Bijwolf — 12

Geheel niet wilde de hoeder van krijgers
de leedbrenger levend opgeven,
achtte diens lijfdagen van luttel nut
voor enig volk. Achter elkaar trok
795 een van Bijwolfs edelen zijn erfwapen,
wilde van zijn heer de hals beschermen,
de vermaarde leider, waar het mogelijk was.
Ze wisten niet toen ze in worsteling waren,
die hardstrevende heervarenden,
800 en uit alle hoeken te houwen dachten,
zijn ziel te bezoeken, dat geen zwaard of wat,
op aarde geen enkel der ijzerenkeur,
die schulddader verschenden zou,
want hij had bezworen die zegewapens,
805 al hun scherpen. Zijn verscheiden zou
op die dag toen van dit leven
armelijk worden en de eldergeest1
ver in de macht van vijanden reizen.
Toen bevond hij die al vele keren
810 moedskwellingen op het mensengeslacht,
wandaden pleegde—hij wrang tegen God—
dat hem het lichaam niet verlossen wilde,
maar hem de moedige maag van Heugelek
bij de arm klemde. Elkander waren ze
815 in leven tot leed. Een lijfzeer voelde
die schrikbare schender. Te schouder werd hem
een zorgwond zichtbaar: zenen sprongen,
beenvoegen barstten. Aan Bijwolf werd
grootheid gegeven, moest Grendel vandaar
820 vleesziek vluchten, onder veenheuvels
naar zijn wonneloze wijk, wist toen te gauwer
dat zijn aardleven ten einde kwam,
zijn dagental. De Denen werd allen
na dat woelgeraas de wens vervuld.
825  Had toen gezuiverd de zaal van Rutger,
hij die eer vroed en vast van verre kwam,
gered van nijd, in nachtwerk verheugd;
hij won ijverroem. De Oost-Denen had
de Gotenleider zijn grootspraak bewezen,
830 evenzo al hun ongeluk verholpen,
de euvelzorgen die ze eerder leden
en in danige nood dulden moesten,
geen klein hartzeer. Dat was een helder teken,
zodra de heldhaftige de hand neerlegde,
835 de arm en schouder—daar was altegader
Grendels greep—onder het grote dak.

vorigeoverzichtvolgende

1. Oudengels ellorgást, een ‘geest van elders, vreemde geest’.