Onopvallende Engelse evenknieën

Zie ook de inleiding.

NederlandsEngels
bak in bakboord, achterbaksback ‘rug’
barenbear ‘dragen’
barnen in barnsteenburn ‘branden’
bergbarrow ‘grafheuvel’
bert/brecht in namen als Albertbright ‘helder, schitterend’
bezoekenbeseech ‘smeken, dringend verzoeken’
braambroom ‘bezem’, ouder ‘takkenbos’
brandbrand ‘merk’, ouder ‘brandmerk’
dapperdapper ‘netjes; zwierig’
dekkenthatch ‘rietdekken’
dekker, Dekkerthatcher ‘rietdekker’, Thatcher
dijkditch ‘sloot’
draaienthrow ‘gooien’
dragendraw ‘trekken; tekenen’
duindown ‘omlaag, neer’, ouder of dúne ‘heuvel af’
duur, gewestelijk dier, vanwaar dierbaardear ‘lief, dierbaar’
eisen, ouder eischenask ‘vragen’
ganggang ‘bende’, ouder ‘reisgezelschap’
gardeyard ‘wisse lengtemaat’, ouder ‘(meet)stok’
gatgate ‘poort’, ouder ‘doorgang’
gebruikenbrook ‘dulden’, ouder ‘verdienen, genieten’
geldenyield ‘opbrengen’, ouder ‘betalen’
gladglad ‘blij’, ouder ‘blinkend, glanzend’
goedkoopcheap ‘goedkoop’, ouder good cheap
graag, ouder gradiggreedy ‘gierig’
hengsthench in henchman ‘handlanger’, ouder ‘paardenknecht’
herfstharvest ‘oogst’
jeukenitch ‘jeuken, kriebelen’, ouder yicchen
kaakcheek ‘wang’
kaar in karigcare ‘zorg’
kerelchurl ‘plattelander; boerenkinkel’
kleinclean ‘schoon’, ouder ‘fijn’
knechtknight ‘ridder’
koenkeen ‘gretig; scherp van geest; scherp’
kond in kond doen ‘bekend maken’couth in uncouth ‘ruw’, ouder ‘vreemd, onbekend’
koopman, KoopmanChapman
krachtcraft ‘ambacht’, ouder ‘vaardigheid’
kruien, ouder kruiden ‘voortduwen’crowd ‘verdringen, dicht bij elkaar staan’
kuiper, Kuipercooper ‘kuipenmaker’, Cooper
kunne ‘geslacht’kin ‘verwanten’
lopenleap ‘vooruitspringen’
lotlot ‘heleboel; kavel; aandeel’
luchtloft ‘zolder(kamer)’
lustenlist ‘willen, wensen’
maar in maarschalk, eig. ‘paardenknecht’mare ‘merrie’, ouder ‘paard’
makker, ouder *gemackematch ‘wedstrijd; stel; gelijke’, ouder gemæcca ‘passende’
mein in namen als Meindertmain ‘voornaamst, hoofd-’, ouder ‘machtig, krachtig’
naar ‘akelig’narrow ‘smal, eng’
naastnext ‘volgende’, next to ‘naast’
noodneed ‘noodzaak; behoefte’
rad ‘snel’rath in rather ‘eerder, liever’
radenread ‘lezen’
reeprope ‘touw’
rekenenreckon ‘beschouwen, menen; rekenen’
rugridge ‘richel, bergkam’
spaanspoon ‘lepel’
spoedspeed ‘snelheid’
steigerstair ‘trap’
sterkstark ‘schril; grimmig; stijf’
taaltale ‘verhaal, vertelling’
toomteam ‘ploeg’
trouwtrue ‘waar’
tuintown ‘kleine stad, dorp’
vastfast ‘snel’, ouder ‘stevig’
veefee ‘wedde’, ouder ‘geld, bezit’
vliesfleece ‘schaapsvacht’
vrucht in godsvruchtfright ‘angst, vrees, schrik’
weddenwed ‘trouwen’, ouder ‘plechtig beloven’
wrangwrong ‘verkeerd’
wurgenworry ‘zich zorgen maken; lastigvallen’, ouder ‘verstikken’
zaligsilly ‘dwaas’, ouder ‘argeloos, onschuldig’
zaaksake ‘belang; oogmerk’
zatsad ‘verdrietig’, ouder ‘vermoeid; vol, verzadigd’
zorgsorrow ‘verdriet’