Skip to content

Leer en doem van de Dertiende Ezige

Door Olivier van Renswoude

Een vertaling uit het Oudfries van het verhaal Van de koningen Karel en Radbod (Fan thá koningen Karle ande Rêdbád) dat vertelt van het ontstaan het Friese landrecht.

Zie hier voor verdere toelichting.

Thá thí koning Karle and thí koning Rêdbád fan Danemerkum in thet land kômen, thá bisette áider síne wei ina Fránekra gá mith êne hereskilde, and quath áider thet land wêre sín. Thá wolden hit wíse liúde séna and thá hêren wolden hit bifiuchta. Thách wísade ma thêre sóna alsó lange thet ma hit op thá twêr koningen ief, hoder só ótherne an stille stalle úrstóde, thet hí wonnen hêde. Thá bróchte ma thá hêren tógathere; thá stóden se ên etmêl al umbe. Thá lét thí koning Karle síne handskóch falla; thá rachte’ne him thí koning Rêdbád. Thá quath koning Karle: ’A há, a há! Thet land is mín!’, ande hlakkade – aldêrumbe hát sín wurth ‘Háchense’. ‘Hwêrum?’, quath Rêdbád. Thá quath Karle: ’Í sind mín man worden’. Thá quath Rêdbád: ’A wách!’ – aldêrumbe hát sín wurth ‘Wáchense’. Toen koning Karel en koning Radbod van Denemarken in het land kwamen, nam elk met een heerschare zijn stede in de gouw van Franeker, en zei elk dat het land van hem was. Daarop zochten wijze lieden verzoening en wilden de heren het bevechten. Doch men bepaalde de verzoeningen zo dat dat men het op de twee koningen zou overdragen, dat hij die de ander in lang stilstaan kon overtreffen het land had gewonnen. Toen bracht men de twee heren tezamen; zij stonden een etmaal onafgebroken. Toen liet koning Karel zijn handschoen vallen; waarop koning Radbod hem die aanreikte. En koning Karel zei: ‘A ha, a ha! Het land is van mij!’, en lachte – daarom heet zijn wierde Háchense. ‘Waarom?’, zei Radbod. Toen zei Karel: ‘Gij zijt mijn man geworden.’ En Radbod zei: ‘A wa!’ [ach wee!] – daarom heet zijn wierde Wáchense.
Thá fór thí koning Rêdbád úta lande ande thí koning Karle wolde thingia. Thá ne móste’re, hwand thêr lethegis landis só fule náut ne was, thêr hí uppa thingia machte. Thá sante’re boda in thá sawen Sêland and hét thet hia him wonnen êne frí stó, thêr hí uppa thingia machte. Thá kápeden se mith skette and mith skillinge Dêldamanes. Thêr thingade’re uppa and lathade thá Frésan tófara him and hét thet se riucht keren, alsó hia’t halda wolden. Thá bêden hia ferstes ti hara forespreka; thá ief hí him orlof. This óra deis hét hí thet se fara thet riucht kômen. Thá kômen se and keren foresprekan, tolif fan thá sawen Sêlandum. Thá hét hí thet se riucht keren. Thá ieraden se ferstis: this thredda deis hét hí se koma. Thá têgen hia nêdskín. This fiarda deis alsó; this fífta alsó. Thit send thá twá ferst and thá thria nêdskín, thêr thí fría Frésa mith riuchte mei habba. Toen toog koning Radbod het land uit en wilde koning Karel een ding houden. Maar dat kon hij niet, want er was niet genoeg ledig land waar hij een ding op kon houden. Daarop zond hij bodes naar de zeven Zeelanden en gebood hij hen een vrije plek te verwerven om een ding op te kunnen houden. Toen kochten zij met schat en met schelling die van Deeldeman. Daar hield hij zijn ding op en ontbood hij de Friezen tot hem en gebood hij hen recht te kiezen zoals zij dat wilden houden. Toen baden zij uitstel voor hun voorspreker; en dat stond hij toe. De volgende dag gebood hij hen voor het gerecht te komen. Toen kwamen zij en kozen zij voorsprekers, twaalf uit de zeven Zeelanden. En hij gebood dat zij recht kozen. Toen verlangden zij uitstel: op de derde dag gebood hij hen te komen. En zij beriepen zich op beletsel. De vierde dag evenwel, alsook de vijfde. Dit zijn de twee uitstellen en de drie beletsels die de vrije Friezen bij rechte mogen hebben.
This sexta deis hét hí thet se riucht keren. Thá sprêken se hia ne kúden. Thá sprek thí koning: ‘Nú lidze ik ió tófara thré keran: hoder ió liávera se thet ma jó alle haudie than í alle áin wirde, than ma jó ên skip jowe alsó fest and alsó sterk, thêr ánne ebba ande ánne flód mei withstán and thet sunder aller handa róther and réma and tôwe’. Thá keren hia thet skip, ende fólen út mithá ebbe alsó fír thet se nên áland ne muchten sián. Thá was him lêthe tó móde. Op de zesde dag gebood hij hen recht te kiezen. Toen zeiden zij dat niet te kunnen. En de koning zei: ‘Nu leg ik u drie keuzes voor: of gij liever heeft dat men u allen onthoofd, of dat u allen geknecht wordt, of dat men u een schip geeft zo vast en zo sterk, dat het een eb en een vloed kan weerstaan, en dat zonder enig roer of riem of touw is.’ Daarop kozen ze het schip, en voeren ze uit met de eb, zo ver dat ze geen eiland konden zien. Dat was hen leed te moede.
Thá sprek thí êna thêr fan Widekines slachte was, thí forma ásega: ‘Ik habbe hêrd thet ús Hêra God, thá hí an erthríke was, tolif iungeran hêde and hí selva threttundista wêre and hí tó himmen kôme al bí sletena dorum and tráste se and lêrde se. Hú ne bidda wí náut thet hí ús ánne threttundista sende, thêr ús riocht lêre and ti lande wíse?’ Thá fólen hia alle an hara knê and bêden inlíke. Thá se thá bedinge hêden edên, thá sêgen hia ánne threttundista an thêre stiórne sitta and êne goldene axe up síner axla, thêr hí mithe tó lande wether stiúrde with strám and with wind. En zo sprak degene die van Wedekinds geslacht was, de eerste ezige: ‘Ik heb gehoord dat onze Here God, toen Hij in het aardrijk was, twaalf leerlingen had en Hij Zelf de dertiende was en Hij tot hen kwam bij gesloten deuren en hen troostte en onderwees. Waarom bidden we niet dat Hij ons een dertiende zendt, die ons recht leert en naar land wijst?’ Toen vielen zij allen op hun knieën en baden zij innig. Nadat zij het gebed hadden gedaan, zagen zij een dertiende op het achtersteven zitten en een gulden aks op zijn schouder, waarmee hij weer naar land stuurde, tegen stroom en tegen wind.
Thá se tó lande kômen, thá warp hí mith thêre axe up thet land and warp êne ture up. Thá untsprang thêr ên burna – aldêrumbe hát thet ‘ti Axenhove’. And et Éswei kômen hia tó land and sêten umbe thá burna. And hot só him thí threttundista lêrde, thet nômen hia tó riuchte. Thách ne wiste’t nemma under thá fulke, hot thí threttundista wêre thêr tó him komen was, alsó lík was hé allerêkum. Thá hí him thet riucht wísid hêde, thá nêren thêr mer tolif. Aldêrumbe skelen in thá lande thretténe ásegan wesa and hara dómen ágen hia tó dêlane et Axenhove and et Éswei. And hwêrsó hia an twá sprekath, só ágen thá sawen thá sex in ti haliane. Toen zij te lande kwamen, hieuw hij met de aks op het land en wierp hij een zode op. Daarop ontsprong er een bron – vandaar heet het er te Aksenhove. En bij Einzeweg kwamen zij op land en zaten zij om de bron. En wat de dertiende hen leerde, dat namen zij tot recht. Maar niemand onder het volk wist wie de dertiende was die tot hen gekomen was, zo zeer geleek hij elk. Toen hij hen het recht had gewezen, waren er niet meer twaalf. Daarom zullen er in het land dertien ezigen zijn en hun doemen moeten zij uitdelen te Aksenhove en bij Einzeweg. En wanneer zij tweespraak hebben, dan horen de zeven de zes over te halen.
Aldus is’t landriucht alra Frésena. Aldus is het landrecht aller Friezen.
Advertenties
One Comment

Trackbacks

  1. Leer en doem van de Dertiende Ezige « Taaldacht

Reacties zijn gesloten.