Bijwolf — aanhef

Wat ons van Geer-Denen1 in vergane dagen,
van ringkoningen roem verteld werd,
hoe die edelingen ijver toonden!
 Schild Schoving nam scharen vijanden,
5 menige maagschap, vaak medezetels af,
deed heervolk huiveren, na ooit hulpeloos
gevonden te zijn. Geveiligd werd hij,
wies onder wolken, in waarding gedijend,
totdat hem ieder van de omwoners
10 over de haaiengang2 gehoren moest,
met gaven begelden. Dat was een goed koning!
Met tijd was hem een telg geboren,
jong in de gaarden, wie God het volk
als troost toezond; Hij zag de tegenspoed
15 die ze eerder arm zonder aanvoerder
lang lijden moesten. Dus gaf de Levensheer,
Wijzer van Weidsheid, hun wereldeer:
Bouw was beroemd—zijn bloei sprong wijd—
de scheut van Schild in de Schadelanden.3
20 Zo zal een jonge gast met goed bewerken,
van vaders schoot met vorstengiften,
dat hem op leeftijd later bijstaan
trouwe gezellen, wanneer twist kome
hem lieden volgen; bij lofdaden zal
25 in elke maagschap een man gedijen.
 Schild vertrok toen in de beschikte tijd
naar de hoede van de Heer, manhaftig nog.
Ze brachten hem op baar naar branding toe,
de hechte gezellen, zo hij zelf ooit bad
30 wijl hij voerde met woorden. De vriend der Schildingen,4
hun lieve landvorst, had lang bezeten—
daar gereed stond de geringde steven,5
ijzig en uitwaarts—een edelingenschip.
Ze legden toen de geliefde koning,
35 schenker van ringen, in de schoot van het hout,
de vermaarde bij mast. Er was menige gift,
van wegen ver een weelde gebracht.
Niet schoner weet ik een schuit gerust
met handwapens en heergewaden,
40 brunnen6 en zwaarden. Te borst lagen hem
vele duurheden die ver met hem
in de macht der zee meegaan zouden.
Geenszins tooiden ze hem met giften minder,
met volksschatten, dan zij vroeger deden
45 die hem aanvankelijk voort ontzonden,
alleen over de baren als boreling ooit.
Toen gordden ze nog een gulden vaandel
hoog boven hoofd, lieten het haf7 hem dragen,
gaven aan de golven; hun geest was droef,
50 een rouwend gemoed. Mannen kunnen
niet zeker zeggen, zaalberadenden,
helden onder hemelen, wie die heervracht ving.

vorigeoverzichtvolgende

1. In het gedicht hebben de namen van volken en geslachten vaak een toevoeging, meestal ten behoeve van het stafrijm, in dit geval Oudengels gár ‘speer’, evenknie van ons oude geer, zoals nog schuilt in namen als Gerard, Gerlind en Rutger.
2. Oudengels hronrád, een kenning voor ‘zee’. Wordt vanouds geduid als ‘walvisweg’, doch rád betekent niet ‘weg’ maar ‘rit, rijding’, terwijl hron/hran indertijd weliswaar vaak Latijn ballaena ‘walvis’ vertaalde maar soms ook duidelijk onderscheiden werd van hwæl ‘walvis’ en mereswín ‘dolfijn, bruinvis e.d.’, beide Germaans erfgoed. Mogelijk dan betekende het (tevens) ‘haai’. Daar is immers anders geen Oudengels woord voor te vinden. Te denken geeft ook IJslands hrani ‘onvriendelijke, wrede man’ als mogelijke evenknie. Bovendien vertelt Bijwolf in regel 540 hoe hij eens hronfixas moest afweren met zwaard, eerder haaien dus, al zou fixas ‘vissen’ daar juist ter onderscheiding toegevoegd kunnen zijn.
3. Oudengels Sċedelandum (3e nv.), nevenvorm van Sċedeníġ (regel 1686) voor het uiterste zuiden van Zweden, destijds Deens land van oudsher.
4. De Schildingen zijn Schilds telgen en volk, de Denen. Het achtervoegsel -ing beduidde eigenschap en vandaar ook toebehoren en afstamming.
5. Vergelijk de ingekrulde stevens van het 9e-eeuwse Osebergschip te Oslo of de halsringen op een 4e-eeuwse steven in de Schelde bij Moerzeke-Mariekerke.
6. Hier is brunne ‘maliënkolder’ de verwachte evenknie van o.a. Oudengels byrne, IJslands brynja en Duits Brünne, ook in de naam Brünhild. Dit was een werend hemd dat uit vele geschakelde ijzeren ringetjes bestond.
7. Het oude woord haf ‘zee’ is een evenknie van o.a. Fries hêf en Deens hav.