Bijwolf — 17

1125 Toen stonden strijders om hun stee te zoeken,
hun vrienden ontvallen, Friesland te zien,
heem en hoogburg.1 Hengst bleef toen nog
de weesmukte winter wonen bij Fin,
geheel niet van harte; geheugde zijn land
1130 doch vermocht nog niet het meer bevaren
met geringde steven. De stormzee woelde
donker tegen wolken. Winter sloot golven
met ijsbanden, tot een ander jaar kwam,
nieuw in de hoven, zo het nu nog doet—
1135 ze houden telkens de getijden in acht,
die weidse wederen. Toen was winter verleden,
rijk de aarde weer; was gereed te varen
de gast uit de gaarden. Te gretiger dacht hij
aan wraak voor wee dan zijn weg ter zee,
1140 of hij een woedend weerzien bewerken mocht,
dat hij de zonen der Juten in zijn ziel geheugde.
Zo weigerde hij niet het wereldbeding2
toen Hunleving3 hem die heerblaak4 bracht,
het schoonste van scherpen op schoot legde,
1145 wiens randen de Juten reeds al kenden.
En zo geviel de franke Fin mettertijd
een euvel zwaardleed in zijn eigen heem,
nadat Gondlef en Anslef de grimme aanval
na hun zeezeiling met zeer meldden,
1150 hem hun wee verweten. Het woelgemoed
kon niet ter harte blijven. Toen was de hal gerood
met de levens van vijanden, ook Fin geslagen,
de vorst met zijn gevolg, en de vrouwe ontnomen.
Ten schepe voerden Schildingenkrijgers
1155 alle erfdelen van die aardkoning
zo ze in Fins volksheem vinden mochten,
kunstige kleinoden. De koningsvrouw
werd over de deining naar de Denen gevoerd,
naar hun lieden geleid. Het lied was volzongen,
1160 speelmans vertelling. Vertier klonk weer,
geschal van banken, schenkers goten
wijn uit wondervaten. Toen kwam Waalde voort
onder gulden band, naar waar de goede twee,
neef en oom zaten, toen ze nog verenigd waren,
1165 elk de ander trouw.5 Daar zat ook Onferd de spreker
aan Rutgers voeten. Op zijn raad werd vertrouwd,
dat hij grote moed had, doch zijn magen ware hij
niet eerzaam ten ijzerspel. De edelvrouw sprak:
“Ontvang dit vul, mijn vrome heer,
1170 schenker van schatten. Wees du in schik met ons,
goudvriend van mannen, en spreek Goten toe
met milde woorden, zo een man zal doen.
Wees de Goten goed, de giften indachtig
die du heden heefst van heinde en verre.
1175 Men heeft me gezegd, als zoon wilst du
deze heerling hebben. Hert is gezuiverd,
de brechte bierzaal. Gebruik wijl du kanst
menig mannenloon en laat magen hier
dijn volk en rijk na, wanneer du voortgaan zalst,
1180 uw bestemming zien. Stellig ken ik
mijn goede Roelof, dat hij de jeugd hier wil
houden in ere, als du eerder dan hij
de wereld verlaatst, waker der Schildingen.
Ik verwacht dat hij met goed het begelden wil
1185 aan onze jongens, als hij alles geheugt
wat wij hem naar wille en naar waardigheid
eerder als kind aan eren betoonden.”6
Toen keerde ze ter banke waar haar knapen waren,
Roerik en Rutmond, en de roemzonen,
1190 de jeugd tegader. De goede was daar,
Bijwolf der Goten, bij die broeders gezeten.

vorigeoverzichtvolgende

1. Hier heeft de dichter mogelijk de Friese terp in gedachten.
2. Deze ‘wereldse voorwaarde’ is te begrijpen als de plicht tot vergelding.
3. Deze Hunleving, de zoon van ene Hunlef, wordt verder noch elders genoemd.
4. Oudengels hildeléoman (4e nv.), eigenlijk ‘strijdschijnsel’, hier als kenning voor ‘zwaard’, doch in regel 2583 voor de laaien van de draak.
5. Weer wenkt de dichter hier naar komend verraad, een verhaal dat toehoorders toen vast al kenden. Het is geen toeval dat hij ervoor de trouweloosheid inzake de Juten geheugt en erna de aandacht vestigt op Onferd, die zijn eigen broeders doodde.
6. Waaldes vertrouwen in Roelof lijkt beschaamd te zullen worden, gezien de eerdere zinspelingen, maar er wordt niet meer van gerept. In het gedicht Wídsíð klinkt evenwel dat Rutger en Roelof samen lang vrede hielden en hun zege behaalden op koning Ingeld en de Hade-Baarden, die hier later nog herinnerd worden.