| Toen zag hij ter zale een zegevaardig blad, | |
| een etens1 oudzwaard met ijzige randen, | |
| een eer voor krijgers, het keur van wapens, | |
| 1560 | doch het was meer dan een man anders |
| in het oorlogsspel aandragen kon, | |
| goed en glansrijk gigantenwerk. | |
| Ving de veterhilt, die franke der Schildingen, | |
| hevig en heergrim, wanhopig voor leven, | |
| 1565 | trok dat ringzwaard2 en razende sloeg, |
| dat hij haar hard tegen hals raakte, | |
| beenringen brak; het blad doorkloof | |
| het vege vleeshuis; te vloere ging ze. | |
| De kling was klam, de krijger verheugd. | |
| 1570 | Het licht blaakte, een laai stond binnen, |
| zoals hoog te hemel helder verschijnt | |
| de stralende kaars. Hij staarde de hal door, | |
| ging toen de wand langs, had wapen geheven, | |
| hard bij hilt vast, Heugeleks degen, | |
| 1575 | woest en verwoed nog. Niet waardeloos was |
| dat zwaard de bezoeker, en gezwind wilde hij | |
| Grendel vergelden naar de grepen en stormen | |
| die hij gewrocht had op de West-Denen, | |
| overveel vaker dan een enkele keer | |
| 1580 | dat hij van Rutger ringgenoten |
| in hun sluimer sloeg, de slapenden vrat, | |
| vijftien mannen van het volk der Denen, | |
| en ook evenveel uitdroeg en wegnam, | |
| een lelijke gift. Dat loon vergold hij, | |
| 1585 | de razende kemper; in rust daar zag hij |
| de greepvermoeide Grendel liggen, | |
| verijdeld van leven, zo hem eerder schond | |
| het verlies in Hert. Zijn lijk sprong wijd | |
| zodra hij na de dood een doorslag leed, | |
| 1590 | een harde heerzwaai, en hem het hoofd ontviel.3 |
| Dat zagen weldra de wijze kerels, | |
| zij die met Rutger naar de roering keken, | |
| dat het meergedein vermengd was, | |
| de baren bloedsmukt. Zij boven spraken | |
| 1595 | tegader over de goede, de grijze ouderen, |
| dat ze van de edeling niet aannamen | |
| dat hij zegezalig weer op bezoek zou komen | |
| bij de vermaarde koning, daar het menig leek | |
| dat de barenwolvin hem verbroken had. | |
| 1600 | Toen kwam het negende uur. Van nes vertrokken |
| de vinnige Schildingen, ging voort naar huis | |
| de goudvriend van mannen. De gasten zaten | |
| misselijk te moede, bleven op meer staren, | |
| wensten, verwachtten niet, dat ze hun wijnheer | |
| 1605 | nog zien zouden. Het zwaard begon toen |
| met kegels te kwijnen door het krijgsgespat, | |
| het wapenijzer. Een wonder was dat, | |
| dat het algeheel afsmolt, meest op ijs lijkend | |
| wanneer de Vader de vorstbanden lost, | |
| 1610 | het zeetouw ontwindt, Hij die gezag heeft |
| over wijlen en getijden; dat is de ware Metend. | |
| In dat wijkoord nam de Weder-Gotenman | |
| niet veel schatten—al schouwde hij menig— | |
| behalve het hoofd en de hilt daarbij, | |
| 1615 | de zwierig bezette. Het zwaard versmolt al, |
| het blad verbrandde; dat bloed was te heet, | |
| die giftige geest die onder golven stierf. | |
| Hij dook weldra weg, door het water op, | |
| had de val van vijanden in gevecht doorleefd. | |
| 1620 | Geheel gezuiverd was de zwalpendeining, |
| de uitgestrekte oorden, nu de eldergeest | |
| haar lijfdagen verliet en deze geleende schepping. | |
| Naar land kwam toen de leider van vaarders | |
| zegemoedig zwemmen, met zeebuit blij, | |
| 1625 | de machtige last die hij meehad met zich. |
| Ze kwamen hem groeten, God bedankend, | |
| de vrome vechtschare was met vorst verheugd, | |
| dat ze hem gezond weer zien mochten. | |
| Toen werd de sterke terstond verlost | |
| 1630 | van helm en halsberg. Het haf bedaarde, |
| water onder wolken, door wondrood geverfd. | |
| Ze gingen voort vandaar de voetpaden over, | |
| maten de landweg gelukkig ter harte, | |
| bekende straten. De koningsboude mannen | |
| 1635 | droegen het hoofd van de hafklip weg |
| met alle inspanning voor elk tweetal | |
| strijdvaardigen: vier moesten het | |
| met hevige moeite op heerstaak dragen, | |
| Grendels hoofd naar de goudzaal toe, | |
| 1640 | totdat vlug genoeg het veertiental |
| goede krijgers der Goten kwam | |
| lopen ter halle. De heervorst betrad | |
| moedig met mannen de medevelden.4 | |
| Toen kwam ingaan die eerste der degens, | |
| 1645 | de daadkoene man, geduchte held |
| met roem verwaardigd, Rutger groeten. | |
| Toen werd bij de haren het hoofd van Grendel | |
| over vloer gebracht, waar de volkschare dronk, | |
| vreselijk voor edelen en hun vrouwe daarbij; | |
| 1650 | een zonderling gezicht bezag men daar. |
1. Oudengels eotenisċ ‘van reuzen, uit de reuzentijd dan wel door reuzen gemaakt’. Zie regel 112.
2. Aan menige zwaardgreep indertijd hing een ring, mogelijk slechts ter opsmuk.
3. Deze onthoofding kan bedoeld zijn als een vergelding en weerga van Assers lot of ter voorkoming dat de dode weer opstaat, zoals gebruikelijk was in Noordse verhalen.
4. De velden die om de vorstelijke medehal liggen.
2. Aan menige zwaardgreep indertijd hing een ring, mogelijk slechts ter opsmuk.
3. Deze onthoofding kan bedoeld zijn als een vergelding en weerga van Assers lot of ter voorkoming dat de dode weer opstaat, zoals gebruikelijk was in Noordse verhalen.
4. De velden die om de vorstelijke medehal liggen.