Bijwolf — 30

“Is te veel te zeggen hoe ik die volkschader
van heel dat euvel het handloon vergold,
2095 waar ik, mijn vorst, dijn volkslieden
met werken verwaardigde. Weg ging hij toen,
genoot een luttele wijl nog levensvreugde,
moest zijn rechterarm de rug toekeren,
een hand in Hert, vanwaar die hoondrager
2100 met moedsgejammer op de meergrond stierf.
 “Voor die worsteling welbeloonde me
de Schildingenvriend met geschikt goud,
menige duurheid, zodra morgen kwam
en we verzameld te maal gezeten waren.
2105 Daar was klank en aanhef; de oude Schilding
verhaalde van verre, had veel vernomen.
Bij wijlen streek die strijder het speelhout,
de harp tot verheuging, soms hief hij een lied,
waar en weelijk, soms een wondermare
2110 kon de ruime koning daar recht vertellen,
soms weer begon de grijze krijgsman,
door jaren gebonden, van zijn jeugd te spreken,
zijn heerkracht toen. Het hart in hem woelde
wanneer hij vroed in winters weer veel geheugde.
2115 Zo namen we ons genoegen daarbinnen,
almaar ten dage, tot een andere nacht
over mensen kwam. Toen onmiddellijk
was Grendels moeder gretig naar wraak,
dreef zich die droevige. De dood nam haar zoon,
2120 de macht der Wederen. Die monsterenvrouw
hief boete voor haar broed, beulde een strijder
met woeste ijver. Van Asser was daar,
lang een raadgever, het leven verstreken.
Noch mochten ze hem, zodra morgen kwam,
2125 de Denenlieden die doodslapende
aan de blaken vertrouwen, op brandstapel doen
hun geliefde man. Dat lijk droeg ze weg
in barse armen onder bergstroming.
Was de ergste van rouwen die Rutger hardde,
2130 die de liedenleider lang verduurde.
Toen bad hij me dringend, bij dijn leven,
de kommere koning dat ik krijgerschap wrocht
in het hafgedrang, er hulde won,
het leven waagde—beloning verzei hij.
2135 Van die woeling kon ik, het is wijd bekend,
de grimme, gruwelijke grondhoeder vinden.
Daar hielden we een wijl ons handgemeen,
woelde bloedig het haf, en het hoofd sloeg ik
van Grendels moeder in die moordzaal af,
met aanzienlijk zwaard. Niet zacht ontkwam ik
met mijn verdere leven, was niet veeg nog toen,
maar de beschermer van krijgers schonk me daarna
menige duurheid, de maag van Halfdeen.

vorigeoverzichtvolgende