| Hij bedacht een loon voor die liedenval | |
| in dagen daar achter. Voor Otgis werd hij | |
| een vriend in ellende; met volk steunde hij | |
| over de zijde zee de zoon van Ochter, | |
| 2395 | met slagen en wapens. Wraak nam die1 toen |
| na koude kommertochten, de koning het leven. | |
| Zo had hij iedere nijd en nood doorstaan, | |
| ontzaglijke zwaardtwisten, de zoon van Egde, | |
| al zijn ijverwerken, tot die ene dag | |
| 2400 | dat hij met die worm daar worstelen zou. |
| Hij als een van twaalf, met toorn verbolgen, | |
| drijver der Goten, ging de draak aanschouwen. | |
| Had tevoren gehoord vanwaar die vete verrees, | |
| het scherpe geschil. Te schoot kwam hem toen | |
| 2405 | de verheven halschaal uit hand van de melder. |
| Die werd in hun gedrang de dertiende man, | |
| hij die de aanvang van die oorlog stichtte, | |
| de jammere knecht, zou gejouwd vandaar | |
| het weideland wijzen. Tegen zijn wil ging hij | |
| 2410 | naar waar hij de aardzaal, die ene wist, |
| een heuvel onder gras bij het hafgedein, | |
| de barenbranding. Die was binnen vol | |
| met gewonden weelde. De waker was ijzig, | |
| die gretige strijder hield goudschatten, | |
| 2415 | oud onder aarde. Het was niet voor enig man |
| een makkelijke koop om in krijg te winnen. | |
| Zat toen ter nesse de nijdharde koning | |
| wijl die heil wenste aan zijn haardgenoten, | |
| goudvriend der Goten. Vergrond was zijn hart, | |
| 2420 | woelend en weegereed, weurd uiterst na, |
| zij die de grijze man daar groeten zou, | |
| zijn zielehoord zoeken, hem zonderen zou | |
| het lijf van het leven. Niet lang nog was | |
| de geest des edelings omgeven door vlees. | |
| 2425 | Bijwolf reedde, bloed van Egde: |
| “Vele gevechten moest ik vroeger beleven, | |
| tijden van oorlog. Al dat gedenk ik. | |
| Ik was zeven winters toen de weeldegever, | |
| de vriendheer des volks me van mijn vader nam. | |
| 2430 | Hij hield en geriefde me, Reidel koning, |
| gaf me schatten en malen, maagschap indachtig. | |
| Ik was hem in dit leven niet leder gezind, | |
| een man in zijn erfburg, dan enig van zijn zonen, | |
| Herboud en Hadekun, of mijn Heugelek. | |
| 2435 | Voor de oudste was toen onbetamelijk |
| door daad van maag het moordbed gespreid, | |
| toen Hadekun hem met hoornboog eer, | |
| zijn vriend en schutheer met schot raakte, | |
| het mikdoel miste en zijn maag daar trof, | |
| 2440 | een broeder de ander met bloedige schicht. |
| Dat was boeteloos kwaad, in baldaad gewrocht, | |
| nijpend te moede, doch niettemin zou | |
| de edeling ongewroken het aardleven laten. | |
| “Zo is het indroef voor een oude kerel, | |
| 2445 | een jammerlijk lot als zijn jonge zoon |
| te galge rijde.2 Dan begint hij zijn lied, | |
| een zeerlijke zang, wanneer zijn zoon daar hangt | |
| ter vreugde van raven en hij vroed en oud | |
| hem niet helpen kan, geheel niet steunen. | |
| 2450 | Hem herinnert immer, iedere morgen, |
| de afreis van zijn telg; een ander wenst hij | |
| niet te verbeiden in zijn burgstede, | |
| een erfgenaam, wanneer dat ene jong | |
| die dodelijke nood te verduren had. | |
| 2455 | Hij beziet de woning van zijn zoon met smart, |
| de verlaten wijnzaal, verwaaide bedden, | |
| rouwelijk beroofd. De rijder slaapt dan, | |
| een held onder hulling; er is geen harpenklank, | |
| vreugde in de hoven, zoals er tevoren was. |