Skip to content

Taalwoorden

of: oude woorden die met taal te maken hebben

Door Olivier van Renswoude

(Voor een kort voorwoord en de mogelijkheid tot reageren kunt u hier terecht.)

 

bannen (biengebannen) ‘ontbieden, gebieden, plechtig afkondigen’

Middelnederlands bannen, Oudnoords banna, Oudengels bannan, Fries banne, Oudsaksisch bannan en Oudhoogduits pannanbannan (Duits bannen); alle met een betekenis zoals ‘plechtig afkondigen, ontbieden, voor het gerecht dagen, verbannen’

Van Oudgermaans *bannanan. Verwant aan ban ‘straf, verbanning; betovering’. Buiten het Germaans verwant aan o.a. Latijn fāri ‘verkondigen, voorspellen, spreken’ en fāma ‘faam, roem, gerucht’.

boek (het, mv. boeken) ‘bundel van beschreven of bedrukte bladen’

Oudnederlands buok ‘groot document’, Gotisch bōka ‘letter, geschrift’ (mv. bokos ‘boek, brief’), Oudnoords bók ‘geborduurd kussen, boek’ (mv. bœkr) (Zweeds bok, IJslands bók), Oudengels bōc (mv. bēc ‘boek, boeken’) (Engels book), Oudfries bōk ‘boek’ (Fries boek), Oudsaksisch bōk ‘letter, schrijfplankje’ (mv. bōk ‘boek; boeken’) en Oudhoogduits buoh‘letter, boek’ (mv. buoh ‘boek; boeken’) (Duits Buch (mv. Bücher))

Van Oudgermaans *bōks ‘met bijenwas bestreken schrijfplankje van beukenhout’. Zie ook boekstaf en boekstaven.

boekstaf (de, mv. boekstaven) ‘letter, Latijns schriftteken’

Oudnederlands buocstaf (Middelnederlands boecstaveboecstaef), Oudnoords bókstafr (Zweeds bokstav), Oudengels bōcstæf, Oudsaksisch bōkstaf, Oudhoogduits buohstab; alle ‘Latijns letterteken’

Van Oudgermaans *bōka-stabaz; een samenstelling van boek en staf, staaf. Vergelijk ruinstaf.

boekstaven (boekstaafdegeboekstaafd) ‘op schrift stellen’

Middelnederlands boecstaven ‘spellen; verkondigen’

Afleiding bij boekstaf.

deul (de, mv. deulen) ‘wijze, uitdagende spreker in dienst van de koning’

Oudnoords þulr ‘hofspreker, wijze man’ en Oudengels þyle ‘redenaar, woordvoerder’

Van Oudgermaans *þuliz, van onduidelijke herkomst. Mogelijk een afleiding bij *þulēn ‘verdragen’, en dan verwant aan geduld.

galen (goelgegalen) ‘zingen, bezweren’

Oudnederlands galan ‘zingen’, Oudnoords gala ‘zingen van toverformules’ (Zweeds gala ‘roepen, kwaaien’), Oudengels galan ‘zingen, roepen’ en Oudhoogduits galan ‘betoveren, bezweren door vogelachtig gezang, incantare’

Van Oudgermaans *galanan. Afleidingen bij de wortel zijn o.a.  *galōn (in Nederlands nachtegaal, letterlijk ‘nachtzangster’) en galm. Ook verwant is gillen. Zie ook gouwer.

gedde (het, mv. gedden) ‘lied, gedicht’

Oudengels ged, gidgiedd ‘lied, gedicht’

Van Oudgermaans *gadjan. Van een wortel die ‘voegen, passen’ betekent en ook ten grondslag ligt aan o.a. Middelnederlands gaden ‘overeenkomen, zich verenigen, passen, voegen’ en Nederlands gade ‘echtgenoot, echtgenote’ en weerga ‘gelijke’. Een gedicht maken is dan ook een oefening in het vinden van (onderling) gepaste woorden.

gelpkwede (de, g.mv.) ‘hoonrede, grootspraak’

Oudengels gilpcwide en Oudsaksisch gelpkwidi ‘hoonrede, grootspraak’

Van Oudgermaans *gelpa-kwediz, een samenstelling van *gelpan ‘schreeuwerigheid, opschepperij’ en *kwediz ‘uitspraak’ (> kwede). Het eerste lid vinden we nog terug in Middelnederlands gelpen ‘schreeuwen, gillen, brullen’, gelpsch ‘schreeuwerig, drukte makend’ en gelpelike ‘op een overmoedige of brutale wijze’.

genan (de, mv. genannen) ‘naamgenoot’

Middelnederlands genanne, Oudnoords nafni, Middelnederduits genanne, Oudhoogduits ginanno; alle ‘naamgenoot’

Van Oudgermaans *ga-namnō; een afleiding bij naam.

gewag (het, g.mv.) ‘melding’

Middelnederlands gewach ‘melding, mededeling’

Afleiding bij gewagen.

gewagen (gewoeggewagen) ‘melden’

Middelnederlands gewagen ‘iets vertellen’, Middelnederduits gewagen ‘vermelden’ en Oudhoogduits giwahan ‘herinneren’

Van Oudgermaans *ga-wahanan. Een afleiding hierbij is gewag; verder verwant aan woem en Duits erwähnen ‘vermelden’. Buiten het Germaans verwant aan o.a. Oudiers foccul‘woord’, Latijn vōx ‘stem, geroep’ en Grieks épos ‘gesproken woord’.

geweurd (het, mv. geweurden) ‘spraak, spreekwijze, woordkeus’

Gotisch gawaurdi ‘gesprek’, Oudnoords -yrði ‘spraak’ (in samenstellingen) en Oudengels gewyrde id.

Van Oudgermaans *gawurdjan, een afleiding bij woord.

gouwer (het, mv. gouwersgouweren) ‘bezwering, toverspreuk’

Oudnoords galdr ‘lied, hekserij’, Oudengels gealdor ‘bezwering, toverspreuk’ en Oudhoogduits galtar id.

Afleiding bij de wortel van galen.

hacht (de, mv. hachten) ‘modus, wijze (van spreken of dichten)’

Oudnoords háttr ‘modus, wijze’

Van Oudgermaans *hahtuz. Buiten het Germaans verwant aan Oudiers cucht ‘kleur’.

harmkwede (de, mv. harmkweden) ‘kwetsende uitspraak’

Oudengels hearmcwide, Oudsaksisch harmkwidi en Oudhoogduits harmkwiti; alle ‘kwetsende uitspraak’

Van Oudgermaans harma-kwediz, een zeer oude samenstelling van *harmaz ‘leed, verdriet’ en *kwediz (> kwede).

hoel (het, g.mv.) ‘sluwe spraak’

Oudnoords hól ‘lof, gevlei’ en Oudengels hól ‘ijdele spraak, kwaadsprekerij, laster’

Van Oudgermaans *hōlan, van dezelfde wortel als o.a. helen ‘verbergen’.

hos (de, mv. hossen) ‘belediging, spot, schimp’

Oudengels husc, Oudsaksisch hosk en Oudhoogduits hosc; alle ‘belediging, spot, schimp’

Van Oudgermaans *huskaz. Nauw verwant aan Fries hosk ‘veracht, miskend’.

hoswoord (het, mv. hoswoorden) ‘beledigend woord, beledigende spraak’

Oudengels huscword en Oudsaksisch hoskword

Van Oudgermaans *huskawurdan. Samenstelling van *huskaz (> hos) en *wurdan (> woord).

jien (jaggejien) ‘verklaren, uitspreken, bekennen’

Middelnederlands gien ‘bekennen, verklaren’, Oudnoords ‘instemmen’, Oudfries  ‘bekennen’, Oudsaksisch gehan ‘articuleren, uitspreken’, Oudhoogduits jehan ‘zeggen, spreken, toegeven’

Van Oudgermaans *jehanan. Een afleiding hierbij is biecht (< *bi-jehtiz). Verwant buiten het Germaans is in elk geval Middelwels ieith ‘taal’, en wellicht Latijn iocus ‘grap, scherts’. De vervoeging van jien is dus dezelfde als die van zien.

kommel (het, mv. kommels) ‘herkenningsteken’

Oudnoords kumbl ‘merk, teken, kenteken’, Oudengels cumbol ‘teken, beeld, kenteken’, Oudsaksisch kumbal ‘teken’ en Oudhoogduits kumbal (in kumbalboro ‘standaarddrager’)

Van Oudgermaans *kumbalan. Verdere herkomst ongewis.

kwede (de, mv. kweden) ‘spreuk, uitspraak, gezegde’

Oudnoords kviðr ‘spreuk, spraak’, Oudengels cwide ‘zin, spreuk’, Oudsaksisch kwidi ‘woord’ en Oudhoogduits kwiti ‘zin, spreuk’

Van Oudgermaans *kwediz, een afleiding bij de wortel van kweden. Zie ook gelpkwede en harmkwede.

kweden (kwadgekweden) ‘zeggen’

Gotisch qiþan ‘zeggen’, Oudnoords kveða id., Oudengels cweðan id., Oudfries kwetha id., Oudsaksisch kwethan id., Oudhoogduits kwedan id.

Van Oudgermaans *kweþanan. Verwant is Middelnederlands kwedden ‘groeten; aanvallen’. Zie ook kwede en kwis.

kwis (de, mv. kwissen) ‘mondelinge overeenkomst’

Gotisch gaqiss ‘overeenkomst, regeling’ en Oudengels cwis ‘spreuk, bijeenkomst’

Van Oudgermaans *kwessiz, een afleiding van de wortel van kweden.

lezen (lasgelezen) ‘verzamelen, schiften; kennisnemen van schriftelijke tekst’

Gotisch lisan ‘verzamelen’, Oudnoords lesa id. (Zweeds läsa), Oudengels lesan id. (Engels dialect lease), Oudfries lesa id. (Fries leze), Oudsaksisch lesan ‘verzamelen, lezen’ (Middelnederduits lesen), Oudhoogduits lesanlesen id. (Duits lesen)

Van Oudgermaans *lesanan ‘verzamelen’.Op het West-Germaanse vasteland ontstond bij uitbreiding de betekenis ‘verzamelen van lettertekens’ en zo ‘lezen’.

lied (het, mv. liederen) ‘gezongen gedicht, lofzang’

Middelnederlands liet, Gotisch liuþ (in awiliuþ ‘dankbetuiging’), Oudnoords ljóð (Noors ljod), Oudengels léoþ, Oudsaksisch lioth en Oudhoogduits liod (Duits Lied); alle ‘lied, lofzang’

Van Oudgermaans *leuþan. Verwant aan lieden.

lieden (lieddegelied) ‘zingen, lofzingen, verzen maken’

Gotisch liuþōn ‘lofzingen’, Oudnoords ljóða ‘zingen, verzen maken’, Oudengels léoðian ‘zingen, luiden’, Oudhoogduits liudōn id.

Van Oudgermaans *leuþōjanan. Verwant aan lied.

liem (de, mv. liemen) ‘geluid, stemgeluid’

Gotisch hliuma ‘gehoor’ en Oudnoords hljómr ‘geluid, wijs, stem’

Van Oudgermaans *hleumō*hleumaz; verwant aan luisteren.

madelmaal (het, mv. madelen, malen) ‘plechtige spraak; rechtshandeling’

Middelnederlands mael ‘rechtshandeling, -zitting’, Gotisch maþl ‘vergadering, marktplaats’, Oudnoords mál ‘spraak, geding, zaak’, Oudengels mæðel ‘vergadering, bespreking, spraak’, Oudsaksisch mahalmathal ‘gerechtplaats, vergadering’, Oudhoogduits mahal ‘gerechtplaats’

Van Oudgermaans *maþlan*mahlan. Het woord is daarnaast te vinden in o.a. Nederlands gemaal en Middelnederlands maelstatmaelstede ‘gerechtplaats; vergadering’. Zie ook mellen.

mellen (melde, gemeld) ‘plechtig spreken; huwen, trouwen’

Middelnederlands mellen ‘huwen, trouwen’, Gotisch maþljan ‘spreken’, Oudnoords mæla id., Oudengels mæðlan id., Oudfries mēlia id., Oudsaksisch mahalian id. en Oudhoogduits mahalan ‘tot een overeenkomst komen’

Van Oudgermaans *maþljanan*mahljanan, een afleiding bij madelmaal.

naam (de, mv. namen) ‘woord ter aanduiding van een zekere persoon of zaak’

Oudnederlands namo, Gotisch namo, Oudnoords nafn (Zweeds namn, Deens navn), Oudengels namanoma (Engels name), Oudfries nama (Fries namme), Oudsaksisch namo(Middelnederduits name) en Oudhoogduits namo (Duits Name); alle ‘naam’

Van Oudgermaans *namō. Buiten het Germaans verwant aan o.a. Oudiers ainm, Latijn nōmen en Grieks ónoma. Zie ook noemennennen en genan.

nennen (nendegenend) ‘noemen, een naam geven’

Middelnederlands nennen, Gotisch namnjan, Oudnoords nefnanemna (Zweeds nämna), Oudengels nemn(i)an, Oudfries namnanemnanannanenna (Fries neame), Oudsaksisch nemnian en Oudhoogduits nemnennemmennennen (Duits nennen)

Van Oudgermaans *namnjanan; een afleiding bij naam.

noemen (noemdegenoemd) ‘een naam geven; vermelden’

Middelnederlands noemen, Oudfries nōmia, Middelnederduits nomen, Middelhoogduits benüemen

Van Oudgermaans *nōmijanan; van dezelfde wortel als naam.

rarde (de, mv. rarden) ‘taal, spraak’

Gotisch razda ‘taal, spraak’, Oudnoords rödd ‘stem’ en Oudhoogduits rarta in fogalrarta ‘vogelzang als voorteken’

Van Oudgermaans *razdō. Daarnaast de variant *rezdō, vanwaar Oudengels reord ‘spraak, tong, taal, stem’.

rede (de, g.mv.) ‘denkvermogen; het spreken’

Oudnederlands retha ‘gesproken woorden, spraak’ (Middelnederlands rede(ne) ‘denkvermogen; redenering, spraak, vertelling; reden, oorzaak’), Gotisch raþjō ‘getal, telling, verslag, verklaring’, Oudfries rethe ‘spraak, woord, verslag’, Oudsaksisch rethia ‘verslag’ en Oudhoogduits reda ‘spraak, verslag’

Van Oudgermaans *raþjō*raþjō. Buiten het Germaans verwant aan Latijn ratiō ‘mening, overweging, opvatting, berekening’. Zie ook reden.

reden (reeddegereed) ‘praten, spreken’

Middelnederlands reden ‘spreken’, Gotisch garaþjan ‘tellen’, Oudfries birethia ‘praten’, Oudsaksisch rethion id. en Oudhoogduits ohd. rediōnredōn id. (Duits reden)

Van Oudgermaans *raþjanan. Zie ook rederesse en ressen.

resse (de, mv. ressen) ‘verslag’

In oorsprong hetzelfde woord als rede, maar met een eigen vorm- en betekenisontwikkeling.

ressen (restegerest) ‘overwegen, vertellen’

In oorsprong hetzelfde woord als reden, maar met een eigen vorm- en betekenisontwikkeling.

rijm (het, mv. rijmen) ‘gelijkheid van klank; reeks, getal’

Middelnederlands rime ‘versregel; gedicht; dichtmaat’, Oudnoords rím ‘berekening, kalender’, Oudengels rīm ‘getal’ (Middelengels rimeryme ‘metrum’, later ‘rijmregel’), Oudfries rīm ‘vertelling op rijm’ (Fries rym ‘rijm’), Oudsaksisch rīm ‘groot aantal’ (Middelnederduits rīm ‘aantal; versregel, gedicht’) en Oudhoogduits rīm ‘getal, reeks, volgorde’ (Middelhoogduits rīm ‘rijm, rijmregel, gedicht’)

Van Oudgermaans *rīman ‘reeks, getal’. Het woord is door het Oudfrans ontleend en kreeg daar de betekenisverandering naar ‘versregel’ e.d., waarop  dit ook gebeurde in het noorden.

roeden (roeddegeroed) ‘spreken’

Gotisch rōdjan, Oudnoords ræða ‘spreken’ en Oudfries rēda id.

Van Oudgermaans *rōdjanan. Verwant aan raad.

roef (het, mv. roeven) ‘getal’

Oudnoords róf in stafróf ‘alfabet’, Oudengels róf in secgróf ‘schare mannen’ en Oudhoogduits ruoba ‘getal, som’ (vrouwelijk woord)

Van Oudgermaans *rōfan.

ruinstaf (de, mv. ruinstaven) ‘Germaans schriftteken’

Oudnoords rúnastafr, Oudengels rúnstæf en Oudhoogduits rūnstab; alle ‘Germaans letterteken, rune’

Van Oudgermaans *rūna-stabaz; een samenstelling van *rūnō ‘fluistering; geheim beraad; geheim; Germaans schriftteken’ (> ruin) en *stabaz (> stafstaaf). Vergelijk boekstaf.

schop1 (de, mv. schopen) ‘dichter bij de West-Germanen’

Oudengels scop ‘dichter’ en Oudsaksisch skop ‘dichter’ (in skoplīko ‘dichterlijk’)

Van Oudgermaans *skupaz. Verwant aan schop2.

schop2 (het, mv. schopen) ‘spot, spottend verhaal’

Middelnederlands schop ‘scherts, gekheid; scherts ten koste van iemand, spot; smaad, hoon’, Oudnoords skop ‘gescheld, geschimp’ en Oudhoogduits scopf ‘verhaal, anekdote, spot’

Van Oudgermaans *skupan. Verwant aan schop1.

schoud (het, mv. schouden) ‘dichter bij de Noord-Germanen’

Oudnoords skáld

Van Oudgermaans *skaldan. Vermoedelijk verwant aan schelden. Vergelijk hoe schop1 naast schop2 staat.

schrijven (schreefgeschreven) ‘letters neerzetten, een tekst vastleggen’

Oudnederlands skrīvan, Oudnoords skrífa (Zweeds skrive), Oudengels scrīfan (Engels shrive), Oudfries skrīva (Fries skriuwe), Oudsaksisch skrivan en Oudhoogduits scrīban (Duits schreiben)

Van Oudgermaans *skrībanan. Wordt vaak gezien als een zeer vroege ontlening aan Latijn scrībere, maar is er in betekenis mogelijk enkel door beïnvloed.

spel (het, mv. spellen) ‘verkondiging, vertelling’

Oudnederlands spel ‘vertellingen’ (Middelnederlands spel ‘spraak, spreuk’, in o.a. dincspel ‘rechtsgebied’ (in Drenthe)), Gotisch spill ‘mythe, vertelling’, Oudnoords spjall ‘spreuk’, Oudengels spell ‘verhaal, vertelling’, Oudsaksisch spel id. en Oudhoogduits spel id.

Van Oudgermaans *spellan. We vinden het woord ook terug in Engels gospel ‘evangelie’ (< Oudengel gōd-spell ‘goed verhaal’). Buiten het Germaans waarschijnlijk verwant aan o.a. Grieks apeil ‘bedreiging, grootspraak’. Verband met spel ‘bezigheid als ontspanning’ is ongewis. Zie ook spellen.

spellen (spelde, gespeld) ‘de letters van een woord benoemen; een verhaal vertellen’

Middelnederlands spellen ‘verklaren, uitleggen; betekenen, voorbeduiden’, G0tisch spillon ‘het gospel verkondigen, vertellen’, Oudnoords spjalla ‘praten’, Oudengels spellian‘praten, verkondigen’, Middelnederduits spellen ‘praten’, Middelhoogduits spellen ‘vertellen, praten’

Van Oudgermaans *spellōjanan, een afleiding bij spel. Een uitbreiding hierbij is voorspellen.

spraak (de, mv. spraken) ‘spreekvermogen, spreekwijze’

Oudnederlands sprāka, Oudsaksisch sprāka, Oudhoogduits sprāhha (Duits Sprache), Oudfries sprēke (Fries spraaksprake), Oudengels sprǽc; alle ‘spraak, gesprek, rede, aanklacht e.d.’

Van Oudgermaans *sprēkō. Van dezelfde wortel als spreken en spreuk.

spreken (sprakgesproken) ‘praten’

Oudnederlands sprekan, Oudsaksisch sprekan, Oudhoogduits sprehhanspehhan (Duits sprechen), Oudengels sprecanspecan (Engels speak), Oudfries spreka (Fries sprekke); alle ‘praten’

Van Oudgermaans *sprekanan. Verdere herkomst onwis. Buiten het Germaans mogelijk verwant aan Wels ffraeth ‘welbespraakt’. Van dezelfde wortel als spraak en spreuk.

spreuk (de, mv. spreuken) ‘zinrijk gezegde’

Middelnederlands sproke ‘wat iemand zegt; gezegde; verhaal, vertelling, gedicht’ en Middelhoogduits spruche ‘vertelling, verhaal’ (Duits Spruch)

Van Oudgermaans *sprukiz. Van dezelfde wortel als spreken en spraak.

sprookje (het, mv. sprookjes) ‘soort vertelling’

In oorsprong hetzelfde woord als spreuk, maar met een eigen vorm- en betekenisontwikkeling, en met verkleiningsachtervoegsel.

stem (de, mv. stemmen) ‘zang- of spraakgeluid’

Oudnederlands stimmastemma, Gotisch stibna, Oudengels stefnstemn (Engels verouderd steven), Oudfries stifnestemme (Fries stim), Oudsaksisch stemn(i)a(Middelnederduits stemne) en Oudhoogduits stimmastimna (Duits Stimme); alle ‘stem’

Van Oudgermaans *stemnō*stebnō. Buiten het Germaans mogelijk verwant aan Grieks stóma ‘mond’.

taal (de, mv. talen) ‘bestel van spraakklanken’

Middelnederlands taletael, Oudsaksisch tala (Middelnederduits taltale), Oudhoogduits zala (Duits Zahl), Oudfries taletele (Fries taal ontleend aan het Nederlands), Oudengels talu (Engels tale), Oudnoords tala (Deens, Noors tale); alle oorspronkelijk ‘spraak, vertelling, verhaal, gesprek, gerechtelijke (uit)spraak e.d.’

Van Oudgermaans *talō*talōn. Van dezelfde wortel als talgetalaantal, tellen en vertellen.

woem (de, mv. woemen) ‘stem, stemgeluid’

Oudnoords ómr ‘geluid, stem’ en Oudengels wóm ‘geluid, lawaai’

Van Oudgermaans *wōmaz. Verwant aan gewagen en misschien aan Middelnederlands woepelen ‘roepen, schreeuwen’.

verhaal (het, mv. verhalen) ‘vertelling’

Afleiding bij verhalen.

verhalen (verhaaldeverhaald) ‘vertellen’

Middelnederlands verhalen ‘nazeggen’

Afleiding bij halen. Het verhalen is letterlijk het ‘herhalen, terughalen van woorden’. Zie ook verhaal.

vertellen (verteldeverteld) ‘mondeling mededelen, verhalen’

Middelnederlands vertellen ‘opsommen, verhalen’

Afleiding bij Middelnederlands tellen, dat vroeger ook ‘zeggen, verkondigen’ betekende. Van dezelfde wortel als taaltalgetal en aantal.

vertelling (de, mv. vertellingen) ‘verhaal’

Afleiding bij vertellen.

vitte (de, mv. vitten) ‘deel van een weefsel; deel van een gedicht, gedicht’

Oudnoords fit ‘zwemvlies’, Oudengels fitt ‘lied, gedicht’, Oudsaksisch fittea ‘deel (van een gedicht)’, Oudhoogduits fizza ‘inslag, streng van garen’

Van Oudgermaans *fitjō. Mogelijk verwant aan voet.

wezend (de, mv. wezenden) ‘luchtpijp, trachea’

Oudengels wǽsend, wásend ‘luchtpijp’, Oudfries wāsande, wāsende id. en Oudhoogduits weisant, weisunt id.

Van Oudgermaans *waisundiz. Van een wortel die ‘vloeien, stromen’ betekent.

woord (het, mv. woorden) ‘taaluiting’

Oudnederlands wort, Gotisch waurd, Oudnoords orðr (Noors ord), Oudengels word (Engels word), Oudfries werdword (Fries wurd), Oudsaksisch word (Middelnederduits wort) en Oudhoogduits wort (Duits Wort); alle oorspronkelijk ‘gesproken uiting’

Van Oudgermaans *wurdan. Buiten het Germaans verwant aan o.a. Latijn verbum ‘woord’ en wellicht Grieks eírein ‘spreken’. Zie ook geweurdhoswoordwoordwijs enzandwoord.

woordwijs ‘wijs in woorden, geleerd’

Oudnoords orðvíss ‘wijs in woorden’, Oudengels wordwís id., Oudsaksisch wordwīs id. en Middelhoogduits wordwis id.

Van Oudgermaans *wurda-wīsaz. Een zeer oude samenstelling van *wurdan (> woord) en *wīsaz (> wijs).

zage (de, mv. zagen) ‘roemrucht verhaal’

Middelnederlands sage ‘wat iemand zegt; gerucht, faam; verhaal, vertelling, (rechts)uitspraak’, Oudnoords saga ‘verhaal, vertelling’, Oudengels sagu ‘spreuk, verhaal, vertelling’, Oudfries sege id., Middelnederduits sage id. en Oudhoogduits saga ‘vertelling, bericht’

Van Oudgermaans *sagō*sagōn, een afleiding bij de wortel van zeggen.

zandwoord (het, mv. zandwoorden) ‘waar woord’

Oudnoords mv. sannyrði ‘ware woorden’, Oudengels sóðword ‘waar woord’ en Oudsaksisch sothword id.

Van Oudgermaans *sanþ-wurdan, een zeer oude samenstelling van *sanþ- ‘waar, waarachtig’ en *wurdan (> woord). Het eerste lid heeft niets te maken met zand ‘steenstof’.

zang (de, mv. zangen) ‘het zingen; zangkunst; lied, gedicht’

Oudnederlands sang, Gotisch saggws, Oudnoords, söngr (Zweeds sång), Oudengels song (Engels song), Oudfries song (Fries sang), Oudsaksisch sang (Middelnederduits sank) en Oudhoogduits sanc (Duits Sang); alle ‘gezang, lied’

Van Oudgermaans *sangwaz. Van dezelfde wortel als zingen.

zeggen (zeigezegd) ‘spreken’

Oudnoords segja (Zweeds säga), Oudengels secgan (Engels say), Oudfries sedza (Fries sizze), Oudsaksisch seggian (Middelnederduits seggen) en Oudhoogduits seggen; alle ‘spreken’

Van Oudgermaans *sagjanan. Mogelijk is het een oorzakelijk werkwoord bij zien. Dan betekende zeggen oorspronkelijk ‘doen zien’. Zie ook zage. Buiten het Germaans verwant aan o.a. Oudiers sechid ‘zeggen’.

zemmen (zemdegezemd) ‘voegen, schikken, componeren’

Gotisch samjan ‘trachten te behagen’ en Oudnoords semja ‘schikken, vormen, componeren’

Van Oudgermaans *samjanan. Verwant aan samensommige en verzamelen.

zingen (zonggezongen) ‘muziek maken met de stem’

Oudnederlands singan, Gotisch siggwan, Oudnoords syngva (Zweeds sjunga), Oudengels singan (Engels sing), Oudfries sionga, siunga (Fries sjonge), Oudsaksisch singan (Middelnederduits singen) en Oudhoogduits singan (Duits singen); alle ‘zingen’

Van Oudgermaans *singwanan. Van dezelfde wortel als zang. Buiten het Germaans wellicht verwant aan Grieks omph ‘godenstem, profetie’.

One Comment

Trackbacks

  1. Taalwoorden « Taaldacht

Reacties zijn gesloten.