Bijwolf — 13

Toen was te morgen, werd mij verteld,
menig krijgsman om de koningshal,
voeren volksleiders van ver en heinde
840 over wijde wegen om het wonder te schouwen,
het verloop van die lede. Zijn lijfverscheiden
docht niet droevig voor degens ter stede
die van de roemloze het renpad schouwden,
hoe hij met week gemoed op weg vandaar,
845 in nijd overkomen, te nekkerenmeer
veeg en vluchtend zijn vloeispoor maakte.
Daar was bar water met bloed woelend,
een ijselijk deinen alwaarts vermengd
met heet houwrood, hartvocht kolkend.
850 De gedoemde verdook zodra hij dromeloos
in zijn legerveen het leven gaf,
zijn heidenziel. Hel ontving hem daar.
 Af reden weer de oude gezellen
en menige jongen in hun jachtvertier,
855 moedigen te ros, bij het meer vandaan,
bouden in zadel. Van Bijwolf werd
de mare verkondigd, zei menige vaak
dat bij de twee zeeën1 ten zuiden of noorden
over de grond der aarde geen ander man
860 onder hemels baan de betere ware
van randdragers, een rijk waardiger.
Noch verweten ze gewis hun wijnheer iets,
de glundere Rutger, want dat was een goed koning.
De ruiters lieten rennen bij wijlen,
865 in wedloop gaan hun witte rossen
waar hen de veldwegen voegzaam dochten,
bekende keurpaden. Een koningsdegen,
met lofspraak beladen, aan liederen denkend,
hij die een groot aantal van de oude verhalen,
870 een weelde geheugde, dook woorden op,
in waarheid gebonden. Die wijze begon
Bijwolfs krijgstocht kundig te roeren,
en voorspoedig vlot een spel2 te drijven,
te wisselen met woorden. Zei welna alles
875 wat hij over Zegemond3 zeggen hoorde,
diens ijverdaden, veel van het onbekende,
hoe de Walzing worstelde, de wijde reizen
waar mensentelgen niet het minst van wisten,
vetes en valsheden, behalve Fetele bij hem
880 wanneer hij van zulks wat zeggen wilde,
van oom tot neef,4 zo ze immer weer
in iedere nijd noodgezellen waren;
ze hadden een ontal van het etenengeslacht
met zwaarden geveld. Van Zegemond sprong
885 geen kleine dadenroem na zijn doodsdag op,
nadat hij wapenhard de worm verdeed,
de hoeder van het hoord.5 Hij onder hoge steen,
het edelingenkind, had eenzaam gewaagd
die franke daad—Fetele was niet bij hem—
890 want hem viel de zege dat het zwaard boorde
door de wondere worm, dat het ten wande stond,
zijn degenijzer, de draak daar verstierf.
De aanvaller was met ijver gegaan,
dat hij het ringhoord beroeren mocht
895 onder zijn gezag. De zeeboot laadde hij,
droeg te scheepsboezem schitterend goed,
de telg van Wals—de worm smolt heet.
 Hij was van wanderaars de wijdst vermaarde
over mensenvolken, een mannenhoeder,
900 om zijn ijverdaden—had daarom eer gedijd—
nadat van Hermoed de handkracht doofde,
zijn jeugd en ijver.6 Bij de Juten werd hij
in de macht van vijanden voort verraden,
terstond verzonden. De zorgwellingen
905 verlamden hem te lang. Zijn lieden werd hij,
alle edelingen, tot ernstig verdriet.
Evenzo betreurde vaak in tijden tevoren
menige wijze de wandel van die wilsharde,
elk die in hem geloofde ter verlossing van kwaden,
910 dat dat koningsjong verkloeken zou,
zijn vadereer ontvangen, het volk behouden,
hoord en haagburg, het heldenrijk,
erfland der Schildingen. Voor allen werd
Heugeleks maag, voor het mensengeslacht,
915 vrienden een vreugde—was vervloekt de ander.
 In zadel maten ze de zandige straten
bij wijlen in wedloop. Toen was westelijk
het daglicht verschoven. Menige degen ging
met stoute moed naar de steile zaal,
920 het zeerwonder zien. Ook zelf de koning,
hoeder van hoorden, om hoogheid bekend,
trad breed vermaard van het bruidsvertrek
met groot gevolg, en zijn vrouw bij hem
mat het medepad7 met maagdensleep.

vorigeoverzichtvolgende

1. De Noordzee en de Oostzee.
2. Dit is niet spel ‘bezigheid’ maar het oude spel ‘vertelling’, verwant aan spellen ‘met letters vormen’ en voorspellen.
3. Deze held, de zoon van Wals, krijgt hier alle daden toegedicht, doch elders in de overlevering is hij de doler en zijn zoon de drakendoder: Sigemunt en Sîvrit (Siegfried) in de Duitse verhalen en Sigmundr en Sigurðr in de Oudnoordse Vǫlsunga saga.
4. In de Vǫlsunga saga is deze (als Sinfjǫtli) neef én zoon van Sigmundr, die niet wist dat de vrouw die hij besliep zijn zuster Signý was. Wellicht was deze bloedschande een Noordse vernieuwing of wilde de Engelse dichter er niet van reppen.
5. Menig hoord ‘vergaring van schatten’ werd bewaakt door een worm (een draak).
6. Hermoed wordt hier vergeleken als een eerdere Denenkoning met een kwade lotsbestemming.
7. Het pad door de hal, waar mede ‘honingwijn’ gedronken werd.