Bijwolf — 28

Toen ging de harde met zijn handschare
zelve over het zand het zeeveld belopen,
1965 het wijde strand. De wereldkaars scheen
gereed uit het zuiden. Ze hadden reis geleden,
gingen met ijver naar waar de edelenhoeder
bij hun weten binnen de burgen zijn ringen
deugdelijk deelde, de doder van Angende,1
1970 jonge heerkoning. Heugelek werd dra
de komst van Bijwolf bekend gemaakt,
dat daar te heem die heiner van krijgers
in levenden lijve, zijn lindgenoot,
heel van het houwspel ten hove kwam lopen.
1975 Vlug werd de vloer voor de voetgasten
binnen geruimd zo de rijksheer gebood.
 Toen zat hij voor hem, hij die vete doorstond,
een maag met maag, nadat hij de mannenvorst
met betamelijke spraak trouw begroette,
1980 gemeende woorden. Met medevullen ging
de dochter van Haard door het halgebouw,
had lief de lieden, kwam lafenis brengen
tot handen van helden. Heugelek begon
in de hoge zaal zijn haardgenoot
1985 als vriend te bevragen, was veel benieuwd
hoe de zuidreizen der Zee-Goten waren:
“Hoe verliep het u,2 lieve Bijwolf,
toen du zo vlug opeens van verre beslootst
die zaak te zoeken over het zoute water,
1990 het geraas te Hert? En konst du Rutger iets
van het wijdbekende wee verbeteren,
de vermaarde koning? Te moede woelde ik
met hevige zorgen over de hachelijke reis
van een geliefde man. Lang bad ik dij
1995 dat du die slachtgeest beslist niet groette,3
de Zuid-Denen het zelf liet schikken,
dat gevecht met Grendel. God zeg ik dank
dat ik dij gezond hier weer zien mocht.”
 Bijwolf reedde, bloed van Egde:
2000 “Het is geen geheim, Heugelek, waarde,
een ontmoeting vermaard bij menige ziel,
wat een grimme tijd het voor Grendel en mij
in dat oord was toen, waar hij al te vaak
de Zege-Schildingen zorgen berokkende,
2005 een akel zonder einde. Al dat wreekte ik,
zo geen op aarde van Grendels magen
over die ochtendslag hoeft op te scheppen,
hij die het langste leeft van dat lede geslacht,
door gevaar bevangen. Tevoren kwam ik
2010 naar die ringzaal om Rutger te groeten.
Me wees de vermaarde maag van Halfdeen,
zodra hij van mij het gemoed kende,
bij zijn eigen zonen gauw een zetel toe.
De schare was in wonne; niet in mijn wijde leven
2015 zag ik van halzitters onder hemelgewelf
meerder medegenot. De vermaarde vrouwe,
volkenvredelinge, ging soms de vorsthal door,
bemoedigde jongens; gaf menige degen
een zwierige ring eer ze te zetel ging.
2020 Bij wijlen reikte Rutgers dochter
de oudere edelen aldoor biervullen.
Toen hoorde ik de halzitters haar
Froware noemen waar ze voeglijke kroezen
aan helden diende. Geheten was ze,
2025 jong en goudbeladen, aan de goede zoon van Froede.
Dat beschikt heeft de Schildingenvriend,
de hoeder des rijks, de raad achtend
dat hij met die vrouw van de vete zijn deel,
de zaak verzoent. Te zelden rust
2030 ergens na manslag de moordspeer ook maar
een bondige wijl, schoon de bruid deuge!
 “Mishagen mag het de Hade-Baardenvorst4
en iedere degen van die lieden,
wanneer hij met die maagd de medehal ingaat,
2035 een Denenzoon met deugd wordt onthaald.
Er blinken oude erfstukken aan hem,
hard en ringsmukt, Hade-Baardenweelde
wijl ze die wapens onder hun bewind hadden,
tot ze hun edele gezellen en hun eigen levens
2040 naar het lindenspel te leiden hadden.

vorigeoverzichtvolgende

1. Zoals in regel 2486 duidelijk wordt doodde Heugelek niet eigenhandig de Zweedse koning Angende.
2. Een meervoud: Bijwolf en zijn mannen.
3. Zoals Oudengels grétan betekende ons groeten vroeger ook ‘uitdagen, aanvallen’.
4. Froede, de eerdere koning der Hade-Baarden, is gesneuveld in een nederlaag tegen de Denen. Zijn zoon en opvolger Ingeld heeft van Rutger de hand van diens dochter Froware gekregen ter verzoening. Doch zoals in het begin gezegd is zal de vete weer oplaaien en Hert in brand vergaan. Bijwolf voorspelt nu hoe. Voor het eerste woord in hun naam zie regel 63. Zie ook de uitleiding.