Bijwolf — 34

Hij bedacht een loon voor die liedenval
in dagen daar achter. Voor Otgis werd hij
een vriend in ellende; met volk steunde hij
over de zijde zee de zoon van Ochter,
2395 met slagen en wapens. Wraak nam die1 toen
na koude kommertochten, de koning het leven.
Zo had hij iedere nijd en nood doorstaan,
ontzaglijke zwaardtwisten, de zoon van Egde,
al zijn ijverwerken, tot die ene dag
2400 dat hij met die worm daar worstelen zou.
Hij als een van twaalf, met toorn verbolgen,
drijver der Goten, ging de draak aanschouwen.
Had tevoren gehoord vanwaar die vete verrees,
het scherpe geschil. Te schoot kwam hem toen
2405 de verheven halschaal uit hand van de melder.
Die werd in hun gedrang de dertiende man,
hij die de aanvang van die oorlog stichtte,
de jammere knecht, zou gejouwd vandaar
het weideland wijzen. Tegen zijn wil ging hij
2410 naar waar hij de aardzaal, die ene wist,
een heuvel onder gras bij het hafgedein,
de barenbranding. Die was binnen vol
met gewonden weelde. De waker was ijzig,
die gretige strijder hield goudschatten,
2415 oud onder aarde. Het was niet voor enig man
een makkelijke koop om in krijg te winnen.
 Zat toen ter nesse de nijdharde koning
wijl die heil wenste aan zijn haardgenoten,
goudvriend der Goten. Vergrond was zijn hart,
2420 woelend en weegereed, weurd uiterst na,
zij die de grijze man daar groeten zou,
zijn zielehoord zoeken, hem zonderen zou
het lijf van het leven. Niet lang nog was
de geest des edelings omgeven door vlees.
2425  Bijwolf reedde, bloed van Egde:
“Vele gevechten moest ik vroeger beleven,
tijden van oorlog. Al dat gedenk ik.
Ik was zeven winters toen de weeldegever,
de vriendheer des volks me van mijn vader nam.
2430 Hij hield en geriefde me, Reidel koning,
gaf me schatten en malen, maagschap indachtig.
Ik was hem in dit leven niet leder gezind,
een man in zijn erfburg, dan enig van zijn zonen,
Herboud en Hadekun, of mijn Heugelek.
2435 Voor de oudste was toen onbetamelijk
door daad van maag het moordbed gespreid,
toen Hadekun hem met hoornboog eer,
zijn vriend en schutheer met schot raakte,
het mikdoel miste en zijn maag daar trof,
2440 een broeder de ander met bloedige schicht.
Dat was boeteloos kwaad, in baldaad gewrocht,
nijpend te moede, doch niettemin zou
de edeling ongewroken het aardleven laten.
 “Zo is het indroef voor een oude kerel,
2445 een jammerlijk lot als zijn jonge zoon
te galge rijde.2 Dan begint hij zijn lied,
een zeerlijke zang, wanneer zijn zoon daar hangt
ter vreugde van raven en hij vroed en oud
hem niet helpen kan, geheel niet steunen.
2450 Hem herinnert immer, iedere morgen,
de afreis van zijn telg; een ander wenst hij
niet te verbeiden in zijn burgstede,
een erfgenaam, wanneer dat ene jong
die dodelijke nood te verduren had.
2455 Hij beziet de woning van zijn zoon met smart,
de verlaten wijnzaal, verwaaide bedden,
rouwelijk beroofd. De rijder slaapt dan,
een held onder hulling; er is geen harpenklank,
vreugde in de hoven, zoals er tevoren was.

vorigeoverzichtvolgende

1. Otgis Ochterszoon, die ook volgens Oudnoordse verhalen zijn oom Andele doodde.
2. Hier wordt Reidels verdriet om Herboud vergeleken met dat van een ander.