| Toen bleek helder dat het niet heilzaam verging | |
| voor hem die onbillijk daarbinnen verstopte | |
| 3060 | een weelde onder wal. Die wacht sloeg eerst |
| een van enkelen; die onmin werd toen | |
| woedend gewroken. Het is wonderlijk | |
| waar een ijverkoen strijder het einde vinde | |
| van zijn lijfbeschikking, dat hij het langer niet mag: | |
| 3065 | een man met zijn magen in medezaal wonen. |
| Zo was het voor Bijwolf, toen hij de berghoeder | |
| bezocht, zere listen—hij zelf niet wist | |
| waar zijn verscheiding door geschieden zou— | |
| zo tot de dag des doems ten diepste verkond was | |
| 3070 | door grote vorsten, zij die het ten gronde borgen, |
| dat de schender aan zonden schuldig ware, | |
| tot hargen1 gehecht, met helbanden vast, | |
| door kwaden gekweld, hij die dat kostbare stale. | |
| Hij had te gauwer niet de gunst des eigenaars, | |
| 3075 | de vloek op het goud tevoren beschouwd.2 |
| Wiglef reedde, Wijstens jongen: | |
| “Menig edele zal vaak om eenmans wil | |
| wraak verduren, zo het ons geworden is. | |
| We konden hem niet bewegen, de waarde koning, | |
| 3080 | met enige raad onze rijkshoeder, |
| dat hij die goudwacht niet groeten zou, | |
| die liggen liet waar die langtijds was, | |
| ter wijke wonen tot het wereldeinde; | |
| hij hield zijn hooglot. Het hoord is geschouwd, | |
| 3085 | gestreng verworven; te sterk was de beschering |
| die de volkskoning daar voort naar dreef. | |
| Ik kwam daar in en kon het alwaarts zien, | |
| de rustingen der zaal, toen me daar ruimte was, | |
| geheel niet hartelijk een heenreis verleend, | |
| 3090 | in onder aardwal. IJlings vatte ik |
| ter handen een machtige, vermogende lading | |
| van hoordschatten, die ik hierheen uitbracht | |
| naar mijn lieve koning. Die leefde toen nog, | |
| was wijs en bewust; sprak waarlijk veel | |
| 3095 | en heette me u groeten, gammel in smarten, |
| bad dat ge vestigde, om zijn vrienddaden, | |
| een hoge berg op de brandstede, | |
| vermaard en machtig, zo hij van mannen alom | |
| de waardigste krijger op wijde aarde was, | |
| 3100 | wijl hij zijn burgweelde gebruiken mocht. |
| Laat ons ijlen nu, een ander maal | |
| zien en bezoeken die zwik edelstenen, | |
| het wonder onder wal; ik wijs u daar, | |
| dat ge nader nu op genoeg ringen | |
| 3105 | en breed goud blikt. De baar zij gereed, |
| aanstonds opgezet, wanneer we uitkomen | |
| en onze vriendheer vervoeren zullen, | |
| de geliefde man, naar waar hij lange tijd | |
| in Heersers hoede zich houden zal.” | |
| 3110 | Toen heette gezeggen de zoon van Wijsten, |
| die heerboude man tot helden alom, | |
| tot hoevehouders, dat ze hout ten stapel | |
| van verre voerden, de volksleiders | |
| naar de goede toe: “Nu zal gloed vreten— | |
| 3115 | het walmzwart wassen—de wapenvorst |
| die vaak volhield onder vlagen van ijzer, | |
| toen de stralenstorm door strengen gedreven | |
| schoot over schildwal, de schacht ambt hield, | |
| vaardig met veders, het vlijm diende.” | |
| 3120 | Gewis, de zinnige zoon van Wijsten |
| ontbood uit schare de beste mannen, | |
| zeven degens tezamen des konings, | |
| ging als een van acht onder euveldak, | |
| van heerstrijders. Ter hand droeg één | |
| 3125 | een vuurbundel, hij die als voorste liep. |
| Er was geen loting wie zou lichten van hoord, | |
| zodra de mannen de menige delen | |
| zonder wacht ter zale verwijlen zagen, | |
| verlijdend liggen. Het werd luttel berouwd | |
| 3130 | dat ze alles ijlings uitdragen moesten, |
| waarde duurheden, de draak ook schoven, | |
| worm over walklip, het water lieten nemen, | |
| het haf omhelzen die hoeder van tooi. | |
| Toen was gewonden goud op wagen geladen, | |
| 3135 | een ontal van alles, de edeling gedragen, |
| de grijze ringstrijder te Raans Nesse. |
1. Oudengels hergum (3e mv.). Beantwoordt aan harg ‘heidens heiligdom’ in oordnamen als Hargen (Noord-Holland) en Harich (Friesland), ouder Harch. Na de kerstening werd zulks met de hel verbonden en de goden met kwade geesten vereenzelvigd.
2. De vertaling is onwis, want deze twee regels zijn berucht onduidelijk in het gedicht. Hij kan hier de eerder genoemde dief zijn maar ook Bijwolf in het bijzonder.
2. De vertaling is onwis, want deze twee regels zijn berucht onduidelijk in het gedicht. Hij kan hier de eerder genoemde dief zijn maar ook Bijwolf in het bijzonder.