| 710 | Toen kwam van moer onder mistige heuvels |
| Grendel lopen, droeg Gods woede. | |
| De misdoener meende van het mensengeslacht | |
| een te verstrikken in die steile zaal, | |
| wendde onder wolken tot hij het wijngebouw, | |
| 715 | de zongulden zaal, ten zekerste wist, |
| edel met opsmuk. Was niet de eerste keer | |
| dat hij van Rutger de roemhal bezocht. | |
| Nimmer in zijn lijfdagen, later noch eerder, | |
| vond hij haldegens tot harder gelag. | |
| 720 | Kwam toen ter vesting die vechter getogen, |
| van dromen1 ontdeeld. De deur bezweek, | |
| met vuurbanden vast,2 zodra hij die met vingers raakte. | |
| Brak toen met baldaad, nu hij verbolgen was, | |
| de zaalmond open. Gezwind vervolgend | |
| 725 | betrad de vijand het vloergewerk, |
| ging met euvelmoed. Uit zijn ogen stond | |
| een lelijk licht, meest als laaien schijnend. | |
| Hij zag ter zale een zwik aan krijgers, | |
| de sibbeschaar slapen; daar samen lag | |
| 730 | een hoop heerjeugd. Zijn hart lachtte toen. |
| Hij dacht te ontdelen, eer de dag kwame, | |
| die ijzige aanvaller, bij ieder man | |
| het lijf van het leven. Belopen was hij, | |
| waande een wensmaal. Zijn weurd was niet | |
| 735 | dat hij na die nacht opnieuw mensen |
| verschrokken mocht. De schutman zag, | |
| maag van Heugelek, hoe de misdoener | |
| bij vlugge greep nu voortgaan wilde. | |
| De aanvaller dacht niet uit te stellen | |
| 740 | maar ving aanstonds bij eerste kans |
| een ronkend man, verreet zonder hinder, | |
| beet beenvoegen, dronk bloed uit aderen, | |
| verslond in hompen. Al snel had hij | |
| alles verorberd van de onlevende, | |
| 745 | voeten en vingers. Voort stapte hij, |
| nam toen met handen een hardmoedig | |
| krijger die rustte, met klauwen reikend | |
| in vijandschap. Die ontving hem gauw | |
| in ijzeren onmin, zich op arm verheffend. | |
| 750 | Onmiddellijk vond de misdadenhoeder |
| dat hij nooit ontmoet had in Middelgaard, | |
| de einden der aarde, in een ander man | |
| een heviger handgreep. Ter harte kreeg hij | |
| vrees voor zijn leven, kon niet voort vandaar. | |
| 755 | Hij was heengereed, wilde het holst invluchten, |
| duivelsbende zoeken. Zijn bedoening was niet | |
| zo hij in zijn lijfdagen ooit beleefd had. | |
| Toen dacht de moedige maag van Heugelek | |
| aan zijn avondspraak, kwam overeind te staan | |
| 760 | en vatte hem vast. Vingers barstten, |
| de eten wilde uitwaarts, de edele ging voort. | |
| De beruchte dacht zich rechts of links | |
| weg te wenden en wijd vandaar | |
| naar veenhol te vluchten. Zijn vingers wist hij | |
| 765 | in vijands bedwang. Dat was een droeve reis |
| die de haatdrager naar Hert toe toog. | |
| De drinkzaal dreunde. Het was het Denenvolk, | |
| burgbewonenden, de bouden daar, | |
| elk een aalvergieten.3 Inwoest waren beide, | |
| 770 | hard de halwaarden, het huis galmde. |
| Was een waar wonder dat het wijngebouw | |
| de ijveraars aankon, dat het niet ter aarde viel, | |
| de vrome veldhal, maar ze was vast in dezen, | |
| binnen en buiten met banden van ijzer | |
| 775 | kunstig besmeed. Daar kraakte van vloer |
| menige medebank, werd mij verteld, | |
| begeven met goud, waar de grimmen vochten. | |
| Dit verwachtten eer niet de wijzen der Schildingen, | |
| dat er ooit iemand haar op enige wijze, | |
| 780 | beeldig en beensmukt,4 verbreken mocht, |
| behendig havenen, als niet de helzing van vuur | |
| haar in laaien verzwolg. Een geluid ontsteeg, | |
| was nieuw genoeg. De Noord-Denen stak | |
| een ijselijk afgrijzen, ieder van hen | |
| 785 | die door de wanden de weeklacht hoorde, |
| Gods tegenstander zijn gruwellied zingen, | |
| een zegeloze zang, zijn zeer bewenen, | |
| die helgevangene. Hield hem vast daar, | |
| hij die de meeste kracht van mannen had | |
| 790 | op die dag toen van dit leven. |
1. Hier is droom in de oude (bij)betekenis ‘vreugde’.
2. Verstevigd met smeedijzer.
3. Oudengels ealusċerwen, van ealu ‘aal, bier’ en een kennelijke verwant van besċerwan ‘benemen’. Dit omstreden woord betekent ofwel ‘bierneming, gelag, gedruis’, ofwel ‘bierontneming’ en aldus ‘afgrijzen’ zoals de Denen gezegd worden te ervaren bij het volgende geluid. Het is dan niet zomaar de angst geen bier meer te kunnen drinken maar het vreselijke gevoel dat het leven van bierdrinken met heer en elkaar, hun hele wereld, ten einde komt, zoals in regel 5 de vijanden van Schild overkwam.
4. De hier genoemde opsmuk behelst mogelijk geweien of de inlegging van hout met been, met name van de tanden van walrussen en walvissen.
2. Verstevigd met smeedijzer.
3. Oudengels ealusċerwen, van ealu ‘aal, bier’ en een kennelijke verwant van besċerwan ‘benemen’. Dit omstreden woord betekent ofwel ‘bierneming, gelag, gedruis’, ofwel ‘bierontneming’ en aldus ‘afgrijzen’ zoals de Denen gezegd worden te ervaren bij het volgende geluid. Het is dan niet zomaar de angst geen bier meer te kunnen drinken maar het vreselijke gevoel dat het leven van bierdrinken met heer en elkaar, hun hele wereld, ten einde komt, zoals in regel 5 de vijanden van Schild overkwam.
4. De hier genoemde opsmuk behelst mogelijk geweien of de inlegging van hout met been, met name van de tanden van walrussen en walvissen.