Het Germaans in het Frans

gesp
Zevende eeuwse Frankische zwaardgordelgesp (bron: Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Een groot aantal Franse woorden en namen is afkomstig uit Germaanse talen, met name het Westgermaans (Westgm.) dat in de vijfde eeuw werd gesproken door de Franken die vanuit het noorden Frankrijk stichtten. Het Nederlands bewaart veel eigen, rechtstreekse voortzettingen van de oorspronkelijke woorden, maar heeft ook sommige van de Franse vormen overgenomen.

Voor deze lijst is vooral een beroep gedaan op Von Wartburgs doorwrochte Französisches Etymologisches Wörterbuch, dat in 2002 voltooid is. Zie hier voor vragen en opmerkingen.

A

accore1 bn. 1 steil, van de kust • ouder escore, ouder Ned. schor < Westgm. *skorr

accore2 m. 1 steile kust • ouder escore, Middelned. schorre, schore < Westgm. *skorrā, *skorā

accore3 m. 1 schoor, stut • ouder escore, Middelned. schore < Westgm. *skorō

acon m. 1 aak, schuit • Oudengels naca, acc. nacan < Westgm. *nakō (Ned. aak)

adouber ww. 1 ridderen, tot ridder slaan 2 noemen, dopen • Westgm. *dubbōn (Middelned. dubben)

affaler ww. 1 doen neergaan • Ned. afhalen < Westgm. *aba + *halōn

affranchir ww. 1 vrijmaken, bevrijden • afl. van franc

-ais, -aise bn. • Westgm. *-isk, *-iskō (Middelned. -sch > Ned. -s)

alêne, alène v. 1 priem • ouder alesne, Westgm. *alasnu, *alisnu (Middelned. alsene, elsene, Ned. els)

alérion m. 1 arend op een wapenschild • Westgm. *aþal-arjō, *aþal-arō (Ned. adelaar)

alleu m. 1 eigengoed • Westgm. *al-audī ‘geheel-bezit’

Aloïs m. • Westgm. *Alawīs ‘al-wijs’ (Ned. Alwis)

Amaury m. • Westgm. *Amalarīk (Ned. Amelrik)

Amélie v. • Gotisch *Amaljō

amocher ww. 1 aftuigen, toetakelen • afl. van WGm. *mokkā ‘brok, stuk’ (Duits Mocke)

angon m. 1 visspeer • Westgm. *angō ‘speer’

Anseaume, Ansaume m. • Westgm. *Ansuhelm, zie heaume

-ard m. • afgeleid uit namen als Bernard, Évrard, Gérard, Renard, Richard

arlequin m. 1 grappenmaker • ouder harlequin, herlequin, Middelengels Herlething (lees: *Herle ching oftewel *Herle king, verlatijnst als Herla rex) < Oudengels *Herela cyning, aanvoerder van het luidruchtige Wilde Heer

Arnaud, Arnaut, Arnault m. • Westgm. *Arnuwald (Ned. Arnoud, gew. Arnold)

Arnoul m. • Westgm. *Arnuwulf (Ned. Arnolf)

attacher ww. 1 vastbinden, vastmaken • ouder estachier ‘vastbinden (aan een paal)’, afl. van Gotisch *stakkō ‘paal’, vgl. étai

attaquer ww. 1 aanvangen 2 aanvallen • van een Ital. vorm van attacher

attifer ww. 1 opdirken, opsmukken • ouder tifer, tiffer, Oudhoogduits *tipfōn < Westgm. *tippōn

auberge • Westgm. *hari-bergu ‘leger-beschutting’ (Ned. herberg)

Aubert, Albert m. • Westgm. *Aþalaberht (Ned. Albert)

Aude v. • Westgm. *Aldā (Ned. Oude)

aune m. 1 el • ouder alne, Westgm. *alinu (Middelned. elne, elle, Ned. el)

B

bâbord m. 1 bakboord • Middelned. *bacbort (Ned. bakboord)

balcon m. 1 open uitbouw aan bovenverdieping • van Ital. afl. van Westgm. *balkō (Ned. balk), vgl. bau

balle v. 1 bal 2 baal • Westgm. *ballu, *ball (Ned. bal)

ballon m. 1 luchtbal • van Ital. afl. van Westgm. *ballu, *ball (Ned. bal)

ban m. 1 afkondiging 2 verbanning • Westgm. *bann (Ned. ban)

banal bn. 1 alledaags, afgezaagd • ouder ‘gemeenschappelijk’, afl. van ban in de oude bijbetekenis ‘rechtsgebied’

banc m. 1 bank • Westgm. *bank (Ned. bank)

banquet m. 1 feestmaal • van Ital. afl. van Westgm. *bank, zie banc

bande1 v. 1 strook • Westgm. *bindu

bande2 v. 1 schare • ouder ‘(veld)teken’, van Westgm. *bandu

bannière v. 1 veldteken, vaandel • afl. van bande2

bannir ww. 1 verbannen • Westgm. *bannijan, *bannan (Ned. bannen)

barguigner ww. 1 twijfelen over een aankoop o.i.d. • ouder ‘onderhandelen’, Westgm. *borganjan

baron m. 1 edelman • Westgm. *barō ‘vrij man’

bastion m. 1 bolwerk • Westgm. *bastijō, zie bâtir

bastille v. 1 vesting • afl. van bastion

bâtir ww. 1 opbouwen, in elkaar zetten • ouder bastir, Westgm. *bastijan (Oudhoogduits besten ‘rijgen, doorvlechten’), zie bastion

bateau m. 1 schuit • afl. van Oudengels bát (Engels boat, ontleend als boot) < Westgm. *bait

bau m. 1 dwarshout • ouder bauch, bauc, Westgm. *balkō (Ned. balk), vgl. balcon

Baudoin m. • Westgm. *Baldawini (Ned. Boudewijn)

Bérenger m. • Westgm. *Bernugaiz

Bernard m. • Westgm. *Bernuhard (Ned. Bernard, Berend)

Berthe v. • Westgm. *Berhtā (Ned. Berte, Brecht)

Bertram m. • Westgm. *Berhtahramn (Ned. Bertram)

Bertrand m. • Westgm. *Berhtarand (Ned. Bertrand)

besogne v. 1 werk, arbeid • ouder ‘beslommering’, nevenvorm van besoin

besoin m. 1 behoeftigheid 2 behoefte • Westgm. *bi-sunjā, zie soin, soigner

bidon m. 1 kan • Oudnoords *biði

bière1 v. 1 bier • Middelned. bier < Westgm. *beur

bière2 v. 1 doodskist • Westgm. *beru bij *beran ‘dragen’

bigre m. 1 boswachter die toeziet op behoud van bijen • Westgm. *bīa-kazi (gew. Ned. bijker, Oudengels béocere)

bille v. 1 knikker 2 biljartbal • Westgm. *bikkil (Ned. bikkel)

billard m. 1 biljart • afl. van bille + -ard

bise v. 1 koude wind, noordoostenwind • Westgm. *bīsiju, *bīsu (Middelned. bise)

bivouac m. 1 kamp voor bergbeklimmers e.d. • Zwitsers Biwacht < Westgm. *bī-wahtu

blague v. 1 zak 2 grap • Nederlands balg < Westgm. *balg

blanc, blanche bn. 1 wit • Westgm. *blank (Ned. blank)

Blanche v. • Westgm. *Blankā, zie blanc/blanche

blasé bn. 1 onverschillig • afl. van blaser

blaser ww. 1 afstompen, ongevoelig maken • ouder ‘afstompen door drankmisbruik’, Ned. blazen (vroeger ook ‘drinken’) < Westgm. *blāsan

blêmir ww. 1 verbleken • Westgm. *blesmijan dan wel *blasmijan

blesser ww. 1 verwonden • ouder ‘kneuzen’, Westgm. *blaitijan ‘van kleur doen veranderen, verbleken’

blessure v. 1 verwonding • afl. van blesser

bleu bn. 1 blauw • Westgm. *blāu (Ned. blauw)

bloc m. 1 groot stuk • Westgm. *blokk (Ned. blok ‘homp’, niet te verwarren met blok ‘afdeling’)

bloquer ww. 1 blokken 2 stoppen • afl. van bloc

blond bn. 1 goudgeel • Westgm. *blund

bois m. 1 bos 2 hout • Westgm. *bosk (Ned. bos)

bord m. 1 boord 2 rand 3 oever • Westgm. *borzd (Ned. boord)

bordure v. 1 boordsel, zoom • afl. van bord

bouc m. 1 bok 2 sik • Westgm. *bukk (Ned. bok)

boucher ww. 1 dichtstoppen • afl. van bouc

bouquet m. 1 bosje 2 ruiker, tuil • afl. van (nevenvorm van) bois

bouquin m. 1 oud boek • Middelned. *boekijn ‘boekje’

boulanger m. 1 bakker • verl. van Westgm. *bolling, afl. van *bollā ‘bol brood’

boulevard m. 1 brede laan • Middelned. bolwerc < Westgm. *bul ‘boomstam’ + *werk

bourg v. 1 groot dorp • ouder ‘vesting’, Westgm. *burg (Ned. burg/burcht)

bourgeois bn. 1 burgerlijk • afl. van bourg

bout m. 1 uiteinde • Westgm. *butt (Engels butt)

bouton m. 1 knop • Westgm. *buttō (Ned. (rozen)bottel)

brader ww. 1 van de hand doen • Middelned. braden ‘verbranden’ < Westgm. *brādan

braderie v. 1 straatmarkt 2 uitverkoop • afl. van brader

braise v. 1 gloeiende kolen • Westgm. *brasu (gew. Ned. braze ‘houtskool’)

brandir ww. 1 dreigend zwaaien met • afl. van Westgm. *brand ‘zwaard’ (Middelned. brant, mv. brande)

brandon m. 1 toorts • Westgm. *brandō, *brand (Ned. brand)

braque m. 1 jachthond • Westgm. *brakk, *brakkō (Ned. brak)

brèche v. 1 openbreking • Westgm. *breku

brème v. 1 brasem • ouder braisme, Westgm. *brāhsima (Ned. brasem)

bretelle v. 1 draagband • Oudhoogduits brittil < Westgm. *bregdil

breuil m. 1 kreupelhout • Westgm. *brōil of *brōlī (gew. Ned. broel, bruul, briel, Duits Brühl)

bride v. 1 teugel, toom• Middelhoogduits bridel < Westgm. *brigdil, *bregdil (Ned. breidel)

brique v. 1 baksteen • Middelned. bricke < Westgm. *brikjā

broder ww. 1 met naaldwerk opsmukken • Westgm. *brozdōn (Oudsaksisch brordon)

broderie v. 1 opsmukkend naaldwerk • afl. van broder

broigne v. 1 wapenrok • Westgm. *brunjā (Duits Brünne)

broyer ww. 1 verbrijzelen • Westgm. *brekan (Ned. breken)

brun bn. 1 bruin • Westgm. *brūn (Ned. bruin)

brunir ww. 1 bruin maken 2 glad maken • afl. van brun

bûche v. 1 blok brandhout • Westgm. *būskā

buer ww. 1 wassen van kleren, de was doen • Westgm. *būkōn (gew. Ned. buken, Duits bauchen)

buie v. 1 kruik, kan • Westgm. *būk

burin m. 1 kerfnaald 2 beitel • van Ital. afl. van Westgm. *borō (Ned. boor)

but m. 1 doel 2 mikpunt• Oudnoords bútr ‘boomstronk’

butin m. 1 buit, oogst, winst • Middelnederduits bute

C

canif m. 1 mes • Westgm. *knīb (Middelned. cnijf, Engels knife)

cauchemar m. 1 nachtmerrie • tweede lid: Westgm. *marā (Middelned. (nacht)mare ‘nachtelijke kwelgeest’, Ned. nachtmerrie)

champion m. 1 voorvechter • noordelijk campion, Westgm. *kampijō (Oudsaksisch kempio, Middelned. kempe), afl. van Lat. campus ‘strijdperk, slagveld’

Charles m. • Westgm. *Karl (Ned. Karel)

Charlotte v. • afl. van Charles

chaton m. 1 vatting, kas van een edelsteen • ouder chaston, Westgm. *kastō (Ned. kast)

chic1 m. 1 vaardigheid, handigheid 2 zwierigheid, goede smaak • Duits Schick ‘orde; goed voorkomen’ bij schicken ‘ordenen’ < Westgm. *skikkōn (Ned. schikken)

chic2 bn. 1 zwierig, keurig, voornaam • van chic1

choisir ww. 1 kiezen • Gotisch kausjan

choquer ww. 1 stoten 2 aanstoot geven, schokken • Middelned. schokken < Westgm. *skukkōn

cible v. 1 schietschijf, doelwit • Zwitsers schībe < Westgm. *skībā (Ned. schijf)

ciron m. 1 meelmijt • Westgm. *seurō (Middelned. siere ‘mijt’, Ned. zier)

clenche v. 1 klink, deurkruk • Westgm. *klinkā (Ned. klink)

cliver ww. 1 splijten, verdeeldheid zaaien onder • Ned. klieven < Westgm. *kleuban

coiffe v. 1 muts, kap • Oudhoogduits kupfa < Westgm. *kuppijā

coiffer ww. 1 kappen • afl. van coiffe

coiffure v. 1 kapsel 2 hoofddeksel• afl. van coiffer

colza m. 1 koolzaad • ouder colzat, Ned. koolzaad

corvette v. 1 soort schip • afl. van Middelned. corver ‘haringjager; kaperschip’

cotte v. 1 overjas • Westgm. *kottu, acc. *kottā (Oudhoogduits chozza ‘wollen mantel’)

crabe m. 1 krab • Oudnoords krabbi dan wel Middelned. crabbe < Westgm. *krabbō

crampe v. 1 kramp • Westgm. *kramp (Ned. kramp)

crèche v. 1 krib 2 kinderdagverblijf • Westgm. *krippiju (Oudhoogduits kripfa)

cresson m. 1 waterkers • Westgm. *kressō (Ned. (water)kers)

creton m. 1 stuk vet • Westgm. *kretā ‘inkerving’, acc. *kretōn (gew. Ned. kerte)

croc m. 1 haak • Westgm. *krōk

crosse v. 1 staf 2 stok 3 kolf • Westgm. *krukju (Ned. kruk, Engels crutch)

crotte v. 1 keutel • Westgm. *krottu (gew. Duits krotz)

croupe v. 1 achterste 2 kruis • Westgm. *kropp, *krupp

croupier m. 1 spelleider bij een speelbank • ouder ‘helper’, ouder ‘achterop meerijdende’, afl. van croupe

cruche v. 1 kruik • Westgm. *krūkā, *krokkā (Ned. kruik)

D

danser ww. 1 bewegen op de maat van de klanken • ouder dancier, Westgm. *dantijan of *dintijan

dard m. 1 werpspeer 2 angel • Westgm. *darōþ

débaucher ww. 1 tot verzuim overhalen 2 tot losbandigheid overhalen • afl. van (de voorloper van) bau

débuter ww. 1 beginnen • afl. van but

déchirer ww. 1 verscheuren • ouder deschirer, afl. van Westgm. *skarjan ‘delen’ (Ned. scheren ‘toebedelen’)

détacher ww. 1 losmaken 2 uitzenden• ouder destachier, zie attacher

drageon m. 1 spruit, loot • Westgm. *draibijō

drogue v. 1 verdovend of opwekkend middel • ouder ‘geneeskrachtig kruid’, Middelned. droge (waren) < Westgm. *draugi

droguer ww. 1 verdovende of opwekkende middelen toedienen • afl. van drogue

droguiste m./v. 1 verkoper van geneesmiddelen e.d. • afl. van drogue

dune v. 1 duin • Middelned. dune < Westgm. *dūnu

duvet m. 1 dons, donzen dekbed • ouder dumet, afl. van Oudnoords dúnn ‘dons’

E

écaille v. 1 schub 2 schild, van een schildpad • ouder escaille, Westgm. *skalju (Middelned. schelle, schille ‘schub, schelp, schaal enz.’, Ned. schil), zie écale

écale v. 1 dop, bolster • ouder escale, Westgm. *skalu (Ned. schaal ‘harde schil’), zie écaille

échanson m. 1 schenker in de hofhouding • ouder eschançon, Westgm. *skankijō (Middelned. schenke, Ned. schenker)

écharde v. 1 splinter • ouder escharde, Westgm. *skardu, *skard (Ned. schaarde ‘kerf’, Engels shard ‘scherf’)

échasse v. 1 stelt • noordelijk escache (ontleend als schaats), Westgm. *skakju bij *skakan (Oudengels sceacan ‘schokkend voortgaan’, Engels shake)

échauguette v. 1 wachttoren aan een burchtwand • ouder escharguaite, Westgm. *skara-wahtu, van *skaru (Ned. schare) + *wahtu (Ned. wacht), zie guetter

échevin m. 1 wethouder • ouder eschevin, Westgm. *skapinō (Ned. schepen)

échine v. 1 ruggengraat • ouder eschine, Westgm. *skinu ‘harde strook’ (Ned. scheen)

échiner ww. 1 afbeulen, uitsloven • ouder eschiner, afl. van échine

échoppe v. 1 winkeltje • ouder eschoppe, Middelned. schoppe ‘kraampje, open schuurtje’ < Westgm. *skoppō

éclater ww. 1 barsten • ouder esclater, Westgm. *slaitan (Oudhoogduits sleizen)

éclisse v. 1 spalk • ouder esclisse, Westgm. *slitjā

écope v. 1 hoosvat • ouder escope, Westgm. *skōpā ‘schepemmer, scheplepel’ (Ned. schoep)

écorer ww. 1 rekening bijhouden • ouder *escorer, Oudnoords skora ‘turven e.d.’

écot1 m. 1 stronk of tak waarvan de loten niet helemaal gesnoeid zijn • ouder escot, Westgm. *skot, *skuti (Ned. schot, scheut ‘loot’)

écot2 m. 1 bijdrage, aandeel • ouder escot, Westgm. *skot (Middelned. schot ‘belasting op land’)

écoute v. 1 schoot, van een zeil • ouder escote, Westgm. *skautu, *skaut (Ned. schoot)

écoutille v. 1 dekluik • ouder escoutille, van Spaanse verkl. van Gotisch skaut ‘rand’

écraigne v. 1 plek waar de winteravonden doorgebracht worden, vroeger half ondergronds • Westgm. *skriuniju, *skreunu

écran m. 1 scherm • ouder escran, escren, Middelned. scherm < Westgm. *skerm

écraper ww. 1 afborstelen, wegkrabben • ouder escraper, Westgm. *skrapōn, *skrappōn (Ned. schrapen, schrappen)

écrevisse v. 1 rivierkreeft • Westgm. *krabitju (gew. Ned. krifte) naast *krabiti (Ned. kreeft)

écrou m. 1 wettelijke gevangenneming • ouder escroe ‘register, stuk perkament’, Westgm. *skraudā (Middelned. schrode ‘afgesneden of afgeknipt stuk’)

écrouer ww. 1 gevangennemen • afl. van écrou

écume v. 1 schuim • ouder escume, Westgm. *skūm (Ned. schuim)

écumer ww. 1 schuimen • afl. van écume

églefin, aiglefin m. 1 schelvis • ouder esclefin, Middelned. schelvisch

élingue v. 1 draagdoek • ouder eslinge, Westgm. *slingā (Duits Schlinge)

émail m. 1 glasachtige laag • ouder esmal, Westgm. *smaltī (Middelned. smelt)

emballage m. 1 (het) inpakken • afl. van emballer

emballer ww. 1 inpakken • afl. van balle

émerillon m. 1 smelleken (kleine valk) • ouder esmerillon, Westgm. *smerilō (Middelned. smerle, smeerle, verkl. *smerlekin, Ned. smelleken)

empan m. 1 span van de hand • ouder espan, Westgm. *spannu (Ned. spanne, span)

engager ww. 1 verbinden, verplichten • afl. van gage

épanouir ww. 1 doen ontluiken, uitspreiden • ouder épanir, espanir, Westgm. *spannijan naast *spannan (Ned. spannen)

épar m. 1 deurbalk • ouder esparre, Westgm. *sparrā (Ned. spar)

épargner ww. 1 sparen • Westgm. *sparanjan naast *sparōn (Ned. sparen)

épeautre m. 1 spelt • ouder espeautre, espelte, Westgm. *speltu (Ned. spelt)

épeler ww. 1 spellen • ouder espeler, Westgm. *spellōn (Ned. spellen)

éperlan m. 1 spiering • ouder espellen, Middelned. spierlinc ‘spiering’

éperon m. 1 spoor (aan rijlaars) • ouder esperon, esporon, Westgm. *sporō (Ned. spoor)

épervier m. 1 sperwer • ouder esparvier, Westgm. *sparwārī (Ned. sperwer)

épier ww. 1 bespieden • ouder espier, Westgm. *spehōn (Middelned. spieën, Ned. spieden), zie espion

épieu m. 1 spies • ouder espieu, Westgm. *speut (Middelned. spiet, Duits Spieß, ontleend als spies)

épois mv. 1 punten van het gewei • ouder espeit ‘spit’, Westgm. *spit (Ned. spit)

équiper ww. 1 uitrusten, voorzien • ouder esquiper, Oudnoords skipa < Westgm. *skipōn

escarpe v. 1 helling • langs het Ital. van Gotisch *skarpō ‘scherp toelopend stuk’

escarpé bn. 1 steil • afl. van escarpe

escrimer ww. 1 schermen • Westgm. *skirmijan (Ned. schermen)

esquiver ww. 1 ontwijken, ontlopen • langs het Ital. van Westgm. *skiuhijan (Ned. schuwen)

espion m. 1 bespieder • Westgm. *spehō (Middelned. spie ‘spieder’), zie épier

-esque bn. • langs het Ital. van Westgm. *-isk (Middelned. -sch > Ned. -s), zie -ais, -aise

est m. 1 oost • Middelengels ēst < Westgm. *aust (Ned. oost)

estafette v. 1 ijlbode 2 verbindingsman • van Ital. afl. van Oudhoogduits stafa ‘steigbeugel’ < Westgm. *stapā, *stapp (Ned. stap)

estoc1 m. 1 boomstronk 2 stamboom, afstamming • Westgm. *stokk (Ned. stok, Engels stock)

estoc2 m. 1 zwaardpunt • afl. van estoquer

estoquer ww. 1 doorsteken • Middelned. stoken < Westgm. *stukōn

étai m. 1 houten stut van een bouwwerk • ouder estaie, Westgm. *stakō (Middelned. stake ‘steunbalk, stut’)

étal m. 1 stalletje • ouder estal, Westgm. *stall (Ned. stal)

étalage m. 1 uitstalling • afl. van étaler

étaler ww. 1 uitstallen • Westgm. *stallōn (Ned. stallen), zie étal

étalon1 m. 1 hengst • Westgm. *stallō, zie étal

étalon2 m. 1 ijkmaat, maatstaf • Westgm. *stalō (Middelned. staal ‘staak’) naast *stelō (Ned. steel)

étambot m. 1 roersteven • ouder estambor, Oudnoords *stamnborð, *stafnborð ‘stevenbord’, vgl. étrave

étamper, estamper ww. 1 een indruk maken • Westgm. *stampōn (Ned. stampen)

étape v. 1 halte • ouder estaple ‘handelopslag’, Middelned. stapel ‘hoop, stapelplek’ < Westgm. *stapal

étarquer ww. 1 het zeil zo hijsen dat de touwen strak staan • ouder esterquer, Middelned. sterken < Westgm. *starkijan

étendard m. 1 vaandel, veldteken • ouder estandart, Westgm. *standa-hard ‘standvastig, stevig’

éteuf m. 1 bal bij jeu de paume (de voorloper van tennis) • ouder estue, Westgm. *stūt (Middelned. stoet ‘bal’), bij *stūtēn (Ned. stuiten, stuiteren)

étiquette v. 1 velletje met opschrift • ouder estiquette, afl. van Westgm. *stikkōn (Middelned. sticken)

étoffe v. 1 stof, weefsel • ouder estoffe, afl. van étoffer

étoffer ww. 1 meer inhoud geven, voller maken • ouder estoffer, Oudhoogduits stopfōn < Westgm. *stoppōn ‘(in)steken’ (Ned. (vol)stoppen)

étrave v. 1 voorsteven • ouder *estaver, Oudnoords stafn ‘steven’, vgl. étambot

étrier m. 1 stijgbeugel • ouder estrief, estreu, Westgm. *stiga-raip (Middelned. stegereep)

étron m. 1 ontlasting • ouder estront, Westgm. *strunt (Ned. stront)

Évrard m. • Westgm. *Eburahard (Ned. Everard, Evert)

F

fagne v. 1 veenmoeras • Westgm. *fanju, *fani (Ned. ven, veen)

faide v. 1 vete • Westgm. *faihiþu (Middelned. vede, vete, Ned. vete)

faîte m. 1 nok 2 top 3 toppunt • ouder feste, Westgm. *firsti, *fursti (Middelned. verste, vorst, Ned. vorst ‘nokbalk’)

falaise v. 1 klip • Westgm. *falisu (Middelned. vels, Duits Fels)

fange v. 1 modder, slijk • Gotisch *fanga

fanon m. 1 halskwab, lel • ouder ‘vlag’, Westgm. *fanō (Ned. vaan)

farder ww. 1 opmaken, schminken 2 verdoezelen • Westgm. *farwidōn ‘kleuren’ bij *faru, acc. *farwā (Ned. verf, Duits Farbe)

fauteuil m. 1 leunstoel • ouder faudesteuil, faldestoel, Westgm. *faldi-stōl (Ned. vouwstoel)

fauve bn. 1 rossig • ouder falve, Westgm. *falu, dat. *falwē (Middelned. vale, valu, valuwe, Ned. vaal)

feutre m. 1 vilt • ouder feltre, Westgm. *felt, mv. *filtizu (Ned. vilt)

fief m. 1 leengoed • langs Lat. fevum, feum van Westgm. *fehu ‘roerend goed’ (Ned. vee)

flacon m. 1 stopfles • ouder flascon, Westgm. *flaskā (Ned. fles)

flamberge v. 1 soort tweehandig zwaard • o.i.v. flambe ‘vlam’ uit ouder floberge, froberge, Westgm. *frawa-bergu ‘heer-bescherming’

flan m. 1 gebakken eiervla • ouder flaon, Westgm. *flaþō (Ned. vlade, vlaai, vla)

flanc m. 1 zijde • Westgm. *hlanku (Middelned. lanke ‘zij’)

flancher ww. 1 opgeven, begeven • Westgm. *hlankijan (Middelhoogduits lenken ‘buigen’)

flâner ww. 1 kuieren • Oudnoords flana ‘achteloos voortgaan’

flèche1 v. 1 pijl • Westgm. *fliukijā (Middelned. vlieke ‘pijl’)

flèche2 v. 1 zijde, stuk (spek) • Oudnoords flikki

flibustier m. 1 zeerover, kaper • Ned. vrijbuiter van vrij + afl. van buit

flot m. 1 golf, vloed 2 overvloed, stroom • Westgm. *flot (Middelned. vlot ‘drijving’), niet Westgm. *flōd (Ned. vloed)

foc m. 1 fok • Ned. fok < Westgm. *fokk

foule v. 1 menigte • ouder foulc, Westgm. *fulk, *folk (Ned. volk)

fourbir ww. 1 poetsen • Westgm. *furbijan (Oudhoogduits furben)

fournir ww. 1 voorzien 2 leveren • Westgm. *frumjan

fourniture v. 1 voorraad • afl. van fournir

fourrage m. 1 eten voor vee • afl. van Westgm. *fōdr (Ned. voeder/voer)

fourreau m. 1 schede, holster • afl. van Westgm. *fōdr (Middelned. voeder ‘overtrek, bekleding’, Ned. voering)

frais, fraîche bn. 1 koel 2 nieuw • Westgm. *frisk (Ned. vers, Duits frisch, ontleend als fris)

framboise v. 1 framboos • Westgm. *brāma-basjō (Ned. braambes)

franc, franche bn. 1 vrij 2 vrijmoedig • Westgm. *frank (Ned. frank/vrank)

Franc m. • Westgm. *Frank, *Frankō, zie franc

français bn. 1 Frans • Westgm. *frankisk, zie Franc

Français m. 1 Fransman • van français

Française v. 1 Franse vrouw • van français

France v. 1 Frankrijk • van Lat. Francia, afl. van Westgm. *Frankan ‘Franken’, zie Franc

François m. • oude nevenvorm van Français

franchir ww. 1 stappen over • afl. van franc

franchise v. 1 vrijmoedigheid 2 vrijstelling • afl. van franc

fredaine v. 1 grap, streek • afl. van Gotisch *fraiþeis < Oudgm. *fraiþijaz (Oudhoogduits freidi ‘trouweloos’)

frelater ww. 1 heimelijk aanlengen (drank) • Middelned. verlaten ‘overgieten, overtappen’

frelon m. 1 horzel • Westgm. *horslō, *horsl (Ned. horzel)

fret m. 1 vracht, lading • Middelned. vrecht, vracht < Westgm. *fraihti

freux m. 1 roek • Westgm. *hrōk (Ned. roek)

frimas m. 1 dikke vorstmist • verl. van ouder frime ‘rijp, bevroren dauw’, Westgm. *hrīm (Ned. rijm)

froc m. 1 broek • Westgm. *hrokk (Ned. rok), vgl. rochet

fronce v. 1 vouw, plooi • Westgm. *hrunkiju

froncer ww. 1 rimpelen • afl. van fronce

G

gaber ww. 1 bespotten • Oudnoords gabba

gâche v. 1 deurhaak • Westgm. *gaspiju (Ned. gesp)

gâcher ww. 1 verknoeien 2 verspillen • ouder guaschier ‘soppen, spoelen’, Westgm. *waskan (Ned. wassen)

gage m. 1 onderpand, waarborg 2 loon • ouder guage, Westgm. *wadi, dat. *wadjē (Ned. wedde)

gager ww. 1 wedden 2 waarborgen • Westgm. *wadjōn (Ned. wedden)

gagner ww. 1 winst maken 2 winnen • ouder guagnier, Westgm. *waiþanjan ‘jagen; grazen’ (Duits weidnen)

gai bn. 1 vrolijk, opgewekt • Gotisch *gāheis ‘vlug’

galant bn. 1 hoffelijk • afl. van verouderd galer ‘genieten’, afl. van *walu ‘wel, goed’ (Middelned. wale), vgl. galoper

galop m. 1 ren, van rossen • van galoper

galoper ww. 1 rennen, van rossen • ouder guant, Westgm. *wala-hlaupan ‘wel-rennen’, vgl. galant

gant m. 1 handschoen • Westgm. *want (Ned. want)

gantelet m. 1 ijzeren handschoen • afl. van gant

garage m. 1 stalling • afl. van garer

garance v. 1 meekrap (gewas), bron van rode kleurstof • Westgm. *wratjā (Oudhoogduits rezza, Oudengels wrætte), vgl. gaude, guède

garant m. 1 borg (persoon) 2 waarborg, verzekering • afl. van Westgm. *warēn (Middelned. waren, weren ‘instaan voor’)

garantie v. 1 waarborg, verzekering • afl. van garant

garçon m. 1 jongen • ouder ‘knecht’, Westgm. *wrakjō ‘doler, balling’ (Duits Recke ‘held’, Engels wretch ‘armzalig mens’)

garde v. 1 wacht, bewaking • Westgm. *wardu (Middelned. warde, waerde)

garde-robe v. 1 kleerkast • van stam van garder + robe

garder ww. 1 bewaken 2 verzorgen • afl. van garde

gare v. 1 station • afl. van garer

garer ww. 1 stallen • Westgm. *warōn (Middelned. waren ‘zorgen voor’, Ned. bewaren)

Garnier m. • Westgm. *Warinahari (Ned. Werner)

garnir ww. 1 voeren, bekleden 2 vullen 3 tooien• ouder guarnir, Westgm. *warnijan (Middelned. waernen ‘behoeden; uitrusten, voorzien’)

garnison v. 1 gezetelde legerafdeling • afl. van garnir

garniture v. 1 geheel van toebehoren 2 voering • afl. van garnir

Gaston m. • Westgm. *Wādast (Ned. Waast)

gâteau m. 1 koek, taart, gebak • ouder noordelijk ouasteau, waistel • Westgm. *wastil

gauche bn. 1 links • afl. van gauchir

gauchir ww. 1 ontwijken 2 verdraaien • oude nevenvorm van guincher

gaude v. 1 wouw (gewas), bron van gele kleurstof • ouder noordelijk waude, Westgm. *waldu (Middelned. woude, Ned. wouw), vgl. garance, guède

gaufre v. 1 wafel 2 honingraat • ouder waufre, walfre, Westgm. *wāflu (Ned. wafel)

gaule v. 1 staak, stok • ouder noordelijk waule, Westgm. *walu (Oudfries walu ‘staf’)

Gaule v. 1 Gallië • Westgm. *Walhō ‘Kelten, Romeinen’ (Ned. Walen), niet verwant aan Gallië

gaulois bn. 1 Gallisch • Westgm. *walhisk ‘Keltisch, Romeins’ (Ned. Waals), niet verwant aan Gallisch, vgl. thiois

Gautier, Gaultier m. • Westgm. *Waldahari (Ned. Wouter, gew. Wolter, Duits Walter)

gazon m. 1 grasveld • ouder noordelijk wason, Westgm. *wasō (verouderd Duits Wasen ‘graspol’)

Geneviève v. • Westgm. *Genawefu(?)

Geoffroy m. • Westgm. *Godafriþu (Ned. Govert, Duits Gottfried)

gêne v. 1 schaamte • ouder gehine ‘straf door bekentenis’, afl. van gehir, Westgm. *jehjan, naast *jehan (Oudsaksisch jehan ‘bekennen’)

Gérald m. • Westgm. *Gaizawald

Gérard m. • Westgm. *Gaizahard (Ned. Gerard, Geert, Gert, Duits Gerhard)

gerbe v. 1 schoof 2 tuil• ouder garbe, Westgm. *garbā (Ned. garve, garf)

gibecière v. 1 weitas, jachttas • afl. van (voorloper van) gibier

gibier m. 1 wild, wilde dieren • ouder gibiez, Westgm. *ga-baitī (Middelhoogduits gebeize ‘valkenjacht’) naast Westgm. *baitijan (Middelned. beiten, beten ‘doen bijten door een valk’)

Gilbert m. • Westgm. *Gīslaberht (Ned. Gijsbert, Gijsbrecht)

giron m. 1 schoot • Westgm. *gaizō (Ned. geer ‘schuin toelopend stuk doek, land enz.’)

girouette v. 1 weerhaan, windwijzer • ouder noordelijk wirewite, Oudnoords veðrviti ‘windwijzer’

Gisèle v. • Westgm. *Gīslā

glisser ww. 1 glijden • Westgm. *glīdan (Ned. glijden), verhaspeld met Oudfrans glacier ‘glijden’ bij glace ‘ijs’, Lat. glaciēs ‘ijs’

gonfalon, gonfanon m. 1 strijdvlag • Westgm. *gunþifanō, *gunþafanō (Oudhoogduits gundfano, Oudengels gúþfana)

gourme v. 1 droes (paardenziekte) 2 krentenbaard en andere huidaandoeningen bij kinderen • Westgm. *worm

gourmet m. 1 fijnproever • ouder groumet ‘(wijn)bediende’, afl. van Westgm. *grum (dan wel *grōm) ‘jongen, knecht’

grappe v. 1 tros • ouder crappe, Westgm. *krappu (Middelned. crappe ‘haak’, gew. Ned. krap ‘tros’)

gratin m. 1 korstje • afl. van gratter

gratiner ww. 1 een dun korstje schroeien • afl. van gratin

gratter ww. 1 schrapen, krabben • Westgm. *krattōn (Duits kratzen)

graver ww. 1 kerven met een naald • Westgm. *graban (Ned. graven) dan wel *krabōn (Duits kraben ‘krassen’)

gravure v. 1 naaldkerving • afl. van graver

gréer ww. 1 optuigen • Oudnoords greiða < Oudgm. *ga-raidijaną (Middelned. gereiden, gereden ‘gereed maken’)

grêler ww. 1 hagelen • ouder gresler, Westgm. *grisilōn

grès m. 1 zandsteen • ouder grez, Westgm. *greut (Middelned. griet)

gribouiller ww. 1 krabbelen, kladden • Ned. kriebelen

griffe v. 1 klauw • afl. van Oudhoogduits grífan < Westgm. *grīpan (Ned. grijpen)

grigner ww. 1 het gezicht vertrekken • Westgm. *grīnan (Ned. grijnen, gew. grienen)

G+

grimace v. 1 vertrokken gezicht • verl. van Westgm. *grīmō ‘roet; mom’ (gew. Ned. grijm ‘roet’, Oudsaksisch grímo ‘mom’)

Grimaud, Grimault m. • Westgm. *Grīmawald

grimer ww. 1 schminken • afl. van het grondwoord van grimace, vgl. mâchurer

gripper ww. 1 grijpen • Westgm. *grīpan (Ned. grijpen)

gris bn. 1 grijs • Westgm. *grīs (Ned. grijs)

groseille v. 1 kruisbes • Westgm. *krōsilā (ouder Ned. kroeselbesie)

gruger ww. 1 oplichten, afzetten • ouder ‘vermalen’, Middelned. *grusen (Ned. gruizen)

gruier m. 1 boswachter • afl. van Westgm. *grōþi (Ned. groede ‘groenheid, aanwas’)

gué m. 1 wad • Westgm. *wad (Ned. wad)

guède v. 1 wede (gewas), bron van blauwe kleurstof • ouder guesde, noordelijk waide, Westgm. *waizdu (Ned. wede, Engels woad), vgl. garance, gaude

guerdon m. 1 beloning • ouder guerredon, Westgm. *wiþra-laun (Middelned. wederloon)

guère bn. 1 ne guère weinig, nauwelijks • Westgm. *waigarō (Oudhoogduits ne weigaro ‘niet bijster’) bij *waigar (Middelned. weger, weiger ‘weerbarstig’)

guérir ww. 1 helen, genezen • Westgm. *warjan ‘beschermen’ (Ned. weren)

guerre v. 1 oorlog, strijd • Westgm. *werru (Ned. war ‘wanorde’, doch Engels war komt van een Noordfranse vorm)

gueux m. 1 bedelaar • Westgm. *Gotō ‘Goot’ of Gotisch Guta, Gota ‘Goot’ (volgens Michiel de Vaan; de Goten in Frankrijk waren ondergeschikt)

guetter ww. 1 bespieden, op de uitkijk staan • ouder gaitier, Westgm. *wahtwijan ‘wacht houden’ (Ned. wachten), zie échauguette

guêtre v. 1 slobkous 2 beenkap • ouder guestre, Westgm. *wrist (Middelned. wrist, wrest ‘voetgewricht, handgewricht’)

guiche v. 1 schildriem • Westgm. *wiþjā (Oudengels wiþþe ‘riempje’)

guide m. 1 gids, reisleider, leidsman • afl. van guider

guider ww. 1 leiden, de weg wijzen • verhaspeling van Westgm. *wītan (Oudengels wítan ‘toezien op’, gewítan ‘wenden naar’) en Gotisch *widan ‘leiden’

Guilleaume, Guillaume m. • Westgm. *Wiljahelm (Ned. Willem, Duits Wilhelm), zie heaume

guimpe v. 1 kap 2 bef met kap (van nonnen) • ouder guimple, Westgm. *wimpil (Middelned. wimpel ‘hoofddoek, sluier; muts; vaan’, Ned. wimpel)

guincher ww. 1 dansen • ouder ‘wijken, schuin gaan’, Westgm. *wankijan (Middelned. wenken ‘wijken; knikken’, Ned. wenken ‘een teken geven’), zie gauchir

guinder ww. 1 hijsen met een katrol of windas • Oudnoords vinda < Oudgm. *windaną (Ned. winden)

guiper ww. 1 omwinden, van draad • Westgm. *wīpan (Middelhoogduits wífan)

guirlande v. 1 (bloem)slinger • afl. van *guireler, zelf afl. van Westgm. *wēru (Oudhoogduits wiera ‘kroon’)

guise v. 1 wijze • ouder noordelijk wise, Westgm. *wīsā (Ned. wijze)

Guy m. • Westgm. *Wīdō

H

hache v. 1 bijl • Westgm. *hapju (Ned. heep)

hacher ww. 1 hakken • afl. van hache

haie v. 1 haag • Westgm. *hagō, *hagju (Ned. haag, heg)

haillon m. 1 lomp, vod • afl. van Middelhoogduits hadel

haine v. 1 haat • Westgm. *hatinu ‘haat’, zie haïr

haïr ww. 1 haten • Westgm. *hatjan (Duits hetzen)

haire v. 1 haren kleed, boetekleed • Westgm. *hārijā (Middelned. hare)

haise v. 1 omheining van vlechtwerk • Westgm. *haisī, verwant aan *haistr (Ned. heester), vgl. hêtre

haler ww. 1 ophalen, hijsen, voorttrekken • Westgm. *halōn (Ned. halen)

halle v. 1 hal • Westgm. *hallu (Ned. hal)

hameau m. 1 gehucht • ouder hamel, verkl. van Westgm. *haim (Ned. heem)

hanap m. 1 grote drinkbeker met voet • Westgm. *hnapp (Ned. nap)

hanche v. 1 heup • Westgm. *hankā (Middelned. hanke)

hangar m. 1 schuur • Westgm. *haimagard

hanter ww. 1 spoken • ouder ‘bewonen’, Westgm. *haimatjan (Oudengels hámettan ‘huizen’)

harangue v. 1 toespraak • langs het Ital. van Westgm. *hring ‘ring, perk’

harde v. 1 groep, kudde • Westgm. *herdu (Middelned. herde, Engels herd)

hardi bn. 1 boud, stoutmoedig • van verouderd hardir, Westgm. *hardijan ‘hard maken’ bij *hard (Ned. hard)

hare tw. 1 (uitroep ter aansporing van honden) • Westgm. *hara (Middelned. hare ‘hierheen’)

hareng m. 1 haring • Westgm. *hāring (Ned. haring)

hargne v. 1 kribbigheid • van afl. van Westgm. *harmijan (Oudsaksisch hermian ‘smaden’)

harnais m. 1 tuig van een ros 2 wapenrusting • ouder hernois, Oudnoords *hernest, van herr ‘leger’ + nest ‘voorraad’

harpe v. 1 harp • Westgm. *harpā (Ned. harp)

hart v. 1 touw, koord • Westgm. *hazdā, *hezdā ‘vlaswerk’ (ouder Ned. herde, heerde)

hâte v. 1 spoed • ouder haste, Westgm. *haifsti (Oudengels hǽst ‘geweld’)

haubert m. 1 wapenrok • ouder hauberc, Westgm. *halsa-bergu (Ned. halsberg)

hâve ww. 1 bleek en mager • Westgm. *haswī, *hasu (Middelhoogduits heswe ‘bleek’, Oudengels hasu ‘grijs’)

havre m. 1 haven • Middelned. havene < Westgm. *habanu

heaume m. 1 soort helm • ouder helme, Westgm. *helm (Ned. helm), vgl. Anseaume, Guilleaume

héberger ww. 1 huisvesten • Oudhoogduits heribergon, afl. van heriberga, zie auberge

Henri m. • Westgm. *Hainarīk (Ned. Hendrik, Henk, Duits Heinrich)

héraldique v. 1 wapenkunde • afl. van (een voorloper van) héraut

héraut m. 1 aankondiger • Westgm. *hariwald, van *hari ‘leger’ + *wald ‘aanvoerder’

héron m. 1 reiger • ouder hairon, Westgm. *haigrō (Middelned. heger), naast Westgm. *hraigrō (Ned. reiger)

hêtre m. 1 beuk • ouder hestre, Westgm. *haistr (Ned. heester), vgl. haise

honnir ww. 1 beschamen • langs het Lat. van Westgm. *haunijan (Ned. honen)

honte v. 1 schande • Westgm. *hauniþu (Middelned. hoonde)

hotte v. 1 draagkorf • Westgm. *hottā

houblon m. 1 hop (gewas) • afl. van Middelned. hoppe < Westgm. *hoppō

houe v. 1 hak, schoffel • Westgm. *hawwā (Ned. houw)

houille v. 1 steenkool • ouder ‘homp, klomp’, Westgm. *hukil (gew. Ned. heukel ‘hoopje’)

houppe v. 1 toef • Westgm. *hoppā (gew. Ned. hoppe ‘hoopje uitstekend gras’)

houseau m. 1 soort slobkous • ouder housel, verkl. van Westgm. *hosā (Duits Hose)

housse v. 1 overtrek • ouder houce, Westgm. *hulftiju, *hulfti (Oudhoogduits hulft)

houx m. 1 hulst • Westgm. *hulis (Middelned. huls, Ned. hulst)

Hubert m. • Westgm. *Hūgaberht (Ned. Huibert, Huibrecht)

Hugues m. • Westgm. *Hūgō, *Hūg (Ned. Huige, Huig, ook in Huigen, Huigens)

hune v. 1 mastkorf • Oudnoords húnn

hutte v. 1 hut • Oudhoogduits hutta < Westgm. *hudjā

J

jardin m. 1 tuin • Westgm. *gardō (Ned. gaard)

jauge v. 1 peilstok 2 ijkmaat • ouder gauge, Westgm. *galgō ‘dwarshout’ (Ned. galg)

jauger ww. 1 peilen, meten • afl. van jauge

joli bn. 1 leuk • afl. van Oudnoords jól ‘midwinterfeest’

jucher ww. 1 hoog zetten • ouder ‘op de (hoender)stok zetten’, afl. van Westgm. *juk ‘dwarshout’ (Ned. juk)

L

laîche v. 1 zegge • ouder lesche, Westgm. *lisku (Ned. lis)

laid bn. 1 lelijk • Westgm. *laiþ (Ned. leed ‘onaangenaam’)

laie1 v. 1 brandgang in het bos • Westgm. *laidu, acc. *laidā (Oudhoogduits leita, Oudengels lád ‘weg, tocht’)

laie2 v. 1 wildzeug • Westgm. *lēhā (Middelhoogduits liehe)

lanière v. 1 lange, smalle riem • ouder lasniere, naliere, *nasliere, afl. van Westgm. *nastilā (Middelned. nastel, nestel ‘rijgsnoer, riem, band’)

layette v. 1 kinderkleertjes, kinderuitzet • afl. van Middelned. laeye, lade ‘kistje’ < Westgm. *hlaþā

layon m. 1 klein spoor door het bos • afl. van laie1

lécher ww. 1 likken • Westgm. *lekkōn, *likkōn (Ned. likken, vgl. lekker)

lège bn. 1 zonder lading • Ned. leeg < ledig < Westgm. *liþig

lest m. 1 ballast • Oudfries hlest < Westgm. *hlasti (Ned. last)

leste bn. 1 kwiek • afl. van Westgm. *listi (Ned. list)

lester ww. 1 ballasten, volproppen • afl. van lest

leurre m. 1 lokvogel • Westgm. *lōþr (Ned. loeder ‘lokaas’)

leurrer ww. 1 lokken 2 bedriegen • afl. van leurre

lice v. 1 strijdperk • ouder ‘omheining van staken’, Westgm. *līstijā, zie liste

lige m. 1 leenman • van een verhaspeling van Westgm. *lāt (Ned. laat ‘halfvrije’) en Westgm. *lītik ‘klein’ (Oudfries lítik, Beiers leizig)

lingue v. 1 leng (vis) • Ned. leng < Westgm. *langijā

lippe v. 1 dikke onderlip • Middelned. lippe < Westgm. *lipjā

liste v. 1 lijst • Westgm. *līstā (Ned. lijst)

lister ww. 1 afdrukken • afl. van liste

lof m. 1 loef • Ned. loef < Westgm. *lōfu ‘plat stuk’ (hier het blad van de roeiriem), vgl. lover

loge v. 1 afgeschermde zitgelegenheid • ouder ‘eenvoudig onderkomen’, Westgm. *laubiju (Middelned. love ‘afdak; overdekte uitbouw’)

loger ww. 1 onderdak vinden • afl. van loge

logis m. 1 woning, huis, onderdak • afl. van loger

loque v. 1 vod, lomp • Middelned. locke ‘pluk’ < Westgm. *lokku

loquet m. 1 deurklink • afl. van Middelned. loke ‘afsluiting’ < Westgm. *lokō

lorgner ww. 1 beloeren • afl. van Westgm. *lurnī

losengier m. 1 afgunst en laster • verl. van Westgm. *lausingu (Oudengels léasung ‘valse spraak’) bij *laus (Ned. loos)

lot m. 1 lot 2 levenslot 3 kavel 4 erfdeel• Westgm. *hlot (Ned. lot)

louche v. 1 soeplepel • Westgm. *lōtiju (Ned. loet)

Louis m. • gew. Westgm. *Hlōþawih, verlatijnst als Chlodovech

Louise v. • afl. van Louis

loup-garou m. 1 weerwolf• tweede lid: ouder garoul, noordelijk warou, Westgm. *wariwulf (Ned. weerwolf)

lover ww. 1 kronkelen, van slangen, snoeren enz. • Nederduits lofen ‘opdraaien (in de wind)’, zie lof

lucarne v. 1 dakraam • ouder lucanne, Westgm. *lūkinju bij *lūkan ‘sluiten’, zie luquet

luquet m. 1 dakraam • afl. van Middelned. luke ‘luik’, zie lucarne

M

mâchurer ww. 1 zwart smeren • ouder mascherer, Westgm. *maskarōn (Middelned. bemasscheren, ouder Ned. masscheren), zie mascara, masque, vgl. grimer

maçon m. 1 metselaar • Westgm. *makjō bij *makōn (Ned. maken), vgl. maquiller

madre m. 1 welgelijnd hout • ouder masdre, mazre, Westgm. *masur (Middelned. maser)

mainbour m. 1 voogd • Westgm. *munda-borō (Middelned. montboor, momber), van *mundu ‘voogdij’ + *borō ‘drager’

maint bn. 1 veel • Westgm. *manigiþu (Ned. menigte)

malle v. 1 hutkoffer • Westgm. *malh (Ned. maal ‘tas’)

mande v. 1 grote gevlochten korf met twee hengsels • Middelned. mande ‘mand’ < Westgm. *mandu

mannequin m. 1 paspop • Middelned. mannekijn (Ned. mannetje)

maquereau m. 1 pooier • Middelned. makelare ‘makelaar, tussenhandelaar’

maquiller ww. 1 opmaken, schminken • afl. van Middelned. maken < Westgm. *makōn, vgl. maçon

marais m. 1 drasland, zomp • ouder maresc, Westgm. *marisk (Ned. meers, Engels marsh)

marche v. 1 loop, stap in de maat • afl. van marcher

marcher ww. 1 lopen, stappen in de maat • Westgm. *markōn, *markijan (Ned. merken ‘een teken zetten’)

marcou m. 1 kater • Middelhoogduits (of Middelned.) Marcolf < Westgm. *Markawulf

mare v. 1 poel, plas • Westgm. *maru (gew. Ned. maar, Fries mar)

maréchal m. 1 hoofdofficier • Westgm. *marha-skalk ‘paardenknecht; stalmeester’ (Ned. maarschalk), vgl. sénéchal

maréchaussée v. 1 bereden wacht • afl. van maréchal

marquant bn. 1 opvallend, gedenkwaardig • afl. van marquer

marque v. 1 merk, teken 2 afdruk, spoor • Westgm. *mark (Ned. merk)

marquer ww. 1 een indruk achterlaten • afl. van marque

marquis m. 1 markgraaf • afl. van Westgm. *marku ‘grensgebied’ (Ned. mark)

marri bn. 1 verdrietig, bedroefd • ouder ‘boos, geërgerd’, afl. van Westgm. *marzijan (Oudengels mierran ‘hinderen, storen’)

marsouin m. 1 bruinvis • Oudnoords marsvín < Oudgm. *mari-swīną (Ned. meerzwijn)

martre v. 1 marter • Westgm. *marþr (Duits Marder)

mascara v. 1 ogenzwart • langs het Spaans van Westgm. *maskarā (gew. Ned. masscher ‘roet; mom’, Oudengels mæscre ‘vlek; maas’), zie masque, mâchurer, vgl. grimer

mascotte v. 1 gelukbrengend voorwerp • van Prov. afl. van Westgm. *maskō ‘tovenaar’, naast *maskā ‘tovenares, heks; geestverschijning, nachtmerrie’ (Oudhoogduits maska)

masque m. 1 mom, vermomming • langs het Ital. van Westgm. *maskō (Middelned. masche ‘vlek; maas’, mascher ‘mom’, massel ‘mom’, Oudsaksisch masko ‘vlek; maas’), zie mascara, mâchurer

masquer ww. 1 vermommen • afl. van masque

mât m. 1 mast • Westgm. *mast (Ned. mast)

Maud, Mahaut, Mathilde v. • Westgm. *Māþahildi (Oudengels Mǽðhild)

mésange v. 1 mees • Westgm. *maisingu, verl. van *maisā (Ned. mees)

meurtre m. 1 moord • Westgm. *morþr, *morþ (Middelned. morder, mord, Ned. moord)

meurtrir ww. 1 verwonden, kneuzen • ouder ‘vermoorden’, Westgm. *murþrijan, *murþijan (Middelned. morderen, morden, Ned. moorden)

mièvre bn. 1 gemaakt lief, zoetelijk • ouder esmievre ‘levendig’, noordelijk nièvre, Oudnoords snæfr ‘flink’

mijoter ww. 1 sudderen 2 stoven • afl. van nevenvorm van mugot

mite v. 1 mijt 2 mot • Westgm. *mītā (Ned. mijt)

mitraille v. 1 klein schroot, ook voor schieten 2 kleingeld • ouder mitaille, verkl. van Middelned. mite ‘mijt (muntje)’

mitrailler ww. 1 schroot schieten • afl. van mitraille

mitrailleur m. 1 schrootgeweer • afl. van mitrailler

moche bn. 1 lelijk • afl. van amocher

morne bn. 1 treurig • afl. van Westgm. *mornan (Engels mourn)

moue v. 1 pruillip, getuite lippen uit spot • Westgm. *mawwā (Middelned. mouwe ‘getuite lippen’)

mouette v. 1 meeuw • afl. van Oudengels mǽw < Westgm. *maiwi (Ned. meeuw)

mouron m. 1 muur (gewas) • Middelned. muer ‘muur’ < Westgm. *miurī

mousse v. 1 mos • Westgm. *mosu, *mos (Ned. mos)

mugot m. 1 schat • ouder ‘voorraad levensmiddelen’, Westgm. *mūsa-gotu (gew. Ned. muizegoot ‘murwnest, berging van appels e.d.’), vgl. mijoter

mulot m. 1 veldmuis • verkl. van Westgm. *mull, *moll (Ned. mol)

N

nable m. 1 gepind boorgat in boot • Ned. nagel < Westgm. *nagl

nantir ww. 1 onderpand geven • ouder ‘onderpand nemen’, afl. van Oudnoords nám ‘name, (het) nemen’

navrer ww. 1 diep bedroeven • ouder ‘verwonden’, Oudnoords nafra ‘boren met een avegaar’

nope v. 1 wolvlokje, stofknopje • Middelned. noppe < Westgm. *hnoppō

nord m. 1 noord • ouder north, Middelengels north < Westgm. *norþ (Ned. noord)

O

Odile v. • Westgm. *Ōþilā

orgueil m. 1 trots, hoogmoed • Westgm. *orgōliju, *orgōli (Oudengels orgel, Oudhoogduits urguol)

orin m. 1 kabel tussen anker en boei • Middelned. oorrinc

ouest m. 1 west • Middelengels west < Westgm. *west (Ned. west)

P

paquet m. 1 pak, bundel • verkl. van Middelned. pac ‘pak’ < Westgm. *pakk

parc m. 1 park • ouder ‘omheinde ruimte’, langs het Lat. van Westgm. *parruk, *parrik (Ned. park, perk, Engels paddock, gew. parrock)

parquer ww. 1 stallen (van een voertuig) 2 opsluiten • afl. van parc

parquet m. 1 houten vloer 2 openbaar ministerie • ouder ‘kleine afgesloten ruimte’, afl. van parc

pique m. 1 piek, lans • Middelned. pike ‘piek’ < Westgm. *pīku

plaque v. 1 plaat, laag • afl. van plaquer

plaquer ww. 1 plakken, drukken (tegen, op) 2 een dunne laag aanbrengen • Middelned. placken ‘plakken’ < Westgm. *plakkōn

pleige m./v. 1 iemand die borg staat bij een overdracht • afl. van Westgm. *plegan ‘verantwoordelijk zijn’ (Ned. (ver)plegen)

poche v. 1 zakje • Westgm. *pokku, *pokō (Oudengels pocca, Middelned. poke ‘zak’)

pocher ww. 1 garen zonder koken, met name van eieren • ouder ‘in een zak stoppen’, afl. van poche

pochette v. 1 mapje 2 zakdoekje • verkl. van poche

potasse v. 1 kalium • Middelned. potasch, letterlijk ‘as in een pot’

Q

quai m. 1 kade • Westgm. *kadō (Ned. kade)

quenelle v. 1 gegaard balletje met vis of vlees • Duits Knödel

quiche v. 1 hartige taart • gew. Duits Küeche < Westgm. *kōkijā naast *kōkō (Ned. koek)

quille1 v. 1 kegel • Oudhoogduits kegil < Westgm. *kagil (Ned. kegel)

quille2 v. 1 bodembalk van een schip • Oudnoords kjǫl (ontleend als kiel)

R

rabot m. 1 gladschaaf • eig. ‘konijntje’, verkl. van Middelned. robbe ‘konijn’ < Westgm. *robbō (Ned. rob ‘zeehond’, gew. ‘deugniet’)

ramequin m. 1 soort gebraden kaasgebak 2 soort schaaltje, kommetje • Ned. rammeken ‘geroosterd broodje’

rampe v. 1 helling 2 trapleuning • afl. van ramper

ramper ww. 1 kruipen • ouder ‘krom gaan’, Westgm. *hrampōn

randon m. 1 onstuimige ren • Westgm. *randō, *rand ‘ren, loop’ (gew. Duits Rant)

randonnée v. 1 lange tocht, trektocht • afl. van randonner

randonner ww. 1 een trektocht maken • afl. van randon

rang m. 1 rij, gelid 2 rang 3 stand • ouder renc, Westgm. *hring (Ned. ring)

Raoul m. • Westgm. *Rādawulf

râper ww. 1 raspen, vijlen • ouder rasper, Westgm. *hraspōn

rate v. 1 milt • vanwege het weefsel Middelned. rate ‘(honing)raat’ < Westgm. *hrātā, zie rayon

Raymond m. • Westgm. *Raginamund

rayon m. 1 honingraat 2 schap 3 afdeling • Westgm. *hrātā (Ned. raat), zie rate

raz m. 1 sterke stroom in zee-engte • Oudnoords rás

rêche bn. 1 ruw • Westgm. *hrubisk, vgl. revêche

rechigner ww. 1 weerzin laten blijken • ouder ‘tanden laten zien’, afl. van Westgm. *kīnan (Oudsaksisch kínan ‘openen, splijten’)

regarder ww. 1 letten op 2 kijken naar • afl. van garder

regretter ww. 1 betreuren • ouder regreter, regrater, afl. van Oudnoords gráta ‘wenen, treuren’

reluquer ww. 1 begluren • afl. van Middelned. loeken ‘kijken’ < Westgm. *lōkēn

Renard m. • Westgm. *Raginahard (Ned. Reinard, Reindert)

renard m. 1 vos 2 sluwerik • naar de vos genaamd Renard in het bekende verhaal

Renault, Reynaud m. • Westgm. *Raginawald (Ned. Reinoud)

Renier, Rainier m. • Westgm. *Raginahari (Ned. Reinder)

revêche bn. 1 bars, nors, stuurs • Westgm. *hriubisk, vgl. rêche

ribaud m. 1 plunderaar 2 hoerenloper • afl. van Westgm. *wrīban (Ned. wrijven), zie riboter

riboter ww. 1 brassen, slempen • afl. van Westgm. *wrīban (Ned. wrijven), zie ribaud

Richard m. • Westgm. *Rīkahard (Ned. Rikkert, Rijkert)

ricaner ww. 1 grijnzend zeggen 2 spottend lachen • afl. van Westgm. *kinnī ‘wang’ (Ned. kin)

riche bn. 1 rijk • Westgm. *rīkī (Ned. rijk)

ridelle v. 1 zijschot van een wagen • Middelhoogduits reidel ‘knuppel, stok’ < Westgm. *wraidil

ride v. 1 rimpel • afl. van rider

rider ww. 1 rimpelen • Westgm. *wrīþan ‘draaien, kronkelen’ (Engels writhe)

riflard m. 1 gladschaaf 2 plamuurmes • van rifler + -ard

rifler ww. 1 glad schaven • Westgm. *hrīflōn (ouder Ned. rijfelen), vgl. riper

rime v. 1 rijm • Westgm. *rīm ‘getal, reeks’ (Oudsaksisch rím)

rimer ww. 1 rijmen • afl. van rime

riper ww. 1 schrapen 2 wegglijden, verschuiven • Westgm. *hrippōn, vgl. rifler

robe v. 1 gewaad 2 jurk 3 vacht • Westgm. *raubu, *raub ‘roof, roofgoed, buit’ (Ned. roof, Duits Raub) bij *raubōn (Ned. roven)

Robert m. • Westgm. *Hrōþiberht (Ned. Roebert, Robbert)

rochet m. 1 lang wit koorhemd • verkl. van Westgm. *hrokk (Ned. rok), vgl. froc

Roger m. • Westgm. *Hrōþigaiz (Ned. Rodger, gew. Rutger, Duits Rüdiger)

rogue bn. 1 verwaand • Oudnoords hrókr

Roland m. • Westgm. *Hrōþiland (Ned. Roeland)

roquette v. 1 spinrokken 2 raket • van Ital. verkl. van Gotisch *rukkō < Oudgm. *rukkōn (Ned. (spin)rokken, spinrok)

roseau m. 1 riet • verkl. van Westgm. *raus (Middelned. roes in roesdommel ‘roerdomp’)

rosse m. 1 slecht paard 2 kwaadaardige kerel • Middelhoogduits ross < Westgm. *hross, *hors

rote v. 1 soort lier • Westgm. *hrōtā (Oudhoogduits hruozza)

rôtir ww. 1 braden • ouder rostir, Westgm. *raustijan (Ned. roosten)

rôtisserie v. 1 braadzaak • afl. van rôtir

rouche v. 1 lis • Westgm. *rusk (Ned. rus ‘bies’)

rouf m. 1 dekhuisje • Middelned. roef ‘dak, overdekking’ < Westgm. *hrōf

rouir ww. 1 weken, van vlas of hennep • Westgm. *rautijan (Ned. roten)

Roul m. • Westgm. *Hrōþiwulf (Ned. Roelof)

ruban m. 1 lint, band • ouder riban, Middelned. *rincbant ‘ringband’

rufian m. 1 schavuit • Ital. ruffiano, afl. van roffio ‘vuil’, van Oudhoogduits hruf ‘korst, roof’

S

saisir ww. 1 grijpen, vatten • Westgm. *satjan

sale bn. 1 vuil, vies • Westgm. *salu, dat. *salwē (Middelned. salu, saluwe, Ned. zaluw), vgl. saligaud

saligaud m. 1 smeerlap • ouder saligot, afl. van Middelnederduits salik ‘vuil, vies’, vgl. sale

salir ww. 1 bevuilen, bezoedelen • afl. van sale

salle v. 1 groot vertrek • ouder sale, Westgm. *salu (Ned. zaal), zie salon

salon m. 1 ontvangstvertrek • van Ital. afl. van Westgm. *salu (Ned. zaal), zie salle

saule m. 1 wilg • Westgm. *salhā (Oudhoogduits salaha, Duits Salweide)

saur bn. 1 gedroogd en gerookt 2 geelbruin • Westgm. *sauz (Middelned. soor, gew. Ned. zoor)

savon m. 1 zeep • langs het Lat. van Oudgm. *saipōn (Ned. zeep)

scion m. 1 spruit, telg • ouder cion, Westgm. *kīþō, *kīþ (Oudengels cíþ)

scorbut m. 1 scheurbuik • Middelnederduits *schorbut (‘scheurbot’), ouder schorbûk ‘scheurbuik’, vervorming van Oudnoords skyrbjúgr, van skyr ‘zure melk’ + bjúgr ‘gezwel’

scute m. 1 schuit • Middelned. schute ‘schuit’ < Westgm. *skūtā

sénéchal m. 1 hofmeester • Westgm. *sini-skalk ‘oude dienaar’, vgl. maréchal

sens m. 1 richting 2 verstand • ouder sen, Westgm. *sinn (Ned. zin)

soin m. 1 zorg • Westgm. *sunju, acc. *sunjā (Oudsaksisch sunnia ‘nood, ellende’), zie besogne, besoin

soigner ww. 1 verzorgen; behandelen • afl. van soin

sonde v. 1 peilstok, peilstift • afl. uit Oudengels sundgyrd ‘stok voor dieptemeting’, sundlíne ‘dieplood’, al betekende sund daar eig. ‘zee-engte’

souhaiter ww. 1 wensen, graag willen • tweede lid: Westgm. *haitan (Ned. heten)

soupe v. 1 soep • langs het Lat. van Westgm. *suppu ‘geweekt brood’ (Ned. sop ‘kookvocht’)

stuc m. 1 pleisterkalk, gips • langs het Ital. van Westgm. *stukkī ‘houwsel, brok’ (Ned. stuk)

sud m. 1 zuid • Middelengels sūth < Westgm. *sūþ, *sunþ (Ned. zuid)

sur bn. 1 zurig • Westgm. *sūr (Ned. zuur)

T

taler ww. 1 slaan, stoten • Westgm. *tālōn (Oudhoogduits zālōn ‘verwoesten, roven’)

talmellier m. 1 bakker • afl. van Westgm. *tarwa-melu (Ned. tarwemeel)

tampon m. 1 prop, dot • Westgm. *tampō, vgl. tapon

tangon m. 1 spinnakerboom • Middelned. stange dan wel tange

tapir ww. 1 verschuilen • Westgm. *tappijan

tapon m. 1 prop, dot • Westgm. *tappō (Ned. tap ‘pin, stop’), vgl. tampon

targe v. 1 klein schild, beukelaar • Westgm. *targā (Oudengels targe)

tarir ww. 1 opdrogen • Westgm. *þarzijan (Middelned. derren)

tas m. 1 hoop • Westgm. *tass (Ned. tas ‘stapel’)

tasser bn. 1 ophopen, opeenpakken • afl. van tas

taud m. 1 dektent op een boot • ouder tialz, Oudnoords tjald < Oudgm. *teldą ‘tent’ (Middelned. telt, Duits Zelt)

terne bn. 1 dof, mat, bleek • afl. van ternir

ternir ww. 1 verdoffen • Oudhoogduits *ternen, tarnen ‘verbergen’ < Westgm. *daznijan

téter ww. 1 de borst krijgen • afl. van tette

tétin m. 1 borst 2 tepel van een mens • afl. van tette

tétine v. 1 uier 2 speen • afl. van tette

téton m. 1 borst • afl. van tette

tette v. 1 tepel van een zoogdier • Westgm. *tettā, *tittā, *tītā (Ned. tet, tit, tiet)

Thibaut, Thibault m. • Westgm. *Þeudabald (Ned. Dieboud)

Thierry m. • Westgm. *Þeudarīk (Ned. Diederik)

thiois bn. 1 Germaans 2 Frankisch (streektalen) • Westgm. *þeudisk (Ned. Duits, gew. Diets, Duits deutsch), vgl. gaulois

tique m./v. 1 teek • Middelengels tike

tolet m. 1 dol, roeipen • verkl. van Westgm. *þoll (Ned. dol ‘roeipen’)

touaille v. 1 handdoek, droogdoek 2 doek • Westgm. *þwahilā (Middelned. dwale ‘handdoek, droogdoek’)

touer ww. 1 op sleeptouw nemen • Westgm. *togōn (Ned. togen, Engels tow)

touffe v. 1 pluk, dot, bosje • Oudhoogduits *topf (jonger zopf) < Westgm. *topp, zie toupet

toupet m. 1 pluk haar, kuif 2 haarstukje • afl. van Westgm. *topp, zie touffe

tourbe v. 1 turf • Westgm. *turbā, *turb (Ned. turf)

trappe v. 1 valkuil 2 valluik • Westgm. *trappā, *trapā ‘val’ (gew. Ned. trap, trape, Engels trap)

trapper ww. 1 jagen met vallen, vangen met strikken • afl. van trappe

trépigner ww. 1 trappelen, stampvoeten • verl. van ouder treper, Westgm. *trepan

trêve v. 1 wapenstilstand • Westgm. *treu, acc. *trewwā (Ned. trouw)

tribord m. 1 stuurboord • ouder estribord, Middelned. *stierbort, *stuerbort (ouder Ned. stierboord naast stuurboord)

tringle v. 1 roede, stang 2 lijst, richel • ouder tingle, Middelned. tingel, tengel ‘lat’

trinquer ww. 1 drinken, pimpelen 2 klinken (met glazen) • Duits trinken < Westgm. *drinkan (Ned. drinken)

troène m. 1 liguster • gew. trouille, Westgm. *trugil (Oudhoogduits harttrugil, Duits Hartriegel)

trompe v. 1 blaashoorn 2 slurf • Westgm. *trumbā

trompette v. 1 trompet • afl. van trompe

trop1 m. 1 (het) teveel, overmaat • oude nevenvorm van troupe

trop2 bw. 1 te veel, te • van trop1

trotter ww. 1 draven, in draf gaan 2 trippelen • Westgm. *trottōn (Middelhoogduits trotten)

troupe v. 1 schare 2 kudde 3 leger • Westgm. *þrop, *þorp ‘groep’ (Ned. dorp)

tuyau m. 1 buis 2 slang, buigzame buis • verkl. van Westgm. *þūt, naast *þeutā (Oudengels þéote ‘pijp, waterbuis’)

V

vague v. 1 golf, baar • Oudnoords vágr ‘golf’ dan wel Middelned. wage ‘hoge golf’ < Westgm. *wāgu

vaigre v. 1 bodemplank van een schip • Ned. weger

vermouth m. 1 wisse sterke drank • Duits Wermut < Westgm. *wermōd, mog. *wera-mōd ‘man-moed’ (Ned. wermoed)

Y

Yves m. • Westgm. *Īwō ‘taxus’ (Ned. Uwe)

Yvette v. • afl. van Yves

Yvonne v. • afl. van Yves