| 115 | Ging te nijpende nacht bezoeken |
| dat rijzige huis, hoe de Ring-Denen | |
| het na teugen van bier betrokken hadden, | |
| vond binnenin de edelingenschaar | |
| slapen na slemping. Geen smart kenden ze, | |
| 120 | ongeluk van mannen. Het euvele wezen, |
| grim en gretig, was gauw gereed, | |
| ruw en razend, nam te ruststede | |
| dertig der degens. Vandaar ging hij, | |
| roemend op buit, weer terug te heem, | |
| 125 | met warme slacht zijn wijk zoeken. |
| Toen was die ochtend eerst ten dage | |
| Grendels krijgskunst aan kerels onthuld, | |
| werd na maaltijd een misbaar geheven, | |
| groot morgenluid. De vermaarde koning, | |
| 130 | achtbaar edeling, zat in onvreugde; |
| verdriet om degens verduurde die sterke, | |
| zodra ze de sporen van die spoeder schouwden, | |
| de boze geest. Te bar was die strijd, | |
| te leed en gelengd. Het was niet lang verwijld, | |
| 135 | want na één nacht weer was hij aanstichter |
| van meerder moordkwaad en maalde geenszins | |
| om vete en valsheid, was te vast daarin. | |
| Toen openlijk bleek voor wie elders was, | |
| ruim op afstand rust gezocht had, | |
| 140 | een bed in de bijhuizen, toen baarlijk was, |
| met helder teken zonder twijfel gezegd, | |
| de haat van de halgast, hield die zich daarna | |
| ver en vaster, die de vijand meed. | |
| Zo woedde hij en won tegen recht, | |
| 145 | een tegen allen, totdat ijdel stond |
| dat beste der huizen. Niet bondig was het, | |
| twaalf winters tijd, dat hij toorn verdroeg, | |
| de Schildingenvriend die schendingen, | |
| zware zorgen. Zichtbaar werd het | |
| 150 | voor mensentelgen, merkelijk helder |
| in jammerdichten, hoe Grendel lang | |
| tegen Rutger streed, razend haatte | |
| in vete en valsheid, vele getijden | |
| verbeten bleef, niet bijleggen wilde | |
| 155 | met enig man van de macht der Denen, |
| afzien van lijfkwaad, vereffenen met geld. | |
| Noch was er een wijze die te wachten dacht | |
| op boetegaven uit bloedhanden; | |
| de aanvaller1 was immer op jacht, | |
| 160 | duistere doodsschaduw op deugd en jeugd, |
| belaagde en loerde, hield bij lange nacht | |
| de mistige moeren. Mensen weten niet | |
| waar ze heenschrijden, die helleruinen.2 | |
| Zo vervulde vaak die vreselijke eenling | |
| 165 | menige misdaad, die mensenvijand |
| harde hoonwerken. Hert bewoonde hij, | |
| de bezette zaal in zwarte nachten. | |
| De giftstoel kon hij geenmaal naderen | |
| door Metends macht, wist Zijn moedwil niet.3 | |
| 170 | Dat was vinnig leed voor de vriend der Schildingen, |
| een moedsverbreking. Menig edelman | |
| zat vaak in beraad, beraamde uitkomst, | |
| wat door bouden van geest het beste ware | |
| te verrichten tegen die verrassende gruwel. | |
| 175 | Bij wijlen bewees men in gewijde oorden |
| eer aan afgoden, in aanzoek met woorden | |
| dat de zielendoder hun ter zijde ware | |
| tegen dit volksgevaar. Ze volgden hun zede, | |
| de hoop van heidenen. Hel bewaarden ze | |
| 180 | in geest en gemoed, de Metend niet kennend, |
| de Achter van Daden, Aanvoerder God, | |
| ze konden de Hoeder der Hemelen niet loven, | |
| Wijzer van Weidsheid. Wee aan degene | |
| die door zondige nijd zijn ziel zal duwen | |
| 185 | in de helzing des vuurs, geen hulp verwachten |
| of wat ook wenden. Wel is het hem | |
| die na zijn laatste dag de Leider mag zoeken | |
| en in Vaders armen vrede verlangen. |
1. Oudengels ǽglǽċa, een veelbesproken woord dat in dit gedicht meestal voor Grendel en andere monsters gebruikt wordt, soms Bijwolf en de held Zegemond. Vaak geduid als ‘aanvaller’ o.i.d. doch lijkt een vroeg samengetrokken samenstelling van ǽ ‘leven’ en ġelǽċa ‘mededinger’, dus iemand met wie om leven en dood gevochten wordt. Vergelijk ealdorġewinna ‘levensvijand’ als woord voor de draak in regel 2903.
2. Oudengels helrúnan, waarvan het tweede lid verwant is aan ons oude ruinen ‘fluisteren’. Vergelijk beadurúne (regel 501) en rúnstafas (regel 1695).
3. De giftstoel is de troon, maar deze twee regels zijn berucht meerduidig, dus de vertaling is onwis.
2. Oudengels helrúnan, waarvan het tweede lid verwant is aan ons oude ruinen ‘fluisteren’. Vergelijk beadurúne (regel 501) en rúnstafas (regel 1695).
3. De giftstoel is de troon, maar deze twee regels zijn berucht meerduidig, dus de vertaling is onwis.