Skip to content

Vrouwelijke namen

Dit is slechts een greep uit de voorraad vrouwelijke Germaanse namen die van oudsher voorkwamen in Nederland en omstreken. Gegeven zijn de vormen zoals die zijn volgens het algemeen Nederlands – afwijkende Friese en Saksische vormen zijn niet inbegrepen.

Ga naar
* de lijst met mannelijke namen
* de lijst met Germaanse naamstammen
* enkele regels voor het samenstellen van een Germaanse naam
* de inleiding met verwijzingen

Nederlandse vorm(en) [Oudnederlandse vorm(en)] duiding

A

Abbe, Abba [Abba] ‘krachtige’, nevenvorm van Ave

Adde, Adda [Adda] ‘telg, voorouder’, eigenlijk ‘nakomende, voorgaande’, nevenvorm van Ade

Ade, Ada [Ada] samenval van twee namen: 1 ‘telg, voorouder’, eigenlijk ‘nakomende, voorgaande’ (zie de naamstam ad, oed), nevenvormen zijn Adde, Atte en Oede 2 koosvorm van namen die met Adel- beginnen

Adelburg, Alburg [Athalburg] ss. van adel ‘goede afkomst’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘edele burcht, beschermster van goede afkomst’

Adele, Adela [Athala] koosvorm van namen die met Adel- beginnen

Adelflaad [Athalflád] ss. van adel ‘goede afkomst’ en vlaad ‘schoonheid’, dus ‘(van) edele schoonheid’

Adelgard, Algard [Athalgard] ss. van adel ‘goede afkomst’ en gaard ‘gaard, bescherming’, dus ‘edele gaard, beschermster van goede afkomst’

Adelheid, Aleid [Athalheid] stamenstelling van adel ‘goede afkomst’ en heid ‘stand, waardigheid’, dus ‘edelheid, edele waardigheid’

Adellind, Adelind, Adellinde, Adelinde [Athallind] ss. van adel ‘goede afkomst’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘edel-zacht, zachtmoedig door goede afkomst’

Adelmoed, Almoed [Athalmód] ss. van adel ‘goede afkomst’ en moed ‘geest, gemoed’, dus ‘edel gemoed’

Adelswind, Alswind, Adelswinde[Athalswind] ss. van adel ‘goede afkomst’ en zwind ‘sterk’, dus ‘sterk door goede afkomst’

Adelwij, Alewij [Athalwíh] ss. van adel ‘goede afkomst’ en wij ‘heiligdom’, dus ‘edel heiligdom’

Age, Aga [Aga] ‘felle, strijdbare’ (zie de naamstam ag, oeg), nevenvormen zijn Agge, Ake, Akke en Oege

Agge, Agga [Agga] ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Age

Ake, Aka [Aka] ‘felle,  strijdbare’, nevenvorm van Age

Akke, Akka [Akka] ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Age

Ale, Ala [Ala] samenval van twee namen: 1 ‘kind’, eigenlijk ‘jonge, groeiende’ (zie de naamstam al, oel), nevenvormen zijn Alle en Oele 2 koosvorm van namen die met Adel-/Al- beginnen

Alfgard, Elfgard [Alfgard, Elfgard] ss. van alf, elf ‘zeker edel wezen’ en gaard ‘gaard, bescherming’, dus ‘elvengaard, beschermend als een elf’

Alfhild, Elfhild, Alfhilde, Elfhilde [Alfhild, Elfhild] ss. van alf, elf ‘zeker edel wezen’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘elvenstrijd, strijdend als een elf’

Alflind, Elflind, Aflinde, Elflinde [Alflind, Elflind] ss. van alf, elf ‘zeker edel wezen’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘elf-zacht, zachtmoedig als een elf’

Alfrade, Elfrade, Alverade, Elverade [Alfráda, Elfráda] ss. van alf, elf ‘zeker edel wezen’ en raad ‘raad’, dus ‘elf-raad, beraden als een elf’

Alfruin, Elfruin, Alveruin, Elveruin, Alveruine, Elveruine, Alverun, Elverun [Alfrún, Elfrún] ss. van alf, elf ‘zeker edel wezen’ en ruin ‘geheim’, dus ‘elvengeheim, zij die elvengeheimen kent’

Alle, Alla [Alla] ‘kind’, eigenlijk ‘jonge, groeiende’, nevenvorm van Ale

Ame, Ama [Ama] samenval van drie namen: 1 ‘onvermoeibare, volhardende’ (zie de naamstam am, oem), nevenvormen zijn Amme en Oeme 2 brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal (zie de naamstam am, oem), nevenvormen zijn Amme en Oeme 3 koosvorm van namen die met Amel- beginnen

Amelberge [Amalberga] ss. van amel ‘onvermoeibaar’ en berge (mogelijk ‘beschermster’), dus mogelijk ‘onvermoeibare beschermster’

Ameldruid [Amalthrúth] ss. van amel ‘onvermoeibaar’ en druid ‘kracht’, dus ‘onvermoeibare kracht’

Amellind, Amelind, Amellinde, Amelinde [Amallind] ss. van amel ‘onvermoeibaar’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘onvermoeibaar zachtmoedig’

Amelswind, Amelswinde [Amalswind] ss. van amel ‘onvermoeibaar’ en zwind ‘sterk’, dus ‘onvermoeibaar sterk’

Amme, Amma [Amma] ‘onvermoeibare, volhardende’, nevenvorm van Ame

Ane, Ana [Ana] ‘levenskrachtige, bezielde’ (zie de naamstam an, oen), nevenvormen zijn Anne en Oene

Anne, Anna [Anna] ‘levenskrachtige, bezielde’, nevenvorm van Ane

Ansgard [Ansgard] ss. van ans ‘godheid’ en gaard ‘gaard, bescherming’, dus ‘goden-gaard, beschermend als de goden’

Anshild, Ansild, Anshilde, Ansilde [Anshild] ss. van ans ‘godheid’ en hild ‘strijd, krijg’, dus ‘goden-strijd, strijdend als de goden’

Answij, Anzewij [Answíh] ss. van ans ‘godheid’ en wij ‘heiligdom’, dus ‘heiligdom als van de goden’

Arnhild, Arnild, Arnhilde, Arnilde [Arnhild] ss. van arn ‘arend’ en hild ‘strijd, krijg’, dus ‘arend-strijd, strijdend als een arend’

Aslind, Aslinde [Asklind] ss. van as ‘essen, speer’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘speer-zacht, zachtmoedig als een speer’

Ate, Ata [Ata] samenval van drie namen: 1 ‘felle, strijdbare’ (zie de naamstam at, oet), nevenvormen zijn Atte en Oete 2 brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal (zie de naamstam at, oet), nevenvormen zijn Atte en Oete 3 ‘telg, voorouder’, eigenlijk ‘nakomende, voorgaande’, nevenvorm van Ade

Atte, Atta [Atta] samenval van drie namen: 1 ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Ate 2 brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Ate 3 ‘telg, voorouder’, eigenlijk ‘nakomende, voorgaande’, nevenvorm van Ade

Ave, Ava [Ava] samenval van twee namen: 1 ‘krachtige’ (zie de naamstam af, oef), nevenvormen zijn Abbe, Appe en Oeve 2 koosvorm van namen die met Aver- beginnen

Aveke, Aafke [Avaka] koosvorm met het achtervoegsel -k- van Ave

Averhild, Averild, Averhilde, Averilde [Avarhild] ss. van aver ‘kracht’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘kracht-strijd, krachtig strijdend’

B

Babbe, Babba [Babba] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Bave

Badde, Badda [Badda] vermoedelijk ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Bade

Bade, Bada [Bada] samenval van twee namen: 1 vermoedelijk ‘felle, strijdbare’ (zie de naamstam bad, boed), nevenvormen zijn Badde, Bate, Batte en Boede 2 koosvorm van namen die met Bade- beginnen

Badehild, Badehilde [Baduhild] ss. van baduw ‘strijd, krijg’, dus ‘krijgsstrijd, strijdbaar krijgster’

Badelog, Badeloge [Badulôg] ss. van baduw ‘strijd, krijg’ en loge (vermoedelijk ‘vrouw, echtgenote’, anders ‘vlam’ of ‘zuiverheid’), dus mogelijk ‘strijdbare vrouw’

Baderuin, Baderuine, Baderun [Badurún] ss. van baduw ‘strijd, krijg’ en ruin ‘geheim’, dus ‘krijgsgeheim, zij die krijgsgeheimen kent’

Bane, Bana [Bana] ‘glanzende, mooie’ (zie de naamstam ban, boen), nevenvormen zijn Banne en Boene

Banne, Banna [Banna] ‘glanzende, mooie’, nevenvorm van Bane

Bate, Bata [Bata] samenval van twee namen: ‘goede, uitstekende’ (zie de naamstam bat, boet), nevenvormen zijn Batte en Boete 2 vermoedelijk ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Bade

Batte, Batta [Batta] samenval van twee namen: 1 ‘goede, uitstekende’, nevenvorm van Bate 2 vermoedelijk ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Bade

Bave, Bava [Bava] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal (zie de naamstam baf, boef), nevenvormen zijn Babbe, Bappe en Boeve

Beledruid [Bilithrúth] ss. van beel (vermoedelijk ‘schijnend’) en druid ‘kracht’, dus mogelijk ‘schijnende kracht’

Belegard [Biligard] ss. van beel (vermoedelijk ‘schijnend’) en gaard ‘gaard, bescherming’, dus mogelijk ‘schijnende gaard, schijnend in haar bescherming’

Belegond, Belegonde [Biligund] ss. van beel (vermoedelijk ‘schijnend’) en gonde ‘strijd, krijg’, dus mogelijk ‘schijnende strijd, schijnend in de strijd’

Belehild, Belehilde [Bilihild] ss. van beel (vermoedelijk ‘schijnend’) en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘schijnende strijd, schijnend in de strijd’

Beleke [Bilika] koosvorm met het achtervoegsel -k- van namen die met Bele- beginnen

Berlind, Berlinde [Berlind] ss. van beer ‘beer, krijger’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘beer-zacht, zachtmoedig als een berin’

Bernhild, Bernild, Bernhilde, Bernilde [Bernhild] ss. van bern ‘beer, krijger’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘beer-strijd, strijdend als een berin’

Berswind, Berswinde [Berswind] ss. van beer ‘beer, krijger’ en zwind ‘sterk’, dus ‘beresterk’

Berte, Berta, Brechte, Brechta [Bertha] ‘schitterende’ dan wel koosvorm van namen die met Bert- beginnen of met -berte eindigen

Berthild, Bertild, Berthilde, Bertilde [Berhthild] ss. van bert, brecht ‘schitterend’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘schitterende strijd, schitterend in de strijd’

Bertlind, Bertelind, Bertelinde [Berhtlind] ss. van bert, brecht ‘schitterend’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘schitterend in haar zachtmoedigheid’

Bertrade [Berhtráda] ss. van bert, brecht ‘schitterend’ en raad ‘raad’, dus ‘schitterende raad’

Bette, Betta [Betta] koosvorm van namen die met Bert- beginnen of met -berte eindigen

Blijdhild, Blijdeld, Bijdhilde [Blíthhild] ss. van blijde ‘genadig’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘genadige strijd, genadig in de strijd’

Boede, Boeda [Bóda] vermoedelijk ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Bade

Boene, Boena [Bóna] ‘glanzende, mooie’, nevenvorm van Bane

Boete, Boeta [Bóta] ‘goede, uitstekende’, nevenvorm van Bate

Boeve, Boeva [Bóva] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Bave

Brunhild, Brunnild, Brunhilde, Brunnilde [Brunhild] ss. van brunne ‘ringhemd, halsberg’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘beschermde strijd, schildmaagd’

Burgrade [Burgráda] ss. van burg ‘burcht, bescherming’ en raad ‘raad’, dus ‘burcht-raad, beraden in haar bescherming’

D

Dabbe, Dabba [Dabba] ‘goede, verwante’, nevenvorm van Dave

Dadde, Dadda [Dada] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Dade

Dade, Dada [Dada] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal (zie de naamstam dad, doed), nevenvormen zijn Dadde, Date, Datte en Doede

Dagnieuw, Dagenieuw, Dagnie, Dagenie [Dagniu] ss. van dag ‘dag, het stralen van de dag’ en nieuw ‘nieuw, jong’, dus ‘jong als de dag’ of losser ‘stralende dochter’

Dagrade, Dagerade [Dagráda] ss. van dag ‘dag, het stralen van de dag’ en raad ‘raad’, dus ‘stralende raad’

Dane, Dana [Dana] vermoedelijk ‘onstuimige’, (zie de naamstam dan, doen) nevenvormen zijn Danne, Dene, Denne en Doene

Dankburg [Thankburg] ss. van dank ‘gedachte, geest’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘bedachtzame beschermster’ of  ‘haar geest beschermende’

Danne, Danna [Danna] vermoedelijk ‘onstuimige’, nevenvorm van Dane

Dappe, Dappa [Dappa] ‘goede, verwante’, nevenvorm van Dave

Date, Data [Data] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Dade

Datte, Datta [Datta] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Dade

Dave, Dava [Dava] ‘goede, verwante’, nevenvormen zijn Dabbe, Dappe en Doeve

Dene, Dena [Dena] vermoedelijk ‘onstuimige’, nevenvorm van Dane

Denne, Denna [Denna] vermoedelijk ‘onstuimige’, nevenvorm van Dane

Diedberge, Detberge [Theodberga] ss. van diede ‘volk’ en berge (mogelijk ‘beschermster’) dus mogelijk ‘volk-beschermster, beschermster van haar volk’

Diede, Dieda [Theoda] koosvorm van namen die met Died- beginnen

Diedele, Diele [Theodala] koosvorm met het achtervoegsel -l- van namen die met Died- beginnen

Diederieke [Theodríka] ss. van diede ‘volk’ en rijke ‘heerster, vrouwe’, dus ‘vrouwe van haar volk’

Diedeware [Theodwara] ss. van diede ‘volk’ en waar ‘gewaard, hoedend’, dus ‘volk-hoedend, haar volk hoedend’

Diedewij [Theodwíh] ss. van diede ‘volk’ en wij ‘heiligdom’, dus ‘volk-heiligdom,  heiligdom van haar volk’

Diedgard, Detgard [Theodgard] ss. van diede ‘volk’ en gaard ‘gaard, bescherming’, dus ‘volk-gaard, beschermster van haar volk’

Diedlind, Detlind, Diedelinde, Detlinde [Theodlind] ss. van diede ‘volk’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘volk-zacht, zachtmoedig voor haar volk’

Diedswind, Detswind, Diedeswinde, Detswinde [Theodswind] ss. van diede ‘volk’ en zwind ‘sterk’, dus ‘volk-sterk, sterk door haar volk’

Doede, Doeda [Dóda] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Dade

Doene, Doena [Dóna] vermoedelijk ‘onstuimige’, nevenvorm van Dane

Doeve, Doeva [Dóva] ‘goede, verwante’, nevenvorm van Dave

Druide, Druida [Thrútha] koosvorm van namen die met Druid- beginnen (of met -druid eindigen)

Druidhild, Druidehild, Druidehilde [Thrúthhild] ss. van druid ‘kracht’ en hild ‘strijd, krijg’, dus ‘krachtige strijd’

Druidlind, Druidelinde, Druilind [Thrúthlind] ss. van druid ‘kracht’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘sterk en zacht’

Duive [Dúva] ‘duif’

E

Edis [Idis] ‘voorname vrouw’ en/of koosvorm van namen die met Edis- beginnen

Edisburg [Idisburg] ss. van edis ‘voorname vrouw’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘beschermend als een voorname vrouw’

Edisgard [Idisgard] ss. van edis ‘voorname vrouw’ en gaard ‘gaard, bescherming’, dus ‘beschermend als een voorname vrouw’

Eilburg, Elburg [Egilburg] ss. van eil ‘fel, strijdbaar’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘fel in haar bescherming’

Eile, Eila [Egila] ‘felle, strijdbare’ en/of koosvorm van namen die met Eil- beginnen

Eilswind, Elswind [Egilswind] ss. van eil ‘fel, strijdbaar’ en zwind ‘sterk’, dus ‘fel-sterk’

Eine, Eina [Egina] ‘felle, strijdbare’ en/of koosvorm van namen die met Ein- beginnen

Einhild, Einild, Einhilde, Einilde [Eginhild] ss. van ein ‘fel, strijdbaar’ en hild ‘strijd, krijg’, dus ‘felle strijd’

Eisburg [Egisburg] ss. van eis ‘ontzagwekkend’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘ontzagwekkend in haar bescherming’

Eize, Eiza [Egisa] ‘ontzagwekkend’ en/of koosvorm van namen die met Eis- beginnen

Emke, Emka [Emmuka] koosvorm met het achtervoegsel -k- van namen die met Ermen- beginnen

Emme, Emma [Emma] koosvorm van namen die met Ermen- beginnen

Engelburg [Engilburg] ss. van Engel ‘een van het Germaanse volk der Engelen’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘Engel-burcht, beschermend als een Engel’

Engeldruid [Engilthrúth] ss. van Engel ‘een van het Germaanse volk der Engelen’ en druid ‘kracht’, dus ‘Engel-kracht, sterk als een Engel’

Engele, Engela [Engila] ‘een van het Germaanse volk der Engelen’ (zie de naamstam Engel) en/of koosvorm van namen die met Engel- beginnen

Engelrade [Engilráda] ss. van Engel ‘een van het Germaanse volk der Engelen’ en raad ‘raad’, dus ‘Engel-raad, raadwetend als een Engel’

Engelswind, Engelswinde [Engilswind] ss. van Engel ‘ een van het Germaanse volk der Engelen’ en zwind ‘sterk’, dus ‘Engel-sterk, sterk als een Engel’

Engelware [Engilwara] ss. van Engel ‘een van het Germaanse volk der Engelen’ en waar ‘gewaar, hoedend’, dus ‘Engel-hoedend, hoedend als een Engel’

Erkenburg [Erkanburg] ss. van erkan ‘zuiver, heilig’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘zuivere bescherming’

Erkene [Erkana] ‘zuivere, heilige’ en/of koosvorm van namen die met Erken- beginnen

Erkenheid [Erkanheid] ss. van erken ‘zuiver, heilig’ en heid ‘stand, waardigheid’, dus ‘zuiverheid,  zuivere waardigheid’

Erkenrade [Erkanráda] ss. van erken ‘zuiver, heilig’ en raad ‘raad’, dus ‘zuivere raad’

Ermendruid [Ermanthrúth, Irminthrúth] ss. van ermen ‘groots, verheven’ en druid ‘kracht’, dus ‘grootse kracht’

Ermene, Ermena [Ermana, Irmina] ‘grootse, verhevene’ en/of koosvorm van namen die met Ermen- beginnen

Ermenflaad [Ermanflád, Irminflád] ss. van ermen ‘groots, verheven’ en vlaad ‘schoonheid’, dus ‘(van) grootse schoonheid’

Ermengard [Ermangard, Irmingard] ss. van ermen ‘groots, verheven’ en gaard ‘gaard, bescherming’, dus ‘grootse gaard, verheven beschermster’

Ermenlind, Ermelind, Ermenlinde, Ermelinde [Ermanlind, Irminlind] ss. van ermen ‘groots, verheven’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘verheven in haar zachtmoedigheid’

Eve, Eva [Eva] koosvorm van namen die met Ever- beginnen

Evergard [Evorgard] ss. van ever ‘ever(zwijn), wild zwijn’ en gaard ‘gaard, bescherming’, dus ‘ever-gaard, beschermend als een ever’

Everhild, Everild, Everhilde, Everilde [Evorhild] ss. van ever ‘ever(zwijn, wild zwijn’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘ever-strijd, strijdend als een ever’

Everlog, Everloge [Evorlôg] ss. van ever ‘ever(zwijn, wild zwijn’ en loge (vermoedelijk ‘vrouw, echtgenote’, anders ‘vlam’ of ‘zuiverheid’), dus mogelijk ‘vrouw (sterk) als een ever’

F

Fagerlind, Fagerlinde [Fagarlind] ss. van vager ‘mooi’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘mooi en zacht’

Fare, Fara [Fara] ‘telg, voorouder’, eigenlijk ‘nakomende, voorgaande’ (zie de naamstam var, voer), nevenvormen zijn Farre en Foere

Farre, Farra [Farra] ‘telg, voorouder’, eigenlijk ‘nakomende, voorgaande’, nevenvorm van Fare

Farehild, Faarhild, Farild, Farehilde [Farahild] ss. van vare  ‘afkomst, geslacht’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘strijdend voor verwanten’

Faste, Fasta [Fasta] ‘vaste, standvastige, trouwe’ en/of koosvorm bij namen die met Fast- beginnen

Fastrade [Fastráda] ss. van vast ‘vast, standvastig, trouw’ en raad ‘raad’,  dus ‘vaste raad, betrouwbare raad’

Feerle, Ferla [Ferila] verkleining van Fare

Feinhild, Feinild, Feinhilde, Feinilde [Feginhild] ss. van vein (vermoedelijk ‘vreugdevol’) en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘vreugdevolle strijd, strijdend met vreugde’

Flademelle [Fládimella] ss. van vlaad ‘schoonheid’ en mel (vermoedelijk ‘glanzend wit’), dus mogelijk ‘glanzend wit in haar schoonheid’; het is een van de oudste namen die in Nederland is overgeleverd, gekorven in een steen in de 1e eeuw na Christus

Foere, Foera [Fóra] ‘telg, voorouder’, eigenlijk ‘nakomende, voorgaande’, nevenvorm van Fare

Folklind, Folklinde, Volklind, Volklinde [Folklind] ss. van volk ‘volk’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus  ‘zachtmoedig voor haar volk’

Folkmoed, Volkmoed [Folkmód] ss. van volk ‘volk’ en moed ‘geest, gemoed’, dus ‘met haar volk in haar geest’

Folkswind, Folkswinde, Volkswind, Volkswinde [Folkswind] ss. van volk ‘volk’ en zwind ‘sterk’, dus ‘volk-sterk, sterk door haar volk’

Folkwij, Volkwij [Folkwíh] ss. van volk ‘volk’ en wij ‘heiligdom’, dus ‘volk-heiligdom, heiligdom van haar volk’

Franke, Franka [Franka] ‘een van het Germaanse volk der Franken’, letterlijk ‘vrije, vrijmoedige’ (zie de naamstam Frank)

Fredegond, Fredegonde [Frithugund] ss. van vrede ‘veiligheid, bescherming’ en gonde ‘strijd, krijg’, dus ‘beschermende strijd, strijdend voor veiligheid’

Fredelind, Fredelinde [Frithulind] ss. van vrede ‘veiligheid, bescherming’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘beschermend-zachtmoedig’

Frederieke [Frithuríka] ss. van vrede ‘veiligheid, bescherming’ en rijke ‘heerster, vrouwe’, dus ‘vrouwe van de veiligheid, beschermende vrouwe’

Frederuin, Frederuine, Frederun [Frithurún] ss. van vrede ‘veiligheid, bescherming’ en ruin ‘geheim’, dus ‘beschermingsgeheim, zij die geheimen van bescherming kent’

Fredeswind, Fredeswinde [Frithuswind] ss. van vrede ‘veiligheid, bescherming’ en zwind ‘sterk’, dus ‘sterk in haar veiligstelling, bescherming’

Fredewij [Frithuwíh] ss. van vrede ‘veiligheid, bescherming’ en wij ‘heiligdom’, dus ‘veilig heiligdom’

Frouwe, Vrouwe [Frouwa] ‘voorname vrouw’

G

Gadde, Gadda [Gadda] ‘goede, verwante’, nevenvorm van Gade

Gade, Gada [Gada] ‘goede, verwante’ (zie de naamstam gad, goed), nevenvormen zijn Gadde, Gatte en Goede

Gale, Gala [Gala] vermoedelijk ‘glanzende’, anders ‘zingende’ (zie de naamstam gal, goel), nevenvormen zijn Galle en Goele

Galle, Galla [Galla] vermoedelijk ‘glanzende’, anders ‘zingende’, nevenvorm van Gale

Gatte, Gatta [Gatta] ‘goede, verwante’, nevenvorm van Gade

Gerberge [Gêrberga] ss. van geer ‘speer’ en berge (mogelijk ‘beschermster’), dus mogelijk ‘speer-beschermster’ of losser ‘strijdbare beschermster’

Gerbrun [Gêrbrun] ss. van geer ‘speer’ en brunne ‘ringhemd, halsberg’, dus ‘speer-bescherming’ of losser ‘strijdbare bescherming’

Gerburg [Gêrburg] ss. van geer ‘speer’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘speer-burcht’ of losser ‘strijdbare beschermster’

Gerdruid [Gêrthrúth] ss. van geer ‘speer’ en druid ‘kracht’, dus ‘speer-kracht’ of losser ‘sterk in de strijd’

Gerhild, Gerild, Gerhilde, Gerilde [Gêrhild] ss. van geer ‘speer’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘speer-strijd’ of losser ‘fel strijdend’

Gerlind, Gerlinde [Gêrlind] ss. van geer ‘speer’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘speer-zacht, zachtmoedig als een speer’

Gerware, Gereware [Gêrwara] ss. van geer ‘speer’ en waar ‘gewaar, hoedend’, dus ‘speer-hoedend’ of losser ‘strijdbaar hoedend’

Gerwij, Gerewij [Gêrwíh] ss. van geer ‘speer’ en wij ‘heiligdom’, dus ‘speer-heiligdom’ of losser ‘strijdbaar heiligdom’

Geve, Geva [Geva] ‘geschenk’

Gijshild, Gijzild, Gijshilde, Gijzilde [Gísilhild] ss. van gijzel (‘pijl’ dan wel ‘gijzelaar, edel kind’) en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘pijl-strijd, vlugge strijd’ of ‘edele strijd’

Gijzelberge [Gísilberga] ss. van gijzel (‘pijl’ dan wel ‘gijzelaar, edel kind’) en berge (mogelijk ‘beschermster’) dus, mogelijk ‘vlugge beschermster’ of ‘edele beschermster’

Gijzele, Gijzela [Gísila] betekenis onwis: ‘pijl’ dan wel ‘gijzelaar, edel kind’, anders koosvorm van namen die met Gijzel-/Gijs- beginnen

Godelieve [Godoleova] ss. van god ‘godheid’ en lief ‘bemind’, dus ‘goden-bemind’

Godelind, Godelinde [Godolind] ss. van god ‘godheid’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘goden-zacht, zachtmoedig als de goden’

Goede, Goeda [Góda] ‘goede, verwante’, nevenvorm van Gade

Goedele, Goele [ Gódila] verkleining van Goede en/of koosvorm van namen die met Goed- beginnen

Goederade [Gódráda] ss. van gad, goed ‘goed, verwant’ en raad ‘raad’, dus ‘goede raad’

Gonda, Gonda [Gunda] koosvorm van namen die met Gond- beginnen of met -gond eindigen

Gonderade [Gundráda] ss. van gonde ‘strijd, krijg’ en raad ‘raad’, dus ‘krijgsraad, raadwetend in de strijd’

Goudruin, Gouderuin, Gouderuine, Gouderun [Goldrún] ss. van goud ‘goud’ en ruin ‘geheim’, dus ‘gulden geheim’ of losser ‘zeer kostbaar’

Grimhild, Grimhilde [Grímhild] ss. van grijm ‘helm, masker, bescherming’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘helm-strijd, strijdend voor bescherming’

Grimware [Grímwara] ss. van grijm ‘helm, masker, bescherming’ en waar ‘gewaar, hoedend’, dus ‘helm-hoedend, gewaar in haar bescherming’

H

Habbe, Habba [Habba] ‘overwinnende, slagende’, nevenvorm van Have

Hadde, Hadda [Hadda] vermoedelijk ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Hade

Hade, Hada [Hada] samenval van twee namen: 1 vermoedelijk ‘felle, strijdbare’ (zie de naamstam had, hoed), nevenvormen zijn Hadde, Hate, Hatte en Hoede 2 koosvorm van namen die met Hade- beginnen

Hadeburg [Hathuburg] ss. van hade ‘strijd, krijg’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘krijgsburcht, strijdbare beschermster’

Hadelog, Hadeloge [Hathulôg] ss. van hade ‘krijg, strijd’ en loge (vermoedelijk ‘vrouw, echtgenote’, anders ‘vlam’ of ‘zuiverheid’), dus mogelijk ‘strijdbare vrouw’

Haderuin, Haderuine, Haderun [Hathurún] ss. van hade ‘strijd, krijg’ en ruin ‘geheim’, dus ‘krijgsgeheim, zij die krijgsgeheimen kent’

Hadewij, Hadewijg [Hathuwíh] ss. van hade ‘strijd, krijg’ en wij ‘heiligdom’, dus ‘krijgsheiligdom’

Hane, Hana [Hana] mogelijk ‘strevende’, anders ‘zingende’ (zie de naamstam han, hoen), nevenvormen zijn Hanne en Hoene

Hanne, Hanna [Hanna] mogelijk ‘strevende’, anders ‘zingende’, nevenvorm van Hane

Happe, Happa [Happa] ‘overwinnende, slagende’, nevenvorm van Have

Hasse, Hassa [Hassa] ‘glanzende, grijze, wijze’, nevenvorm van Haze

Hate, Hata [Hata] vermoedelijk ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Hade

Hatte, Hatta [Hatta] vermoedelijk ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Hade

Have, Hava [Hava] ‘overwinnende, slagende’ (zie de naamstam haf, hoef), nevenvormen zijn Habbe, Happe en Hoeve

Haze, Haza [Hasa] ‘glanzende, grijze, wijze’ (zie de naamstam has, hoes), nevenvormen zijn Hasse en Hoeze

Heile, Heila [Heila] koosvorm van namen die met Heil- beginnen

Heilewij [Heilwíh] ss. van heil ‘heil, heelheid, voorspoed’ en wij ‘heiligdom’, dus ‘voorspoedig heiligdom’

Heilswind, Helswind, Heilswinde, Helswinde [Heilswind] ss. van heil ‘heil, heelheid, voorspoed’ en zwind ‘sterk’, dus ‘heil-sterk, sterk door voorspoed’

Heilwijf [Heilwíf] ss. van heil ‘heil, heelheid, voorspoed’ en wijf ‘vrouw’, dus ‘heil-vrouw, voorspoedige vrouw’

Hemeldruid [Himilthrúth] ss. van hemel ‘hemel’ en druid ‘kracht’, dus ‘hemelse kracht’

Herlind, Herlinde [Herilind] ss. van heer ‘heerschare, krijger’ en lind ‘zachtmoedig’, dus ‘zachtmoedig als een heerschare’

Hilde, Hilda [Hilda] koosvorm van namen die met Hilde- beginnen of met -hild eindigen

Hildeburg, Hilburg [Hildiburg] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘krijgsburcht, strijdbare beschermster’

Hildegard, Hilgard [Hildigard] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en gaard ‘gaard, bescherming’, dus ‘krijgsgaard, strijdbare beschermster’

Hildegond, Hilgond, Hildegonde [Hildigund] ss. van hilde  ‘strijd, krijg’ en gonde ‘strijd, krijg’, dus ‘krijg-strijd, strijdbaar in de strijd’

Hildemoed, Hilmoed [Hildimód] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en moed ‘geest, gemoed’, dus  ‘strijd-gemoed, strijdmoedig’

Hildenieuw, Hildenie [Hildiniu] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en nieuw ‘nieuw, jong’, dus ‘strijdbaar op jonge leeftijd’ of ‘strijdbare dochter’

Hildeswind, Hilswind, Hildeswinde [Hildiswind] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en zwind ‘sterk’, dus ‘strijd-sterk, sterk in de strijd’

Hildeware [Hildiwara] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en waar ‘gewaar, hoedend’, dus ‘hoedend in de strijd, strijdbaar gewaar’

Hildewijf [Hildiwíf] ss. van hilde ‘strijd, krijg’ en wijf ‘vrouw’, dus ‘strijd-vrouw, krijgsvrouw’

Hoede, Hoeda [Hóda] vermoedelijk ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Hade

Hoene, Hoena [Hóna] mogelijk ‘strevende’, anders ‘zingende’, nevenvorm van Hane

Hoeve, Hoeva [Hóva] ‘overwinnende, slagende’, nevenvorm van Have

Hoeze, Hoeza [Hósa] ‘glanzende, grijze, wijze’, nevenvorm van Haze

Houde, Houda [Holda] ‘trouwe, genegene’

Hunswind [Húnswind] ss. van huin (wel iets als ‘knuppel, knaap’) en zwind ‘sterk’, dus ‘sterk als een knaap’

I

IJde, IJda [Ída] ‘vlijtige’ en/of koosvorm bij namen die met IJd-/Id-/It- beginnen, zoals IJdeburg

IJdeburg [Ídaburg] ss. van ijd ‘vlijtig’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘vlijtige beschermster’

IJsburg [Ísanburg] ss. van ijzen ‘ijzer’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘ijzerburcht, ijzeren beschermster’

IJzeke, IJske [Ísika] koosvorm met het achtervoegsel -k- van namen die met IJzen-/IJs- beginnen

IJzenberge [Ísanberga] ss. van ijzen ‘ijzer’ en berge (mogelijk ‘beschermster’), dus mogelijk ‘ijzeren beschermster’

IJzengard [Ísangard] ss. van ijzen ‘ijzer’ en gaard ‘gaard, bescherming’, dus ‘ijzergaard, ijzeren beschermster’

Imke [Immika] nevenvorm van Emke

Imme, Imma [Imma] nevenvorm van Emme

Inge, Inga [Inga] ‘een van het Germaanse volk der Ingen’ en/of koosvorm van namen die met Ing- beginnen

Ingeberte, Ingebrechte [Ingiberhta] ss. van Ing ‘een van het Germaanse volk der Ingen’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend onder de Ingen’

Ingeburg, Ingburg [Ingiburg] ss. van Ing ‘een van het Germaanse volk der Ingen’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘Ingen-burcht, beschermster der Ingen, beschermend als een Ing’

Ingehild, Inghild, Inghilde [Ingihild] ss. van Ing ‘een van het Germaanse volk der Ingen’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus  ‘Ingen-strijd, strijdend voor de Ingen, strijdend als een Ing’

K

Keunegond, Keunegonde [Kunigund] ss. van kunne ‘goed geslacht’ en gonde ‘strijd, krijg’ dus ‘edele strijd’

Keunewij [Kuniwíh] ss. van kunne ‘goed geslacht’ en wij ‘heiligdom’, dus ‘edel heiligdom’

L

Landburg, Lamburg [Landburg] ss. van land ‘land, vaderland’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘land-burcht, beschermster van haar land’

Landerade [Landráda] ss. van land  ‘land, vaderland’ en raad ‘raad’, dus ‘land-raad, raadwetend voor haar land’

Liefburg, Lieveburg [Leofburg] ss. van lief ‘bemind’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘beminde burcht, beminde beschermster’

Liefhild, Lieveld, Liefhilde [Leofhild] ss. van lief ‘bemind’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘beminde strijd, bemind krijgster’

Lieve [Leova] ‘beminde’ en/of koosvorm van namen die met Lief- beginnen

Linde, Linda [Linda] ‘zachte, zachtmoedig’ en/of koosvorm van namen die met Lind- beginnen of met -lind eindigen

Luidburg, Ludburg [Liudburg] ss. van luide ‘volk’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘volk-burcht, beschermster van haar volk’

Luiderade, Luidrade [Liudráda] ss. van luide ‘volk’ en raad ‘raad’, dus ‘volk-raad, raadwetend voor haar volk’

Luidewij [Liudwíh] ss. van luide ‘volk’ en wij ‘heiligdom’, dus ‘volk-heiligdom, heiligdom van haar volk’

Luidgard, Ludgard [Liudgard] ss. van luide ‘volk’ en gaard ‘gaard, bescherming’, dus ‘volk-gaard, beschermster van haar volk’

M

Machthild, Machteld, Machtilde [Mahthild] ss. van macht ‘macht, vermogen’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘machtige strijd, machtig in de strijd’

Madelberte, Malberte, Madelbrechte, Malbrechte [Mathalberhta] ss. van mathal ‘rechtspraak’ en bert, brecht ‘schitterend’, dus ‘schitterend in de rechtspraak’

Mame, Mama [Mama] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal (zie de naamstam mam, moem), nevenvormen zijn Mamme en Moeme

Mamme, Mamma [Mamma] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Mame

Marhild, Marild, Marhilde, Marilde [Márhild] ss. van maar ‘vermaard’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘vermaarde strijd, vermaard in de strijd’

Marlind, Marlinde [Márlind] ss. van maar ‘vermaard’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘vermaard zachtmoedig’

Meine, Meina [Megina] koosvorm van namen die met Mein- beginnen

Meinewij [Meginwíh] ss. van mein ‘machtig’ en wij ‘heiligdom’, dus ‘machtig heiligdom’

Meinhild, Meinild, Meinhilde, Meinilde [Meginhild] ss. van mein ‘machtig’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘machtige strijd, machtig in de strijd’

Meinsind [Meginsind] ss. van mein ‘machtig’ en zind (mogelijk ‘sibbe’), dus mogelijk ‘machtige sibbe, machtig door haar afkomst’

Meinswind [Meginswind] ss. van mein ‘machtig’ en zwind ‘sterk’, dus ‘machtig sterk, zeer sterk’

Minne, Minna [Minna] ‘liefde’

Moeme, Moema [Móma] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Mame

N

Nane, Nana [Nana] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal (zie de naamstam nan, noen), nevenvormen zijn Nanne en Noene

Nanne, Nanna [Nanna] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Nane

Nerswind [Neriswind] ss. van neer (vermoedelijk ‘mannelijk, sterk, dapper’) en zwind ‘sterk’, dus mogelijk ‘manhaftig sterk, sterk als een man’

Noene, Noena [Nóna] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Nane

O

Odberge [Ôdberga] ss. van ood ‘voorspoed’ en berge (mogelijk ‘beschermster’), dus mogelijk ‘voorspoedige beschermster’

Ode, Oda [Ôda] koosvorm van namen die met Ood-/Od- beginnen

Odgeve [Ôdgeva] ss. van ood ‘voorspoed’ en geve ‘geschenk’, dus ‘voorspoedig geschenk’

Oede, Oeda [Óda] ‘telg, voorouder’, eigenlijk ‘nakomende, voorgaande’, nevenvorm van Ade

Oedele, Oedela [Óthila, Óthala] koosvorm van namen die met Oel-/Ol- beginnen

Oege, Oega [Óga] ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Age

Oele, Oela [Óla] ‘kind’, eigenlijk ‘jonge, groeiende’, nevenvorm van Ale

Oeme, Oema [Óma] samenval van twee namen: 1 ‘onvermoeibare, volhardende’, nevenvorm van Ame 2 brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Ame

Oene, Oena [Óna] ‘levenskrachtige, bezielde’, nevenvorm van Ane

Oete, Oeta [Óta] samenval van twee namen: 1 ‘felle, strijdbare’, nevenvorm van Ate 2 brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Ate

Oeve, Oeva [Óva] ‘krachtige’, nevenvorm van Ave

Olburg [Óthilburg, Óthalburg] ss. van oedel, oel ‘erfgoed, vaderland’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘erfgoed-burcht, beschermster van haar erfgoed’

Olgard [Óthilgard, Óthalgard] ss. van oedel, oel ‘erfgoed, vaderland’ en gaard ‘gaard, bescherming’, dus ‘erfgoed-gaard, beschermster van haar erfgoed’

Olhild, Olhilde [Óthilhild, Óthalhild] ss. van oedel, oel ‘erfgoed, vaderland’ en hilde ‘strijd, krijg’,  dus ‘erfgoed-strijd, strijdend voor haar erfgoed, vaderland’

Oosterhild, Oosterhilde [Ôstarhild] ss. van ooster (vermoedelijk ‘lichtend’) en hild ‘strijd, krijg’, dus mogelijk ‘lichtende strijd’

Oosterware [Ôstarwara] ss. van ooster (vermoedelijk ‘lichtend’) en waar ‘gewaar, hoedend’, dus mogelijk ‘lichtend hoedend’

Oudburg, Ouburg [Aldburg] ss. van oud ‘oud, wijs’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘wijze beschermster’

R

Radburg, Raburg [Rádburg] ss. van raad ‘raad’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘beraden beschermster’

Radlind, Radelind, Radelinde [Rádlind] ss. van raad ‘raad’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘zachtmoedig in haar raad’

Radswind, Radeswind, Radeswinde [Rádswind] ss. van raad ‘raad’ en zwind ‘kracht’, dus ‘krachtig in haar raad’

Ramburg [Hramburg] ss. van raven, ram ‘raaf’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘beschermend als een raaf’ of losser ‘wijze beschermster’

Reinburg, Remburg [Reginburg] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘beschermster van de goddelijke orde’

Reine, Reina [Regina] koosvorm van namen die met Rein- beginnen

Reingard [Regingard] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en gaard ‘gaard, bescherming’, dus ‘beschermster van de goddelijke orde’

Reinhild, Reinild, Reinhilde, Reinilde [Reginhild] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘krijgster voor de goddelijke orde’

Reinlind [Reginlind] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘zacht als de goden’

Reinske, Renske [Reginska] koosvorm van namen die met Rein- beginnen

Reinswind [Reginswind] ss. van rein ‘de goden, goddelijke orde’ en zwind ‘sterk’, dus ‘sterk als de goden’

Rijkhild, Rikhild, Rijkild, Rijkhilde, Rijkilde [Ríkhild] ss. van rijk ‘heerser, heer’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘heersend in de strijd’

Rijklind, Riklind, Rijkelinde [Ríklind] ss. van rijk ‘heerser, heer’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘heersend in haar zachtmoedigheid’

Rikgard [Ríkgard] ss. van rijk ‘heerser, heer’ en gaard ‘gaard, bescherming’, dus ‘heersende gaard, heersend in haar bescherming’

Riksind [Ríksind] ss. van rijk ‘heerser, heer’ en zind (mogelijk ‘sibbe’), dus mogelijk ‘heersende sibbe, heersend door haar sibbe’

Rikst, Rixt [Ríkiza] koosvorm met het achtervoegsel -s-/-z-/-ts- van namen die met Rijk-/Rik- beginnen

Rikswind [Ríkswind] ss. van rijk ‘heerser, heer’ en zwind ‘sterk’, dus ‘heersend sterk, heersend in haar kracht’

Rodgard [Hróthgard] ss. van roed ‘roem’ en gaard ‘gaard, bescherming’, dus ‘roem-gaard, roemrijke bescherming’

S

Saksia, Saskia [Sahsia] ‘een van het Germaanse volk der Saksen’

Sale, Sala [Sala] ‘gezonde, kloeke’ (zie de naamstam zal, zoel), nevenvormen zijn Salle, Sele, Selle en Soele

Salle, Salla [Salla] ‘gezonde, kloeke’, nevenvorm van Sale

Same, Sama [Sama] ‘aangename, goede’ (zie de naamstam zam, zoem), nevenvormen zijn Samme en Soeme

Samme, Samma [Samma] ‘aangename, goede’, nevenvorm van Same

Sane, Sana [Sana] vermoedelijk ‘vrede houdende’ (zie de naamstam zan, zoen), nevenvormen zijn Sanne en Soene

Sanne, Sanna [Sanna] vermoedelijk ‘vrede houdende’, nevenvorm van Sane

Sare, Sara, Saar [Sara] koosvorm van namen die met Sare- beginnen

Sarehild, Saarhild, Sarild, Sarehilde [Saruhild] ss. van zaruw ‘bewapening’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘gewapende strijd’

Sarre, Sarra, Sar [Sarra] nevenvorm van Sare

Schoneberge [Skôniberga] ss. van schoon ‘mooi’ en berge (vermoedelijk ‘beschermster’), dus ‘mooie beschermster’

Seelke, Selke [Selika] verkleining van Sale

Segeburg, Zegeburg [Sigiburg] ss. van zege ‘overwinning’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘zege-burcht, zegevierend in haar bescherming, beschermster van de zege’

Segelind, Segelinde, Zegelind, Zegelinde [Sigilind] ss. van zege ‘overwinning’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘zege-zachtmoedig, zegevierend in haar zachtmoedigheid’

Segenieuw, Segenie, Zegenieuw, Zegenie [Siginiu] ss. van zege ‘overwinning’ en nieuw ‘nieuw, jong’, dus ‘zege-nieuw’ of losser ‘zegevierende dochter’

Segerade, Zegerade [Sigiráda] ss. van zege ‘overwinning’ en raad ‘raad’, dus ‘zege-raad, overwinnend in haar raad’

Segewij, Zegewij [Sigiwíh] ss. van zege ‘overwinning’ en wij ‘heiligdom’, dus ‘zege-heiligdom’

Sele, Seel [Sela] ‘gezonde, kloeke’, nevenvorm van Sale

Selle, Sella [Sella] ‘gezonde, kloeke’, nevenvorm van Sale

Soele, Soela [Sóla] ‘gezonde, kloeke’, nevenvorm van Sale

Soeme, Soema [Sóma] ‘aangename, goede’, nevenvorm van Same

Soene, Soena [Sóna] vermoedelijk ‘vrede houdende’, nevenvorm van Sane

Soete, Soeta, Zoete [Swóta] ‘zoete, lieve’

Soetwijf, Soetewijf, Zoetwijf, Zoetewijf [Swótwíf] ‘zoete vrouw, lieve vrouw’

Songard [Sóngard] ss. van zoen (vermoedelijk ‘verzoenend’) en gaard ‘gaard, bescherming’, dus ‘verzoenende beschermster’

Stillemoed, Stilmoed [Stillimód] ss. van stil ‘stil, rustig’ en moed ‘geest, gemoed’, dus ‘stil gemoed, rustige geest’

Swanburg, Zwaanburg [Swanburg] ss. van zwaan ‘zwaan’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘zwaan-burcht, beschermend als een zwaan’

Swane, Swana, Zwane [Swana] ‘zwaan’

Swanhild, Swanild, Swanhilde, Swanilde, Zwaanhild [Swanhild] ss. van zwaan ‘zwaan’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘zwaan-strijd, strijdend als een zwaan’

T

Tate, Tata [Tata] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal (zie de naamstam tat, toet), nevenvormen zijn Tatte en Toete

Tatte, Tatta [Tatta] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Tate

Tetburg [Têtburg] ss. van teet ‘lief’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘lieve beschermster’

Tete, Teta [Têta] ‘lieve’ en/of koosvorm van namen die met Teet-/Tet- beginnen

Toete, Toeta [Tóta] brabbelnaam voor verwanten, ontstaan in de kindertaal, nevenvorm van Tate

W

Walburg [Walburg] ss. van wal (mogelijk ‘slagveld’) en burg ‘burcht, bescherming’, dus mogelijk ‘beschermster van hen op het slagveld’

Wendelburg [Wendilburg] ss. van wendel (vermoedelijk ‘een van het Germaanse volk der Wendels’) en burg ‘burcht, bescherming’, dus mogelijk ‘beschermend als een Wendel’

Wendele, Wendela [Wendila] vermoedelijk ‘een van het Germaanse volk der Wendels’ en/of koosvorm van namen die met Wendel- beginnen

Wijburg [Wíhburg] ss. van wij ‘heiligdom’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘heilige burcht, heilige bescherming’

Wijmoed [Wíhmód] ss. van wij ‘heiligdom’ en moed ‘geest, gemoed’, dus ‘heilig gemoed’

Wijverade [Wífráda] ss. van wijf ‘vrouw’ en raad ‘raad’, dus ‘vrouwelijke raad, vrouwelijk inzicht’

Wille, Willa [Willa] ‘wil’ en/of koosvorm van namen die met Wil- beginnen

Willeburg, Wilburg [Williburg] ss. van wil ‘wil’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘wil-burcht, wilzame bescherming’

Willeke [Willika] koosvorm met het achtervoegsel -k- van Wille en/of namen die met Wille- beginnen

Willemoed, Welmoed [Willimód] ss. van wil ‘wil’ en moed ‘geest, gemoed’, dus ‘wilzaam gemoed, wilskrachtige geest’

Wolfburg [Wulfburg] ss. van wolf ‘wolf’ en burg ‘burcht, bescherming’, dus ‘wolf-burcht, beschermend als een wolvin’

Wolfgard [Wulfgard] ss. van wolf ‘wolf’ en gaard ‘gaard, bescherming’, dus ‘wolf-gaard, beschermend als een wolvin’

Wolfhild, Wolfhilde [Wulfhild] ss. van wolf ‘wolf’ en hilde ‘strijd, krijg’, dus ‘wolf-strijd, strijdend als een wolvin’

Wolflind, Wolflinde, Wolvelinde [Wulflind] ss. van wolf ‘wolf’ en lind ‘zacht, zachtmoedig’, dus ‘wolf-zacht, zachtmoedig als een wolvin’

Wolfswind, Wolfswinde [Wulfswind] ss. van wolf ‘wolf’ en zwind ‘sterk’, dus ‘wolf-sterk, sterk als een wolvin’

Terug naar boven
Advertenties
One Comment

Trackbacks

  1. Germaanse namen herbezocht « Taaldacht

Reacties zijn gesloten.