Bijwolf — 2

115 Ging te nijpende nacht bezoeken
dat rijzige huis, hoe de Ring-Denen
het na teugen van bier betrokken hadden,
vond binnenin de edelingenschaar
slapen na slemping. Geen smart kenden ze,
120 ongeluk van mannen. Het euvele wezen,
grim en gretig, was gauw gereed,
ruw en razend, nam te ruststede
dertig der degens. Vandaar ging hij,
roemend op buit, weer terug te heem,
125 met warme slacht zijn wijk zoeken.
Toen was die ochtend eerst ten dage
Grendels krijgskunst aan kerels onthuld,
werd na maaltijd een misbaar geheven,
groot morgenluid. De vermaarde koning,
130 achtbaar edeling, zat in onvreugde;
verdriet om degens verduurde die sterke,
zodra ze de sporen van die spoeder schouwden,
de boze geest. Te bar was die strijd,
te leed en gelengd. Het was niet lang verwijld,
135 want na één nacht weer was hij aanstichter
van meerder moordkwaad en maalde geenszins
om vete en valsheid, was te vast daarin.
Toen openlijk bleek voor wie elders was,
ruim op afstand rust gezocht had,
140 een bed in de bijhuizen, toen baarlijk was,
met helder teken zonder twijfel gezegd,
de haat van de halgast, hield die zich daarna
ver en vaster, die de vijand meed.
Zo woedde hij en won tegen recht,
145 een tegen allen, totdat ijdel stond
dat beste der huizen. Niet bondig was het,
twaalf winters tijd, dat hij toorn verdroeg,
de Schildingenvriend die schendingen,
zware zorgen. Zichtbaar werd het
150 voor mensentelgen, merkelijk helder
in jammerdichten, hoe Grendel lang
tegen Rutger streed, razend haatte
in vete en valsheid, vele getijden
verbeten bleef, niet bijleggen wilde
155 met enig man van de macht der Denen,
afzien van lijfkwaad, vereffenen met geld.
Noch was er een wijze die te wachten dacht
op boetegaven uit bloedhanden;
de aanvaller1 was immer op jacht,
160 duistere doodsschaduw op deugd en jeugd,
belaagde en loerde, hield bij lange nacht
de mistige moeren. Mensen weten niet
waar ze heenschrijden, die helleruinen.2
 Zo vervulde vaak die vreselijke eenling
165 menige misdaad, die mensenvijand
harde hoonwerken. Hert bewoonde hij,
de bezette zaal in zwarte nachten.
De giftstoel kon hij geenmaal naderen
door Metends macht, wist Zijn moedwil niet.3
170 Dat was vinnig leed voor de vriend der Schildingen,
een moedsverbreking. Menig edelman
zat vaak in beraad, beraamde uitkomst,
wat door bouden van geest het beste ware
te verrichten tegen die verrassende gruwel.
175 Bij wijlen bewees men in gewijde oorden
eer aan afgoden, in aanzoek met woorden
dat de zielendoder hun ter zijde ware
tegen dit volksgevaar. Ze volgden hun zede,
de hoop van heidenen. Hel bewaarden ze
180 in geest en gemoed, de Metend niet kennend,
de Achter van Daden, Aanvoerder God,
ze konden de Hoeder der Hemelen niet loven,
Wijzer van Weidsheid. Wee aan degene
die door zondige nijd zijn ziel zal duwen
185 in de helzing des vuurs, geen hulp verwachten
of wat ook wenden. Wel is het hem
die na zijn laatste dag de Leider mag zoeken
en in Vaders armen vrede verlangen.

vorigeoverzichtvolgende

1. Oudengels ǽglǽċa, een veelbesproken woord dat in dit gedicht meestal voor Grendel en andere monsters gebruikt wordt, soms Bijwolf en de held Zegemond. Vaak geduid als ‘aanvaller’ o.i.d. doch lijkt een vroeg samengetrokken samenstelling van ǽ ‘leven’ en ġelǽċa ‘mededinger’, dus iemand met wie om leven en dood gevochten wordt. Vergelijk ealdorġewinna ‘levensvijand’ als woord voor de draak in regel 2903.
2. Oudengels helrúnan, waarvan het tweede lid verwant is aan ons oude ruinen ‘fluisteren’. Vergelijk beadurúne (regel 501) en rúnstafas (regel 1695).
3. De giftstoel is de troon, maar deze twee regels zijn berucht meerduidig, dus de vertaling is onwis.