| 1125 | Toen stonden strijders om hun stee te zoeken, |
| hun vrienden ontvallen, Friesland te zien, | |
| heem en hoogburg.1 Hengst bleef toen nog | |
| de weesmukte winter wonen bij Fin, | |
| geheel niet van harte; geheugde zijn land | |
| 1130 | doch vermocht nog niet het meer bevaren |
| met geringde steven. De stormzee woelde | |
| donker tegen wolken. Winter sloot golven | |
| met ijsbanden, tot een ander jaar kwam, | |
| nieuw in de hoven, zo het nu nog doet— | |
| 1135 | ze houden telkens de getijden in acht, |
| die weidse wederen. Toen was winter verleden, | |
| rijk de aarde weer; was gereed te varen | |
| de gast uit de gaarden. Te gretiger dacht hij | |
| aan wraak voor wee dan zijn weg ter zee, | |
| 1140 | of hij een woedend weerzien bewerken mocht, |
| dat hij de zonen der Juten in zijn ziel geheugde. | |
| Zo weigerde hij niet het wereldbeding2 | |
| toen Hunleving3 hem die heerblaak4 bracht, | |
| het schoonste van scherpen op schoot legde, | |
| 1145 | wiens randen de Juten reeds al kenden. |
| En zo geviel de franke Fin mettertijd | |
| een euvel zwaardleed in zijn eigen heem, | |
| nadat Gondlef en Anslef de grimme aanval | |
| na hun zeezeiling met zeer meldden, | |
| 1150 | hem hun wee verweten. Het woelgemoed |
| kon niet ter harte blijven. Toen was de hal gerood | |
| met de levens van vijanden, ook Fin geslagen, | |
| de vorst met zijn gevolg, en de vrouwe ontnomen. | |
| Ten schepe voerden Schildingenkrijgers | |
| 1155 | alle erfdelen van die aardkoning |
| zo ze in Fins volksheem vinden mochten, | |
| kunstige kleinoden. De koningsvrouw | |
| werd over de deining naar de Denen gevoerd, | |
| naar hun lieden geleid. Het lied was volzongen, | |
| 1160 | speelmans vertelling. Vertier klonk weer, |
| geschal van banken, schenkers goten | |
| wijn uit wondervaten. Toen kwam Waalde voort | |
| onder gulden band, naar waar de goede twee, | |
| neef en oom zaten, toen ze nog verenigd waren, | |
| 1165 | elk de ander trouw.5 Daar zat ook Onferd de spreker |
| aan Rutgers voeten. Op zijn raad werd vertrouwd, | |
| dat hij grote moed had, doch zijn magen ware hij | |
| niet eerzaam ten ijzerspel. De edelvrouw sprak: | |
| “Ontvang dit vul, mijn vrome heer, | |
| 1170 | schenker van schatten. Wees du in schik met ons, |
| goudvriend van mannen, en spreek Goten toe | |
| met milde woorden, zo een man zal doen. | |
| Wees de Goten goed, de giften indachtig | |
| die du heden heefst van heinde en verre. | |
| 1175 | Men heeft me gezegd, als zoon wilst du |
| deze heerling hebben. Hert is gezuiverd, | |
| de brechte bierzaal. Gebruik wijl du kanst | |
| menig mannenloon en laat magen hier | |
| dijn volk en rijk na, wanneer du voortgaan zalst, | |
| 1180 | uw bestemming zien. Stellig ken ik |
| mijn goede Roelof, dat hij de jeugd hier wil | |
| houden in ere, als du eerder dan hij | |
| de wereld verlaatst, waker der Schildingen. | |
| Ik verwacht dat hij met goed het begelden wil | |
| 1185 | aan onze jongens, als hij alles geheugt |
| wat wij hem naar wille en naar waardigheid | |
| eerder als kind aan eren betoonden.”6 | |
| Toen keerde ze ter banke waar haar knapen waren, | |
| Roerik en Rutmond, en de roemzonen, | |
| 1190 | de jeugd tegader. De goede was daar, |
| Bijwolf der Goten, bij die broeders gezeten. |
1. Hier heeft de dichter mogelijk de Friese terp in gedachten.
2. Deze ‘wereldse voorwaarde’ is te begrijpen als de plicht tot vergelding.
3. Deze Hunleving, de zoon van ene Hunlef, wordt verder noch elders genoemd.
4. Oudengels hildeléoman (4e nv.), eigenlijk ‘strijdschijnsel’, hier als kenning voor ‘zwaard’, doch in regel 2583 voor de laaien van de draak.
5. Weer wenkt de dichter hier naar komend verraad, een verhaal dat toehoorders toen vast al kenden. Het is geen toeval dat hij ervoor de trouweloosheid inzake de Juten geheugt en erna de aandacht vestigt op Onferd, die zijn eigen broeders doodde.
6. Waaldes vertrouwen in Roelof lijkt beschaamd te zullen worden, gezien de eerdere zinspelingen, maar er wordt niet meer van gerept. In het gedicht Wídsíð klinkt evenwel dat Rutger en Roelof samen lang vrede hielden en hun zege behaalden op koning Ingeld en de Hade-Baarden, die hier later nog herinnerd worden.
2. Deze ‘wereldse voorwaarde’ is te begrijpen als de plicht tot vergelding.
3. Deze Hunleving, de zoon van ene Hunlef, wordt verder noch elders genoemd.
4. Oudengels hildeléoman (4e nv.), eigenlijk ‘strijdschijnsel’, hier als kenning voor ‘zwaard’, doch in regel 2583 voor de laaien van de draak.
5. Weer wenkt de dichter hier naar komend verraad, een verhaal dat toehoorders toen vast al kenden. Het is geen toeval dat hij ervoor de trouweloosheid inzake de Juten geheugt en erna de aandacht vestigt op Onferd, die zijn eigen broeders doodde.
6. Waaldes vertrouwen in Roelof lijkt beschaamd te zullen worden, gezien de eerdere zinspelingen, maar er wordt niet meer van gerept. In het gedicht Wídsíð klinkt evenwel dat Rutger en Roelof samen lang vrede hielden en hun zege behaalden op koning Ingeld en de Hade-Baarden, die hier later nog herinnerd worden.