Bijwolf — 38

Ik hoorde dat gezwind de zoon van Wijsten
na die woordenspraak zijn gewonde vorst,
de halszieke gehoorde en zijn heergewaad,
2755 gebreid strijdhemd, onder bergdak droeg.
Toen zag de zegerijke, toen hij langs zetel ging,
de moedige degen menige edelsteen,
veel glitterend goud ten gronde liggen,
wonderen te wande en het wormleger
2760 van de oude ochtendvlieger, aalkroezen staan,
vaatwerk van voorvolk, vaal zonder glanzers,
onthecht van tooi.1 Daar was helm menig,
oud en opgeroest, armringen talrijk,
behendig gedraaid. Een halschat mag licht,
2765 goud ten gronde, ontglippen ieder
van de stam der mensen, verstoppe hij die wille!
En hoog boven hoord daar hangen zag hij
een gulden vaandel, het grootste handwonder,
schrander geweven. Een schijnsel kwam af,
2770 dat hij de aardvloer aan kon schouwen,
de weelde ontwaren. Van de worm was daar
niet enig aanzicht, want het ijzer ontnam hem.
Toen werd hoord, vernam ik, uit heuvel geroofd,
uit oud entenwerk, door die ene man;
2775 hij kon borden en bekers te borst laden
naar eigen oordeel; nam ook het vaandel,
het brechtste baken. Het blank schaadde eer—
de rand was ijzeren— van de oude hoeder
hem die van schattengoed de schutheer was,
2780 een lange wijl zijn laaischrik bracht,
heet voor hoord uit, zich hevig roerende
midden in nachten, tot hij door nijd verstierf.
 Hij was reeds in ijl, op uitgang gezind,
gevuurd door vorstweelde. De vraag stak hem
2785 of hij, lofmoedig, hem in leven zou zien,
op die weidestede de Wederenheer,
de ijverzieke, waar hij hem achterliet.
Vond met armen vol toen de edele koning,
zijn beroemde heer, beronnen met bloed,
2790 de oudere ten einde; begon hem andermaal
te sprengen met water, tot de spits van een woord
het borsthoord doorbrak. Bijwolf sprak toen,
gammel na smarten, het goud beschouwend:
“De Heer dank ik geheel voor dit goed,
2795 de weidse Koning, met woorden luid
de eeuwige Vorst, wat ik aan mag schouwen,
dat ik het vermocht voor mijn hier lieden
eer mijn bezwijking zulks te verkrijgen.
Nu ik gekocht heb dit kostbare hoord
2800 met mijn vroede leven: vervult ge2 nog
de noden onzer lieden; ik kan niet langer hier zijn.
Heet een heergrootse heuvel verrichten,
blakend na brand aan de boord der zee;
die zal ter herdenking voor mijn deugdenvolk
2805 tot roem verrijzen te Raans Nesse,3
dat varend volk het voortaan kent
als Bijwolfs Berg, wanneer de boegsteilen
over het vloedendonker van verre drijven.”
 Ontdeed van hals de verheven ring,
2810 de drieste koning, die hij de degen gaf,
de jonge speerstrijder, zijn goudsmukte helm,
armring en brunne, heette het gebruik ervan goed:
“Du bist overgebleven van ons edele geslacht,
de Waagmondingen; weurd verveegde
2815 al mijn magen naar hun gemeten einde,
de nijvere krijgers. Ik zal hen navolgen.”
Dat was de grijze het jongste woord
van borstgedachten, eer hij het branden koos,
hete heerwalmen; hem uit hart vertrok
2820 de ziel op zoek naar het zekere oordeel.

vorigeoverzichtvolgende

1. Een aanzicht zoals voorzien door de eerder geheugde, naamloze koning die deze schatten de grafheuvel had ingedragen, lang tevoren.
2. Bijwolf gebiedt hier een meervoud, zijn volk, niet Wiglef alleen.
3. Oudengels Hrones Næsse (3e nv.). Zie regel 10.