Bijwolf — 23

Toen zag hij ter zale een zegevaardig blad,
een etens1 oudzwaard met ijzige randen,
een eer voor krijgers, het keur van wapens,
1560 doch het was meer dan een man anders
in het oorlogsspel aandragen kon,
goed en glansrijk gigantenwerk.
Ving de veterhilt, die franke der Schildingen,
hevig en heergrim, wanhopig voor leven,
1565 trok dat ringzwaard2 en razende sloeg,
dat hij haar hard tegen hals raakte,
beenringen brak; het blad doorkloof
het vege vleeshuis; te vloere ging ze.
De kling was klam, de krijger verheugd.
1570  Het licht blaakte, een laai stond binnen,
zoals hoog te hemel helder verschijnt
de stralende kaars. Hij staarde de hal door,
ging toen de wand langs, had wapen geheven,
hard bij hilt vast, Heugeleks degen,
1575 woest en verwoed nog. Niet waardeloos was
dat zwaard de bezoeker, en gezwind wilde hij
Grendel vergelden naar de grepen en stormen
die hij gewrocht had op de West-Denen,
overveel vaker dan een enkele keer
1580 dat hij van Rutger ringgenoten
in hun sluimer sloeg, de slapenden vrat,
vijftien mannen van het volk der Denen,
en ook evenveel uitdroeg en wegnam,
een lelijke gift. Dat loon vergold hij,
1585 de razende kemper; in rust daar zag hij
de greepvermoeide Grendel liggen,
verijdeld van leven, zo hem eerder schond
het verlies in Hert. Zijn lijk sprong wijd
zodra hij na de dood een doorslag leed,
1590 een harde heerzwaai, en hem het hoofd ontviel.3
 Dat zagen weldra de wijze kerels,
zij die met Rutger naar de roering keken,
dat het meergedein vermengd was,
de baren bloedsmukt. Zij boven spraken
1595 tegader over de goede, de grijze ouderen,
dat ze van de edeling niet aannamen
dat hij zegezalig weer op bezoek zou komen
bij de vermaarde koning, daar het menig leek
dat de barenwolvin hem verbroken had.
1600 Toen kwam het negende uur. Van nes vertrokken
de vinnige Schildingen, ging voort naar huis
de goudvriend van mannen. De gasten zaten
misselijk te moede, bleven op meer staren,
wensten, verwachtten niet, dat ze hun wijnheer
1605 nog zien zouden. Het zwaard begon toen
met kegels te kwijnen door het krijgsgespat,
het wapenijzer. Een wonder was dat,
dat het algeheel afsmolt, meest op ijs lijkend
wanneer de Vader de vorstbanden lost,
1610 het zeetouw ontwindt, Hij die gezag heeft
over wijlen en getijden; dat is de ware Metend.
In dat wijkoord nam de Weder-Gotenman
niet veel schatten—al schouwde hij menig—
behalve het hoofd en de hilt daarbij,
1615 de zwierig bezette. Het zwaard versmolt al,
het blad verbrandde; dat bloed was te heet,
die giftige geest die onder golven stierf.
Hij dook weldra weg, door het water op,
had de val van vijanden in gevecht doorleefd.
1620 Geheel gezuiverd was de zwalpendeining,
de uitgestrekte oorden, nu de eldergeest
haar lijfdagen verliet en deze geleende schepping.
 Naar land kwam toen de leider van vaarders
zegemoedig zwemmen, met zeebuit blij,
1625 de machtige last die hij meehad met zich.
Ze kwamen hem groeten, God bedankend,
de vrome vechtschare was met vorst verheugd,
dat ze hem gezond weer zien mochten.
Toen werd de sterke terstond verlost
1630 van helm en halsberg. Het haf bedaarde,
water onder wolken, door wondrood geverfd.
Ze gingen voort vandaar de voetpaden over,
maten de landweg gelukkig ter harte,
bekende straten. De koningsboude mannen
1635 droegen het hoofd van de hafklip weg
met alle inspanning voor elk tweetal
strijdvaardigen: vier moesten het
met hevige moeite op heerstaak dragen,
Grendels hoofd naar de goudzaal toe,
1640 totdat vlug genoeg het veertiental
goede krijgers der Goten kwam
lopen ter halle. De heervorst betrad
moedig met mannen de medevelden.4
Toen kwam ingaan die eerste der degens,
1645 de daadkoene man, geduchte held
met roem verwaardigd, Rutger groeten.
Toen werd bij de haren het hoofd van Grendel
over vloer gebracht, waar de volkschare dronk,
vreselijk voor edelen en hun vrouwe daarbij;
1650 een zonderling gezicht bezag men daar.

vorigeoverzichtvolgende

1. Oudengels eotenisċ ‘van reuzen, uit de reuzentijd dan wel door reuzen gemaakt’. Zie regel 112.
2. Aan menige zwaardgreep indertijd hing een ring, mogelijk slechts ter opsmuk.
3. Deze onthoofding kan bedoeld zijn als een vergelding en weerga van Assers lot of ter voorkoming dat de dode weer opstaat, zoals gebruikelijk was in Noordse verhalen.
4. De velden die om de vorstelijke medehal liggen.