Bijwolf — 26

Bijwolf reedde, bloed van Egde:
“Nu zeggen willen wij zeevaarders,
van verre gekomen, dat we ons voornemen
1820 Heugelek te zoeken. Alhier zijn we goed
in wensen verwaard. Du heefst ons wel geriefd.
Als ik dan op aarde maar iets vermag
om dijn moedgunst meer te verdienen,
heer van mannen, dan ik tot heden toe deed
1825 aan strijdwerken, ik ben terstond gereed.
Als ik het hoor over de hafgangen
dat ommelanders dij met oorlog dreigen,
zoals wederstrevers dij bij wijlen deden,
breng ik dij degens in duizendtal,
1830 helden ter helping. Van Heugelek weet ik,
de Gotenvorst, hoewel hij jong zij
als volkshoeder, dat hij me bevorderen wil
met woorden en werken, zodat ik dij wel ere
en dij tot steun het strijdhout drage,
1835 vermering van macht waar du mannen vergst.
Als Roerik dan wil naar het rijk der Goten,
een vorstenzoon, mag hij vele daar
aan vrienden vinden. Verre landen zijn
gezwinder bezocht voor wie zichzelf goed is.”
1840  Rutger reedde en reikte antwoord:
“Die woorden zond de wetende Heer
dij het hart toe. Ik hoorde nooit wijzer
een man zo jong in jaren handelen.
Du bist sterk van vermogen en te moede vroed,
1845 wijs in woordrede. De verwachting heb ik,
als het geschiedt dat schacht hem ontneemt,
de telg van Reidel in toornige strijd,
ziekte of ijzer dijn aanvoerder,
hoeder van lieden, en du dijn leven heefst,
1850 dat de Zee-Goten zekerlijk nergens
een koenere koning te kiezen hebben,
hoordwacht van helden, als du houden wilst
het rijk van magen. Dijn gemoed behaagt
me hoe langer hoe meer, lieve Bijwolf.
1855 Du heefst volvoerd dat tussen onze volken nu,
tussen Gotenlieden en Geer-Denen,
verwantschap zal zijn, en weerwil zal rusten,
de erge nijden die ze eerder leden,
zolang ik bewind heb over het wijde rijk,
1860 duurheden gemeen zijn, menig de ander
met goed groeten zal over het ganzenbad.1
Het geringde schip zal over het ruim varen
met giften en lofblijken. Die lieden ken ik
naar vriend en vijand als vastschapen,
1865 in alles in onschuld volgens de oude wijs.”
 Toen binnen gaf de berger van edelen,
telg van Halfdeen, nog twaalf duurheden,
heette met die toegiften hem zijn trouwe volk
in gezondheid zoeken, gezwind wederkeren.
1870 Toen kuste de goede koning van adel,
de Schildingenvorst, die schoonste degen
en greep hem om hals; de grijze heer
had tranen lopen. Meende twee dingen,
de oude invroede, de een te sterker:
1875 dat ze elkander voort nooit meer vinden zouden,
moedig in ontmoeting. Hem was die man zo lief
dat hij het hartewellen niet weerhouden kon
en hem vast te borst met banden van gedachten
een diep verlangen naar die dierbare man
1880 in het bloed brandde. Bijwolf trad van hem,
de goudkoene krijger, over grasweide weg,
verheugd met heergoed. De hafganger verbeidde
zijn edele eigenaar, hij die voor anker reed.
Toen werd gaandeweg de gave van Rutger
nog vaak geacht. Dat was een enkele koning
in alles oorbaar, totdat hem ouderdom beroofde
van vermogensvreugde, zo die vaak menige raakte.

vorigeoverzichtvolgende

1. Wederom een kenning voor ‘zee’.