Bijwolf — 42

Toen bleek helder dat het niet heilzaam verging
voor hem die onbillijk daarbinnen verstopte
3060 een weelde onder wal. Die wacht sloeg eerst
een van enkelen; die onmin werd toen
woedend gewroken. Het is wonderlijk
waar een ijverkoen strijder het einde vinde
van zijn lijfbeschikking, dat hij het langer niet mag:
3065 een man met zijn magen in medezaal wonen.
Zo was het voor Bijwolf, toen hij de berghoeder
bezocht, zere listen—hij zelf niet wist
waar zijn verscheiding door geschieden zou—
zo tot de dag des doems ten diepste verkond was
3070 door grote vorsten, zij die het ten gronde borgen,
dat de schender aan zonden schuldig ware,
tot hargen1 gehecht, met helbanden vast,
door kwaden gekweld, hij die dat kostbare stale.
Hij had te gauwer niet de gunst des eigenaars,
3075 de vloek op het goud tevoren beschouwd.2
 Wiglef reedde, Wijstens jongen:
“Menig edele zal vaak om eenmans wil
wraak verduren, zo het ons geworden is.
We konden hem niet bewegen, de waarde koning,
3080 met enige raad onze rijkshoeder,
dat hij die goudwacht niet groeten zou,
die liggen liet waar die langtijds was,
ter wijke wonen tot het wereldeinde;
hij hield zijn hooglot. Het hoord is geschouwd,
3085 gestreng verworven; te sterk was de beschering
die de volkskoning daar voort naar dreef.
Ik kwam daar in en kon het alwaarts zien,
de rustingen der zaal, toen me daar ruimte was,
geheel niet hartelijk een heenreis verleend,
3090 in onder aardwal. IJlings vatte ik
ter handen een machtige, vermogende lading
van hoordschatten, die ik hierheen uitbracht
naar mijn lieve koning. Die leefde toen nog,
was wijs en bewust; sprak waarlijk veel
3095 en heette me u groeten, gammel in smarten,
bad dat ge vestigde, om zijn vrienddaden,
een hoge berg op de brandstede,
vermaard en machtig, zo hij van mannen alom
de waardigste krijger op wijde aarde was,
3100 wijl hij zijn burgweelde gebruiken mocht.
Laat ons ijlen nu, een ander maal
zien en bezoeken die zwik edelstenen,
het wonder onder wal; ik wijs u daar,
dat ge nader nu op genoeg ringen
3105 en breed goud blikt. De baar zij gereed,
aanstonds opgezet, wanneer we uitkomen
en onze vriendheer vervoeren zullen,
de geliefde man, naar waar hij lange tijd
in Heersers hoede zich houden zal.”
3110  Toen heette gezeggen de zoon van Wijsten,
die heerboude man tot helden alom,
tot hoevehouders, dat ze hout ten stapel
van verre voerden, de volksleiders
naar de goede toe: “Nu zal gloed vreten—
3115 het walmzwart wassen—de wapenvorst
die vaak volhield onder vlagen van ijzer,
toen de stralenstorm door strengen gedreven
schoot over schildwal, de schacht ambt hield,
vaardig met veders, het vlijm diende.”
3120  Gewis, de zinnige zoon van Wijsten
ontbood uit schare de beste mannen,
zeven degens tezamen des konings,
ging als een van acht onder euveldak,
van heerstrijders. Ter hand droeg één
3125 een vuurbundel, hij die als voorste liep.
Er was geen loting wie zou lichten van hoord,
zodra de mannen de menige delen
zonder wacht ter zale verwijlen zagen,
verlijdend liggen. Het werd luttel berouwd
3130 dat ze alles ijlings uitdragen moesten,
waarde duurheden, de draak ook schoven,
worm over walklip, het water lieten nemen,
het haf omhelzen die hoeder van tooi.
Toen was gewonden goud op wagen geladen,
3135 een ontal van alles, de edeling gedragen,
de grijze ringstrijder te Raans Nesse.

vorigeoverzichtvolgende

1. Oudengels hergum (3e mv.). Beantwoordt aan harg ‘heidens heiligdom’ in oordnamen als Hargen (Noord-Holland) en Harich (Friesland), ouder Harch. Na de kerstening werd zulks met de hel verbonden en de goden met kwade geesten vereenzelvigd.
2. De vertaling is onwis, want deze twee regels zijn berucht onduidelijk in het gedicht. Hij kan hier de eerder genoemde dief zijn maar ook Bijwolf in het bijzonder.