Bijwolf — 8

Onferd reedde, Eglefs jongen,
500 die ten voeten zat van de vorst der Schildingen,
ontbond een baderuin.1 Hem was Bijwolfs tocht,
de moedige meervaarder, meest hinderlijk,
daar hij niet uitstond dat enig ander man
ooit meer vermaardheid in Middelgaard
505 onder hemelen hield dan hij alleen:
“Bist du die Bijwolf die tegen Breker streefde
op de zijde zee in zwemmersstrijd,
waar ge beide uit boudheid de baren keurde
en uit dwaze bluf in diep water
510 uw aardleven waagde? Niet enig man,
niet lief noch leed, kon u beletten daar
van die zorgelijke reis, toen ge op zee roeide.2
Daar omarmde ge de ijzige stromen,
met handen wevend, de hafstraat metend,3
515 glijdend over golven, de grote deining
in winters woelen, gij in waters ban
zeven nachten zwoegend. Hij won de zwem van dij,
had meer vermogen. Toen te morgenstond
bracht het haf hem naar de Hade-Romen.4
520 Vandaar toog hij naar vertrouwd erfland,5
geliefde lieden, het land der Brandingen,
de schone vredeburg waar hij volk bezat,
woning en ringen. Waarlijk vervulde
de zoon van Bonsten6 zijn bluf tegen dij.
525 Dan verwacht ik van dij de wekere uitkomst—
al heefst du overal aanvallen gehard,
grimme gevechten—als du van Grendel hier
een nacht lang durve de naking verbeiden.”
 Bijwolf reedde, bloed van Egde:
530 “Wat een boel heefst du, beste Onferd,
dronken met bier, over Breker gesproken,
van zijn weg gezegd. Waarlijk stel ik
dat ik meer bezat aan zeevermogen,
geweld op het water, dan wie dan ook.
535 We verkondigden het als knapen al
en verbonden ons—we beide waren
nog in onze jeugd—dat we op groot water
het lijf waagden, en dat leverden we.
Droegen hard in hand onthulde zwaarden,
540 dachten ons te weren tegen willige haaien
toen we ter golven roeiden. Geenzins kon hij
ver van me vlieten over de vloedbaren,
harder op het haf, noch wilde ik hem verlaten.
Toen waren we tezamen in het zeegedruis,
545 vijf nachten voort, tot de vloed ons scheidde,
het woelende water, in weder zo koud,
nijpende nacht, en de noordenwind
strijdgrim keerde. Streng waren de baren,
was het gemoed van meervissen beroerd.
550 Daar verleende me het levenshemd,
hard handgeschakeld, hulp tegen vijanden.
Om borst verduurde het gebreide ijzer
met goud begeven. Te gronde trok me
een vinnige vijand, had me vast beneden,
555 grim in de greep. Doch gegund was het
dat ik die aanvaller met oord bereikte,
met strijdzwaard toen. Bij storm versloeg ik
het machtige meerdier met mijn handen.

vorigeoverzichtvolgende

1. Oudengels onband beadurúne (4e nv.), van beadu ‘strijd’ en rún ‘fluistering, geheim beraad, geheim’. De uitdrukking is meerduidig en daarom overgezet met evenknieën in onze taal: bade in de vrouwennaam Badelog en ruin als voortzetting van Middelnederlands rune. J.R.R. Tolkien zag er een galm van oude toverspraak in. Vrij vertaald wellicht ‘ontbreidelde geheime vijandigheid’ of ‘ontbreidelde een gerucht ter wekking van strijd’, gezien Onferds houding jegens Bijwolf. En anders mogelijk ‘ontbreidelde een strijdgerucht’, die van Bijwolf en Breker. Vergelijk helrúnan (regel 163) en rúnstafas (1695).
2. Met de armen, welteverstaan.
3. Het meten van straten, wegen, paden enz. in de zin van ‘begaan’ is een uitdrukking in zowel het Oudengels als ouder Nederlands.
4. Een volksnaam die nog leeft in Romerike, voor een gewest in Zuid-Noorwegen. Voor de toevoeging zie regel 63.
5. Het handschrift heeft hier en in regels 913 en 1702 de ruinstaf .ᛟ. voor Oudengels éþel ‘erfgoed, erfland, thuisland’, evenknie van o.a. Oudfries éthel en Oudnoords óðal.
6. Oudengels Béanstán, de vader van Breker. Het eerste lid van zijn naam kan evenknie zijn van IJslands bauni ‘haai’. En echt bestaan of niet, Breker was beroemd, want hij wordt ook genoemd als heer der Brandingen in het Oudengelse gedicht Wídsíð.