Skip to content

Aanvoegsels

Bij het smeden van een woord kan men kiezen tussen samenstelling, waarbij men twee woorden aaneen voegt, en afleiding, waarbij men een voor- of achtervoegsel aan een woord voegt. Hieronder volgt een lijst van bekende en minder bekende voor- en achtervoegsels. Het Nederlands heeft buitengewoon veel bruikbare bouwstenen ter smeding van nieuwe woorden.

VOORVOEGSELS

a- (‘niet, zonder’)

bij zelfstandig naamwoord (Middelnederlands amacht, vanwaar amechtig)

ant- (‘tegen, weder’)

bij zelfstandig naamwoord (antwoord, Antwerpen)

bal- (‘slecht’)

bij zelfstandig naamwoord (Middelnederlands balmond, *baldaad, vanwaar baldadig)
bij bijvoeglijk naamwoord (balorig < *balhorig, balsturig)

be- (‘tot lijdend voorwerp maken, voorzien van, e.d.’)

bij bijvoeglijk naamwoord (bang < *bi-ang-)
bij zelfstandig naamwoord (beglazen)
bij werkwoord (bekijken, beloven, beluisteren)

et- (‘weer, terug’)

bij zelfstandig naamwoord (etmaal, etgras)
bij bijvoeglijk naamwoord (etgroen)

ge- (‘handeling, gevolg, voorzien van, veelvoudig, volledig, tezamen, e.d.’)

bij zelfstandig naamwoord (gevecht, gebouw, geaard)
bij bijvoeglijk naamwoord (geheel, getrouw)
bij werkwoord (gedragen, gebieden, geworden)

her- (‘opnieuw, weer’)

bij werkwoord (hernemen, herkennen, herzien)

in- (‘zeer, tot het binnenste’)

bij bijvoeglijk naamwoord (inzwart, inzielig, inslecht)

me(d)e- (‘eveneens’)

bij zelfstandig naamwoord (medewerker, medemens)
bij bijvoeglijk naamwoord (medeaansprakelijk, medeverantwoordelijk)
bij werkwoorden (meeleven, meewerken, meegaan)

mis- (‘verkeerd verricht, verkeerd verrichten’)

bij zelfstandig naamwoord (misdaad, miskraam)
bij werkwoord (mismaken, mishandelen, misvatten)

0n- (‘niet, slecht’)

bij zelfstandig naamwoord (ondier, onweer, onkruid)
bij bijvoeglijk naamwoord (onguur, onachtzaam, onaardig)

ont- (‘verwijderen van, stoppen van, beginnen van, e.d.’)

bij zelfstandig naamwoord (ontbossen, ontknopen)
bij bijvoeglijk naamwoord (ontheiligen)
bij werkwoorden (ontbinden, ontbranden, ontwennen)

oor- (‘uit, oud’)

bij zelfstandig naamwoord (oorsprong, oorzaak, oordeel)

te- (‘in tweeën, stuk, uiteen’)

bij werkwoord (Middelnederlands testoren ‘vernietigen’, tebreken)

ver- (‘verwijdering, vernietiging, versterking van, worden of maken tot’)

bij werkwoord (verbannen, vergaan, vergulden)

wan- (‘gebrekkig, verkeerd’)

bij zelfstandig naamwoord (wanhoop, wandaad, wansmaak)

zene- (‘altijd, aanhoudend, oud’)

bij bijvoeglijk naamwoord (zenegroen, Middelnederlands senewel ‘rond’)
bij zelfstandig naamwoord (seneschalk, zondvloed, vervormd o.i.v. zonde)


ACHTERVOEGSELS

Ter smeding van een bijvoeglijk naamwoord

-acht (‘voorzien van, behept met’)

bij zelfstandig naamwoord (Vroegmiddelnederlands jaracht ‘oud’)

-achtig (‘lijkend op, voorzien van’)

bij zelfstandig naamwoord (twijfelachtig, stormachtig, houtachtig)
bij bijvoeglijk naamwoord (roodachtig)
bij werkwoord (huichelachtig, woonachtig)

-baar (‘geschikt tot, voortbrengend, dragend, rijk aan’)

bij zelfstandig naamwoord (vruchtbaar, dankbaar, gangbaar)
bij overgankelijk werkwoord (drinkbaar, breekbaar, draagbaar)
bij onovergankelijk werkwoord (brandbaar, vloeibaar)
bij bijvoeglijk naamwoord (middelbaar)

-d/-t

bij wortel van werkwoord (oud < *aldaz bij *alan ‘voeden, groeien’)

-el/-er

bij wortel van werkwoord (wakker bij waken, bitter bij bijten, wankel)
bij zelfstandig naamwoord (schamel bij Middelnederlands schame ‘schaamte’)

-en (‘van een bepaalde stof, zoals’)

bij zelfstandig naamwoord (stenen, zilveren, geiten)

-erig

bij zelfstandig naamwoord (zanderig, houterig)
bij werkwoord (lacherig, hebberig)

-ig (‘hebbende, enigszins’)

bij zelfstandig naamwoord (hongerig, handig, mondig)
bij bijvoeglijk naamwoord (nattig, goedig)
bij werkwoord (begerig, gelovig)
bij telwoord (enig)
bij bijwoord (nederig)

-lijk (‘passend bij, de kenmerken hebbend van, behorend bij, toebehorend aan, e.d.’)

bij zelfstandig naamwoord (degelijk, aanzienlijk, schadelijk)
bij bijvoeglijk naamwoord (lelijk, kwalijk)
bij werkwoord (afhankelijk, begrijpelijk, sterfelijk)
bij bijwoord (achterlijk)
bij woord in vergelijkende trap (innerlijk, uiterlijk)

-loos (‘zonder’)

bij zelfstandig naamwoord (geruisloos, draadloos)
bij zelfstandig naamwoord of werkwoord (slapeloos, hopeloos)
bij werkwoord (roerloos, reddeloos)

-matig (‘overeenkomstig’)

bij zelfstandig naamwoord (stelselmatig, kunstmatig)
bij bijvoeglijk naamwoord (gelijkmatig)

-n

bij wortel van werkwoord (groen bij groeien, schoon bij schouwen)

-s (‘zoals, geneigd tot’)

bij zelfstandig naamwoord (aards, hemels, boers)
bij werkwoord (waaks, speels, steels)
bij bijvoeglijk naamwoord (groots, stuurs)

-zaam (‘geneigd tot’)

bij zelfstandig naamwoord (vreedzaam, minzaam, handzaam)
bij bijvoeglijk naamwoord (langzaam, gemeenzaam)
bij werkwoord (gehoorzaam, waakzaam, werkzaam)


Ter smeding van een bijwoord

-jes/-etjes/-pjes

bij bijvoeglijk naamwoord (zachtjes, stilletjes, warmpjes)

-lijk (zie -lijk in bijvoeglijk gebruik)

-ling(s)

bij zelfstandig naamwoord (mondeling, zijdelings)
bij werkwoord (rakelings, ijlings)
bij voorzetsel (onderling)

-s

bij zelfstandig naamwoord (daags)
bij bijvoeglijk naamwoord (rechts, slechts)
bij voornaamwoord (zelfs)
bij bijwoord (
immers)
bij werkwoord (
vergeefs, willens)

-weg (‘wijze van’)

bij bijvoeglijk naamwoord (domweg, ruwweg)
bij bijwoord (verreweg)


Ter smeding van een werkwoord

-elen/-eren (‘herhaald’)

bij werkwoord (trappelen bij trappen, bibberen bij beven)

-en

bij zelfstandig naamwoord (dromen, galmen, stormen)

-igen

bij zelfstandig naamwoord (stenigen, huldigen)
bij bijvoeglijk naamwoord (reinigen)

-iken (‘herhaald’)

bij werkwoord (grinniken bij grijnen, hinniken bij Oudnederlands hinnen)

-ken (‘sterker’)

bij werkwoord (snurken bij snorren, horken bij horen)

-sen/-zen

bij werkwoord (grijnzen bij grijnen)
bij bijvoeglijk naamwoord (kleinzen, Middelnederlands meersen)

-ten

bij wortel van werkwoord (kouten < *kalten bij kallen)

Ter smeding van een zelfstandig naamwoord

-aar/-er (‘uitvoerende’)

bij werkwoord (minnaar, wekker, renner)

-d/-t (‘handeling, uitvoering, gevolg’)

bij wortel van werkwoord (daad bij gedaan, gloed bij gloeien, bocht bij gebogen)
bij bijvoeglijk naamwoord (dorst bij dor < *þurzu-)

-de/-te

bij bijvoeglijk naamwoord (liefde, hoogte, lengte)
bij werkwoord (geboorte, beroerte)

-dom (‘toestand, gezag van’)

bij zelfstandig naamwoord (christendom, hertogdom)
bij bijvoeglijk naamwoord (heiligdom, rijkdom, vrijdom)

-e

bij bijvoeglijk naamwoord (koude, waarde)

-el (‘kleine vorm van, afkomstig van, horend bij’)

bij zelfstandig naamwoord (stengel bij stang, ijzel bij ijs, eikel bij eik)

-el (‘uitvoerende’)

bij wortel van werkwoord (beul < beudel bij bieden)

-el (‘zaak, werktuig’)

bij wortel van werkwoord (vleugel bij vliegen, hengel bij hangen)

-en (‘gevolg, handeling, uitvoerende’)

bij wortel van werkwoord (leugen bij liegen, schepen bij scheppen)

-enaar (‘uitvoerende’)

bij zelfstandig naamwoord (kunstenaar, schuldenaar)

-heid (‘toestand, hoedanigheid, geheel van’)

bij zelfstandig naamwoord (mensheid, christenheid)
bij bijvoeglijk naamwoord (hoogheid, schoonheid, domheid)
bij bijwoord (overheid)
bij woord in vergelijkende trap (meerderheid, minderheid)
bij telwoord (eenheid)

-ik (‘vogel, werktuig’)

bij wortel van werkwoord (havik bij hebben, alk, deuvik)

-in (‘vrouwelijke vorm van’)

bij zelfstandig naamwoord (wolvin, koningin, berin)

-ing (‘behorend bij, afstammeling van’)

bij zelfstandig naamwoord (koning bij kunne, Vlaming bij *flaum- ‘overstroomd gebied’)
bij eigennaam (Karoling bij Karel de Grote)

-ing (‘handeling, werking, middel tot, gevolg van’)

bij werkwoord (voeding, verbanning, handeling)

-je/-etje/-pje

bij zelfstandig naamwoord (huisje, mannetje, boompje)

-kunde (‘wetenschap’)

bij bijvoeglijk naamwoord (wiskunde)
bij werkwoord (scheikunde, meetkunde, geneeskunde)
bij zelfstandig naamwoord (aardrijkskunde, zielkunde, sterrekunde)

-ling (‘persoon’)

bij zelfstandig naamwoord (eeuweling, ellendeling, stedeling)
bij bijvoeglijk naamwoord (jongeling, vreemdeling, stommeling)
bij werkwoord (nakomeling, leerling, drenkeling)
bij telwoord (eenling, tweeling, drieling)

-m

bij wortel van werkwoord (helm bij helen, bloem bij bloeien, doem bij doen)

-nis/-enis/-tenis

bij bijvoeglijk naamwoord (duisternis, vuilnis)
bij werkwoord (betekenis, kennis, gebeurtenis)
bij zelfstandig naamwoord (beeltenis)

-oede

bij bijvoeglijk naamwoord (armoede)
bij zelfstandig naamwoord (Middelnederlands hemoede bij heem ‘thuis, vaderland’)

-schap (‘gestalte, vorm, geaardheid, toestand, geheel van’)

bij zelfstandig naamwoord (gezelschap, landschap, vriendschap)
bij bijvoeglijk naamwoord (blijdschap, zwangerschap)
bij werkwoord (wetenschap, zeggenschap)

-sel (‘wat dient tot, het gevolg van een handeling’)

bij werkwoord (raadsel, weefsel, voedsel)

-sem (‘horend bij, gevolg van’)

bij werkwoord (bliksem bij blijken, bloesem bij bloeien)

-st (‘handeling, toestand’)

bij wortel van werkwoord (dienst, kunst, gunst)

-ster vrouwelijke vorm van -er

-te, ge- (‘verzameling van’)

bij zelfstandig naamwoord (gebergte, gebeente, gesteente)

-tuig (‘middel, gerei, machine’)

bij werkwoord (zintuig, vliegtuig, voertuig)

-uw (‘horend bij’)

bij oude wortels (zwaluw, zenuw)