hallo] vermoedelijk ‘harde, verdurende’, nevenvorm van Hale

Halwar [Halwar] ss. van haal (vermoedelijk ‘hard, verdurend’) en waar ‘gewaar, hoedend’, dus mogelijk ‘verdurende hoeder’

Hame, Haam [Hamo] vermoedelijk ‘beminde, minzame’ (zie de naamstam ham, hoem), nevenvormen zijn Hamme en Hoeme

Hamedie, Hamde [Hamathêo] ss. van haam (vermoedelijk ‘beminde, minzame’) en die ‘dienaar, krijger’, dus mogelijk ‘beminde krijger’

Hamer [Hamar] ‘rots, steen, hamer’; mogelijk ook in achternamen als Hamers

Hamme, Ham [Hammo] vermoedelijk ‘beminde, minzame’, nevenvorm van Hame

Hamond [Hámund] ss. van haai (vermoedelijk ‘hengst’) en mond ‘hand, bescherming’, dus mogelijk ‘beschermend als een hengst’; vergelijk Haward

Hane, Haan [Hano] mogelijk ‘strevende’, anders ‘zingende’ (zie de naamstam han, hoen), nevenvormen zijn Hanne en Hoene

Hanne, Han [Hanno] mogelijk ‘strevende’, anders ‘zingende’, nevenvorm van Hane

Happe, Hap [Happo] ‘overwinnende, slagende’, nevenvorm van Have

Hardbert, Harbert, Hardbrecht, Harbrecht [Hardberht] ss. van hard ‘hard, sterk, verdurend’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in zijn verduring’

Hardbrand, Harbrand [Hardbrand] ss. van hard ‘hard, sterk, verdurend’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘harde vlam, sterk zwaard’ of ‘sterk met zijn zwaard’

Harde, Hard [Hardo] ‘harde, sterke, verdurende’ en/of koosvorm van namen die met Hard- beginnen

Hardger, Harger [Hardgêr] ss. van hard ‘hard, sterk, verdurend’ en geer ‘speer’, dus ‘sterke speer, verdurende krijger’

Harding [Herding] ‘harde, sterke, verdurende’ en/of ‘zoon, afstammeling van Harde

Hardmoed [Hardmód] ss. van hard ‘hard, sterk, verdurend’ en moed ‘geest, gemoed’, dus ‘hard gemoed, verdurende geest’

Hardolf [Hardulf] ss. van hard ‘hard, sterk, verdurend’ en wolf ‘wolf’, dus ‘harde wolf, sterke wolf’

Hardraad [Hardrád] ss. van hard ‘hard, sterk, verdurend’ en raad, dus ‘sterke raad’

Hardrik, Harderik [Hardrík] ss. van hard ‘hard, sterk, verdurend’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘hard heerser, sterke heer’

Hardwig [Hardwíg] ss. van hard ‘hard, sterk, verdurend’ en wijg ‘strijd, krijg’, dus ‘harde strijd’

Hardwin, Hardewijn [Hardwin] ss. van hard ‘hard, sterk, verdurend’ en win ‘vriend’, dus ‘sterke, verdurende vriend’

Hare, Haro koosvorm van namen die met Hard- en/of Her- beginnen

Harre, Har nevenvorm van Hare

Hasse, Has [Hasso] ‘glanzende, grijze, wijze’, nevenvorm van Haze

Hate, Haat [Hato] vermoedelijk ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Hade

Hatte, Hat [Hatto] vermoedelijk ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Hade

Have, Haaf [Havo] ‘overwinnende, slagende’ (zie de naamstam haf, hoef), nevenvormen zijn Habbe, Happe en Hoeve

Havik [Havok] ‘havik’

Haward, Hauward, Hauwert [Háward] ss. van haai (vermoedelijk ‘hengst’) en ward ‘hoeder’, dus mogelijk ‘hoedend als een hengst’; vergelijk Hamond

Haze, Haas [Haso] ‘glanzende, grijze, wijze’ (zie de naamstam has, hoes), nevenvormen zijn Hasse en Hoeze

Heerke, Herke [Heriko] koosvorm met het achtervoegsel -k- van namen die met Heer-/Her- beginnen

Heidolf [Heidulf] ss. van heid ‘aard, waardigheid’ en wolf ‘wolf’, dus ‘waardige wolf’

Heidrik, Heiderik [Heidrík] ss. van heid ‘aard, waardigheid’ en rijk ‘heerser’, dus ‘waardig heerser’

Heilbert, Heilbrecht, Helbert, Helbrecht [Heilberht] ss. van heil ‘heil, heelheid, voorspoed’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in zijn voorspoed’

Heilbrand, Helbrand [Heilbrand] ss. van heil ‘heil, heelheid, voorspoed’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘heil-zwaard’

Heilger, Helger [Heilgêr] ss. van heil ‘heil, heelheid, voorspoed’ en geer ‘speer’, dus ‘heil-speer’

Heilgot, Helgot [Heilgôt] ss. van heil ‘heil, heelheid, voorspoed’ en goot (vermoedelijk ‘man’), dus mogelijk ‘voorspoedig man’

Heilke, Helke, Helk [Heiliko] koosvorm met het achtervoegsel -k- van namen die met Heil-/Hel- beginnen

Heistolf [Heistulf] ss. van heist ‘geweld, geraas’ en wolf, dus ‘razende wolf’

Hele, Heel [Helo] vermoedelijk ‘harde, verdurende’, nevenvorm van Hale

Helle, Hel [Hello] vermoedelijk ‘harde, verdurende’, nevenvorm van Hale

Helm [Helm] ‘helm, bescherming’

Helmbert, Helmbrecht [Helmberht] ss. van helm ‘helm, bescherming’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘helm-schitterend, schitterend in bescherming’

Helmerik [Helmrík] ss. van helm ‘helm, bescherming’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘helm-heer, beschermende heer’

Helmgot [Helmgôt] ss. van helm ‘helm, bescherming’ en goot (vermoedelijk ‘man’), dus  mogelijk ‘helm-man, beschermende man’

Helperik [Helprík] ss. van help ‘hulp’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘helpende heer’

Helpraad [Helprád] ss. van help ‘hulp’ en raad, dus ‘helpende raad’

Hembert, Hembrecht, Hemmert [Hêmberht] ss. van heem ‘thuis, thuisland’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend door zijn land’ – ook in achternamen als Hembrechts

Heme, Heem [Hêmo] koosvorm van namen die met Heem-/Hem- beginnen

Hemelger [Himilgêr] ss. van hemel ‘hemel’ en geer ‘speer’, dus ‘speer des hemels’

Hemerik [Hêmrík] ss. van heem ‘thuis, thuisland’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘heerser over zijn thuisland’

Hemraad [Hêmrád] ss. van heem ‘thuis, thuisland’ en raad ‘raad’, dus ‘raadgever voor zijn land’

Hendrik [Hênrík] ss. van heen (mogelijk ‘hoge steen’) en rijk ‘heerser, heer’, dus mogelijk ‘opperste heerser’ – ook in achternamen als Hendriksen en Hendriks

Henke, Henk [Hêniko] koosvorm met het achtervoegsel -k- van namen die met Heen-/Hen- beginnen

Herbert, Herbrecht [Heriberht] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend onder krijgers’ – ook in achternamen als Herberts

Herboud [Heribold] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud onder krijgers’

Herbrand [Heribrand] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘strijdvlam, krijgszwaard’

Here, Hero koosvorm van namen die met Heer-/Her- beginnen

Hereward, Heruward [Heruward] ss. van heruw, heer ‘zwaard’ en ward ‘hoeder’, dus ‘zwaard-hoeder’ of losser ‘felle hoeder’

Herfolk, Hervolk [Herifolk] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en volk ‘(eigen) volk, leger’, dus ‘krijgsvolk’

Herfred, Herfert, Hervert [Herifrith] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘beschermend als een krijger’ of losser ‘strijdbare bescherming’

Herger [Herigêr] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en geer ‘speer’, dus ‘krijgsspeer’

Hergot [Herigôt] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en goot (vermoedelijk ‘man’), dus mogelijk ‘krijgsman’

Hergoud [Herigold] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en goud ‘goud’, dus ‘krijgs-goud’

Herlef [Herilêf] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en leef ‘overblijfsel, nazaat, telg’, dus ‘krijgstelg, strijdbare telg’

Herman, Harmen, Harm [Heriman] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en man ‘man’, dus ‘krijger, soldaat’

Hermar, Hermer [Herimár] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard onder krijgers’

Hermoed, Hermod [Herimód] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en moed ‘geest’, dus ‘krijgsgeest’

Hermond [Herimund] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘strijdbare beschermer’

Herolf [Herulf] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en wolf ‘wolf’, dus ‘strijdbare wolf’

Heroud [Herold] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘heer van krijgers’ of losser ‘strijdbaar heerser’

Herraad [Herirád] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en raad ‘raad’, dus ‘strijd-raadsman’

Herre, Herro nevenvorm van Here

Herward, Hervert [Heriward] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en ward ‘hoeder’, dus ‘strijdbare hoeder’

Herwig [Heriwíg] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en wijg ‘strijd, krijg’, dus ‘strijdbaar krijger’

Herwin, Herewijn [Heriwin] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en win ‘vriend’, dus ‘krijgsvriend, strijdmakker’

Hidde [Hiddo] koosvorm van namen die met Hilde- beginnen

Hildebad, Hilbad [Hildibad] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en baduw ‘strijd, krijg’, dus ‘strijdbare krijger’; de naam werd ook gedragen door een 6e eeuwse Gotische koning

Hildebert, Hilbert, Hildebrecht, Hilbrecht [Hildiberht] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in de strijd’ – ook in achternamen als Hilberts

Hildebod, Hilbod [Hildibôd] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en bood ‘gebieder, leider’, dus ‘strijdleider, krijgsheer’

Hildeboud, Hilboud [Hildibold] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en boud  ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud in de strijd’

Hildebrand, Hilbrand [Hildibrand] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘strijdvlam, krijgszwaard’ – ook in achternamen als Hilbrands

Hildefons, Hilfons [Hildifuns] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en vons ‘gereed (voor de strijd, voor de reis)’, dus ‘strijdgereed, gereed voor de strijd’; vergelijk Hadefons

Hildefred, Hilfert, Hilvert [Hildifrith] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘strijdbare beschermer’ – ook in de plaatsnaam Hilversum (voorheen Hilfertsem ‘Hilferts heem’)

Hildegar, Hilger [Hildigar] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en gaar ‘gereed’, dus ‘strijdgereed’

Hildeger, Hilger [Hildigêr] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en geer ‘speer’, dus ‘krijgsspeer’

Hildegis [Hildigís] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en gijzel (‘pijl’ dan wel ‘edel kind’), dus ‘krijgspijl’ of ‘strijdbare edelman’

Hildegot, Hilgot [Hildigôt] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en goot (vermoedelijk ‘man’), dus mogelijk ‘krijgsman’

Hildegrim, Hilgrim [Hildigrím] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en grijm ‘helm, masker, bescherming, dus ‘krijgshelm, beschermend in de strijd’

Hildemar, Hilmar, Helmer [Hildimár] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard in strijd’

Hildemond, Hilmond [Hildimund] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘krijgshand, bescherming in de strijd’

Hilderaad [Hildirád] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en raad ‘raad’, dus ‘krijgsraad, raad in de strijd’

Hilderam [Hildihramn] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘krijgsraaf’ of losser ‘wijs in de strijd’

Hilderik [Hildirík] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘krijgsheer’

Hildewar, Hilwar [Hildiwar] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en waar ‘gewaar, hoedend’, dus ‘hoedend in de strijd’

Hildeward, Hilward [Hildiward] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en ward ‘hoeder’, dus ‘hoeder in de strijd, strijdbare hoeder’

Hildewin, Hildewijn, Hilwin [Hildiwin] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en win ‘vriend’, dus ‘krijgsvriend, strijdmakker’

Hildolf [Hildulf] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en wolf ‘wolf’, dus ‘krijgswolf’

Hilke, Hilk [Hildiko] koosvorm met het achtervoegsel -k- van namen die met Hilde-/Hil- beginnen

Hoede, Hoed [Hódo] vermoedelijk ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Hade

Hoege, Hoeg [Hógo] ‘bekwame’, nevenvorm van Hage

Hoele, Hoel [Hólo] vermoedelijk ‘harde, verdurende’, nevenvorm van Hale

Hoeme, Hoem [Hómo] vermoedelijk ‘beminde, minzame’, nevenvorm van Hame

Hoene, Hoen [Hóno] mogelijk ‘strevende’, anders ‘zingende’, nevenvorm van Hane

Hoeve, Hoef [Hóvo] ‘overwinnende, slagende’, nevenvorm van Have

Hoeze, Hoes [Hóso] ‘glanzende, grijze, wijze’, nevenvorm van Haze

Hondolf [Hundulf] ss. van honde ‘buit, roof’ en wolf ‘wolf’, dus ‘rovende wolf’

Horaad [Hôrád] ss. van hoog ‘hoog, rijzig, verheven’ en raad ‘raad’, dus ‘verheven raad’

Horsolf [Horskolf] ss. van hors ‘vlug, levendig’ en wolf ‘wolf’, dus ‘vlugge wolf’

Hosten [Hôhstên] ss. van hoog ‘hoog’ en steen ‘steen’, dus ‘hoge steen’

Houdbrand, Houbrand, Holbrand [Holdbrand] ss. van houd ‘trouw, genegen’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘trouwe vlam, trouw zwaard’ – ook in achternamen als Hollebrands

Huibe, Huib koosvorm van Huibert – ook in achternamen als Huijbens en Huijben

Huibert, Huibrecht, Hubbert [Húgberht] ss. van huig (wel ‘zinnend’) en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in zijn zin’ – ook in achternamen als Huibertsen, Huiberts, Huibrechts en Hubbers

Huige, Huig [Húgo, Húg] wel ‘zinnend(e)’ (zie de naamstam huig) – ook in achternamen als Huigens en Huigen

Huine, Huin [Húno, Hún] zelfstandig gebruik van de naamstam huin (wel iets als ‘knuppel, knaap’) en/of koosvorm van namen die hiermee beginnen (zoals Hunbert, Hunfred, Hunlef) – ook in achternamen als Huinen

Huiske, Huske [Húsiko] koosvorm met het achtervoegsel -k- van namen die met Huis-/Hus- beginnen – ook in achternamen als Huiskens en Huskens

Huislef, Huslef [Húslêf] ss. van huis ‘huis, woning’ en leef ‘overblijfsel, nazaat, telg’, dus ‘telg van zijn huis’

Huisman, Husman [Húsman] ss. van huis ‘huis, woning’ en man ‘man’, dus ‘man van zijn huis’ – ook in achternamen als Huisman en Husman

Huisward [Húsward] ss. van huis ‘huis, woning’ en ward ‘hoeder’, dus ‘hoeder van zijn huis’

Huize, Huis [Húso] koosvorm van namen die met Huis-/Hus- beginnen

Hunbert, Humbert, Hunbrecht, Humbrecht [Húnberht] ss. van huin (wel iets als ‘knuppel, knaap’) en bert, brecht, dus ‘schitterend als knaap’

Hundrik [Húnrík] ss. van huin (wel iets als ‘knuppel, knaap’) en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘heersend als knaap’ of losser ‘jonge heerser’

Hunfred, Humfert [Húnfrith] ss. van huin (wel iets als ‘knuppel, knaap’) en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘beschermend als knaap’ of losser ‘jonge beschermer’

Hunlef [Húnlêf] ss. van huin (wel iets als ‘knuppel, knaap’) en leef ‘overblijfsel, nazaat, telg’, dus ‘jonge telg’

I

Idwin, IJdewijn [Ídwin] ss. van ijd ‘vlijtig’ en win ‘vriend’, dus ‘vlijtige vriend, volhardende vriend, trouwe vriend’

Iede, Ie [Eodo] ‘kind, zoon’ en/of koosvorm van namen die met Ied- beginnen

Iedfred, Iefert, Ievert [Eodfrith] ss. van ied ‘kind, zoon’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘beschermer van kinderen’

IJde [Ído] ‘vlijtige’ en/of koosvorm bij namen die met IJd-/Id-/It- beginnen, zoals Idwin en Itter – ook in achternamen als IJden

IJge, IJg [Ígo] zelfstandig gebruik van de naamstam uw, ijg ‘taxusboom’ (zie ook Uwe)

IJgolf [Ígulf] ss. van uw, ijg ‘taxusboom’ en wolf ‘wolf’, dus ‘levenskrachtige wolf’

IJsbert, IJsbrecht [Ísanberht] ss. van ijzen ‘ijzer’ en bert, brecht, dus ‘ijzer-schitterend’

IJsboud [Ísanbold] ss. van ijzen ‘ijzer’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘ijzer-boud’ – ook in achternamen als Eijsbouts

IJsbrand [Ísanbrand] ss. van ijzen ‘ijzer’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘ijzeren vlam, ijzer-zwaard’ – ook in achternamen als IJsebrands

IJswin, IJzewijn [Ísanwin] ss. van ijzen ‘ijzer’ en win ‘vriend’, dus ‘ijzeren vriend’

IJve, IJf [Ívo] zelfstandig gebruik van de naamstam ijf ‘levenskrachtig’ – ook in de achternaam IJven

IJzegrim [Ísangrím] ss. van ijzen ‘ijzer’ en grijm ‘helm, masker, bescherming’, dus ‘ijzer-helm, ijzeren bescherming’

IJzenhard, IJzenard [Ísanhard] ss. van ijzen ‘ijzer’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘ijzer-hard, ijzer-sterk’

IJzenoud, IJzenout [Ísanold] ss. van ijzen ‘ijzer’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘ijzeren heerser’

IJzerik [Ísanrík] ss. van ijzen ‘ijzer’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘ijzeren heerser’

Imke [Immiko] nevenvorm van Emke

Imme, Im [Immo] nevenvorm van Eme

Inge, Ingo, Ing [Ingo] ‘een van het Germaanse volk der Ingen’ (zie de naamstam Ing)

Ingebert, Ingebrecht, Ingbert, Ingebrecht [Ingiberht] ss. van Ing ‘een van het Germaanse volk der Ingen’ en bert, brecht, dus ‘schitterend als een Ing’

Ingebrand, Ingbrand [Ingibrand] ss. van Ing ‘een van het Germaanse volk der Ingen’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘zwaard der Ingen’

Ingemar, Ingmar [Ingimár] ss. van Ing ‘een van het Germaanse volk der Ingen’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard onder de Ingen’

Ingeram, Ingram [Ingihramn] ss. van Ing ‘een van het Germaanse volk der Ingen’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘raaf der Ingen’

Ingerik [Ingirík] ss. van Ing ‘een van het Germaanse volk der Ingen’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘heerser over Ingen, heer der Ingen’

Ingewar, Ingwar, Ingwer [Ingiwar] ss. van Ing ‘een van het Germaanse volk der Ingen’ en waar ‘gewaar, hoedend’, dus ‘hoedend als een Ing’ of ‘hoeder der Ingen’

Itter [Ídhere] ss. van ijd ‘vlijtig’ en heer  ‘heerschare, krijger’, dus ‘vlijtige krijger, volhardende krijger’ – ook in de plaatsnaam Ittersum, dat is ‘Itters heem’

J

Jonge [Jungo] ‘jonge, jongen’

Jongeram [Junghramn] ss. van jong ‘jong’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘jonge raaf’

K

Kale, Kaal [Kalo] vermoedelijk ‘bekwame’ (zie de naamstam kal, koel), nevenvormen zijn Kalle en Koele

Kalle, Kal [Kallo] vermoedelijk ‘bekwame’, nevenvorm van Kale

Kane, Kaan [Kano] ‘bekwame’ (zie de naamstam kan, koen), nevenvormen zijn Kanne en Koene

Kanne, Kan [Kanno] ‘bekwame’, nevenvorm van Kane

Karel [Karl] ‘vrij man’ – ook in achternamen als Karelsen en Karels

Keunegast [Kunigast] ss. van kunne ‘goed geslacht’ en gast ‘vreemdeling, krijger’, dus ‘edele krijger’

Keunemond [Kunimund] ss. van kunne ‘goed geslacht’ en mond ‘hand, beschermer’, dus ‘edele beschermer’

Koele, Koel [Kólo] vermoedelijk ‘bekwame’, nevenvorm van Kale

Koene, Koen [Kóno] ‘bekwame’, nevenvorm van Kane

Koender [Kónhere] ss. van koen ‘bekwaam’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘bekwame krijger’ – ook in achternamen als Koenders

Koenraad [Kónrád] ss. van koen ‘bekwaam’ en raad ‘raad’, dus ‘bekwame raad’

Kolbert, Kolbrecht [Kólberht] ss. van kal, koel (vermoedelijk ‘bekwaam’) en bert, brecht ‘schitterend’, dus vermoedelijk ‘schitterend in zijn bekwaamheid’ – ook in achternamen als Colberts

Kolbrand [Kólbrand] ss. van kal, koel (vermoedelijk ‘bekwaam’), dus vermoedelijk ‘bekwaam zwaard’

L

Landbert, Lambert, Lammert, Landbrecht, Lambrecht [Landberht] ss. van land ‘land, vaderland’ en bert, brecht, dus ‘schitterend in zijn land’ – ook in achternamen als Lamberts en Lambrechts

Landfred, Lanfert [Landfrith] ss. van land ‘land, vaderland’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘zijn land beschermend’

Landolf [Landulf] ss. van land ‘land, vaderland’ en wolf ‘wolf’, dus ‘wolf van zijn land’

Landoud, Landout [Landold] ss. van land ‘land, vaderland’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘heerser van zijn land’

Landraad, Landeraad [Landrád] ss. van land ‘land, vaderland’ en raad ‘raad’, dus ‘raadsman van zijn land’

Landrik, Landerik [Landrík] ss. van land ‘land, vaderland’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘landsheer, heer van zijn land’

Landward [Landward] ss. van land ‘land, vaderland’ en ward ‘hoeder’, dus ‘land-hoeder, hoeder van zijn land’

Landwin, Landewijn [Landwin] ss. van land ‘land, vaderland’en win ‘vriend’, dus ‘vriend van zijn vaderland’

Lanter [Landhere] ss. van land ‘land, vaderland’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘krijger voor zijn land’

Lebbert, Lebbrecht, Leebert, Leebrecht [Lêdberht] ss. van lede (vermoedelijk ‘weg, gang’) en bert, brecht ‘schitterend’, dus mogelijk ‘schitterend in zijn weg’

Lederaad [Lêdrád] ss. van lede (vermoedelijk ‘weg, gang’) en raad ‘raad’, dus mogelijk ‘raad in koers, wegwijzend’

Leedolf [Lêdulf] ss. van lede (vermoedelijk ‘weg, gang’) en wolf ‘wolf’, dus mogelijk ‘reizende wolf’

Leedoud, Leedout [Lêdold] ss. van lede (vermoedelijk ‘weg, gang’) en woud ‘heerser, heer’, dus mogelijk ‘reizende heer’

Lekhard, Lekard, Lekert [Lêkhard] ss. van leek ‘lied, spel, vertier’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘hard in het spel’ of losser ‘hard in de strijd’

Letter [Lêdhere] ss. van lede (vermoedelijk ‘weg, gang’) en heer ‘heerschare, krijger’, dus mogelijk ‘reizende krijger’

Leven [Lêfwin] ss. van leef ‘overblijfsel, nazaat, telg’ en win ‘vriend’, dus ‘telg en vriend’

Liefhard, Liefert, Leffert [Leofhard] ss. van lief ‘bemind’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘bemind en sterk’

Lienhard, Liendert, Lindert, Lennart [Leonhard] ss. van lien ‘genadig’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘genadig doch sterk’

Lieven [Leofwin] ss. van lief ‘bemind’ en win ‘vriend’, dus ‘beminde vriend’

Lieveraad [Leofrád] ss. van lief ‘bemind’ en raad ‘raad’, dus ‘beminde raadgever’

Lindolf [Lindulf] ss. van lind ‘zacht, zachtmoedig’ en wolf ‘wolf’, dus ‘zachtmoedige wolf’

Lindram, Linderam [Lindhramn] ss. van lind ‘zacht, zachtmoedig’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘zachtmoedige raaf’

Lolle, Lol [Lollo] vermoedelijk een brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal

Lubbert, Lubbrecht, Luibert, Luibrecht [Liudberht] ss. van luide ‘volk, mensen’ en bert, brecht, dus ‘schitterend tussen zijn volk’ – ook in achternamen als Lubberts

Lubboud, Luiboud [Liudbold] ss. van luide ‘volk, mensen’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud onder zijn volk’

Lubbrand, Luibrand [Liudbrand] ss. van luide ‘volk, mensen’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘volk-zwaard, zwaard van zijn volk’

Ludger, Lutger [Liudgêr] ss. van luide ‘volk, mensen’ en geer ‘speer’, dus ‘volk-speer, speer van zijn volk’

Ludhard, Luttard, Luttert, Luitert [Liudhard] ss. van luide ‘volk, mensen’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘volk-hard, sterk onder zijn volk’

Ludward, Lieuwert [Liudward] ss. van luide ‘volk’ en ward ‘hoeder’, dus ‘volk-hoeder, hoeder van zijn volk’

Ludwin, Luidewijn [Liudwin] ss. van luide ‘volk’ en win ‘vriend’, dus ‘volk-vriend, vriend van zijn volk’

Luideraad [Liudrád] ss. van luide ‘volk, mensen’ en raad ‘raad’, dus ‘volk-raad, raadgever van zijn volk’

Luideram [Liudhramn] ss. van luide ‘volk, mensen’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘volk-raaf, raaf onder zijn volk’

Luiderik [Liudrík] ss. van luide ‘volk’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘volk-heer, heer van zijn volk’

Luiding [Liuding] ‘man van zijn volk’

Luidolf, Luif [Liudulf] ss. van luide ‘volk, mensen’ en wolf ‘wolf’, dus ‘volk-wolf, wolf van zijn volk’

Luiving, Lieving [Liuving, Leoving] ‘beminde’

Lutter, Luiter [Liudhere] ss. van luide ‘volk, mensen’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘volk-krijger, krijger van zijn volk’

M

Maarschalk [Marhskalk] een ss. van maar ‘paard, ros’ en schalk ‘dienaar, krijger’, dus ‘ros-dienaar’; deze naam is eender met de rang maarschalk, waarbij men bedenke dat paarden zeer kostbaar waren en hun hoeder dus een belangrijke bekleding had

Madelboud, Malboud [Mathalbold] ss. van madel ‘rechtspraak’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud in de rechtspraak’

Madelbrand, Malbrand [Mathalbrand] ss. van madel ‘rechtspraak’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘zwaard der rechtspraak’

Madelger, Malger [Mathalgêr] ss. van madel ‘rechtspraak’ en geer ‘speer’, dus ‘speer der rechtspraak’

Madelgis, Malegijs, Malgis [Mathalgís] ss. van madel ‘rechtspraak’ en gijzel (‘pijl’ dan wel ‘gijzelaar, edel kind’), dus ‘pijl der rechtspraak’ of ‘edelman der rechtspraak’

Madelhard, Mallard, Maldert [Mathalhard] ss. van madel ‘rechtspraak’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘sterk in de rechtspraak’

Malrik, Maldrik [Malarík] ss. van mal (vermoedelijk ‘driest, vermetel’) en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘drieste heerser’; de naam werd ook gedragen door een Friese vorst in de 1e eeuw na Christus, opgeschreven als Malorix

Mame, Maam [Mamo] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal (zie de naamstam mam, moem), nevenvormen zijn Mamme en Moeme

Mamme, Mam [Mammo] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Mame

Manfred, Manfert [Manfrith] ss. van man ‘man, mens’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘beschermer van mensen’

Mante, Mant [Mantêt] ss. van man ‘man, mens’ en teet ‘lief, blij’, dus ‘manlief, lieve man’

Marbod [Marhbôd] ss. van maar ‘paard, ros’ en bood ‘gebieder, leider’, dus ‘leider van strijdrossen’

Marker [Markhere] ss. van mark ‘grens, grensgebied’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘grens-krijger’

Markerik [Markrík] ss. van mark ‘grens, grensgebied’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘heer van het grensgebied’

Markhard, Markard, Markert [Markhard] ss. van mark ‘grens, grensgebied’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘hard voor de grens’

Markolf [Markulf] ss. van mark ‘grens, grensgebied’ en wolf ‘wolf’, dus ‘wolf van het grensgebied’

Markward [Markward] ss. van mark ‘grens, grensgebied’ en ward ‘hoeder’, dus ‘hoeder van het grensgebied’

Marolf [Márulf] ss. van maar ‘vermaard’ en wolf ‘wolf’, dus ‘vermaarde wolf’

Marwig [Márwíg] ss. van maar ‘vermaard’ en wijg ‘strijd, krijg’, dus ‘vermaarde strijd’

Meinbert, Meinbrecht [Meginberht] ss. van mein ‘machtig’ en ‘schitterend’, dus ‘schitterend in zijn macht’

Meinder [Meginhere] ss. van mein ‘macht’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘machtige krijger’

Meindrik, Mendrik [Meginrík] ss. van mein ‘macht’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘machtig heerser’

Meine, Mein [Megino, Megin] koosvorm van namen die met Mein-/Men- beginnen

Meinfred, Meinfert, Menfert [Meginfrith] ss. van mein ‘macht’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘machtige beschermer’

Meingot, Mengt [Megingôt] ss. van mein ‘macht’ en goot (vermoedelijk ‘man’), dus mogelijk ‘machtig man’

Meinhard, Meindert [Meginhard] ss. van mein ‘macht’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘machtig sterk’

Meinolf [Meginulf] ss. van mein ‘macht’ en wolf ‘wolf’, dus ‘machtige wolf’

Meinoud [Meginold] ss. van mein ‘macht’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘machtig heerser’

Meinraad [Meginrád] ss. van mein ‘macht’ en raad ‘raad’, dus ‘machtige raad’

Meinse, Meinze, Mense, Menze [Meginzo] koosvorm met het achtervoegsel -s- van namen die met Mein-/Men- beginnen – ook in achternamen als Mensen

Meinte, Meint, Mente, Ment [Megintêt] ss. van mein ‘macht’ en teet ‘lief, blij’, dus ‘machtig lief, heel lief’

Meinwerk [Meginwerk] ss. van mein ‘macht’ en werk ‘verrichtend’, dus ‘machtige verrichter’

Menegoud, Menegout, Manegoud, Manegout [Menigold, Managold] ss. van manig, menig ‘veel’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘heerser over velen’; vergelijk Felewoud en Grieks Polycrates

Menger [Megingêr] ss. van mein ‘macht’ en geer ‘speer’, dus ‘machtige speer’

Menke, Menk [Meginko] koosvorm met het achtervoegsel -k- van namen die met Mein-/Mein- beginnen – ook in achternamen als Menken

Menne [Menno] koosvorm van namen die met Mein-/Men- beginnen – ook in achternamen als Mennen

Moedolf, Moelof [Módulf] ss. van moed ‘geest, gemoed’ en wolf ‘wolf’, dus ‘bedachtzame wolf’ of ‘moedige wolf’

Moeme, Moem [Mómo] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Mame

Moeter [Módhere] ss. van moed ‘geest, gemoed’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘bedachtzame krijger’ of ‘moedige krijger’

Mondrik, Monderik [Mundrík] ss. van mond ‘hand, bescherming’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘beschermende heer’

Monolf [Munulf] ss. van meun ‘gedachte, geest’ en wolf ‘wolf’, dus bedachtzame wolf’

N

Nandger [Nandgêr] ss. van nand ‘wagend’ en geer ‘speer’, dus ‘wagend speer’

Nandhard, Nantard, Nantert [Nandhard] ss. van nand ‘wagend’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘wagend-sterk’

Nandwin, Nandewijn [Nandwin] ss. van nand ‘wagend’ en win ‘vriend’

Nane, Naan [Nano] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal (zie de naamstam nan, noen), nevenvormen zijn Nanne en Noene

Nanne, Nan [Nanno] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Nane

Nanter [Nandhere] ss. van nand ‘wagend’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘wagende krijger’

Nerbert, Nerbrecht [Neriberht] ss. van neer, noer ‘mannelijk, sterk, dapper’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus mogelijk ‘schitterend in zijn mannelijkheid’; vergelijk Norbert

Nere, Neer [Nero] ‘mannelijke, sterke, dappere’ (zie de naamstam neer, noer), nevenvorm is Noere

Nidger, Nitger [Níthgêr] ss. van nijd ‘woede, vijandschap, strijdlust’ en geer ‘speer’, dus ‘strijdlustige speer’

Nidhard, Nittard, Nittert, Nijtert [Níthhard] ss. van nijd ‘woede, vijandschap, strijdlust’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘hard in zijn strijdlust’

Nijdolf [Níthulf] ss. van nijd ‘woede, vijandschap, strijdlust’ en wolf ‘wolf’, dus ‘strijdlustige wolf’

Nodger, Notger [Nôdgêr] ss. van nood ‘nood’ en geer ‘speer’, dus ‘noodspeer’ of losser ‘krijger als het nodig is’

Noene, Noen [Nóno] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Nane

Noere, Noer [Nóro] ‘mannelijke, sterke, dappere’, nevenvorm van Nere – ook in de Duitse plaatsnaam Neurenberg (voorheen Nórenberg, Nuorenberc ‘berg van Noere’)

Noering [Nóring] ‘mannelijke, sterke, dappere’ en/of ‘zoon, afstammeling van Noere

Noordman, Noorman [Northman] ss. van noord ‘noord’ en man ‘man’, dus ‘noord-man’

Noordwin, Noordewijn [Northwin] ss. van noord ‘noord’ en win ‘vriend’, dus ‘noordelijke vriend’ of ‘vriend van het noorden’

Norbert, Norbrecht [Nórberht en Northberht] samenval van twee namen: 1 ss. van neer, noer ‘mannelijk, sterk, dapper’ en bert, brecht schitterend, dus ‘schitterend in zijn mannelijkheid’ (vergelijk Nerbert) 2 ss. van noord ‘noord’ en bert, brecht, dus ‘noord-schitterend’

O

Obbe [Obbo] nevenvorm van Obe

Obe [Obo] koosvorm van namen als Odbert dan wel namen die met Wolf- beginnen – ook in achternamen als Obbens; vergelijk Ubbe

Odbert, Obbert, Obrecht [Ôdberht] ss. van ood ‘voorspoed’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in zijn voorspoed’

Ode [Ôdo] koosvorm van namen die met Ood-/Od- beginnen

Oderam, Oram [Ôdhramn] ss. van ood ‘voorspoed’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘voorspoedige raaf’

Oderik, Orik [Ôdrík] ss. van ood ‘voorspoed’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘voorspoedig heerser’

Odewakker, Odewaker, Odeker [Ôdwakar] ss. van ood ‘voorspoed’ en wakker ‘waakzaam, wakend’, dus ‘zijn voorspoed bewakend’

Odfred, Otfert, Offert [Ôdfrith] ss. van ood ‘voorspoed’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘voorspoedige beschermer’

Odger, Otger, Oger [Ôdgêr] ss. van ood ‘voorspoed’ en geer ‘speer’, dus ‘voorspoedige speer’

Odgot [Ôdgôt] ss. van ood ‘voorspoed’ en goot (vermoedelijk ‘man’), dus mogelijk ‘voorspoedig man’

Odmar, Omar [Ôdmár] ss. van ood ‘voorspoed’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard om zijn voorspoed’

Odolf, Olof [Ôdulf] ss. van ood ‘voorspoed’ en wolf ‘wolf’, dus ‘voorspoedige wolf’

Odwin, Odewin, Odewijn [Ôdwin] ss. van ood ‘voorspoed’ en win ‘vriend’, dus ‘voorspoedige vriend’

Oede, Oed [Ódo] ‘telg, voorouder’, eigenlijk ‘nakomende, voorgaande’, nevenvorm van Ade

Oedolf [Óthilulf] ss. van oedel, oel ‘erfgoed, vaderland’ en wolf ‘wolf’, dus ‘wolf voor zijn vaderland’

Oege, Oeg [Ógo] ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Age

Oeke, Oek [Óko] ‘leidende, leider’, nevenvorm van Ake

Oele, Oel [Ólo] ‘kind’, eigenlijk ‘jonge, groeiende’, nevenvorm van Ale

Oeme, Oem [Ómo] samenval van twee namen: 1 ‘onvermoeibare, volhardende’, nevenvorm van Ame 2 brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Ame

Oene, Oen [Óno] ‘levenskrachtige, bezielde’, nevenvorm van Ane

Oete, Oet [Óto] samenval van twee namen: 1 ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Ate 2 brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Ate

Oeve, Oef [Óvo] ‘krachtige’, nevenvorm van Ave

Offe [Offo] koosvorm van namen die met Wolf- beginnen

Olbert, Olbrecht [Óthilberht, Óthalberht] ss. van oedel, oel ‘erfgoed, vaderland’ en bert, brecht, dus ‘schitterend in zijn vaderland’ of ‘schitterend door zijn erfgoed’

Olboud [Óthilbold, Óthalbold] ss. van oedel, oel ‘erfgoed, vaderland’, dus ‘boud door zijn erfgoed’ of ‘boud voor zijn vaderland’

Olbrand [Óthilbrand, Óthalbrand] ss. van oedel, oel ‘erfgoed, vaderland’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘vlam van zijn erfgoed’ of ‘zwaard van zijn vaderland’

Olfred, Olfert, Olvert [Óthilfrith, Óthalfrith] ss. van oedel, oel ‘erfgoed, vaderland’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘zijn erfgoed, vaderland beschermend’

Olger [Óthilgêr, Óthalgêr] ss. van oedel, oel ‘erfgoed, vaderland’ en geer ‘speer’, dus ‘speer van zijn erfgoed’ of ‘speer van zijn vaderland’

Olle, Ol koosvorm van namen die met Ol- beginnen

Olmar [Óthilmár, Óthalmár] ss. van oedel, oel ‘erfgoed, vaderland’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard om zijn erfgoed’

Olrik, Oldrik [Óthilrík, Óthalrík] ss. van oedel, oel ‘erfgoed, vaderland’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘heerser over zijn erfgoed’ of ‘heerser in zijn vaderland’ – ook in achternamen als Oldriks

Olschalk [Óthilskalk, Óthalskalk] ss. van oedel, oel ‘erfgoed, vaderland’ en schalk ‘dienaar, krijger’, dus ‘dienaar van zijn vaderland’

Onarg, Onnarg [Unarg] ss. van on- ‘niet’ en arg, erg ‘laf, onmannelijk’, dus ‘niet laf’

One, Oon koosvorm, mogelijk van namen die met Oon-/On- beginnen

Onger [Ôngêr] ss. van oon (mogelijk ‘voorspoedig’) en geer ‘speer’, dus mogelijk ‘voorspoedige speer’

Onne, On nevenvorm van One

Onolf [Ônulf] ss. van oon (mogelijk ‘voorspoedig’) en wolf, dus mogelijk ‘voorspoedige wolf’

Oord, Ord [Ord] ‘punt, speerpunt, speer’

Oordwin, Ordwin, Oortwijn [Ordwin] ss. van oord ‘punt, speerpunt, punt’ en win ‘vriend’, dus ‘speer-vriend’ of losser ‘strijdmakker’

Oorter [Ordhere] ss. van oord ‘punt, speerpunt’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘scherpe krijger’ of ‘voorste krijger’

Oosterbert, Oosterbrecht [Ôstarberht] ss. van ooster (vermoedelijk ‘lichtend’) en bert, brecht ‘schitterend’, dus mogelijk ‘lichtend-schitterend’

Oosterboud [Ôstarbold] ss. van ooster (vermoedelijk ‘lichtend’) en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus mogelijk ‘lichtend boud’

Oosteroud [Ôstarold] ss. van ooster (vermoedelijk ‘lichtend’) en woud ‘heerser, heer’, dus mogelijk ‘lichtende heerser’

Orendel [Ôrwendil] ss. van oor (vermoedelijk ‘lichtend’) en wendel (vermoedelijk ‘doler’), dus mogelijk ‘lichtende doler’; ook de naam van een held en ster  uit de Germaanse overlevering; vergelijk Gerendel

Orolf [Ôrulf] ss. van oor (vermoedelijk ‘lichtend’) en wolf ‘wolf’, dus mogelijk ‘lichtende wolf’

Otter [Ôdhere] ss. van ood ‘voorspoed’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘voorspoedige krijger’ – ook in de plaatsnaam Ottersum ‘Otters heem’

Oudbert, Oudbrecht, Oubert, Oubrecht [Aldberht] ss. van oud ‘oud, wijs’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘oude schittering’

Ouddoem, Oudoem [Alddóm] ss. van oud ‘oud, wijs’ en doem ‘oordeel, gezag’, dus ‘wijs oordeel’

Oude, Oud [Aldo] ‘oude, wijze’ dan wel koosvorm van namen die met Oud- beginnen

Ouderaad [Aldrád] ss. van oud ‘oud, wijs’ en raad ‘raaf’, dus ‘wijze raad’

Ouderaven [Aldhravan] ss. van oud ‘oud, wijs’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘oude raaf’

Ouderik [Aldrík] ss. van oud ‘oud, wijs’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘wijze heer’

Oudger [Aldgêr] ss. van oud ‘oud, wijs’ en geer ‘speer’, dus ‘oude speer’

Oudolf [Aldulf] ss. van oud ‘oud, wijs’ en wolf ‘wolf’, dus ‘oude wolf, wijze wolf’

Ouwe [Ouwo] koosvorm van namen die met Ouw- beginnen

Ouwle, Oule, Ole [Ouwilo, Ôlo] koosvorm met het achtervoegsel -l- van namen die met Ouw- beginnen

Ouwlef, Oulef, Olef [Ouwilêf, Ôlêf] ss. van ouw (vermoedelijk ‘geluk, voorspoed’) en leef ‘overblijfsel, nazaat, telg’, dus mogelijk ‘voorspoedige telg’

R

Radbert, Radbrecht, Rabbert, Rabbrecht [Rádberht] ss. van raad ‘raad’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend van raad’

Radbod [Rádbôd] ss. van raad ‘raad’ en bood ‘gebieder, leider’, dus ‘beraden leider’

Radboud [Rádbold] ss. van raad ‘raad’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘beraden boud, bezonnen stoutmoedig’

Rade [Rádo] koosvorm van namen die met Raad-/Rad- beginnen

Radger [Rádgêr] ss. van raad ‘raad’ en geer ‘speer’, dus ‘beraden speer’

Radmar, Ramar [Rádmár] ss. van raad ‘raad’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard om zijn raad’ – ook in achternamen als Ramars

Radmond, Ramond [Rádmund] ss. van raad ‘raad’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘beschermend met raad, beraden beschermer’

Radolf, Ralf [Rádulf] ss. van raad en wolf, dus ‘beraden wolf, bezonnen wolf’

Radoud, Radout [Rádold] ss. van raad ‘raad’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘beraden heerser’

Radward [Rádward] ss. van raad ‘raad’ en ward ‘hoeder’, dus ‘hoedend met raad, beraden hoeder’

Radwin, Radewijn [Rádwin] ss. van raad ‘raad’ en win ‘vriend’, dus ‘raadgevende vriend’

Rambert, Rambrecht [Hramberht] ss. van raven, ram ‘raaf’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend als een raaf’

Rande, Rand [Rando, Rand] ‘schild’ en/of koosvorm bij namen die met Rand- beginnen

Randolf [Randulf] ss. van rand ‘schild’ en wolf ‘wolf’, dus ‘schild-wolf, beschermende wolf’

Randwig [Randwíg] ss. van rand ‘schild’ en wijg ‘strijd, krijg’, dus ‘schild-strijd, beschermende krijger’

Raven, Raaf [Hravan] ‘raaf’

Ravenger, Raveger [Hravangêr] ss. van raven, ram ‘raaf’ en geer ‘speer’, dus ‘ravenspeer’

Ravengrim [Hravangrím] ss. van raven, ram ‘raaf’ en grijm ‘helm, masker, bescherming’, dus ‘raven-helm, beschermend als een raaf’

Ravening, Ramming [Hravaning, Hramning] ‘ravenzoon’

Ravenmar, Ravemar [Hravanmár] ss. van raven, ram ‘raaf’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard als een raaf’ of losser ‘vermaard als wijze man’

Ravenolf, Rammolf [Hravanulf, Hramnulf] ss. van raven, ram ‘raaf’ en wolf ‘wolf’, dus ‘raaf-wolf, als raaf en wolf’

Ravenoud, Ravenout, Rammoud, Rammout [Hravanold, Hramnold] ss. van raven, ram ‘raaf’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘ravenheer’ of losser ‘wijze heerser’

Ravenrik, Raverik [Hravanrík] ss. van raven, ram ‘raaf’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘ravenheer’ of losser  ‘wijze heerser’

Ravent [Hravantêt] ss. van raven, ram ‘raaf’ en teet ‘lief, blij’, dus ‘raaf-lief, lieve raaf’

Reinbern, Rembern, Remmen [Reginbern] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en bern ‘beer, krijger’, dus ‘beer van de goden’

Reinbert, Rembert, Remmert, Reinbrecht, Rembrecht [Reginberht] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend als de goden’

Reinboud, Remboud [Reginbold] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud als de goden’

Reinbrand, Rembrand [Reginbrand] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘vlam, zwaard van de goden’

Reinder [Reginhere] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘krijger van de goden’

Reine, Rein [Regino, Regin] koosvorm van namen die met Rein-/Ren- beginnen

Reinfred, Renfert [Reginfrith] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘beschermer van de goddelijke orde’

Reingot, Rengt [Regingôt] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en goot (vermoedelijk ‘man’), dus mogelijk ‘man van de goden’

Reinhard, Reindert [Reginhard] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘sterk als de goden’

Reinhelm, Reinelm [Reginhelm] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en helm ‘helm, bescherming’, dus ‘beschermer van de goddelijke orde’

Reinke, Renke, Renk [Reginko] koosvorm met het achtervoegsel -k- van namen die met Rein-/Ren- beginnen – ook in achternamen als Renkens en Renken

Reinlef [Reginlêf] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en leef ‘overblijfsel, nazaat, telg’, dus ‘telg van de goden’

Reinmar, Reimer [Reginmár] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard bij de goden’

Reinmond, Reimond [Reginmund] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘beschermer van de goddelijke orde’

Reinolf [Reginulf] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en wolf ‘wolf’, dus ‘wolf van de goden’

Reinoud, Reinout [Reginold] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘heerser volgens de goddelijke orde’

Reinse, Reinze, Reins, Rense, Renze, Rens [Reginzo] koosvorm met het achtervoegsel -s- van namen die met Rein-/Ren- beginnen – ook in achternamen als Rensen

Reinte, Reint, Rente, Rent [Regintêt] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en teet ‘lief, blij’, dus ‘geliefd door de goden’ – ook in achternamen als Reinten

Reinward [Reginward] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en ward ‘hoeder’, dus ‘hoeder van de goddelijke orde’

Reinwis [Reginwís] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en wijs ‘wijs’, dus ‘wijs als de goden’ – vermoedelijk is de naam Rhijnvis (van de schrijver Rhijnvis Feith) een verbastering van deze naam

Renger [Regingêr] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en geer ‘speer’, dus ‘speer van de goden’

Renke, Renk [Reinko]

Rijk, Rik [Rík] ‘heerser, heer’ en/of koosvorm van namen die met Rijk-/Rik- beginnen – ook in achternamen als Rijksen, Rijks, Riksen, Riks

Rijker, Rikker [Ríkhere] ss. van rijk ‘heerser, heer’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘heerser-krijger, heersende krijger’

Rijkhard, Rijkert, Rikkert [Ríkhard] ss. van rijk ‘heerser, heer’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘hard, sterk als een heerser’

Rijkman [Ríkman] ss. van rijk ‘heerser, heer’ en man ‘man, mens’, dus ‘heersend man, machtig man’

Rijkolf, Rijklof [Ríkulf] ss. van rijk ‘heerser, heer’ en wolf ‘heersende wolf, machtige wolf’

Rijkward [Ríkward] ss. van rijk ‘heerser, heer’ en ward ‘hoeder’, dus ‘heerser-hoeder, heersende hoeder’

Rijkwin, Rijkewijn [Ríkwin] ss. van rijk ‘heerser, heer’ en win ‘vriend’, dus ‘heer en vriend’

Rijmer, Rimmer [Hrímhere] ss. van rijm (vermoedelijk ‘rijp, bevroren dauw’) en heer ‘heerschare, krijger’, dus mogelijk ‘rijm-krijger’ of losser ‘wijze krijger’

Rijmoud, Rijmout [Hrímold] ss. van rijm (vermoedelijk ‘rijp, bevroren dauw’) en woud ‘heerser, heer’, dus mogelijk ‘rijm-heerser’ of losser ‘wijze krijger’

Rikbert, Rikbrecht [Ríkberht] ss. van rijk ‘heerser, heer’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend als een heer’

Rikfred, Rikfert [Ríkfrith] ss. van rijk ‘heerser, heer’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘beschermend als een heer’

Rikmar [Ríkmár] ss. van rijk ‘heerser, heer’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard als heerser, vermaard om zijn macht’

Robbe, Rob [Robbo] koosvorm van namen als Robbert

Robbert, Robbrecht, Roebert [Hróthberht] ss. van roed ‘roem’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in zijn roem’ – ook in achternamen als Robbertsen, Robberts, Roebertsen en Roeberts

Robboud, Roeboud [Hróthbold] ss. van roed ‘roem’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘roemrijk boud’

Rodger [Hróthgêr] ss. van roed ‘roem’ en geer ‘speer’, dus ‘roem-speer, roemrijke speer’

Rodmar, Roemer [Hróthmár] ss. van roed ‘roem’ en maar ‘vermaard’, dus ‘roem-vermaard’

Roede [Hrótho] ‘roemrijke’ en/of koosvorm van namen die met Roed-/Rod- beginnen

Roederik, Roerik [Hróthrík] ss. van roed ‘roem’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘roemrijke heer’

Roedhard, Roedert, Roetert [Hróthhard] ss. van roed ‘roem’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘roem-hard, roemrijk sterk’ of ‘hard voor de roem’

Roeding [Hróthing] ‘roemrijke’ en/of ‘zoon, afstammeling van Roede

Roedolf, Roelof, Roelf, Rolf [Hróthulf] ss. van roed ‘roem’ en wolf ‘wolf’, dus ‘roem-wolf, roemrijke wolf’ of ‘als een wolf voor de roem’

Roedoud, Roedout [Hróthold] ss. van roed ‘roem’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘roemrijke heer’

Roedwin, Roedewijn [Hróthwin] ss. van roed ‘roem’ en win ‘vriend’, dus ‘roemrijke vriend’

Roekolf [Hrókulf] ss. van roek (vermoedelijk de kraaiachtige) en wolf ‘wolf’, dus ‘roek-wolf, als roek en wolf’

Roeland [Hróthland] ss. van roed ‘roem’ en land ‘land’, dus ‘roem-land, van een roemrijk land’ – ook in achternamen als Roelands

Roelef [Hróthlêf] ss. van roed ‘roem’ en leef ‘overblijfsel, nazaat, telg’, dus ‘roemrijke telg’

Roemoud, Roemout [Hrómold] ss. van roem ‘roem’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘roemrijke heer’

Roesten, Rosten [Hróthstên] ss. van roed ‘roem’ en steen ‘steen’, dus ‘roemrijke steen’

Rombert, Rombrecht [Hrómberht] ss. van roem ‘roem’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘roem-schitterend, schitterend in zijn roem’

Romboud [Hrómbold] ss. van roem ‘roem’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘roem-boud, boud voor de roem’: ook in achternamen als Rombouts

Runfred, Runfert [Rúnfrith] ss. van ruin ‘geheim’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘beschermer van geheimen’

S

Saks, Sas [Sahso] ‘een van het Germaanse volk der Saksen’ (zie de naamstam Saks)

Saksbern, Sasbern, Sasben [Sahsbern] ss. van Saks ‘een van het Germaanse volk der Saksen’ en bern ‘beer, krijger’, dus ‘Saksenbeer’ of losser ‘sterke Saksenkrijger’

Saksbert, Saksbrecht, Sasbert [Sahsberht] ss. van Saks ‘een van het Germaanse volk der Saksen’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘Saks-schitterend, schitterend als een Saks’

Sakserik, Sasserik [Sahsrík] ss. van Saks ‘een van het Germaanse volk der Saksen’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘Saksenheer’

Saksger, Sasger [Sahsgêr] ss. van Saks ‘een van het Germaanse volk der Saksen’ en geer ‘speer’, dus ‘Saksenspeer’

Saksmar, Sasmar [Sahsmár] ss. van Saks ‘een van het Germaanse volk der Saksen’ en maar ‘vermaard’, dus ‘Saks-vermaard, vermaard onder de Saksen’

Saksmond, Sasmond [Sahsmund] ss. van Saks ‘een van het Germaanse volk der Saksen’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘Saksenhand, beschermend als een Saks’

Sale, Saal [Salo] ‘gezonde, kloeke’ (zie de naamstam zal, zoel), nevenvormen zijn Salle, Sele, Selle en Soele

Salegast, Selegast, Salgast, Selgast [Salugast, Seligast] ss. van zal, zel, zoel ‘gezond, heel, kloek’ en gast ‘gast, reiziger, krijger’, dus mogelijk ‘kloeke reiziger’

Salle, Sal [Sallo] ‘gezonde, kloeke’, nevenvorm van Sale

Same, Saam [Samo] ‘aangename, goede’ (zie de naamstam zam, zoem), nevenvormen zijn Samme en Soeme

Samme, Sam [Sammo] ‘aangename, goede’, nevenvorm van Same

Sandraad, Sanderaad [Sandrád] ss. van zand ‘waar, waarlijk, waarachtig’ en raad ‘raad’, dus ‘ware raad’

Sane, Saan [Sano] vermoedelijk ‘vrede houdende’ (zie de naamstam zan, zoen), nevenvormen zijn Sanne en Soene

Sanne, San [Sanno] vermoedelijk ‘vrede houdende’, nevenvorm van Sane

Santer [Sandhere] ss. van zand ‘waar, waarlijk, waarachtig’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘ware krijger’

Sarefred, Sarfert, Sarvert [Sarufrith] ss. van zaruw ‘bewapening’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘gewapende beschermer’

Sareward, Saruward, Zareward, Zaruward [Saruward] ss. van zaruw ‘bewapening’ en ward ‘hoeder’, dus ‘gewapende hoeder’

Sarolf [Sarulf] ss. van zaruw ‘bewapening’ en wolf ‘wolf’, dus ‘gewapende wolf’

Schalk [Skalk, Skalko] ‘dienaar, krijger’ en/of koosvorm van namen die op -schalk eindigen

Schierboud [Skírbold] ss. van schier ‘glanzend wit, schijnend’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘schijnend in zijn boudheid’

Sedemond, Zedemond [Sidumund] ss. van zede ‘gewoonte, gebruik’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘beschermer der zeden’

Seelke, Selke [Seliko] verkleining van Sale

Segard, Segert, Zegert [Sigihard] ss. van zege ‘overwinning’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘zegevierend hard’

Segeband, Zegeband [Sigiband] ss. van zege ‘overwinning’ en band (vermoedelijk ‘binder, leider’ dan wel ‘vaandel’), dus mogelijk ‘zegevierende leider’ of ‘zegevaandel’

Segebert, Segebrecht, Zegebert, Zegebrecht [Sigiberht] ss. van zege ‘overwinning’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘zege-schitterend, schitterend in zijn overwinning’ – ook in achternamen als Segbers

Segebod, Zegebod [Sigibôd] ss. van zege ‘overwinning’ en bood ‘gebieder, leider’, dus ‘zege-leider, zegevierende leider’

Segeboud, Zegeboud [Sigibold] ss. van zege ‘overwinning’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘zegevierend boud’

Segebrand, Zegebrand [Sigibrand] ss. van zege ‘overwinning’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘zege-vlam, zege-zwaard’

Segefred, Zegefred, Zegevaart [Sigifrith] ss. van zege ‘overwinning’ en vrede ‘veiligheid, bescherming, dus ‘zegevierende beschermer’; de naam werd in de Duitse vorm Siegfried ook gedragen door de held van legenden als het Nibelungenlied

Segemar, Zegemar [Sigimár] ss. van zege ‘overwinning’ en maar ‘vermaard’, dus ‘zege-vermaard, vermaard om zijn zeges’

Segemond, Zegemond [Sigimund] ss. van zege ‘overwinning’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘zegevierende beschermer’ of ‘beschermer van de zege’

Seger, Zeger [Sigihere] ss. van zege ‘overwinning’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘zege-strijder, zegevierend krijger’ – ook in achternamen als Segers en Zegers

Segerik, Zegerik [Sigirík] ss. van zege ‘overwinning’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘zege-heer, zegevierend heerser’

Segeward, Seguward, Zegeward, Zeguward [Sigiward] ss. van zege ‘overwinning’ en ward ‘hoeder’, dus ‘zege-hoeder, zegevierende hoeder’

Segolf, Zegolf [Sigulf] ss. van zege ‘overwinning’ en wolf ‘wolf’, dus ‘zege wolf, zegevierende wolf’

Sele, Seel [Selo] ‘gezonde, kloeke’, nevenvorm van Sale

Selfraad, Selveraad, Zelveraad [Selfrád] ss. van zelf ‘zelf, eigen’ en raad ‘raad’, dus ‘zijn eigen raad’

Selle, Sel [Sello] ‘gezonde, kloeke’, nevenvorm van Sale

Sezenand, Zezenand [Sisunand] ss. van zeze ‘lange slaap, dood’ en nand ‘wagend’, dus ‘wagend tot de dood’ of ‘de dood tartend’

Sibbe [Sibbo] ‘bloedverwant’

Sikke [Sikko] koosvorm van namen die met Sege- beginnen – ook in achternamen als Sikken en Sikkens

Sindbert, Simbert, Sindbrecht, Simbrecht [Sindberht] ss. van zind ‘weg, gang’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend op zijn reizen’

Sindolf [Sindulf] ss. van zind ‘weg, gang’ en wolf ‘wolf’, dus ‘reizende wolf’

Sipke [Sibko] koosvorm met het achtervoegsel -k- van Sibbe – ook in achternamen als Sipkens

Sippe, Sip nevenvorm van Sibbe

Snelhard, Snellard, Sneldert [Snelhard] ss. van snel ‘snel, sterk, moedig’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘snel en sterk’

Soele, Soel [Sólo] ‘gezonde, kloeke’, nevenvorm van Sale

Soeme, Soem [Sómo] ‘aangename, goede’, nevenvorm van Same

Soene, Soen [Sóno] vermoedelijk ‘vrede houdende’, nevenvorm van Sane

Soete, Soet, Zoete, Zoet [Swót, Swóto] ‘zoete, lieve’

Soetman, Soeteman, Zoetman, Zoeteman [Swótman] ‘zoete man, lieve man’

Sonbert, Sonbrecht, Sombert, Sombrecht [Sónberht] ss. van zoen (vermoedelijk ‘verzoenend’) en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in zijn verzoening’

Sonderoud, Sonderout [Sundarold] ss. van zonder ‘uitzonderlijk, bijzonder, uitmuntend’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘uitzonderlijk heerser’

Staalhard, Stallard, Staldert [Stálhard] ss. van staal ‘staal, wapens’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘staal-hard, hard als staal’

Starke, Stark [Starko] ‘sterke’ en/of koosvorm van namen die met Stark- beginnen

Starker [Starkhere] ss. van stark ‘sterk’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘sterke krijger’

Starkhad, Starkad [Starkhath] ss. van stark ‘sterk, krachtig’ en hade ‘strijd, krijg’, dus ‘sterke strijd’

Starkhand [Starkhand] ss. van stark ‘sterk’ en hand ‘hand, bescherming’, dus ‘sterke hand, sterke bescherming’

Starkman [Starkman] ss. van stark ‘sterk’ en man ‘man, mens’, dus ‘sterke man’

Starkolf [Starkulf] ss. van stark ‘sterk’ en wolf ‘wolf’, dus ‘sterke wolf’

Steenhard, Stendert [Stênhard] ss. van steen ‘steen’ en hard ‘hard, sterk, verdurend, dus ‘steen-hard’

Stemar, Stemmer [Stênmár] ss. van steen ‘steen’ en maar ‘vermaard’, dus ‘steen-vermaard, van blijvende roem’

Stender [Stênhere] ss. van steen ‘steen’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘steenharde krijger’

Storm [Storm] ‘storm, aanval’

Swaaf, Swave, Zwaaf, Zwave [Swáf, Swávo] ‘een van het Germaanse volk der Zwaven’ (zie de naamstam Zwaaf)

Swante, Swant [Swantêt] ss. van zwaan ‘zwaan’ en teet ‘lief, blij’, dus ‘zwaan-lief, lieve zwaan’

Swaver, Zwaver [Swáfhere] ss. van Zwaaf ‘een van het Germaanse volk der Zwaven’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘Zwaafse krijger’ – ook in de plaatsnaam Zwavertshoek (voorheen Swafering)

Sween, Zween [Swên] ‘jongen’, de inheemse, Nederlandse tegenhanger van Scandinavisch Sven/Svein – ook in de plaatsnaam Zwijnsbergen (voorheen Sweensbergh ‘heuvel van Sween’)

Swindbert, Swimbert, Swindbrecht, Swimbrecht [Swindberht] ss. van swind ‘sterk, krachtig’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in zijn kracht’

Swindger, Swintger [Swindgêr] ss. van zwind ‘sterk’ en geer ‘speer’, dus ‘sterke speer’

Swinter [Swindhere] ss. van zwind ‘sterk’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘sterke krijger’

T

Tate, Taat [Tato] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal (zie de naamstam tat, toet), nevenvormen zijn Tatte en Toete

Tatte, Tat [Tatto] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Tate

Tele, Teel [Tilo] ‘goede, deugdzame’ en/of koosvorm bij namen die met Til-/Tel- beginnen

Tete, Teet [Têto] ‘lieve, blije’ en/of koosvorm van namen die met Teet-/Tet- beginnen

Tetman [Têtman] ss. van teet ‘lief, blij’ en man ‘man, mens’, dus ‘lieve man’

Tetmar [Têtmár] ss. van teet ‘lief, blij’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard om zijn vriendelijkheid’

Tetolf [Têtulf] ss. van teet ‘lief, blij’ en wolf ‘wolf’, dus ‘lieve wolf’

Tette, Tetto koosvorm van namen die met Tet- beginnen en/of  nevenvorm van Tate

Tetwin, Tetewijn [Têtwin] ss. van teet ‘lief, blij’ en win ‘vriend’, dus ‘lieve vriend’

Tilbert, Tilbrecht [Tilberht] ss. van til ‘goed’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend door zijn goedheid’

Tilman [Tilman] ss. van til ‘goed’ en man ‘man, mens’, dus ‘goede man’

Toete, Toet [Tóto] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Tate

Tolge, Tolg [Tolgo] vermoedelijk ‘sterke, stevige’, anders een nevenvorm van telg ‘afstammeling’ (eigenlijk ‘tak, loot’)

Tolle, Tol [Tollo] vermoedelijk ‘afstammeling, telg’, eigenlijk ‘tak’, hetzelfde woord als tol ‘soort draaiend speelgoed’ – wellicht in de achternaam Tollens

U

Ubbe [Ubbo] koosvorm van namen die met Wolf- beginnen – ook in achternamen als Ubbens en Ubben; vergelijk Obbe

Ure, Uur [Úro] ‘oeros’

Uwe [Íwo] zelfstandig gebruik van de naamstam uw, ijg ‘taxusboom’ (zie ook IJge)

W

Waal, Wale [Walh, Walho] ‘Waal, Kelt’, ook wel ‘Romein’ en ‘niet-Germaan’

Waalke, Walke [Waluko] koosvorm met het achtervoegsel -k- van Waal

Wadde, Wad [Waddo] ‘razende’, nevenvorm van Wade

Wade, Waad [Wado] ‘razende’ (zie de naamstam wad, woed), nevenvormen zijn Wadde, Wate, Watte en Woede

Wadolf [Wadulf] ss. van waad ‘razend’ en wolf ‘wolf’, dus ‘razende wolf’

Wakker, Waker [Wakar] zelfstandig gebruik van de naamstam wakker ‘waakzaam, wakend’ en/of koosvorm van namen die op -wakker eindigen

Walbert, Walbrecht [Walhberht] ss. van Waal ‘Waal, Kelt’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend als een Waal’

Walmar [Walhmár] ss. van wal (‘slagveld’ dan wel ‘geliefd’) of Waal ‘Waal, Kelt’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard op het slagveld’ of ‘geliefd en vermaard’ of ‘vermaard onder de Walen, Kelten’

Walrand, Waldrand [Walrand] ss. van wal (‘slagveld’ dan wel ‘geliefd’) of Waal ‘Waal, Kelt’ en rand ‘schild’, dus ‘beschermend op het slagveld’ of ‘geliefde beschermer’ of ‘beschermer der Walen, Kelten’

Walraven, Walram [Walhravan, Walhramn] ss. van wal (‘slagveld’ dan wel ‘geliefd’) en raven, ram ‘raaf’, dus ‘raaf van het slagveld, wijze krijger’ of ‘geliefde raaf’

Walrik, Waldrik [Walrík] ss. van wal (‘slagveld’ dan wel ‘geliefd’) of Waal ‘Waal, Kelt’ en rik ‘heerser, heer’, dus ‘heer van het slagveld’ of ‘geliefde heer’ of ‘heer der Walen, Kelten’

Warboud [Warbold] ss. van waar ‘gewaar, hoedend’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘gewaar en boud’

Ward [Ward] ‘waker, hoeder’

Warmond [Warmund] ss. van waar ‘gewaar, hoedend’ en mond ‘hand, beschermer’, dus ‘geware beschermer’

Wate, Waat [Wato] ‘razende’, nevenvorm van Wade

Watte, Wat [Watto] ‘razende’, nevenvorm van Wade

Wedegooi [Widugôio] ss. van wede ‘bos, woud’ en gooi ‘landsman, bewoner’, dus ‘woudling’

Wedekind [Widukind] ss. van wede ‘bos, woud’ en kind ‘kind, zoon’, dus ‘boskind, zoon van het woud’

Weder [Widuhere] ss. van wede ‘bos, woud’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘woudkrijger’

Wederam [Widuhramn] ss. van wede ‘bos, woud’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘woudraaf’

Wederik [Widurík] ss. van wede ‘bos, woud’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘bosheer, heer van het woud’

Welding [Welding] ‘heerser’ en/of ‘zoon, afstammeling van Woude, of anders ‘woudman’

Welp [Hwelp] zelfstandig gebruik van de naamstam welp ‘welp, wolvenjong, berenjong’ en/of koosvorm van namen die met Welp- beginnen of met -welp eindigen

Welphard, Welpert [Hwelphard] ss. van welp ‘welp, wolvenjong, berenjong’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘sterk als een welp’

Wendel [Wendil] ‘doler’ dan wel ‘een van het Germaanse volk der Wendels’

Wendelgis [Wendilgís] ss. van wendel (‘doler’ dan wel ‘een van het Germaanse volk der Wendels’) en gijzel (‘pijl’ dan wel ‘gijzelaar, edel kind’), dus ‘dolende pijl’ of ‘edele onder de Wendels’

Wendelgrim [Wendilgrím] ss. van wendel (‘doler’ dan wel ‘een van het Germaanse volk der Wendels’) en grijm ‘helm, masker, bescherming’, dus ‘dolende beschermer’ of ‘beschermer der Wendels’

Wendelmar [Wendilmár] ss. van wendel (‘doler’ dan wel ‘een van het Germaanse volk der Wendels’) en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard als doler’ of ‘vermaard onder de Wendels’

Weneboud [Winibold] ss. van win ‘vriend’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud voor zijn vrienden’

Wenefred, Wenfert [Winifrith] ] ss. van win ‘vriend’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘zijn vrienden beschermend’

Wenemar, Wemmer [Winimár] ss. van win ‘vriend’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard als vriend’; vergelijk voor de afwisseling van win- met wene- die van lid(maat) met lede(maat) – ook in achternamen als Wennemars

Werenbert, Werenbrecht [Werinberht] ss. van wern ‘hoede’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in zijn hoede’

Werenboud [Werinbold] ss. van wern ‘hoede’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud in zijn hoede’

Werner [Werinhere] ss. van wern ‘hoede’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘hoedende krijger’

Wernhard, Wernard, Werend [Werinhard] ss. van wern ‘hoede’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘sterk in zijn hoede’

Wezemar [Wisumár] ss. van wees ‘goed, edel’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard om zijn adel’

Wezerik [Wisurík] ss. van wees ‘goed, edel’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘edel heerser’

Wibbe nevenvorm van Wijbe – ook in achternamen als Wibbens

Widde, Wid [Widdo] nevenvorm van Wijde

Widmar, Wijmer [Wídmár] ss. van wijd ‘wijd, ver’ en maar ‘vermaard’, dus ‘wijd-vermaard’

Wieland [Wéland] betekent vermoedelijk ‘kunstig vervaardigend’ en zou aldus een afleiding zijn van een werkwoord dat verwant is aan o.a. Oudnoords vél ‘kunstgreep, kunstige vinding’, Oudengels wír ‘metaaldraad’ en Oudhoogduits wiara ‘gouddraad’; de naam werd ook gedragen door de mythologische meestersmid Wieland de Smid; vergelijk Wierand

Wierand [Wírand] vermoedelijk van dezelfde wortel en betekenis als Wieland

Wijbe koosvorm van namen als Wijbert, Wijboud en Wijbrand

Wijbert, Wijbrecht, Wigbert, Wigbrecht [Wígberht] ss. van wijg ‘strijd, krijg’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in de strijd’ – ook in achternamen als Wigbers en Wijbers

Wijboud, Wigboud [Wígbold] ss. van wijg ‘strijd, krijg’ en boud ‘boud, stoetmoedig’, dus ‘boud in de strijd’

Wijbrand, Wigbrand [Wígbrand] ss. van wijg ‘strijd, krijg’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘strijdvlam, krijgszwaard’ – ook in achternamen als Wijbrands

Wijde, Wijd [Wído] koosvorm bij namen die met Wijd-/Wid- beginnen

Wijgand [Wígand] afleiding van een werkwoord *wijgen ‘strijden’ (verwant aan de naamstam wijg ‘strijd, krijg’), dus ‘strijdend’

Wijger, Wicher [Wíghere] ss. van wijg ‘strijd, krijg’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘strijdbare krijger’ – ook in achternamen als Wichers

Wijghard, Wijgert, Wighard, Wichert [Wíghard] ss. van wijg ‘strijd, krijg’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘hard in de strijd’

Wijman, Wigman [Wígman] ss. van wijg ‘strijd, krijg’ en man ‘man, mens’, dus ‘krijgsman, krijger’

Wijnand, Wignand [Wígnand] ss. van wijg ‘strijd, krijg’ en nand ‘wagend’, dus ‘wagend in de strijd’

Wilder [Willihere] ss. van wil ‘wil’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘wilzaam krijger’ – ook in achternamen als Wilders

Wilke, Wilk [Williko] koosvorm met het achtervoegsel -k- van namen die met Wil- beginnen – ook in achternamen als Wilken en Wilkens

Wille, Wil [Willo] koosvorm van namen die met Wil- beginnen

Willebert, Willebrecht, Wilbert, Wilbrecht [Williberht] ss. van wil ‘wil’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in zijn wil’ – ook in achternamen als Wilberts

Willeboud, Wilboud [Willibold] ss. van wil ‘wil’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘boud in zijn wil’

Willebrand, Wilbrand [Willibrand] ss. van wil ‘wil’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘wilzame vlam, wilzaam zwaard’ – ook in achternamen als Willebrands

Willebrord [Willibrord] ss. van wil ‘wil’ en brord ‘punt, speerpunt’, dus ‘wilzame speer’

Willefred, Wilfred, Wilfert, Wilvert [Willifrith] ss. van wil ‘wil’ en vrede ‘veiligheid, bescherming’, dus ‘wilzaam beschermer’

Willeger, Wilger [Willigêr] ss. van wil ‘wil’ en geer ‘speer’, dus ‘wilzame speer’

Willehad [Willihath] ss. van wil ‘wil’ en hade ‘strijd, krijg’, dus ‘wilzame strijd’

Willekom, Wilkom, Welkom [Willikomo] ss. van wil ‘wil’ en -koom ‘iemand die komt’, dus ‘hij die naar wil komt’

Willem, Wilhelm, Willehelm [Willihelm] ss. van wil ‘wil’ en helm ‘helm, bescherming’, dus ‘wil-helm, wilzame bescherming’ – ook in achternamen als Willemsen en Willems

Willemar, Wilmar [Willimár] ss. van wil ‘wil’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard om zijn wilskracht’ – ook in achternamen als Willemars

Willeram, Wilderam, Wildram, Wilram [Willihramn] ss. van wil ‘wil’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘wilzame raaf’

Willerik, Wilderik, Wildrik, Wilrik [Willirík] ss. van wil ‘wil’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘wilzame heer’

Wilte, Wilt [Willitêt] ss. van wil ‘wil’ en teet ‘lief, blij’, dus ‘wil-lief, lieve wil’

Woede, Woed [Wódo] ‘razende’, nevenvorm van Wade

Wolf [Wulf] ‘wolf’ – ook in achternamen als Wolfsen en Wolfs

Wolfbert, Wolfbrecht, Wolbert [Wulfberht] ss. van wolf ‘wolf’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend als een wolf’ – ook in achternamen als Wolberts

Wolfbrand [Wulfbrand] ss. van wolf ‘wolf’ en brand ‘vlam, zwaard’, dus ‘wolfs zwaard’

Wolfer, Wolver [Wulfhere] ss. van wolf ‘wolf’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘wolvenkrijger, wolfse krijger’

Wolfgang [Wulfgang] ss. van wolf ‘wolf’ en gang ‘gang, reis, tocht’, dus ‘wolf-gang, gaande als een wolf’; omgekeerd bestaat Gangolf

Wolfger [Wulfgêr] ss. van wolf ‘wolf’ en geer ‘speer’, dus ‘wolf-speer, wolfse speer’

Wolfgot [Wulfgôt] ss. van wolf ‘wolf’ en goot (vermoedelijk ‘man’), dus mogelijk ‘wolfman, wolfse man’

Wolfgrim [Wulfgrím] ss. van wolf ‘wolf’ en grijm ‘helm, masker, bescherming’, dus ‘wolf-helm, beschermend als een wolf, wolfse beschermer’

Wolfhard, Wolfert, Wolvert [Wulfhard] ss. van wolf ‘wolf’ en hard ‘hard, sterk, verdurend’, dus ‘wolf-hard, hard als een wolf’

Wolfhelm [Wulfhelm] ss. van wolf ‘wolf’ en helm ‘helm, bescherming’, dus ‘wolf-helm, beschermend als een wolf, wolfse beschermer’

Wolfmar [Wulfmár] ss. van wolf ‘wolf’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard als een wolf’

Wolfmond [Wulfmund] ss. van wolf ‘wolf’ en mond ‘hand, bescherming’, dus ‘beschermend als een wolf, wolfse beschermer’

Wolfnand [Wulfnand] ss. van wolf ‘wolf’ en nand ‘wagend’, dus ‘wagend als een wolf’

Wolfoud [Wulfold] ss. van wolf ‘wolf’ en woud ‘heerser, heer’, dus ‘wolvenheer, wolfse heer’

Wolfraad [Wulfrád] ss. van wolf ‘wolf’ en raad ‘raad’, dus ‘wolf-raad, beraden als een wolf’

Wolfraven, Wolfram [Wulfhravan, Wulfhramn] ss. van wolf ‘wolf’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘wolf-raaf, als wolf en raaf’

Wolfrik, Wolverik [Wulfrík] ss. van wolf ‘wolf’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘wolvenheer, heersend als een wolf’

Wormer [Wurmhere] ss. van worm ‘draak, serpent, slang, worm’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘drakenkrijger, hij die draken bestrijdt’

Woudand, Woudend [Waldand] ‘heersend’, van het werkwoord wouden ‘heersen’, beantwoordend aan Engels wield en IJslands valda, verwant aan de naamstam woud

Woudbert, Woudbrecht, Woubert, Woubrecht [Waldberht] ss. van woud ‘heerser, heer’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend als een heer’

Woude, Woud, Wout [Wald, Waldo] ‘heerser, heer’ dan wel koosvorm van namen die met Woud-/Wout- beginnen

Wouderaad [Waldrád] ss. van woud ‘heerser, heer’ en raad ‘raad’, dus ‘heersend met raad’

Wouderaven, Wouderam [Waldhravan, Waldhramn] ss. van woud ‘heerser, heer’ en raven, ram ‘raaf’, dus ‘heersende raaf’

Wouderik [Waldrík] ss. van woud ‘heerser, heer’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘heersende heer, machtige heerser’

Woudger [Waldgêr] ss. van woud ‘heerser, heer’ en geer ‘speer’, dus  ‘heersende speer, machtige speer’

Woudmar [Waldmár] ss. van woud ‘heerser, heer’ en maar ‘vermaard’, dus ‘vermaard als heerser’

Woudolf [Waldulf] ss. van woud ‘heerser, heer’ en wolf ‘wolf’, dus ‘heersende wolf’

Wouter [Waldhere] ss. van woud ‘heerser, heer’ en heer ‘heerschare, krijger’, dus ‘strijdend als een heer, machtig krijger’

Wulderik [Wuldrík] ss. van wuld ‘glans, roem’ en rijk ‘heerser, heer’, dus ‘glanzend roemrijke heer’

Wulving, Wolving [Wulfing] ‘wolfling’ en/of ‘zoon, afstammeling van Wolf

Wunneboud [Wunnibold] ss. van wonne/wunne ‘vreugde, genot’ en boud ‘boud, stoutmoedig’, dus ‘vreugdevol en boud’

Terug naar boven
One Comment

Trackbacks

  1. Germaanse namen herbezocht « Taaldacht

Reacties zijn gesloten.