Lastige leenwoorden

boekblad

Het Nederlands wordt onderhand een onsamenhangend allegaartje zoals het woorden heeft geleend en blijft lenen uit andere talen. Voor veel van deze leenwoorden zijn nog inheemse tegenhangers gangbaar en vermeld in de Van Dale en andere gewone woordenboeken. Voor het overige is hieronder een lijst opgesteld, onder meer naar het grotere werk van de Bond tegen Leenwoorden.

Lees ook de inleiding, met gelegenheid tot opmerkingen en aanvullingen, en het lijstje van wél aanvaarde leenwoorden.

A

abdij v. 1 wijhof, bedehof

ablaut m. 1 afklank

abstract bn. 1 afgeleid

academie v. 1 gilde 2 leergilde

academisch bn. 1 gildig 2 leergildig

accessoire v. 1 toebehoren

accijns m. 1 bruikheffing (zie consumptie)

accordeon o./m. 1 balgharp (vgl. blaasbalg)

accountancy v. 1 boekschouwing

accountant m. 1 boekschouwer

accu m., accumulator 1 stroomvat, barnvat (zie elektriciteit)

acne v. 1 de overtalg

acrobaat m. 1 kunsteling

acteren ww. 1 spelen, schouwspelen

acteur m. 1 speler, schouwspeler (Duits Schauspieler, Noors skuespiller), bedrijver, scherner (Oudsaksisch skirnio, ~ Middelnederlands scherne ‘scherts, spot’, scheren ‘schertsen, (be)spotten, nadoen’)

actie v. 1 daad, handeling 2 beweging 3 betoging 4 (beeld) vaart, daadkracht

actief bn. 1 dadig, werkzaam

activeren ww. 1 dadigen, verwerkzamen

activisme o. 1 daadzin

activistisch bn. 1 daadzinnig

acupunctuur v. 1 naalding

acuut bn. 1 schielijk 2 dringend

adapter m. 1 omzetter

administratie v. 1 beheer, verwouding (Duits Verwaltung)

adminstrator m. 1 beheerder, verwouder (Duits Verwalter)

administreren ww. 1 beheren, verwouden, verwield, h. verwouden (Duits verwalten, ~ Middelned. wouden ‘regelen, besturen’)

admiraal m. 1 vlootheer

adolescent m. 1 jongeman

adolescente v. 1 jongevrouw

adolescentie v. 1 volwassing (vgl. volwassen)

adopteren ww. 1 aannemen

adoptie v. 1 aanneming, aanname

adoptiekind o. 1 aangenomen kind

adoptieouders mv. 1 aannemende ouders

adrenaline v. 1 noodstof

adres o. 1 woonmerk

advertentie v. 1 ruchtbaring, aankondiging

adverteren ww. 1 ruchtbaren, ruchtbaarde, h. geruchtbaard, aankondigen

advocaat m., advocate v. 1 dingman, dingvrouw (~ geding), de voorspraak (Middelnederlands voresprake), de aanwoud (Duits Anwalt)

aërodynamica v. 1 stroomlijnkunde

aërodynamisch bn. 1 gestroomlijnd, stroomlijnig

aforisme o. 1 zinspreuk

Afrika o. 1 Moren

afrodisiacum o. 1 lustmiddel

agenda v. 1 dagwijzer 2 spreeklijst

agent m. 1 diender 2 zaakvoerder

agglomeratie v. 1 toewas (vgl. aanwas, ~ wassen ‘groeien’)

agrarisch bn. 1 landbouw-

agressie v. 1 aanval, aanvallendheid

agressief bn. 1 aanvallend

agressiviteit v. 1 aanvallendheid

aids m. 1 weerstandsverlamming

airbag m. 1 vangbalg (vgl. blaasbalg)

ajuin m. 1 look (zie ui)

alarm o. 1 wapenroep, de noder

alarmcentrale v. 1 de nodermedem, -s (zie centrale)

alarmeren ww. 1 noderen

albatros m. 1 reuzenmeeuw

albino m. 1 witteling

album o. 1 bundel, de mandel (naar mandel ‘aantal (met name vijftien) schoven’)

alcohol m. 1 (stof) de/het ruizer (naar ruizen ‘leven maken, tieren’, roes/ruis ‘drankbedwelming’) 2 (drinken) drank, sterke drank

alcoholisch bn. 1 ruizerlijk, ruizer-

alcoholisme o. 1 drankzucht

alcoholist m. 1 dranker (vgl. zanger bij zang, zingen)

alfabet o. 1 stavenschat (zie letter, vgl. woordenschat)

algebra v. 1 stelkunde

alibi o. 1 het elders, eldersbewijs, de zunne (zie excuus)

alien bn. 1 (oorsprong onbekend) elling (vgl. elders, Middelnederlands el ‘ander’, els ‘anders; elders’) 2 buitenaards

alien m. 1 elling 2 buitenaards wezen

alinea v. 1 zinblok

allegorie v. 1 beeldspraak

allergie v. 1 overgevoeligheid

allergisch bn. 1 overgevoelig

allochtoon1 bn. 1 uitheems

allochtoon2 m. 1 uitheemse, uitboorling

almanak m. 1 jaarboekje

altaar o. 1 wijbed, de harg, herg (Oudhoogduits harug, Oudnoords hǫrgr)

alternatief1 bn. 1 anderling

alternatief2 o. 1 de anderling

altruïsme o. 1 anderzin

altruïstisch bn. 1 anderzinnig

alveolaar1 bn., alveolair1 1 rands

alveolaar2 v., alveolair2 1 randklank

ambassade v. 1 rijksboding

ambassadeur m. 1 rijksbode

ambivalent bn. 1 tweewaardig

ambulance v. 1 ziekenwagen, spoeder

Amerika o. 1 Amelrijk (Nederlandse vorm van de oorspronkelijk Germaanse naam van Amerigo Vespucci, de ontdekkingsreiziger waar het werelddeel naar vernoemd is)

amfibie m. 1 oeverdier, oeverling

amfibisch bn. 1 oevers (vgl. aards), oeverzaam

anachronisme o. 1 tijdstrijdigheid

anachronistisch bn. 1 tijdstrijdig

anagram o. 1 husselwoord

analfabeet bn. 1 wanschriftig

analfabetisme o. 1 wanschriftigheid

analogie v. 1 voorbeelding

analoog bn. 1 overeen, overeenkomstig 2 wijzermatig (vgl. digitaal)

anarchie v. 1 onbewind 2 wetteloosheid

anarchisme o. 1 onbewindzin

anarchistisch bn. 1 onbewindzinnig

anatomie v. 1 ontleedkunde, lichaamkunde 2 ontleding 3 het lijfschap (vgl. landschap)

anesthesie v. 1 verdoving

anesthesiologie v. 1 verdoofkunde

ångström m. 1 uttelmeter (klankwisselend naast ietelmeter voor nanometer)

anjer v. 1 nagelbloem, nagelijn (vanwege de kruidnagelachtige geur)

anorexia v. 1 dunzucht

Antarctica o. 1 Zuiderschoot (vgl. IJslands Suðurskautsland)

Antarctisch bn. 1 Zuiderschoots

antibioticum o. 1 de krevelweer (zie bacterie)

anticiperen ww. 1 vooruitlopen

anticlimax m. 1 neertrap 2 domper

antiek1 bn. 1 oudtijds

antiek2 o. 1 de oudernis (vgl. wildernis)

antilope v. 1 wildsbok (Afrikaans wildsbok)

antimaterie v. 1 tegenmater (zie materie)

antistof v., antilichaam 1 tegenstof, tegenlichaam

antoniem o. 1 tegenwoord

antraciet bn. 1 koolgrijs

antropologie v. 1 menskunde

apostel m. 1 zendeling, bode

apotheek v. 1 lubhuis (zie medicijn)

apparaat o. 1 toestel

apparatuur v. 1 toestelling

appartement o. 1 woondeel

appelsien v. 1 zonneappel

aquaduct o. 1 waterbrug

Arabië o. 1 Zandrijk (vgl. islam)

arboretum o. 1 boomgaard, bomentuin (vgl. dierentuin, pinetum)

archetype o. 1 oerbeeld

Arctica o. 1 Noorderschoot (vgl. Antarctica)

Arctisch bn. 1 Noorderschoots

arena v. 1 het krijt

arsenaal o. 1 wapenhuis

arts m. 1 de laak (Oudengels lǽce, Oudfries létze, Deens læge)

artikel o. 1 stuk, bericht 2 gelid 3 waar

artillerie v. 1 geschut

asbest o. 1 brandloos, steenvlas

asfalt o. 1 de/het wegenteer

asiel o. 1 opvang

asielzoeker m. 1 opvangzoeker

asociaal bn. 1 onmaatschappelijk

asperge v. 1 wortelspruit

assimilatie v. 1 aanlijking, eendering

assimileren ww. 1 aanlijken, eenderen

associatie v. 1 gemating, verbinding, verband

associëren ww. 1 gematen, -te, verbinden, in verband brengen

assonantie v. 1 klinkerrijm, halfrijm

assortiment o. 1 aanbod, warenkeuze

astrofysica v. 1 sterrenwildkunde, sterrenmaterkunde (zie fysica)

astrologie v. 1 sterrenwichel

asymmetrie v. 1 onevenmaat

atelier o. 1 werkstede, de werkschop (Engels workshop, zie shop)

atheïsme o. 1 ongodzin, godloochening

atheïstisch bn. 1 ongodzinnig, godloochenend

atomair bn. 1 ondellijk, ondel-

atoom o. 1 het ondel (vereenvoudiging van bestaand ondeel ‘atoom’, uit on-delig, vgl. -on)

atoomfysica v. 1 ondelkunde

atoomnummer o. 1 het ondeltal, kendeltal (zie proton)

auditie v. 1 horing, speelkeuring

Australië o. 1 Onderland (vgl. Engels Down Under)

auto m. 1 wagen, kar, de redel, de reel (~ rijden)

autochtoon1 bn. 1 inheems

autochtoon2 m. 1 inheemse, inboorling

autodidact m. 1 zelflerende

automaat m. 1 de eigenmaat

automatisch1 bn. 1 eigenmatig

automatisch2 bw. 1 eigenmatig, vanzelf

automatiseren ww. 1 vereigenmatigen

automobilist m. 1 wagendrijver, drijver (vgl. Engels driver)

autoritarisme o. 1 gezagzin

autoritair bn. 1 gezagzinnig

avatar m. 1 hultenis (naar hullen, gehuld)

avontuur o. 1 het wedervaren, de vaarnis (Middelnederlands vaernisse ‘lotgeval’)

avontuurlijk bn. 1 wedervaarlijk

Azië o. 1 het Morgenland (vgl. Europa)

azijn m. 1 de tanger (Middelnederlands tanger ‘scherp van smaak’)

B

baai m./v. 1 de wijk (IJslands vík)

baby m./v. 1 boreling, kindje

babyboomer m. 1 geboortegolver

bacil m. 1 de/het stevel (eig. ‘staafje’)

back-up m. 1 waarnis (zie reserve)

bacterie v. 1 de/het krevel (naar krevelen ‘krioelen’)

bacteriecultuur v. 1 krevelkweek

bacterieel bn. 1 krevellijk, krevel-

bacteriologie bn. 1 krevelkunde

bagage v. 1 reisgoed, het gemaalte (naar maal voor koffer)

bagatelliseren ww. 1 verluttelen

ballistiek v. 1 worpkunde

ballistisch bn. 1 worpkundig

ballon m. 1 luchtbal

banaan v. 1 de/het maandel (eig. ‘maantje’, vgl. vaandel ‘vaantje’)

bankroet1 bn. 1 vergrond (vgl. failliet)

bankroet2 o. 1 vergronding

bankroet gaan o. 1 vergronden

barbecue m. 1 harster (vgl. grill)

barbecuen ww. 1 harsten (verouderd Nederlands harsten ‘braden, roosteren’, vgl. harst ‘stuk gebraden vlees’)

baseren ww. 1 gronden, stoemen, stalen

basis v. 1 (algemeen) grond, grondslag, de stoem (Gotisch stōma, ~ stam, staan), de stadel, de staal (Oudsaksisch stađal, Oudengels staðol, ~ staan) 2 (verblijf) honk

basketbal o. 1 hoepbal

bataljon o. 1 slagdeel (vgl. smaldeel)

batterij v. 1 stroomhuls 2 (krijgsmacht) geschutting, schutblok

beige bn. 1 bleekgeel, zaluw, zandig

België o. 1 Belgen (vgl. Saksen, Zweden)

Belgisch bn. 1 Belgs (Westvlaams Belgsch, vgl. Zweeds)

benzine v. 1 de wagenstook, stook (vgl. kerosine), brandstof

benzinetank m. 1 stookvat

benzinestation o. 1 stookhouder

beproeven ww. 1 vanden, -de (zie testen)

bibliotheek v. 1 het boekhof (vgl. museum, universiteit)

biefstuk m. 1 rundstuk

bilabiaal1 bn. 1 beilips (vgl. beide)

bilabiaal2 v. 1 beilipklank

biljard tw. 1 hiemend (zie peta-)

biljoen tw. 1 tulvend (zie tera-)

binair bn. 1 tweetallig

biodiversiteit v. 1 levensveelaard

biologie v. 1 lijfkunde (met lijf ‘lichaam’, ouder ‘leven’, zoals in lijfsbehoud)

biomassa v. 1 levenmas, lijfmas (zie massa)

bionica v. 1 wildmaat

bionisch bn. 1 wildmatig

bioscoop m. 1 velmhuis (zie film)

biotoop m. 1 levenskring (vgl. kringloop, ecologie)

biseksueel bn. 1 beiminnig

biseksualiteit v. 1 beimin (vgl. beide)

bitumen o. 1 aardhars, vijterlijm (zie olie)

boeket o. 1 tuil, ruiker

boiler m. 1 zieder (vgl. koken)

bordeel o. 1 hoerenhuis, de knip, de kuf (verouderd Nederlands kuf ‘kroeg; hoerenhuis’)

botanie v. 1 gewaskunde

boter v. 1 de ank (gewestelijk Duits Anke), de smeer (Noors smør, ~ smeren)

boycot m. 1 handelsban

boycotten ww. 1 handelsbannen

brainstorm m. 1 denkvlaag, de werveldacht

brevet o. 1 kundebewijs, bewijs

brigade v. 1 zuil

browsen ww. 1 struinen, -de

browser m. 1 struiner

bug m. 1 luis, het euvel, de tadel

bühne v. 1 de beun

byte v. 1 de bijt (~ beet, beetje)

bureau o. 1 het werkberd (zie tafel)

C

cabine v. 1 de boede (Middelnederlands boede ‘huisje, gebouwtje’, Engels booth)

café o. 1 leut, leuting 2 kroeg

cafeïne v. 1 leutstof

camera v. 1 beeldvester (Middelnederlands vesten ‘vastleggen’)

camouflage v. 1 schutting, schut-, darning, darn- (Duis Tarnung, Tarn-)

camoufleren v. 1 schutten, darnen (Duits tarnen, vgl. Oudsaksisch darno ‘heimelijk’)

camping v. 1 telding (zie tent), legerveld (vgl. kamperen)

capsule v. 1 huls

caravan m. 1 de togel

cardiologie v. 1 hartkunde, hartheelkunde

cast m. 1 bezetting

categorie v. 1 tak, afdeling

cel v. 1 (vertrek) de koof (Middelnederlands cove ‘huisje, hut’, Oudengels cofa ‘vertrek’, Oudnoords kofi ‘hut, kloostercel’) 2 (leven) de/het kovel

celbiologie v. 1 kovelkunde

cellulair bn. 1 kovellijk, kovel-

cement o./m. 1 bindleem, briklijm (met brik ‘baksteen’)

censuur v. 1 uitingtoezicht

cent m. 1 het hundel (~ honderd, Oudnederlands hund ‘honderdtal’, vgl. procent)

centi- vv. 1 hundel- (zie cent)

centigram o. 1 hundelgram

centimeter m. 1 hundelmeter

centraal bn. 1 middelst, midden-, medem (Gotisch miduma ‘middelste’, vgl. Medemblik), hoofd-

centraal station o. 1 het hoofdspoorhof, de hoofdstadel

centrale v. 1 de medem, -s (zie centraal), het werk (Duits Werk)

centralisatie v. 1 vermiddering, vermedeming

centraliseren ww. 1 vermidderen, vermedemen

centrifuge v. 1 zwierder, zwiertuig

centrum o. 1 (algemeen) midden, het medem, -s (zie centraal) 2 (stad) kern, hart

ceremonie v. 1 de plecht, plechtigheid

ceremonieel bn. 1 plechtig, plecht-

certificaat o. 1 wismerk, getuigschrift, bewijs

champignon m. 1 driesling (Middelnederlands drieslinc)

chaos m. 1 war, warboel, warnis 2 (geleerd) de ganis (~ Oostfries ganen, Noors gane ‘gapen’), de dolm (~ dol, dolen, dwalen)

chaostheorie v. 1 ganisleer, dolmleer

chaotisch bn. 1 warrig 2 (geleerd) ganig, dolmig

chat m. 1 de kout

chatten ww. 1 kouten, -te

chauvinisme o. 1 de heemdweep

chemisch bn. 1 scheilijk 2 scheikundig

China o. 1 Zijderijk (vgl. Japan)

chip m. 1 (rekentuig) de snip (Brabants snip ‘plakje, keep’, ~ snipper) 2 (eten) zoutje, knisper

chirurg m. 1 heelkundige, kerfkundige, kerver (verouderd Nederlands kerver ‘heelmeester, chirurgijn’)

chirurgie v. 1 heelkunde, kerfkunde

chirurgisch bn. 1 heelkundig, kerfkundig, kerfelijk

chromosoom m. 1 erflijfje (vgl. gen)

cijfer o. 1 de talstaf, talstaven (IJslands tölustafur, vgl. letter)

cilinder m. 1 de holk (IJslands hólkur, vgl. verouderd Nederlands holk ‘holte’)

cilindrisch bn. 1 holks

clan m. 1 de sibbe

club v. 1 de kolf (Middelnederlands colve ‘knots, besloten gezelschap’)

cognaat m. 1 evenknie

cola m. 1 kola (met kool om de kleur en koolzuur en a ‘(stromend) water’, vgl. Breda, Gouda, ooit stroomnamen)

collectief1 bn. 1 gezamenlijk, zamend (Middelnederlands sament ‘gemeenschappelijk’, gesament ‘bijeengebracht’)

collectief2 o. 1 het zamend

collectivisme o. 1 zamendzin

collectivistisch bn. 1 zamendzinnig

collega m./v. 1 werkgenoot 2 vakgenoot

combinatie v. 1 bezamening

combineren ww. 1 bezamenen

comedy v. 1 klucht, blijspel

commando1 o. 1 (legereenheid) het gebod

commando2 m. 1 gebodsman

commercialisatie v. 1 verhandelzaming, bewinsting

commercialiseren ww. 1 verhandelzamen, bewinsten

commercieel bn. 1 handelzaam, bewinstelijk

commissaris m. 1 gezand, gewaarde (naar Middelnederlands gewaert ‘bevoegd, ge(vol)machtigd’, vgl. waardigheid ‘ambt met eer en aanzien’)

commissaris van de koning(in) m. 1 landdrost

commissie v. 1 gezending, gewaarding (zie commissie) 2 winstdeel, deelwinst

communicatie v. 1 gemeniging, wederricht, onderreding

communiceren ww. 1 gemenigen, wederrichten, richtte weder, h. wedergericht (vgl. berichten), onderreden, onderreedde, h. onderreed (Middelnederlands onderreden, vgl. onderling)

communisme o. 1 gemeenzin

communistisch bn. 1 gemeenzinnig

compagnie v. 1 het vendel, vendels, vendelen

complex o. 1 gestel

compliment o. 1 het vleisel, de vleinis

componeren ww. 1 gestellen, klankenvoegen

componist m. 1 gesteller, klankenvoeger

compositie v. 1 gestelling 2 klankenvoeging

compost o./m. 1 teersel

composteren ww. 1 teerselen

computer m. 1 rekenaar, de taluw (IJslands tölva, ~ getal, tellen, taal), de talmaat (naar talmatig voor digitaal)

concentratie v. 1 gemiddering

concentreren ww. 1 gemidderen

concert o. 1 geklank

concreet bn. 1 grijpbaar

concurreren ww. 1 mededingen, wedijveren

condens v. 1 dauw

condensatie v. 1 verdauwing

condenseren ww. 1 verdauwen

condoleren ww. 1 rouwzeggen, deelnemen

condoom o. 1 lidhuls

conducteur m. 1 togeling (naar zowel tog voor trein als togen ‘tonen’ i.v.m. vervoersbewijs)

confrontatie v. 1 staarning

confronteren ww. 1 staarnen (vgl. Middelnederlands sterne ‘voorhoofd’)

confucianisme o. 1 Zijderijkse zedenleer (zie China)

congres o. 1 daging (Duits Tagung)

consequent bn. 1 eenvolgend

conservatief bn. 1 behoudzinnig, behoudend

conservatisme o. 1 behoudzin, behoudendheid

consument m. 1 bruiker (vanuit gebruiker, verbruiker)

consumentisme o. 1 bruikzin, bruikzucht

consumeren ww. 1 bruiken

consumptie v. 1 de/het bruik (vanuit gebruik, verbruik, vgl. bruikleen)

contact o. 1 voeling 2 aanraking, de raak 3 startslot

contactadvertentie v. 1 kenniszoeking (vgl. kennismaking)

context m. 1 zinsverband, de omlaas (zie tekst)

contract o. 1 verdragschrift 2 de tonst (Middelnederlands tonst ‘overeenkomst’)

coördinatie v. 1 afstemming, nevenschikking

coördineren ww. 1 afstemmen, nevenschikken

cordon sanitaire o. 1 schutkring

correct bn. 1 recht, rechtig (zie juist1) 2 onberispelijk

correlatie v. 1 gebanding

correleren ww. 1 gebanden

cosmetica mv. 1 de smuk

couplet o. 1 de vit, vitten (zie strofe)

cracker m. 1 krekker (~ kraken, vgl. krakeling)

creatief bn. 1 scheps, schepzaam 2 vindingrijk

crème v. 1 room

crematie v. 1 verbrantenis (vgl. begrafenis)

cremeren ww. 1 verbranden (vgl. begraven)

crisis v. 1 het krijt (Middelnederlands crijt ‘strijdperk; gevaarlijke toestand’), de waag (Middelnederlands wage ‘onzekere, hachelijke toestand’)

criticaster m. 1 vitter, bemetelaar

criticus m. 1 maatnemer, bemeter (zie kritiseren)

cryogeen bn. 1 kulder (bij koud, ouder kold, vgl. gulden bij goud, ouder gold)

cultivar m./v. 1 kwekeling

cultivatie v. 1 betamering 2 bebouwing

cultiveren ww. 1 betameren 2 bebouwen

cultuur v. 1 het tam, tamen, tameren (vgl. wild voor natuur) 2 kweek

cultureel bn. 1 tam, tams, tamzaam 2 kunstzinnig

culturele revolutie v. 1 tamerwende

cursus m. 1 leergang

cyber- vv. 1 lenk- 2 web-, taluw- (zie computer)

cybernetica v. 1 lenkkunde (vgl. Kerkraads lenke, Duits lenken ‘(be)sturen’, Zweeds länk, Engels link ‘schakel’)

cybernetisch bn. 1 lenkelijk, lenk- 2 lenkkundig

cyberspace v. 1 lenkruim, talruim

cyste v. 1 de wen (naar verouderd wen ‘atheroomcyste’)

D

dame v. 1 vrouwe

dashboard o. 1 voorbord

dateren ww. 1 dagstellen

datum m. 1 dagstelling

deadline m. 1 valreep, schreef

deal m. 1 het verding (Middelnederlands verdinc ‘overeenkomst, transactie’, ~ dingen)

debat o. 1 redestrijd (vgl. discussie)

debatteren ww. 1 redestrijden

decadentie v. 1 vervalligheid

decadent bn. 1 vervallig

decennium o. 1 tienjaar, tiening

deci- vv. 1 tiendel-

decigram m. 1 tiendelgram

decimeter m. 1 tiendelmeter

defaitisme o. 1 loorzin (naar teloor, verloren)

defaitistisch bn. 1 loorzinnig

defensie v. 1 verdediging 2 landweer, landsweer (Middelnederlands lantwere, lantswere)

deïndustrialisatie v. 1 ontnijvering

deïndustrialiseren ww. 1 ontnijveren

democraat m. 1 volkmachter

democratie v. 1 (bestel) volkmacht 2 (land) volkdom, burgerdom (vgl. hertogdom, vorstendom)

democratisch bn. 1 volkmachtelijk

demografie v. 1 bevolkingkunde 2 bevolking

demografisch bn. 1 bevolkingkundig

dentaal1 bn. 1 tands

dentaal2 v. 1 tandklank

depressie v. 1 inzinking 2 zwaarmoed

depressief bn. 1 zwaarmoedig, neerslachtig

dermatologie v. 1 huidkunde

diagnose v. 1 ziekteduiding

dialectiek v. 1 wisselrede (Middelnederlands wisselrede ‘samenspraak’)

dialectisch bn. 1 wisselredig 2 streektalig, gewestelijk

dialoog m. 1 tweesprek

diamant o./m. 1 de glaskool, het gloes, gloezen (~ glas, vgl. groeve, groef naast graf)

dieet o. 1 maalkeur 2 maaltucht

digitaal bn. 1 talmatig (vgl. analoog, computer)

digitalisatie v. 1 talmatiging

digitaliseren ww. 1 talmatigen

dimensie v. 1 afmeting, de meet 2 (wereld) het meetschap (vgl. landschap)

-dimensionaal bn. 1 -metig

-dioxide o. 1 tweezuurs-

diploma o. 1 oorkonde 2 kundebewijs, bewijs

diplomaat m. 1 gezant

diplomatie v. 1 gezantschap

diplomeren ww. 1 erkennen 2 bewijzen

dirigent m. 1 maatgever

dirigeren ww. 1 maatgeven

discussie v. 1 redetwist, de kijf (vgl. buiten kijf staan)

discussiëren ww. 1 redetwisten, kijven, keef, h. gekeven

dissimilatie v. 1 aflijking, veronteendering

dissimileren ww. 1 aflijken, veronteenderen

distillatie v., destillatie 1 overdamping 2 branding, stoking

distilleren ww., destilleren 1 overdampen 2 branden, stoken

district o. 1 het espel (Middelnederlands espel, eetspel)

divers bn. 1 verscheiden, veelaardig (vgl. veelvoudig, heterogeen)

diversifiëren ww. 1 verscheidenen, verveelaardigen

diversiteit v. 1 verscheidenheid, veelaard (vgl. veelvoud, heterogeniteit)

dividend o. 1 houdwinst (vgl. aandeelhouder, stockdividend)

divisie v. 1 afdeling 2 (krijgsmacht) heerschare, schare

DNA o. 1 de erveltwijn (met twijn ‘dubbel garen’, zie gen, vgl. RNA)

dokter m. 1 de laak (zie arts)

dolfijn m. 1 de ran, ranen (Oudengels hran)

domein o. 1 het vroon (Middelnederlands vrone), heergoed

domesticatie v. 1 verhuiselijking, vertamming

domesticeren ww. 1 verhuiselijken, vertammen

donateur m. 1 schenker

Donau v. 1 Toene

donor m. 1 afstaander

doseren ww. 1 giften

dosis v. 1 gift

douane v./m. 1 laakwacht, markwacht (zie grens)

douche m. 1 stortbad, bui (vgl. Engels shower ‘bui; douche’), de bruis, bruizen (Utrechts broes ‘gietertuit’, Duits Brause ‘douche’)

douchen ww. 1 stortbaden, buien, bruizen, -de

dozijn o. 1 twaalftal, twaalf

drogeren ww. 1 verdrogen (vgl. verdoven, zie drug)

drogist m. 1 drogenaar (zie drug), kruidenaar (Middelnederlands crudenare)

drug m. 1 de droog (Middelnederlands droge (waren) ‘kruiden, geneesmiddelen’, ontleend als Frans drogue, vanwaar Engels drug, vgl. drogeren, drogist)

drugsverslaafde m./v. 1 droger

dualisme o. 1 tweeheidzin

dualistisch bn. 1 tweeheidzinnig 2 tweeslachtig, tweeledig

dualiteit bn. 1 tweeheid

dubbel bn. 1 tweevoudig, twijn (~ twee, twijn ‘dubbel garen’, Oudengels twín ‘dubbel’)

dysenterie v. 1 bloedzucht (Middelnederlands bloetsucht), het buikeuvel (Middelnederlands buucovel)

E

echo m. 1 nagalm

ecologie v. 1 kringkunde (vgl. levenskring, kringloop, biotoop) 2 kringgestel

ecosysteem o. 1 kringenstelsel (vgl. sterrenstelsel)

economie v. 1 de waardschap (Duits Wirtschaft) 2 waardschapkunde

economisch bn. 1 waardschappelijk (Duits wirtschaftlich) 2 waardschapkundig

economische crisis v. 1 de waardkrijt (zie crisis)

econoom m. 1 waardschapper 2 waardschapkundige

egalitair bn. 1 gelijkzinnig

egalitarisme o. 1 gelijkzin

egocentrisme o. 1 zelfgerichtheid

egocentrisch bn. 1 zelfgericht

egoïsme o. 1 zelfzucht, baatzucht

egoïstisch bn. 1 zelfzuchtig, baatzuchtig

elegantie v. 1 zwier

elektricien m. 1 barnwerker

elektriciteit v. 1 barnkracht, de barn (naar barnsteen, dat door wrijving geladen wordt, vgl. Grieks ēlektron ‘barnsteen’) 2 stroom

elektriciteitscentrale v. 1 het barnkrachtwerk, krachtwerk (Duits Kraftwerk, vgl. kerncentrale)

elektrisch bn. 1 barnkrachtig, barns, barn-

elektrode v. 1 barnnaaf, stroomnaaf

elektromagneet m. 1 barntoger

elektromagnetisch bn. 1 barntoogkrachtig, barntoogs, barntoog-

elektromagnetisme o. 1 barntoogkracht, de barntoog

elektron o. 1 het barnel (zie elektriciteit, -on)

elektronica1 v. 1 barnelkunde

elektronica2 mv. 1 barntuig, barnraad (vgl. huisraad)

elektronisch bn. 1 barnmatig 2 barnelkundig

elektrotechniek v. 1 barnvaardigheid, barnvaard

elektrotechnisch bn. 1 barnvaardig

element o. 1 de oerstof, hoofdstof 2 onderdeel, bestanddeel, deel

elementair bn. 1 oerig, oers

elementair deeltje o. 1 het oerel (zie -on)

elitair bn. 1 keurs, overhoedig

elite v. 1 de keur, de overhoede (vgl. voorhoede)

elitetroepen mv. 1 keurvolk (vgl. voetvolk)

email o. 1 de smelt (Middelnederlands smelt)

e-mail v., mail 1 de webmeel, meel (zie post)

e-mailadres o., mailadres 1 webmeelmerk, meelmerk (naar woonmerk voor adres)

e-mailen ww., mailen 1 webmelen, melen, -de

embryo o. 1 de vazel (Middelnederlands vasel)

embryologie v. 1 vazelkunde

embryonaal bn. 1 vazellijk

emigrant m. 1 uitwijker, uitwijkeling

emigratie v. 1 uitwijking

emigreren ww. 1 uitwijken

empirisch bn. 1 ondervindelijk

empirisme o. 1 ondervindingzin

emulgator m. 1 ontschifter

emulsie v. 1 ontschifting

encyclopedie v. 1 kennistuil (met tuil ‘bundel, bos’)

encyclopedisch bn. 1 kennistuilig, tuilig

energetisch bn. 1 vits

energie v. 1 werkkracht, kracht, de vit (meer oorspr. vorm van fut, vgl. Westfries fit ‘hetz.’, Noordhollands fijter ‘levendig’)

energiecentrale v. 1 het krachtwerk (zie elektriciteitscentrale)

energiek bn. 1 krachtig, vittig

entomologie v. 1 zierkunde (zie insect)

epidemie v. 1 de woel (Oudsaksisch wól ‘plaag, verval’, Oudengels wól ‘plaag, pest’)

epidemiologie v. 1 woelkunde

eskader o. 1 (zeemacht) smaldeel 2 (krijgsgroep) het gespan (Middelnederlands gespan ‘legerbende’)

eskadron o. 1 de rit, ritten (~ rijden, vgl. vlok voor squadron)

estuarium o. 1 de strang (Middelnederlands strang)

etatisme o. 1 staatzin

etatistisch bn. 1 staatzinnig

ethiek v. 1 zedenleer

ethisch bn. 1 zedelijk

etiquette v. 1 beleefdheid

etniciteit v. 1 het volkschap (vgl. nationaliteit)

etnisch bn. 1 volks, volkelijk, volkschappelijk

etnobotanie v. 1 volksgewaskunde

etymologie v. 1 woordwortelkunde, wortelkunde 2 wortel, herkomst 3 duiding

etymologiseren ww. 1 duiden

eufemisme o. 1 verbloeming

euforie v. 1 de wonne (Middelnederlands wonne ‘vreugde, genot’)

euforisch bn. 1 wonnig

euro m. 1 avenbonder, de aaf, aven

Europa o. 1 het Avondland, Avenland (vereenvoudiging)

Europese Unie v. 1 de Avenbond

evangelisch bn. 1 heilmarig, blijmarig

evangelie o. 1 de heilmare, blijmare, blijde boodschap

eventueel bn. 1 mogelijk, gebeurlijk

evolueren ww. 1 veraarden (vgl. ontaarden)

evolutie v. 1 veraarding

evolutietheorie v. 1 veraardingleer

evolutionair bn. 1 veraardelijk

excommunicatie v. 1 verwating

excommuniceren ww. 1 verwaten, verwiet, h. verwaten (Middelnederlands verwaten)

examen o. 1 weging

examineren ww. 1 wegen

examinator m. 1 weger

excuseren ww. 1 verontschuldigen, zunnen, -de

excuus o. 1 verontschuldiging, de zunne (Oudnederlands sunna)

exemplaar o. 1 de uitnoom (~ nemen)

exhibitionisme o. 1 toonzin, toonzucht

exhibitionistisch bn. 1 toonzinnig, toonzuchtig

existentieel bn. 1 bestanig

existentialisme o. 1 eigenlotzin

existentialistisch bn. 1 eigenlotzinnig

exitstrategie v. 1 uitwegwijze, uitkrijgwijze (zie strategie)

expeditie v. 1 verzending 2 tocht 3 vorstocht (met vorsen ‘onderzoeken’) 4 krijgstocht, heervaart (met heer ‘leger’, vgl. heerschare, hereweg)

experiment o. 1 de roon, de degel (zie proef)

experimenteren ww. 1 ronen (vgl. laboratorium), degelen

exponent m. 1 het machttal, steiling 2 afgevaardigde

exponentieel bn. 1 machttallig, steilend

extra- vv. 1 buiten

extra bn., bw. 1 bijlijk

F

fabel v. 1 het bijspel, bijspellen (Middelnederlands bispel ‘toepasselijk verhaal, fabel, gelijkenis, zedeles, voorbeeld’, Duits Beispiel ‘voorbeeld’, ~ spellen, voorspellen) 2 verzinsel, de trunt

fabelachtig bn., fabuleus 1 bijspelachtig

fabriek v. 1 nijverhal (met nijver voor industrie), nijverwerk, werk (Duits Werk)

factor m. 1 bijdrager

faculteit v. 1 vermogen 2 het deelschap

failliet bn. 1 vergrond (vgl. bankroet)

failliet gaan ww. 1 vergronden

faillissement o. 1 vergronding

fakkel v. 1 blaker, de wijp (Middelnederlands wipe, wijp), de waze (Middelnederlands wase)

familie v. 1 gezin 2 geslacht, de sibbe, de/het maagschap

fan m. 1 dweper, dwaap (Middelnederlands dwaep)

fanatiek bn., fanatisch 1 dweepzinnig, blind ijverig

fanatisme o. 1 dweepzin, blinde ijver

farmacie v. 1 lubbereidkunde (zie medicijn)

farmacologie v. 1 lubkunde (zie medicijn)

Farsi o. 1 Fars, Farse, Vars, Varse (zie Perzië)

fascisme o. 1 bundelzin

fascistisch bn. 1 bundelzinnig

fase v. 1 trap

fastfood o. 1 vlugvoer

fastfoodrestaurant o. 1 vlugvoerzaak

feest o. 1 de jool

feestmaal o. 1 de goom (Middelnederlands gome), het zommel (Oudsaksisch sumbal, IJslands sumbl, ~ tezamen)

feminisme o. 1 vrouwzin

feministisch bn. 1 vrouwzinnig

festival o. 1 hoogtijd, de duld (Gotisch dulþs, gewestelijk Duits Tult)

figurant m. 1 bijling

file v. 1 de stouw (Duits Stau, ~ stouwen)

film m. 1 de velm (Middelnederlands velm ‘vlies’, Engels film ‘hetz.’, ~ vel)

filter o. 1 de zijg, zijger

flamingo m. 1 steltzwaan, stilting

flat m. 1 de vlet, vletten (Middelnederlands vlet, Oudengels flet ‘vloer; woning’)

flexitarisch o. 1 vleesminderend

flexitarisme o. 1 vleesmindering

fluit v. 1 de zwegel (Oudhoogduits swegala)

fluiten ww. 1 zwegelen

focus m. 1 de brandel

focussen ww. 1 brandelen (vgl. gebrand op iets zijn)

foetaal bn. 1 drachtelijk

foetus o. 1 de dracht (Middelnederlands dracht, ~ drachtig, dragen)

folder m. 1 omslag, vouder (van vouwen, ouder vouden)

folie v. 1 het blid (naar blad en blik)

foneem o. 1 het klankdeel, het klankel (vgl. morfeem)

forens m. 1 werkreiziger

formeren ww. 1 schappen, schapte, h. geschapt (zie vorm)

formule v. 1 rekenstelling 2 voorschrift

forum o. 1 de tij, de tijg (Thij (Overijssel), Middelnederduits tī(g) ‘dorpsplein, openbare vergaderplek’, Oudhoogduits zīch ‘forum’)

fosfor m./o. 1 lichtstof

foto v. 1 beeld, afbeelding

fotocamera v. 1 beeldvester (zie camera)

fotogeniek bn. 1 beeldbaar

fotograaf m. 1 opbeelder, beeldnemer

fotograferen ww. 1 opbeelden, beeldnemen, nam beeld, h. beeldgenomen

fotografie v. 1 opbeelding, beeldname

fotografisch bn. 1 opbeeldelijk, opbeeld-, beeldnemelijk, beeldname-

fotografisch geheugen o. 1 beeldgeheugen

foton o. 1 het lichtel (eig. ‘lichtdeeltje’, zie -on)

fractal m., fractaal 1 de brachtel (~ breken)

framboos v. 1 hindebes (Twents hindebeaze, Duits Himbeere)

frame o. 1 raam, raamwerk, geraamte

frequentie v. 1 vaakheid, vakenis

friet v., frieten 1 spaanders (vgl. Engels chips ‘spaanders, friet’)

frituren ww. 1 diepbraden, braadde diep, h. diepgebraden (vgl. diepvriezen, Engels deep fry)

frituur v. 1 diepbraad (vgl. diepvries)

frituurolie v. 1 het diepbraadsmout, het braadsmout (zie olie)

fruit o. 1 het ooft (Middelnederlands ooft, Duits Obst, vgl. jam)

fuseren ww. 1 voegen

fusie v. 1 voeging

fysica v. 1 wildkunde, materkunde (zie materie)

fytologie v. 1 gewaskunde

G

garage v. 1 wagenstal 2 wagenbedrijf

garderobe 1 jassenwacht

gastro-enterologie v., gastrologie 1 maagdarmleverkunde

gehandicapt bn. 1 beperkt

gen o. 1 het ervel (vgl. DNA, RNA)

genealogie v. 1 stamboomkunde 2 stamboom

generatie v. 1 knie (Gronings knij, vgl. evenknie)

genetica v. 1 erfkunde, erfelijkheidsleer

genetisch bn. 1 erfelijk 2 erfkundig

genoom o. 1 ervelwezen (zie gen)

geriatrie v. 1 ouderheelkunde

gerontologie v. 1 ouderdomkunde

giga- vv. 1 reze-, rezen- (naar Middelnederlands rese ‘reus’)

gigabyte v. 1 rezebijt

gigahertz m. 1 rezentril

giraf v. 1 reikhals (vgl. neushoorn)

glazuur o. 1 beglazing

gletsjer m. 1 ijsbelt, de jekel, gekel (Fries jûkel ‘ijspegel’, Oudnoords jǫkull ‘ijspegel, gletsjer’)

globaal bn. 1 wereldwijd 2 ruwelijk

globalisatie v. 1 verwerelding

globaliseren ww. 1 verwerelden

globalisme o. 1 wereldzin

globalistisch bn. 1 wereldzinnig

glottaal1 bn. 1 spleets

glottaal2 v. 1 spleetklank

gluon o. 1 het lijmel (eig. ‘lijmdeeltje’, zie -on)

golf o. 1 (balspel) kolf (Middelnederlands colve, ontleend als Schots golf en vandaar Engels golf)

gordijn o. 1 de voorhang

graad m. 1 trede, trap, stap

grammatica v. 1 stafkunde (zie letter)

granaat v. 1 de knappel (vgl. knappen, appel)

gratis bn. 1 vrij, guns (~ gunnen), omzonst (Noordhollands omsonst, Duits umsonst)

grens v. 1 de mark (Middelnederlands marke), de laak (Twents loake)

grill m. 1 rooster (vgl. barbecue)

grillen ww. 1 roosteren

gsm m. 1 losse vernreder (zie telefoon)

gutturaal1 bn. 1 keels

gutturaal2 m. 1 keelklank

gynaecologie v. 1 vrouwheelkunde

gynaecoloog m. 1 vrouwheelkundige, vrouwenlaak (zie arts)

H

hand-out m. 1 het reiksel

hardware m. 1 hardewaar (vgl. ijzerwaar)

harmonie v. 1 eendracht, overeenstemming, samenklank

harpoen m. 1 de geervang (Middelnederduits gaerfang)

hedonisme o. 1 genotzin, genotzucht

hedonistisch bn. 1 genotzinnig, genotzuchtig

heimwee o. 1 het heemwee, de wenst (Gronings wènst, wìnst)

helikopter m. 1 zwenter (naar zwaaien en wentelen)

helium o. 1 zonstof (vgl. koolstof, waterstof, zuurstof enz.)

henotheïsme o. 1 keurgodzin

hertz m. 1 de tril

heterogeen bn. 1 veelaardig (vgl. veelvoudig, divers)

heterogeniseren ww. 1 verveelaardigen

heterogeniteit v. 1 veelaard (vgl. veelvoud, diversiteit)

heteroseksueel bn., heterofiel 1 anderminnig

heteroseksualiteit v., heterofilie 1 andermin

Hindi bn. 1 Hinds (zie India)

hindoeïsme o. 1 (beoefening) Hindse ee, Hindse tauwzin (zie India, religie) 2 (wijsbegeerte) Hindse tauwkunde, Hindse tauwleer (zie metafysica)

homogeen bn. 1 eenaardig (vgl. eenvoudig)

homogeniseren ww. 1 vereenaardigen

homogeniteit v. 1 eenaard (vgl. eenvoud)

homoseksueel bn., homofiel 1 eenderminnig

homoseksualiteit v., homofilie 1 eendermin

hoofdletter m. 1 de hoofdstaf, hoofdstaven (zie letter), de stoef (vgl. groeve, groef naast graf)

horizon m. 1 kim, einder (vgl. wijder voor panorama)

horizontaal bn. 1 kimrecht, waterrecht

hormoon o. 1 drijfstof

horror m. 1 huiver

houwitser m. 1 krombonzer, krombaangeschut (vgl. kanon, mortier)

humanisme o. 1 menszin

humanistisch bn. 1 menszinnig

humus m. 1 de/het molm, aardmolm

hygiëne v. 1 reinzaamheid, reinheid

hygiënisch bn. 1 reinzaam, rein

hyperniem o. 1 overwoord

hyperruimte v., hyperspace 1 overruimte, het overruim

hyperventileren ww. 1 overademen

hypnose v. 1 bezwevening

hypnotiseren ww. 1 bezwevenen (vgl. Oudsaksisch swevan ‘slaap; droom’, IJslands svefn ‘slaap’, ~ suffen)

hyponiem o. 1 onderwoord

hypostase v. 1 onderstand, wezen

hypothese v. 1 onderstelling

hypothetisch bn. 1 ondersteld

I

ideaal1 bn. 1 droombeeldig

ideaal2 o. 1 droombeeld

idealisme o. 1 droombeeldzin

idee1 o./v. 1 denkbeeld

idee2 o. 1 bedenksel, dunksel 2 mening, opvatting 3 ingeving, inval

ideëel bn. 1 denkbeeldig 2 droombeeldig

ideogram o. 1 denkbeeldteken, begripteken

ideologie v. 1 denkbeeldkunde 2 denkbeelding, zienswijze

ideologisch bn. 1 denkbeeldkundig 2 denkbeeldelijk, zienswijzig

ideologiseren ww. 1 bedenkbeelden, bezienswijzen, -de

ideoloog m. 1 denkbeelder, zienswijzer

identiek bn. 1 zelfde, gezelvig, eender

identificeren ww. 1 zelven, gezelvigen 2 vereenzelvigen

identiteit v. 1 zelfheid, gezelvigheid

identiteitsbewijs o., identiteitskaart v. 1 zelfbewijs

identiteitspolitiek v. 1 zelfheidbewindschap (zie politiek)

idioom o. 1 woordbeeld

idool o. 1 afgod

illusie v. 1 waanbeeld, begoocheling, de goochel

immigrant m. 1 inwijker, inwijkeling

immigreren ww. 1 inwijken

impasse v. 1 stokking

imperialisme o. 1 rijkzin (zie keizer)

imperialistisch bn. 1 rijkzinnig

improvisatie v. 1 ritseling

improviseren ww. 1 ritselen

inactief bn. 1 ondadig, onwerkzaam

incarnatie v. 1 lijving

incarneren ww. 1 lijven, -de

incident o. 1 voorval

incidenteel bn. 1 voorvallig

inconsequent bn. 1 wisselvolgend

index m. 1 inhoudsopgave, klapper

India o. 1 Hinderijk (naar Middelnederlands hinder ‘achter gelegen’, Engels hind ‘hetz.’, zie Hindi, hindoeïsme)

indirect bn., bw. 1 zijdeling, zijling, omweegs, middellijk (vgl. onmiddellijk)

individu o. 1 enkeling

individualisme o. 1 enkelingzin

individualistisch o. 1 enkelingzinnig

individualiteit v. 1 het enkelingschap

individueel bn. 1 enkeling

Indonesië o. 1 de Bandouwen (van band, ook naar (broei)band voor tropen, en mv. van ouw ‘land langs water, (schier)eiland’, vgl. Scandinavië)

industrialisatie o. 1 vernijvering

industrialiseren ww. 1 vernijveren

industrialisme o. 1 nijverzin

industrialistisch bn. 1 nijverzinnig

industrie v. 1 nijverheid, de nijver

industrieel1 bn. 1 nijver, nijverlijk

industrieel2 m. 1 nijverling

industriële revolutie v. 1 nijverwende

industrieterrein o. 1 nijvergrond

infanterie v. 1 voetvolk

infanterist m. 1 voetman

infinitief m. 1 hoofdwijs

informatica v. 1 inlichtingkunde, inlichtkunde

informatie v. 1 inlichtingen, het inlicht

ingenieur m. 1 bolwerker, makenschapper (zie technoloog)

initiaal v. 1 de voorstaf, voorstaven (zie letter)

initiatief o. 1 voortouw

inkt m. 1 het blak (Oostfries blak, vgl. Engels black ‘zwart’)

inktpot m. 1 de blakhoorn

inktvis m. 1 blakvis (Middelnederduits blakvisch)

inscriptie v. 1 inschrift, inkarf

insect o. 1 de zier (Middelnederlands siere ‘mijt, luis’, nog in geen zier)

inspecteren ww. 1 schouwen, keuren

inspectie v. 1 de schouw, keuring

inspecteur m. 1 schouwer, keurder

installatie v. 1 installing, de aanlage (Duits Anlage)

installeren ww. 1 installen, stalde in, h. ingestald, aanleggen

instrueren ww. 1 geleiden

instrument o. 1 werktuig, het toel (Engels tool, IJslands tól) 2 (klanken) speeltuig, de zwinzel (zie muziek)

integratie v. 1 invoeging

integreren ww. 1 invoegen

intellect o. 1 het denkschap

intellectueel1 bn. 1 denkschappelijk

intellectueel2 m. 1 denkschapper, denker

intelligent bn. 1 denkzaam, denkvermogend

intelligentie v. 1 denkzaamheid, denkvermogen

intensieve zorg v., intensive care v. 1 inzorg

intensivist m. 1 inzorger

internationaal bn. 1 tussenlands, bovenlands (vgl. binnenlands, buitenlands)

interne geneeskunde v. 1 inwendkunde

internet o. 1 web, overnet

internist m. 1 inwendkundige, inwender

intiem bn. 1 nalijk, innig, vertrouwelijk

intimidatie v. 1 bevrezing

intimideren ww. 1 bevrezen

invalide bn. 1 misdeeld (vgl. bedeeld)

invalide m./v. 1 misdeelde

invasie v. 1 indrang, indrong, inval

Iraans bn. 1 Fars, Farse, Vars, Varse (zie Perzisch)

Iran o. 1 Farzen, Varzen (zie Perzië)

islam m. 1 Zandrijkse godsdienst (zie Arabië)

-isme o. 1 (denkwijze) -zin 2 (ziekte, spot) -zucht 3 (gesteldheid) -moed

isolationisme o. 1 afzonderzin

isolationistisch bn. 1 afzonderzinnig

isotoop m. 1 bijdelheid (zie neutron)

-ist m. 1 -zinnige, -zinner

-istisch bn. 1 (denkwijze) -zinnig 2 (ziekte, spot) -zuchtig 3 (gesteldheid) -moedig

Italië o. 1 Eidel (vgl. Oudnoords eið(i) ‘landengte’)

J

jak m. 1 bromrund

jam m./v. 1 zoetmoes, oofting (zie fruit)

Japan o. 1 Zonnerijk (vgl. China), de Morgenouwen (naar Morgenland voor Azië, met mv. van ouw ‘land langs water, (schier)eiland’, vgl. Scandinavië)

jenever m. 1 wakeling

jeneverbes v. 1 wakel, wakelder (Gelders-Overijssels wakel, wakelder, Duits Wacholder)

jodium o. 1 wierstof

journaal o. 1 de daagschouw (Duits Tagesschau)

journalist m. 1 daagschouwer

journalistiek1 bn. 1 daagschouwelijk

journalistiek2 v. 1 daagschouwing

juist1 bn. 1 recht (Middelnederlands recht, Engels right), rechtig (Middelnederlands rechtich, Duits richtig)

juist2 bw. 1 vooral 2 zo-even

junkie m./v. 1 droger (zie drug)

jus m. 1 sap 2 vleesnat, het brod (Oudsaksisch broth, Engels broth)

juweel o. 1 het gesmijde (Middelnederlands gesmide, ~ smeden)

K

kaas m. 1 de joest (Noors ost)

kaasfondue v. 1 de smult (naar smullen en smelten)

kabinet o. 1 bewindsraad

kadaster o. 1 grondboek

kalkoen m. 1 de schruit (Twents schroet, Limburgs sjroet)

kamer v. 1 vertrek, de gadem (Middelnederlands gadem)

kamp o. 1 telding (zie tent), leger

kamperen ww. 1 telden (zie tent), legeren (vgl. camping)

kampioen m. 1 zeger (~ zege ‘overwinning’)

kanaal o. 1 vaart, diep, gracht, wetering

kandidaat m. 1 dinger (vgl. mededinger)

kano m. 1 de kaan (verouderd Nederlands kaan, Duits Kahn ‘schuit’), de/het kaandel (vgl. vaandel bij vaan)

kanon o. 1 bonzer, vlakbonzer, vlakbaangeschut (vgl. houwitser, mortier), vuurmond

kapitaal o. 1 vermogen

kapitalisme o. 1 winstzin

kapitalistisch bn. 1 winstzinnig

kapitein m. 1 (krijgsmacht) hoofdman 2 (scheepvaart) schipper, voerman

karaf v. 1 kan, schenkkan

karavaan v. 1 de reizel, de/het tog, togen (zie trein)

karton o. 1 velbord

katoen o./m. 1 de boomwol (verouderd Nederlands boomwolle, Duits Baumwolle)

kaviaar m. 1 de steurkuit, steuring

keizer m. 1 de rijk (verkort in Diederik, Erik, Frederik, Hendrik), hoge koning, hoogkoning (Engels high king, vgl. hoogleraar)

kelder m. 1 de dong, dung (Oudengels dung, Oudhoogduits tung)

kerncentrale v. 1 het kernkrachtwerk (Duits Kernkraftwerk, vgl. elektriciteitscentrale)

kernenergie v. 1 de kernvit (zie energie), kernkracht

kernfusie v. 1 kernvoeging (vgl. kernsplijting)

kerosine v. 1 de vliegstook, stook (vgl. benzine), brandstof

keten v., ketting 1 (algemeen) de raaks (Middelnederlands raex, ~ reeks) 2 (hals) het men, meen (Oudhoogduits menni, Oudengels mene)

keuken v. 1 de zeuden (zie koken)

kilo- vv. 1 duize-, duizen- (vereenvoudigingen van duizend)

kilogram o., kilo 1 duizegram, de groem (vgl. groeve naast graf)

kilohertz m. 1 duizentril

kilometer m. 1 duizemeter

klassiek bn. 1 ouds (vgl. groots naast groot)

kleur v. 1 de varwe, -n, -s (Middelnederlands varwe, verwe (vanwaar verf), Duits Farbe)

klimaat o. 1 de wedering (naar weer, ouder weder)

klimatologie v. 1 wederingkunde

kliniek v. 1 het heelse, heels

klinisch bn. 1 heels

kloon m. 1 twijking (zie kopie)

klooster o. 1 wijslot, bedeslot

knäckebröd o. 1 knekkebrood (~ knakken)

koerier m. 1 renner

koffer m. 1 de maal (Middelnederlands male, mael, Westvlaams maal ‘reistas; leren koffer’)

koffie v. 1 leut (vgl. café)

koffiezetapparaat o. 1 leutzetter

koken ww. 1 zieden, zood, h. gezoden (~ sudderen) 2 (doen zieden) zoden, -de

kokosnoot v. 1 kokelnoot (naar kokelen, oude nevenvorm van kukelen ‘vallen’)

kokospalm m. 1 de kokelvolm (zie palm)

kolencentrale v. 1 het koolkrachtwerk (Duits Kohlekraftwerk)

koloniaal bn. 1 hemerlijk, hemer-

kolonialisme o. 1 hemerzin

kolonialistisch bn. 1 hemerzinnig

kolonie v. 1 hemernis

kolonisatie v. 1 hemering

koloniseren ww. 1 hemeren (naar heem ‘thuis’, dus eig. ‘meer als thuis maken’)

kolonist m. 1 hemerling, hemeraar

komedie v. 1 klucht, blijspel

komeet v. 1 staarter

komiek m. 1 kluchter, grappenaar (vgl. kunstenaar)

komisch bn. 1 kluchtig, grappig

komma v. 1 nagel

kompas o. 1 noordwijzer

koopman m. 1 manger (Middelnederlands manger, menger, Engels monger)

kopen ww. 1 beugen, bocht, h. gebocht (Engels buy)

koper o. 1 het eer (Middelnederlands eer ‘koper; metaal’, IJslands eir ‘koper’)

kopie v. 1 de twijk (~ twee)

kopieermachine v. 1 twijker

kopiëren ww. 1 twijken, -te

Korea o. 1 Twistouw (met twist voor yin en yang, vanwege de vlag van Zuid-Korea en de tegenstelling met Noord-Korea, en ouw ‘land langs water, (schier)eiland’, vgl. Scandinavië)

korps o. 1 (krijgsmacht) wapening

korps commandotroepen o. 1 gebodsvolk (zie commando1, vgl. voetvolk)

korps mariniers o. 1 schipvolk (vgl. voetvolk)

kort bn. 1 schort (Engels short, ~ opschorten, scheren), stont (Middelhoogduits stunz, Noors stutt, ~ stuntelen), murg (Oudhoogduits murg)

kosmisch bn. 1 heelals

kosmologie v. 1 heelalkunde

kostuum o. 1 de/het garwe, gerwe (Middelnederlands gerwe ‘kleding, tooi, gewaad’, IJslands gervi ‘kostuum; personage’, vgl. personage)

krant v. 1 nieuwsblad, dagblad, tijding

kritiek bn. 1 hachelijk, gevaarlijk, krijtelijk (zie crisis)

kritiek v. 1 maatname, bemeting, bemetenis

kritisch bn. 1 maatnemend, bemetend 2 keerlijk, keer-

kritiseren ww. 1 de maat nemen, bemeten, bemat, h. bemeten

kroket m. 1 kroeker (~ kraken, vgl. krakeling)

kruik m. 1 de stoop (Middelnederlands stope, stoop)

kubiek bn. 1 klonts (zie kubus)

kubus m. 1 klont (naar ijsklontje, suikerklontje)

kussen o. 1 de bolster

kuur v. 1 heelgang (vgl. studie)

kwadraat o. 1 tweemacht

kwadratisch bn. 1 tweemachtelijk

kwaliteit v. 1 hoedanigheid, watheid 2 edelheid

kwantum o. 1 het minstel (vgl. -on)

kwantumfysica v. 1 minstelkunde

kwantummechanica v. 1 minstelwerking

kwantumtheorie v. 1 minstelleer

kwark m. 1 de wrongel

kwart o. 1 het vierel (vereenvoudiging van vierdeel, Noordbrabants vierel, Duits Viertel, vgl. -on)

kwartaal o. 1 driemaand, viereljaar (zie kwart)

kwartier o. 1 het vierel (zie kwart) 2 de lage (Middelnederlands lage ‘ligging, verblijf’, winterlage ‘winterkwartier van schepen’)

L

labiaal1 bn. 1 lips

labiaal2 v. 1 lipklank

labiodentaal1 bn. 1 liptands

labiodentaal2 v. 1 liptandklank

labiovelaar1 bn., labiovelair1 1 lipzeils

labiovelaar2 v., labiovelair2 1 lipzeilklank

laboratorium o., lab 1 de roning (naar ronen voor experimenteren, vgl. woning)

lantaarn v. 1 luchter (vgl. kroonluchter, ~ licht)

laptop computer m. 1 schoter

laser m. 1 schinder (Middelnederlands schinder ‘lichtstraal’, ~ schijnen)

laryngaal1 bn. 1 strots

laryngaal2 v. 1 strotklank

lava v. 1 de wamel (~ wamen ‘opwellen van modder’, IJslands váma ‘misselijk zijn’), de hellemoor (van hel + moor ‘modder’)

lavastroom m. 1 wamelstroom, helstroom

lavatunnel m. 1 wamelgang, helgang

lavendel v. 1 badeling

lectuur v. 1 leesgoed, leesvoer

legendarisch bn. 1 sprokelijk

legende v. 1 de sprook (Middelnederlands sproke ‘verhaal, gedicht’, ~ sprookje, spreken)

legeren ww. 1 binden

legitimatie v. 1 wettiging

legitimeren ww. 1 rechtvaardigen 2 wettigen

lepra v. 1 het rief (zie melaats)

letter v. 1 de boekstaf, boekstaven, de staf, staven

lettergreep v. 1 stafgreep, woordlid

letterkunde v. 1 verhaalkunde

letterlijk bn. 1 boekstavelijk, stavelijk

lettertype o. 1 het stafslag

liberaal bn. 1 vrijzinnig

liberaliseren ww. 1 vervrijden, -de

liberalisme o. 1 vrijzin

libertarisch bn. 1 zelfbewindzinnig

libertarisme o. 1 zelfbewindzin

limiet v. 1 de schreef (vgl. over de schreef gaan)

lineair bn. 1 rechtlijnig 2 recht, vlak

liter m. 1 het mengel (Middelnederlands mengel ‘oude vochtmaat, iets meer dan een liter’, Fries mingel ‘liter’)

literair bn. 1 verhaalkunstig

literatuur v. 1 verhaalkunst

locatie v. 1 de lage (Middelnederlands lage, Duits Lage, ~ liggen)

locomotief v. 1 de tieër (naar tieën, oudere vorm van tijgen ‘trekken’, ~ tog voor trein)

loempia v. 1 lenterol (vgl. Duits Frühlingsrolle, Engels spring roll, Noors vårrull ‘loempia’)

logaritme o. 1 bronmacht

logaritmisch bn. 1 bronmachtelijk

logica v. 1 redemaat (zie logisch)

-logie v. 1 -zin

-logisch bn. 1 -zinnig

logisch bn. 1 redematig

logistiek1 bn. 1 toevoerkundig

logistiek2 v. 1 toevoerkunde

lokaal1 bn. 1 plekkelijk, oords

lokaal2 o. 1 leerruim

luchtpijp v. 1 de wezend (Oudfries wásanda, Oudhoogduits weisunt, weisant)

lucifer m. 1 zwavelstokje, tonderstokje (Engels tinderstick, Zweeds tändsticka)

luitenant m. 1 steehouder

luitenant-kolonel m. 1 overste

lunch m. 1 schaft, het midmaal

lustrum o. 1 het vichtel (vereenvoudiging van vijftal, vgl. gewestelijk vichtien, vichtig naast vijftien, vijftig en achter, kracht uit ouder after, kraft)

Luxemburg o. 1 Luttelburg (verouderd Duits Lützelburg)

lynx m. 1 de los, lossen (Middelnederlands los, Duits Luchs)

M

machinaal bn. 1 werktuigelijk, tuigelijk, getouwelijk

machine v. 1 werktuig, tuig (vgl. vliegtuig, voertuig enz.), getouw (Middelnederlands getouwe ‘werktuig’, vgl. weefgetouw), toestel

machinegeweer o. 1 resemgeweer, resemer (met resem ‘aaneenrijging, onafgebroken opeenvolging’)

machinist m. 1 togvoerder (met tog voor trein)

magazijn o. 1 tuighuis

magma o. 1 de brond (naar bron en brand)

magnaat m. 1 vermoger

magneet m. 1 toger, toogsteen (Middelnederlands togesteen, ~ togen ‘trekken, slepen’)

magnetisch bn. 1 toogkrachtig, toogs, toog-

magnetisme o. 1 toogkracht, de toog

magnetron m. 1 toogoven, straaloven

mais m., maïs 1 kolfkoren, dulweit, dulse tarwe, duls (naar Drents dul, dule, Zaans duil ‘lisdodde’)

maliënkolder m. 1 ringhemd, de brunne, brun (Duits Brünne, IJslands brynja)

mammoet m. 1 de vachtnoes (zie olifant)

mantel m. 1 de hakel (Oudhoogduits hahhul, Oudengels hæcle, hacele, Oudnoords hǫkull) 2 (wol) de lode (Oudsaksisch lođo, Oudfries lotha), de kot, kotten (Oudnederlands kotto, Duits Kotze)

map v. 1 omslag, vouder (zie folder)

marechaussee v. 1 rijkswacht

marine v. 1 zeemacht (vgl. landmacht, luchtmacht)

marinebiologie v. 1 zeelijfkunde

marinier m. 1 schipman

marter m. 1 de marder, de mard (Gelders-Overijssels marder, Fries murd, Duits Marder)

marxisme o. 1 markszin

marxistisch bn. 1 markszinnig

masker o. 1 het mom, de grijm (Oudsaksisch grímo, IJslands gríma)

masochisme o. 1 lijdlust

masochistisch bn. 1 lijdlustig

massa v. 1 (algemeen) de mas, massen (~ meten) 2 (mensen) menigte, drom

massaal bn. 1 masselijk, mas- 2 gedrom

massief bn. 1 massig, dicht

materie v. 1 stof, de mater (~ maat, meten)

materiaal o. 1 bouwstof, matering, de/het timmer (Middelnederlands timmer ‘bouw; gebouw; bouwstof’) 2 gereedschap

materieel bn. 1 stoffelijk, materlijk

materieel o. 1 bedrijfstuig 2 krijgstuig, oorlogstuig

materialisme o. 1 (denkwijze) materzin 2 (leefwijze) spulzucht

materialistisch bn. 1 (denkwijze) materzinnig 2 (leefwijze) spulzuchtig

maximaal bn. 1 meest 2 hoogst

maximaal bw. 1 meestens, ten meeste, op zijn meest 2 hoogstens, ten hoogste, op zijn hoogst

maximaliseren ww. 1 vermeesten 2 verhoogsten

maximum o. 1 het meeste 2 het hoogste

mayonaise v. 1 dooierling (naar dooier ‘eigeel’)

mechaniek o. 1 werktuiging, tuiging, getouwing

mechanisch bn. 1 werktuigelijk, tuigelijk, getouwelijk

mechaniseren ww. 1 verwerktuigen, vertuigen, getouwen

mechanisme o. 1 werktuigwijze, tuigwijze 2 werkwijze, werking

media mv. 1 de medelen (zie medium)

medicatie v. 1 geneesmiddeling, lubbing, droging

medicijn o. 1 geneesmiddel, het lub (Oudhoogduits luppi, Oudengels lyb, IJslands lyf, ~ loof ‘blad’, vgl. farmacie), de droog (zie drug)

medisch bn. 1 geneeskundig, heel-

medisch centrum o. 1 ziekenhuis, het heelmedem, -s (zie centrum)

meditatie v. 1 de zinzate 2 (diep) inzin

mediteren ww. 1 in zin zitten, bezinnen 2 (diep) inzinnen

medium o. 1 het medel (nevenvorm van middel)

mega- vv. 1 meke-, meken- (naar Middelnederlands mekel, IJslands mikill ‘groot’)

megabyte v. 1 mekebijt

megahertz m. 1 mekentril

megalopool o. 1 stedengordel

melaats bn. 1 rief (Oudhoogduits riob, Oudengels hréof, ~ roof ‘wondkorst’)

melaatsheid v. 1 het rief

melodie v. 1 de wijs, de zwin (Oudengels swinn, vgl. muziek)

meridiaan m. 1 middagkring

metaal o. 1 het metel, mettel (~ Gotisch maitan ‘houwen’, Duits Meißel ‘beitel’, i.v.m. mijnbouw)

metafoor v. 1 leenspreuk, overdracht

metaforisch bn. 1 leenspreukelijk, overdrachtelijk

metafysica v. 1 tauwkunde, tauwleer (zie orde)

metafysisch bn. 1 tauwelijk, bovenzinnelijk

metalen bn. 1 eren (Middelnederlands erijn, eren)

meteoriet m. 1 hemelsteen

methode v. 1 werkwijze 2 leerwijze

metro m. 1 ondergrondse, molspoor

metropool o. 1 overstad (vgl. Duits Über-)

metrostation o. 1 het molspoorhof, de molstadel

metrotunnel m. 1 de spoorril (zie tunnel)

micro- vv. 1 lijtel- (Westvlaams lijter ‘weinig’, Oudfries lítik ‘klein’, IJslands lítill ‘klein’)

microbe v. 1 de/het lijtel

microbiologie v. 1 lijtellijfkunde

microchip m. 1 de lijtelsnip (zie chip)

microfilm m. 1 de lijtelvelm (zie film)

microgram m. 1 lijtelgram

micrometer m., micron 1 lijtelmeter

microkosmos m. 1 lijtelrijk

micro-organisme o. 1 lijtelreiling (zie organisme)

microprocessor m. 1 lijtelverwerker

microscoop m. 1 lijtelkijker, kleinkijker

mediëvistiek v. 1 middeltijdkunde

migrant m. 1 omwijker, omwijkeling, verlander

migratie v. 1 omwijking, verlanding

migreren ww. 1 omwijken, verlanden (vgl. verhuizen)

mijl v. 1 de rast (Oudnederlands rasta, eig. ‘afstand tussen twee rustplekken’, ~ rust)

militair1 bn. 1 krijgmatig, krijgelijk, krijgs-, heer- (~ heerschare, hereweg)

militair2 m. 1 krijgsman, krijgsvrouw, heerling

militaire politie v. 1 de krijgswarde, heerwarde (zie politie)

militair-industrieel complex o. 1 krijgnijvergestel

militarisme o. 1 krijgzin

militaristisch bn. 1 krijgzinnig

miljard tw. 1 rezend (zie giga-)

miljardair m. 1 rezenaar

miljoen tw. 1 mekend (zie mega-)

miljonair m. 1 mekenaar

milli- vv. 1 mijzel- (Westvlaams mijzel ‘zeer klein stukje’)

milligram o. 1 mijzelgram

millimeter m. 1 mijzelmeter

mini- vv. 1 luttel-

minimaal bn. 1 minst 2 laagst

minimaal bw. 1 minstens, ten minste, op zijn minst 2 laagstens, ten laagste, op zijn laagst

minimaliseren ww. 1 verminsten 2 verlaagsten

minimalisme o. 1 minderzin

minimalistisch bn. 1 minderzinnig

minimum o. 1 het minste 2 het laagste

minister m. 1 bewindsman, bewindsvrouw

ministerie o. 1 bewindshof

minister-president m. 1 bewindsleider

minuscuul bn. 1 lijtel (zie micro)

minuut v. 1 de luttel (Middelnederlands een luttel ‘een poosje; een eindje’)

mitrailleur m. 1 resemgeweer, resemer (zie machinegeweer)

mobiel bn. 1 los, roerend, woeg (Middelnederlands woeg ‘beweeglijk, ongedurig’, ~ bewegen)

mobiele telefoon m. 1 losse vernreder (zie telefoon)

model o. 1 voorbeeld 2 (vorm) de leest 3 ontwerp 4 (bouw) het luttel

molecule v./o., molecuul 1 het bondel (~ binden, vgl. -on)

moleculair bn. 1 bondellijk, bondel-

monarch m. 1 vorst, alleenheerser, eenwoud (Oudengels ánwealda, Oudnoords einvaldi)

monarchie v. 1 het vorstschap 2 vorstrijk

monarchisme o. 1 vorstzin

monarchistisch bn. 1 vorstzinnig

monisme o. 1 eenheidzin

monistisch bn. 1 eenheidzinnig

monoculturaliteit v. 1 eentamerheid

monocultureel bn. 1 eentams (zie cultuur)

monogaam bn. 1 eengadig

monogamie v. 1 eengadigheid

monotheïsme o. 1 eengodzin

-monoxide o. 1 eenzuurs-

monteren ww. 1 toestellen

monteur m. 1 toesteller

morfeem o. 1 het woorddeel, het woordel (vgl. foneem)

mortier m. 1 steilbonzer, steilbaangeschut, de vijzel (vgl. kanon, houwitser)

motor m. 1 (werktuig) vramer (~ Oudnederlands fram ‘voort, weg van’, Middelnederlands vremen ‘op een andere plek brengen’, met knipoog naar vroem) 2 (voertuig) razer (vgl. brommer)

motoriek v. 1 vramering

motorisch bn. 1 vramerlijk

motoriseren ww. 1 vrameren, vramerde, h. gevramerd

multicultureel bn. 1 veeltams (zie cultuur)

multiculturalisme o. 1 veeltamerzin

multiculturalistisch bn. 1 veeltamerzinnig

multiculturaliteit v. 1 veeltamerheid

multi-etniciteit v. 1 veelvolkerheid

multi-etnisch bn. 1 veelvolks, veelvolkelijk

multinational1 bn. 1 meerlands, meerlandelijk

multinational2 m. 1 meerlander

museum o. 1 het waarhof (~ waar ‘goed, bezit’, waarnemen, bewaren, vrijwaren, vgl. bibliotheek, universiteit)

musiceren ww. 1 zwinzen, zwinsde, h. gezwinsd (Oudengels swinsian, ~ zwaan), klenken (eig. ‘doen klinken’, vgl. drenken bij drinken)

muziek v. 1 zwinze, zwinzing (Oudengels swinsung, ~ zwaan), klenking, klankkunst

muziekinstrument o. 1 speeltuig, de zwinzel

muzikaal bn. 1 zwinzig, zwinzelijk, klenkzaam, klankkunstig

muzikant m. 1 zwinzer, klenker

mysterie o. 1 het geruin (Oudsaksisch girúni, Oudengels gerýne, zie rune)

mysterieus bn. 1 geruinig, geheimzinnig

mythe v. 1 de maar, mare, maren (Middelnederlands mare ‘roem, gerucht, bericht, verhaal, overlevering, gebeurtenis’, ~ vermaard, vgl. Duits Märchen ‘sprookje’)

mythisch bn. 1 marig, maarlijk

mythologie v. 1 het gemaarte, het maarschap (vgl. landschap) 2 maarkunde

mythologisch bn. 1 gemaartig, maarschappelijk, maarschap- 2 maarkundig

N

nano- vv. 1 ietel- (vgl. ietepietig)

nanometer m. 1 ietelmeter

nanotechnologie v. 1 ietelmakenschap

narcis v. 1 de tijloos

nasaal1 bn. 1 neuzig 2 (taalkunde) neus, neuse

nasaal2 v. 1 neusklank

natie o. 1 (afkomst) volk, de diede, de died (Middelnederlands diet, IJslands þjóð, vgl. Diederik) 2 (staat) burgerheid, burgerij, staatsgemeenschap, staatsvolk

nationaal bn. 1 volks, volkelijk 2 rijks, lands, landelijk

nationaalsocialisme o. 1 volksmaatschapzin

nationaalsocialistisch bn. 1 volksmaatschapzinnig

nationalisme o. 1 (afkomst) volksstaatzin 2 (staat) staatsvolkzin

nationalistisch bn. 1 volksstaatzinnig 2 staatsvolkzinnig

nationaliteit v. 1 (afkomst) het volkschap (vgl. etniciteit) 2 (staat) het burgerschap

nationaliseren ww. 1 naasten, -te (naar naasten ‘in bezit nemen’)

naturalisme o. 1 (denkwijze) wildzin 2 (kunststroming) echtzin (vgl. realisme)

naturalistisch bn. 1 wildzinnig 2 echtzinnig

natuur v. 1 het wild (vgl. tam voor cultuur) 2 aard, inborst

natuurkunde v. 1 wildkunde, materkunde (zie materie)

natuurkundig bn. 1 wildkundig, materkundig

natuurlijk1 bn. 1 wild, wilds, wildzaam

natuurlijk2 bw. 1 vanzelfsprekend, uiteraard

natuurlijke selectie v. 1 wildzifting

nectar m. 1 de zoetel

negeren ww. 1 ontachten

neoliberaal bn. 1 nieuw vrijzinnig

neoliberalisatie v. 1 nieuwe vervrijding

neoliberaliseren ww. 1 nieuw vervrijden

neoliberalisme o. 1 nieuwe vrijzin

neurochirurg m. 1 zenuwheelkundige, zenuwkerfkundige, zenuwkerver

neurochirurgie v. 1 zenuwheelkunde, zenuwkerfkunde

neurologie v. 1 zenuwkunde

neutraal bn. 1 onzijdig

neutron o. 1 het bijdel (eig. ‘bijdeeltje’, zie -on)

nihilisme o. 1 nietszin

nihilistisch bn. 1 nietszinnig

noordpool v. 1 noordernaaf (zie pool)

nucleair bn. 1 kernelijk, kern- 2 kernkrachtig, kernkracht-

nucleon o. 1 het kernel (eig. ‘kerndeeltje’, zie -on)

O

oase v. 1 de waze (Middelnederlands wase ‘begroeide aarde’)

objectief bn. 1 voorwerpelijk

obligatie v. 1 het bondschrift (vgl. Engels bond)

oeuvre o. 1 lijfwerk

offer o. 1 het bloet (IJslands blót), het bloester (Oudhoogduits bluostar), het honsel (Gotisch hunsl), wijgift

offeren ww. 1 bloeten, bliet, h. gebloeten (Oudhoogduits bluozan, IJslands blóta)

officier m. 1 wouder (naar Middelnederlands wouden ‘beschikken over, besturen, regelen’, wout ‘(vol)macht’)

officier van justitie m. 1 schout

olie v. 1 het smout (Middelnederlands smout ‘vet, smeer, olie’), de vijter (Drents fieter ‘kracht; petroleum’, vgl. vet, energie)

oliebol m. 1 smoutbol, smoutebol (Westvlaams smoutbol, smoutebol)

olieraffinaderij v. 1 smoutveredeling, vijterveredeling

olifant m. 1 de noes (~ neus)

olijf m./v. 1 vijterbes (zie olie)

olijfolie v. 1 de bessenvijter

-on o. 1 (deeltje) het -del, -el (vereenvoudiging van deel en naar verkleinwoorden als druppel, korrel, kruimel)

oncologie v. 1 kankerkunde

opera m. 1 zangspel

operatie v. 1 ingreep

opereren ww. 1 te werk gaan 2 ingrijpen

opium o. 1 maansap (vgl. maan ‘papaver’ in maanzaad)

optimaal bn. 1 verbest

optimalisatie v. 1 verbesting

optimaliseren ww. 1 verbesten (vgl. verbeteren)

optimisme o. 1 welmoed, goede moed

optimistisch bn. 1 welmoedig

oranje bn. 1 eel, eluw (Middelnederlands elu ‘geelachtig’), logen (zie vlam)

orde v. 1 de schik, de vade (verouderd Duits Fat, Fate, vgl. Oudengels fadian ‘ordenen’) 2 (bovenzinnelijk) de tauw (Gotisch tēwō ‘orde’, vgl. Oudengels æltǽwe, Oudfries eltē ‘geheel in orde’, metafysica, tao)

ordenen ww. 1 schikken, vaden, vaadde, h. gevaad

orgaan o. 1 het reide, rei (vereenvoudiging van gerei, ouder gereide) 2 lijfblad

organel o. 1 het reidel

organisatie v. 1 gereiding

organisch bn. 1 reilijk, lijfelijk

organiseren ww. 1 gereiden (vgl. bereiden, gereed, gerei, vgl. orgaan), opzetten

organisme o. 1 reiling (zie orgaan), levend wezen, leefwezen (Duits Lebewesen)

orthodontie v. 1 tandrechtkunde (vgl. tandheelkunde)

orthodontisch bn. 1 tandrechtkundig 2 tandrechtend

otorinolaryngologie v. 1 oorneuskeelkunde

P

paard o. 1 het ros, het hors (Fries hoars, Engels horse), de maar (in maarschalk, ~ merrie)

paars bn. 1 baas, bazuw (Oudengels basu, ~ bes)

pacifisme o. 1 vredezin

pacifistisch bn. 1 vredezinnig

paleis o. 1 hal

palataal1 bn. 1 raaks (vgl. Middelnederlands rake, raexe ‘gehemelte’)

palataal2 v. 1 raakklank

palatovelaar1 bn., palatovelair1 1 raakzeils

palatovelaar2 v., palatovelair2 1 raakzeilklank

palm m. 1 handvlak, de loef (IJslands lófi), de volm (Oudsaksisch folma) 2 volmboom, volm

palmolie v. 1 de volmvijter (zie olie)

pamflet o. 1 vlugschrift

pandemie v. 1 de alwoel, overwoel (vgl. Duits Über-, zie epidemie)

paneel o. 1 beschot

paneren ww. 1 inkruimen

panorama o. 1 de wijder (vgl. einder ‘horizon’), vergezicht

panoramisch bn. 1 wijderlijk

pantser o. 1 bast, het zarwe, zerwe (Oudhoogduits gisarawi ‘harnas’, Noordbrabants zaarf, zèèrf, sèèrf ‘opperhuid’)

paperclip m. 1 schuifspeld, velspeld

papier o. 1 het vezelijn

papieren bn. 1 vezelijn

paraaf m. 1 handmerk

parabool v. 1 booglijn

parachute m. 1 valscherm

parachuteren ww. 1 schermvallen, neerschermen

parachutist m. 1 (algemeen) schermvaller, neerschermen 2 (krijgsmacht) valschermjager (Duits Fallschirmjäger)

paradijs o. 1 de lusthof, de wang (Gotisch waggs, Oudengels Neorxna wang, Oudnoords Fólkvangr)

paradox m. 1 schijntwist

paradoxaal bn. 1 schijntwistig

paraffine v. 1 vijterwas (zie olie)

paragraaf m. 1 onderstuk

parallel bn. 1 evenwijdig

paranormaal bn. 1 nevenissig (vgl. buitenissig)

paraplu m. 1 regenscherm

parasiet m. 1 de/het terel

parasiteren ww. 1 terelen

parasol m. 1 zonnescherm

paren ww. 1 gaden, -de (Middelnederlands gaden), maren, -de (Gronings moaren, Fries mearje)

parfum o. 1 de welm (naar wel ‘goed’ en walm)

parket o. 1 (recht) perk 2 (vloer) de deel

parlement o. 1 de landdag (Middelnederlands lantdach, Duits Landtag)

parlementair bn. 1 landdag-

partij v. 1 deel 2 hoop, stapel 3 schare, hanze 4 (recht) zijde 5 de jool (zie feest)

partijdig bn. 1 zijdelijk

partner m. 1 (zaken) genoot, maat (vgl. maatschap) 2 (liefde) gade (vgl. eega, ouder eegade, met ee ‘wet, huwelijk’)

patiënt m. 1 zieke, lijdeling, veler (~ velen ‘verduren’)

Pasen m., Paas- 1 Oosteren, Ooster- (Duits Ostern, Oster-, Engels Easter)

paspoort o. 1 landsbewijs

pastoor m. 1 herder

patat v. 1 spaanders (vgl. Engels chips ‘spaanders, patat’)

pathologie v. 1 ziektekunde, kwaalkunde

patriot m. 1 vaderlander

patriottisme o. 1 heemmin, vaderlandsliefde

patriottisch bn. 1 heemminnig, vaderlandslievend

patrouille v. 1 omwaak, omwacht, schaarwaak, schaarwacht (Middelnederlands schaerwake, schaerwachte)

patrouilleren ww. 1 omwaken, schaarwaken

paus m. 1 wijvorst, eevorst (zie religie, priester)

pauze v. 1 de wijl (Middelnederlands wile, wijl ‘tijd(ruimte), rust’)

pauzeren ww. 1 wijlen, -de

paviljoen o. 1 het geteld (Middelnederlands getelt, vgl. tent)

pedoseksueel bn., pedofiel 1 kinderminnig

pedoseksualiteit v., pedofilie 1 kindermin

pelgrim m. 1 bedevaarder, waller, walder (Duits Waller)

peloton o. 1 de/het tog, togen (Duits Zug)

penicilline v. 1 het kwespelijn

penicillium o. 1 het kwespel (naar Middelnederlands quespel, quispel ‘kwast’)

pensioen o. 1 rustgeld

peper m. 1 de pittel (van pit, zoals pittig)

pepermunt v. 1 koelblad

percentage o. 1 hundeltal (zie procent)

periode v. 1 tijdspanne, spanne, het getijde

permafrost m. 1 zenevorst, zenehal (zie permanent, toendra)

permanent bn. 1 immerlijk, immer-, zene- (vgl. zenegroen, Middelnederlands senewel ‘rond’, eig. ‘immer draaiend’)

perron o. 1 spoorkade, kade, stening

pers v. 1 druktuig 2 druk, drukwezen, nieuwswezen (vgl. bankwezen, spoorwezen)

persen ww. 1 drukken, twengen, -de (Middelnederlands twengen ‘knellen, persen’) 2 zouwen, zieuw, h. gezouwen (~ Oudhoogduits sou, Oudengels séaw ‘sap, vocht’)

personage o./m. 1 garwing, gerwing (zie kostuum)

personeel o. 1 werkmacht, werkneming (vgl. huishouding)

persoon m. 1 mens, de lied (naar lieden)

persoonlijk bn. 1 liedelijk, liedig 2 eigenzaaks (vgl. privé)

persoonlijkheid v. 1 de liedschap (vgl. broederschap, vriendschap)

Perzië o. 1 Farzen, Varzen (met vars als nevenvorm van var ‘jonge stier’, i.v.m. de ooit kenmerkende godsdienstige stierenslacht, ~ vaars ‘jonge koe’, Farsi)

pessimisme o. 1 mismoed

pessimistisch bn. 1 mismoedig

peta- vv. 1 hieme-, hiemen- (vgl. Gotisch hiuhma ‘grote hoeveelheid’)

petabyte v. 1 hiemebijt, hiembijt

petahertz m. 1 hiementril

petroleum m. 1 het aardsmout, ruw smout, de aardvijter, ruwe vijter (zie olie)

pictogram o. 1 beeldteken

pijl m. 1 straal, schicht, de arwe, erwe (Engels arrow, IJslands ör)

pijp v. 1 (algemeen) het roor (Middelnederlands roer, Duits Rohr ‘(riet)pijp’), de ool (Noors aul ‘holle stengel’, van een oud woord voor ‘pijp’) 2 (broek) hoos (Middelnederlands hose ‘beenbekleding’)

pinetum o. 1 dengaard, dennentuin (vgl. dierentuin, arboretum)

pion m. 1 voetknecht, vende (Middelnederlands vende)

piramidaal bn. 1 stuikig

piramide v. 1 de stuik (naar stuik ‘piramidale turfstapel of hok schoven’)

pistool o. 1 het handroor, roor (Middelnederlands roer ‘(riet)pijp, vuurwapen’, vgl. pijp)

pixel m. 1 beeldstip, stip

plaat v. 1 de vlaat (zie plat) 2 schijf

plaats v. 1 (algemeen) plek, stede 2 (bewoning) oord, het loeg (Drents loeg, Gronings loug)

plafond o. 1 gehemelte, hemelwand, bovenwand

planeet v. 1 de bolm (~ bol, bal)

plan o. 1 het bewerp (vgl. ontwerp)

plannen ww. 1 bewerpen, bewierp, h. beworpen

plant v. 1 gewas, kruid, de wort (vgl. wortel, van wortwaal ‘plantstok’)

plantage v. 1 kweek, kweekgaard

planten ww. 1 poten, twachten, -te (verouderd Nederlands twachten)

plasma o. 1 (stof) de blassem (Oudnederlands blasma ‘vlam’) 2 (bloed) de vloesem (~ vloeien, vgl. bloesem bij bloeien)

plastic o. 1 het dijg (Gotisch digan ‘kneden’, ~ deeg)

plastic bn. 1 dijgen (vgl. houten, ijzeren enz.)

plastificeren ww. 1 verdijgen, -de

plastisch bn. 1 dijgs

plastische chirurgie v. 1 uitwendige heelkunde, uitwendige kerfkunde

plat bn. 1 vlat (Oudsaksisch flat, Engels flat)

platform o. 1 vloering

playback m./v. 1 schijnzang

playbacken ww. 1 schijnzingen

pleidooi o. 1 betoog, vertoog

pleiten ww. 1 betogen, vertogen

pletten ww. 1 vletten, -te (zie plat)

pluriform bn. 1 veelschappelijk (vgl. uniform1)

pluriformiteit v. 1 de veelschap (vgl. uniformiteit)

pneumologie v., pneumonologie 1 longkunde, longheelkunde

podcast m. 1 webzending

podium o. 1 de beun (Duits Bühne)

polarisatie v. 1 veruitersting, vernaving (zie pool)

polariseren ww. 1 veruitersten, vernaven, -de (zie pool)

politie v. 1 de warde (Oudnederlands warda ‘wacht, bewaking’, ontleend als Oudfrans guarde, vanwaar o.a. Iers garda ‘politie(agent)’)

politieagent m. 1 warde, warder, diender

politiebureau o., politiekantoor 1 de wardestadel (zie station)

politicologie v. 1 bewindschapkunde

politicus m. 1 bewindschapper

politiek1 bn. 1 bewindschappelijk

politiek2 v. 1 de bewindschap (vgl. wetenschap)

pols m. 1 de wrist (Oudfries wrist, Engels wrist, vgl. Duits Rist ‘wreef, handrug’)

polygaam bn. 1 meergadig

polygamie v. 1 meergadigheid

polymeer o. 1 het ristel (naar rist ‘aaneenrijging, aaneenschakeling’)

polytheïsme o. 1 veelgodzin 2 godendom

pool v. 1 naaf

poort v. 1 het door (Middelnederlands door, Duits Tor)

populier m. 1 esp

populisme o. 1 volkzin (vgl. nationalisme)

populistisch bn. 1 volkzinnig

portaal o. 1 doring (zie poort)

portiek v. 1 de ande (Oudnoords ǫnd, ǫnn)

portret o. 1 beeltenis

poseren ww. 1 tentoonstaan, standen, -de

positie v. 1 houding, stand 2 stelling, de stelle (Fries stelle, Duits Stelle)

post m. 1 de meel (klankwisselend naast (brieven)maal ‘brievenzak, zending brieven’, vgl. Engels mail ‘post’, ouder ‘(brieven)zak’, e-mail)

postindustrieel bn. 1 nanijver, nanijverlijk

potent bn. 1 hagen (vgl. Oudnederlands hagan ‘fokstier’, Middelnederlands haechdroese ‘geslachtsdelen’)

praktijk v. 1 bedrijving, beoefening

precies bn. 1 nauwkeurig 2 genauw (Duits genau)

prei v. 1 roelook (met roede, roe, vgl. bieslook, knoflook)

pre-industrieel bn. 1 voornijver, voornijverlijk

premier m. 1 bewindsleider

president m. 1 (land) hoofding (Middelnederlands hovedinc ‘hoofdman’, vgl. republiek) 2 (bedrijf, instelling) voorzitter

presidentieel bn. 1 hoofdinklijk, hoofdings-

prestatie v. 1 leesting (Middelnederlands leestinge, Duits Leistung)

presteren ww. 1 leesten (Middelnederlands leesten, Duits leisten), tot stand brengen

priester m. 1 wijman, eeward (Oudsaksisch êoward, Oudengels ǽweweard, zie religie)

printer m. 1 afdrukker

prisma o. 1 lichtwig

privacy v. 1 eigenvrede (vgl. huisvrede)

privé bn. 1 eigenzaaks, besloten

proberen ww. 1 pogen, kosten (zie proeven), wagen

probleem o. 1 vraagstuk, bezwaar, kink (naar kink in de kabel), de dweer (vgl. Middelnederduits dwer ‘dwars’, Drents dweren ‘dwarsliggen’)

problematisch bn. 1 bezwaarlijk, kinkelijk, dwerig

problematiseren ww. 1 bezwaarlijken, verkinkelijken, dwerigen

procédé o. 1 maakwijze, werkwijze

procent o. 1 honderste, het hundel (~ honderd, Oudnederlands hund ‘honderdtal’)

procentueel bn. 1 hundellijk

processor m. 1 verwerker, bewerker

product o. 1 (nijver) de waar 2 (wiskunde) uitbreng, uitkomst

productie v. 1 vervaardiging

productief bn. 1 maaks, maakzaam

proef v. 1 de roon (Oudfries rán ‘onderzoek’, Oudnoords raun ‘poging, proef, ervaring’), de degel (Drents degel, Duits Tiegel ‘smeltkroes’), kosting (zie proeven)

proefwerk o. 1 roonwerk, vanding (zie test)

proeven ww. 1 koren (Middelnederlands coren, ~ keur, kiezen), kosten (Duits kosten ‘proeven’, Oudsaksisch koston ‘proberen’, Oudnoords kosta ‘proberen’, ~ keur, kiezen)

progressief bn. 1 vorderzinnig, vooruitstrevend

progressivisme o. 1 vorderzin, vooruitstrevendheid

project o. 1 het aanwerk (vgl. werken aan)

projectiel o. 1 werpsel

projector m. 1 beeldwerper, werper

protectionisme o. 1 beschermzin

protectionistisch bn. 1 beschermzinnig

promillage o./v. 1 mijzeltal

promille o. 1 duizendste, het mijzel (zie milli-)

proton o. 1 het kendel (eig. ‘kendeeltje’, zie -on)

proviand m. 1 reisvoer, leeftocht

provincie v. 1 gewest, de gouw

psychologie v. 1 zielkunde

publiceren o. 1 uitbrengen, openbaren

publiek o. 1 kijkers, toeschouwers, schouwvolk

pulmonologie v. 1 longkunde

punaise v. 1 duimspijker, spikker

pupil m./v. 1 (oog) de zie (Middelnederlands sie, ~ zien) 2 (gezag) de mundel (Duits Mündel, vgl. voogd)

puppy m. 1 de/het welp

puree v. 1 de stamp, de meis (Duits Maisch, Engels mash)

pureren ww. 1 stampen, meisen, -te (Duits maischen, Engels mash)

purisme o. 1 schierzin (zie puur)

puristisch bn. 1 schierzinnig

puur bn. 1 schier (vgl. zuiver)

pyjama v. 1 de nachtwaar (vgl. Oudsaksisch werian, Engels wear ‘kleden, dragen’)

pyromaan m. 1 vuurzuchter, brandzuchter

pyromanie v. 1 vuurzucht, brandzucht

Q

quarantaine v. 1 smetschut

quotiënt o. 1 de werf (vgl. driewerf, vierwerf enz.)

quiz m. 1 vragenis

R

racisme o. 1 knoedzin (zie ras)

racistisch bn. 1 knoedzinnig

radicaal bn. 1 wortelzinnig 2 wortellijk 3 ingrijpend

radicalisme o. 1 wortelzin

radio m. 1 de gelver (naar Middelnederlands gelve ‘golf’ en gelve ‘zaak of gebeurtenis om over te roepen’)

radioactief bn. 1 gelverdadig

radiologie v. 1 gelverkunde, stralingkunde

radiostation o. 1 de gelverstadel

raket v. 1 de/het rokken (naar (spin)rokken i.v.m. de gelijkenis)

ras o. 1 de knoed (Oudhoogduits knuot, ~ kind, kunne)

rationeel bn. 1 redelijk

rationaliseren ww. 1 verredelijken

rationalisme o. 1 redezin

rationalistisch bn. 1 redezinnig

reactie v. 1 weerdaad

reactief bn. 1 weerdadig

reactiveren ww. 1 herdadigen

reactor m. 1 weerdader

reageren ww. 1 weerdadigen

realisme o. 1 echtzin

realistisch bn. 1 echtzinnig

rebel m. 1 opstandeling, oproerling, weigerling, stuinder (zie rebelleren)

rebelleren ww. 1 in opstand komen, stuinen, -de (Middelnederlands stunen ‘zich (gewapend) verzetten’)

recessie v. 1 krimp

recidive v. 1 wederpleging

recidivist m. 1 wederpleger

reclame v. 1 ruchtbaring

recyclen ww. 1 vergrondstoffen

recycling v., recyclage 1 vergrondstoffing

redactie v. 1 opstelraad 2 opstelling

redacteur m. 1 opsteller

reductionisme o. 1 herleidzin

reductionistisch bn. 1 herleidzinnig

refrein o. 1 keerzang

regie v. 1 spelleiding, leiding

regiment o. 1 afdeling

regio m. 1 streek

regionaal bn. 1 strekelijk, streek-

regisseren ww. 1 spelleiden, leiden

regisseur m. 1 spelleider, leider

register o. 1 naamlijst, klapper (zie index) 2 naamboek, klapboek

reïncarnatie v. 1 herlijving

reïncarneren ww. 1 herlijven, -de

religie v. 1 tauwzin (zie orde), de ee, eeën (Middelnederlands ee ‘(goddelijke) wet, huwelijk’, Oudengels ǽ ‘(goddelijke) wet, zede, rite, huwelijk’, vgl. eega, ouder eegade, zie priester) 2 godsdienst

religieus bn. 1 tauwzinnig, eevast (Oudengels ǽfæst) 2 godsdienstig

remigrant m. 1 weerwijker, weerwijkeling

remigratie v. 1 weerwijking

remigreren ww. 1 weerwijken

remote viewing v. 1 vernmerking (vgl. tele-)

renaissance v. 1 wedergeboorte, hernieuwing

repatriatie v. 1 herheming

repatriëren ww. 1 herhemen

reptiel o. 1 kruipdier, kriep (vgl. Oudnederlands kriepan ‘kruipen’)

republicanisme o. 1 gemenebestzin, hoofdingzin

republiek v. 1 gemenebest, hoofdinkrijk (met hoofding voor president, vgl. koninkrijk)

republikeins bn. 1 gemenebestelijk, hoofdinkrijks, rijks 2 gemenebestzinnig, hoofdingsgezind (vgl. koningsgezind)

reputatie v. 1 naam, de luimond (Oudnederlands liumund, Duits Leumund, ~ luid)

reserve v. 1 waarnis (Middelnederlands waernisse ‘bewaring, waarborg’, vgl. IJslands vara- ‘reserve’)

restaurant o. 1 eethuis

retroflex1 bn. 1 kruls

retroflex2 v. 1 krulklank

reuma o., reumatiek v. 1 de misweer (vgl. afweer)

reumatologie v. 1 misweerkunde

revolutie v. 1 de wende (Duits Wende), omwenteling, omslag

revolutionair bn. 1 wendig, wendzaam

revolutionaliseren ww. 1 wendigen

riool o. 1 ondergoot, goot, heul

risico o. 1 de/het hach, hacht (Middelnederlands hachte, IJslands hætta, vgl. hachelijk, ouder hachtelijk)

riskant bn. 1 hachelijk, gewaagd

rite v. 1 wijze, het gewijs

ritme o. 1 de riddem (~ rijden, rit, dan wel ~ Middelnederduits ride ‘beek’)

ritueel1 bn. 1 gewijs (zie rite)

ritueel2 o. 1 het gewijs

rivier v. 1 de vliet, de a (vgl. Drentsche Aa), de rin (Middelnederlands rinne, ~ rennen), de elve (Noors elv, Nederduits Elv, Duits Elbe)

RNA o. 1 de erveldraad (zie gen, vgl. DNA)

robot m. 1 wramer (Fries wramer ‘harde werker’)

robotisch bn. 1 wramerlijk

rond bn. 1 trind, trend (Noors trinn, ~ omtrent), zenewel (Middelnederlands senewel, eig. ‘immer draaiend’, vgl. zenegroen)

route v. 1 de leide, lei (Middelnederlands leide ‘weg’, IJslands leið, ~ leiden)

rozijn v. 1 de droof (~ druif)

ruïne v. 1 de ruur (vgl. Oudfries riúre ‘vergankelijk’, Gotisch riurjan ‘vergaan’)

rune v. 1 (kennis) de ruin (vgl. Middelnederlands runen, jonger ruynen ‘fluisteren, geheim overleg hebben’, vgl. mysterie) 2 (teken) ruinstaf (Oudhoogduits rúnstab, Oudengels rúnstæf, Oudnoords rúnastafr)

runologie v. 1 ruinkunde, ruinstafkunde

S

sacrament o. 1 het geruin (zie mysterie)

sadisme o. 1 kwellust

sadistisch bn. 1 kwellustig

sage v. 1 de zage (~ zeggen)

salade v. 1 koumoes (vgl. warmoes ‘gekookte groente’)

salamander m. 1 de molle (Middelnederlands mol, Westfaals molle, Duits Molch)

salaris o. 1 de wedde

satelliet m. 1 de bijbolm (zie planeet)

saus v. 1 de stip (Gronings stip, Westfries stip)

Scandinavië o. 1 Schadenouw (Oudnoords Skáney, Oudengels Scedeníg, met ouw ‘land langs water, (schier)eiland’, vgl. Indonesië, Japan, Korea, Taiwan)

scène v. 1 de toog (Middelnederlands tooch ‘schouwspel’, ~ togen ‘tonen’) 2 vertoning

scepsis v. 1 twijfel

scepticisme o. 1 twijfelzin

sceptisch bn. 1 twijfelzaam 2 twijfelzinnig

scharnier o./m. 1 hengsel, de har

school v. 1 leerhuis

schors v. 1 de bark (Drents bark, Engels bark), de rinde (Westvlaams rinde, Duits Rinde, ~ run)

sciëntisme o. 1 wetenschapzin

sciëntistisch bn. 1 wetenschapzinnig

scooter m. 1 schoeter (~ schetteren, schateren, vgl. brommer)

seconde v. 1 tel

sector m. 1 (wiskunde) uitsnede 2 (waardschap) schare, de geer (geer ‘spits toelopend stuk’)

seismisch bn. 1 bevelijk

seismologie v. 1 bevingkunde

seksuele selectie v. 1 geerzifting (naar begeren)

semiautomatisch bn. 1 halfeigenmatig

sensatie v. 1 zinraking 2 opzien, rucht

sensationeel bn. 1 opzienbarend, geruchtmakend, ruchtig

sensationalisme o. 1 ruchtzin

sensationalistisch bn. 1 ruchtzinnig

sergeant m. 1 wevel, veldwevel (Duits Feldwebel)

serie v. 1 reeks

serologie v. 1 tegenstofkunde

serum o. 1 bloedwei

servet o. 1 de vegel

shampoo m. 1 haarzeep, de zijp (~ zeep)

shintoïsme o., shinto 1 Zonnerijkse ee, Zonnerijkse tauwzin (zie Japan, religie)

shop m. 1 winkel, de schop (Middelnederlands schoppe ‘tentje, kraampje, open schuurtje’)

show m. 1 de schouw (~ schouwen ‘kijken’)

shuttle m. 1 de schuttel (naar Middelnederlands schut ‘al wat geschoten wordt’)

siepel m. 1 look (zie ui)

sinaasappel m. 1 zonneappel

sinus m. 1 (meetkunde) hoekmaat

situatie v. 1 toestand 2 het geleg (Middelnederlands geleg)

sjalot v. 1 edellook (vgl. Duits Edelzwiebel)

skyline m. 1 kimlijn, kimbeeld (met kim voor horizon)

slang m. 1 (spraak) aftaal

smartphone m. 1 slimme vernreder (zie telefoon)

snack m. 1 hap, snap, snak (zie snacken)

snackbar m./v. 1 hapzaak, snapzaak, snakzaak

snacken ww. 1 happen, snappen, snakken (Middelnederlands snacken ‘gretig toehappen’, ontleend als Engels to snack)

sociaal bn. 1 maatschappelijk, omgankelijk, omgangs-

sociaaleconomisch bn. 1 maatwaardschappelijk (zie economie)

socialisme o. 1 maatschapzin

socialistisch bn. 1 maatschapzinnig

sociolect o. 1 maattaal

sociologie v. 1 maatschapkunde

software m. 1 zachtewaar (vgl. ijzerwaar)

soldaat m., soldate v. 1 krijgsman, krijgsvrouw, heerling (zie militair1)

soort v./o. 1 de aard (Duits Art), het slag, de tier (Middelnederlands tiere)

sowieso bw. 1 toch, hoe dan ook

spatie v. 1 leemte

special effect o. 1 toonlist

spectrum o. 1 waaier, het spechter (vgl. Middelnederlands spien ‘goed toezien’, Duits spähen)

spiegel m. 1 de spakel (~ Middelnederlands spaken ‘spiegelen’)

spiritualisme o. 1 geestzin

spiritualistisch bn. 1 geestzinnig

spiritueel bn. 1 geestelijk 2 geestzaam 3 tauwzinnig (zie religieus)

spiritualiteit v. 1 geestelijkheid 2 geestzaamheid 3 tauwzin (zie religie)

spontaan bn. 1 zelvelijk

spontaniteit v. 1 zelvelijkheid

squadron o. 1 de vlok, vlokken (Oudnoords flokkr ‘troep, zwerm’, Engels flock, ~ vliegen, vlucht, vgl. rit voor eskadron)

squash o. 1 wandbal

staatssecretaris m. 1 onderbewindsman, onderbewindsvrouw (zie minister)

stadion o. 1 het krijt, de spoord (Oudhoogduits spurt, Gotisch spaúrds ‘renbaan’)

stadium o. 1 trap

station o. 1 (algemeen) de stadel, de staal (Oudsaksisch stađal, Oudengels staðol, ~ staan, stal) 2 (spoor) het spoorhof (vgl. Duits Bahnhof)

statisch bn. 1 stalijk 2 roerloos, onbeweeglijk, daas 3 onveranderlijk

statische elektricteit v. 1 stalijke barnkracht, de stalijke barn (zie elektriciteit)

statistiek v. 1 (vak) talkunde 2 (weergave) het talschap (vgl. landschap), getal

statistisch bn. 1 talkundig

stealthfighter m. 1 sluipjager (vgl. straaljager, sluipschutter)

steppe v. 1 dorland, dorring

steriel bn. 1 (reinheid) kiemloos 2 (geslacht) steer (Gotisch staírō ‘onvruchtbare vrouw’, vgl. Twents sterke ‘jonge koe’)

steriliseren ww. 1 verkiemlozen 2 steren, -de, sterigen

stockdividend o. 1 winstaandeel (vgl. dividend)

strateeg m. 1 krijgwijzer

strategie v. 1 krijgwijze (naar zowel krijg ‘oorlog’ als krijgen ‘verwerven; in een toestand of tot een handeling brengen’, vgl. tactiek)

strategisch bn. 1 krijgwijs

strategiseren ww. 1 krijgwijzen, -de

strofe v. 1 de vit, vitten (Oudsaksisch fittea, verouderd Engels fit)

student m. 1 leerling, leerganger

studeren ww. 1 leren

studie v. 1 leergang (vgl. kuur)

studio m. 1 zendzaal

subatomair bn. 1 ondelminder (zie atoom)

subjectief bn. 1 onderwerpelijk

sublimatie v. 1 droogdamping

sublimeren ww. 1 droogdampen

substantie v. 1 onderstand, wezen

subtropen mv. 1 ombanden (zie tropen)

subtropisch bn. 1 ombands, omband-

succes o. 1 welslagen

succesvol bn. 1 welslagend

sudoku m. 1 de negenaar

suiker m. 1 de zuiter (~ zoet)

supermarkt v. 1 grootgrutter, grutter

supervisie v. 1 opzicht

supervisor m. 1 opzichter

symmetrie v. 1 evenmaat

symmetrisch bn. 1 evenmatig

symptoom o. 1 kenmerk, kwaalmerk

synoniem1 bn. 1 evenwoordig, evenduidig

synoniem2 o. 1 evenwoord

systeem o. 1 stelsel, gestel, bestel

systematisch bn. 1 stelselmatig

T

tabak m. 1 het rookloof, loof

tabel v. 1 de/het rooster, koving (naar koof voor cel)

tablet v./o. 1 het berdel (zie tafel)

tact m. 1 de voel

tacticus m. 1 slagwijzer

tactiek v. 1 slagwijze (vgl. strategie)

tactisch bn. 1 slagwijs

tactvol bn. 1 voelzaam (zie tact)

tafel v. 1 het berd, berden, berderen (vgl. te berde brengen, ~ bord), de/het bied (Oudsaksisch biod, IJslands bjóð)

Taiwan o. 1 Wijkouw (met wijk ‘toevlucht’ en ouw ‘land langs water, (schier)eiland’, vgl. Scandinavië)

tampon m. 1 de wiek

tank m. 1 (houder) vat 2 (voertuig) baster (zie pantser)

tante v. 1 moei (Middelnederlands moeye, vgl. petemoei)

tao m., dao 1 de tauw (zie orde)

taoïsme o., daoïsme 1 (wijsbegeerte) Zijderijkse tauwkunde, Zijderijkse tauwleer (zie China, metafysica, tao) 2 (beoefening) Zijderijkse ee, Zijderijkse tauwzin (zie religie)

team o. 1 toom, ploeg

techniek v. 1 vaardigheid, vaard

technisch bn. 1 vaardig

technologie v. 1 makenschap (vgl. wetenschap), vaardkunde

technologisch bn. 1 makenschappelijk, vaardkundig

technoloog m. 1 makenschapper (vgl. wetenschapper, ingenieur), vaardkundige

teint v./o. 1 het blij (Middelnederlands blië, Oudengels bléoh, Oudsaksisch blíhi)

tekst m. 1 de laas, lazen (~ lezen, vgl. context), de/het waaf, waven (zie textiel2)

tekstueel bn. 1 lazelijk, wavelijk

tele- vv. 1 vern- (Middelnederlands verren, verne ‘ver’, Duits fern)

telecommunicatie v. 1 vernwederricht (zie communicatie)

telecommunicatiesysteem o. 1 vernwederrichtgestel

telefoon m. 1 vernreder (zie telefonie), beltuig

telefoneren ww. 1 vernreden, bellen

telefonie v. 1 vernreding (vgl. rede ‘het spreken’, Middelnederlands reden ‘spreken’, Duits reden ‘spreken’)

telefonisch bn. 1 vernredig

telefonist m. 1 vernredige

telefoonnummer o. 1 vernredertal

telegraaf m. 1 vernschrijver

telegrafie v. 1 vernschrijving

telegram o. 1 vernschrift

telekinese v. 1 verndrijving

telekinetisch bn. 1 verndrijvig

teleologie v. 1 doelkunde, tilkunde (vgl. Duits Ziel ‘doel’)

telepathie o. 1 vernvoeling

telepathisch v. 1 vernvoelig

teleportatie v. 1 vernvoering

teleporteren ww. 1 vernvoeren

telescoop m. 1 sterrenkijker

televisie v. 1 (bestel) vernzicht (Duits Fernsehen) 2 (toestel) de vernzichter (Duits Fernseher)

tempel m. 1 de aal (Gotisch alhs, Oudengels ealh), het wij, het wijg (Oudsaksisch wíh, Oudnoords , ~ wijden, wierook)

temperatuur v. 1 warmte

tent v. 1 de/het teld (Middelnederlands telt, Duits Zelt, IJslands tjald, vgl. paviljoen, kamperen)

tentamen o. 1 roonwerk (zie proefwerk)

tera- vv. 1 tulve-, tulven- (klinkerwisselend naast twaalf, vgl. Fries tolf ‘twaalf’, vanwege twaalf nullen)

terabyte v. 1 tulvebijt

terahertz m. 1 tulventril

termijn o. 1 de vrist (Middelnederlands vrist, Duits Frist)

terracotta o. 1 bakaarde 2 bakaardewerk

terras o. 1 vlak

territorium o. 1 grondgebied, de bijvang (Middelnederlands bivanc)

test m. 1 vanding

testen ww. 1 vanden, -de (Middelnederlands vanden ‘op de proef stellen’, ~ (be)vinden)

textiel1 bn. 1 waaf (~ weven, vgl. gaaf bij geven)

textiel2 m./o. 1 weefsel, de/het waaf, waven

theater o. 1 beuning (zie toneel) 2 speelkunst

theatraal bn. 1 beuns, beunig, overdreven

thee m. 1 de tede, de tee (~ teder ‘zacht, mild’)

theïsme o. 1 godzin

theïstisch bn. 1 godzinnig

theologie v. 1 godkunde

theorie v. 1 leer 2 mening, opvatting

theoretisch bn. 1 leermatig

therapeut m. 1 heelwijzer

therapeutisch bn. 1 heelwijs

therapie v. 1 heelwijze

thermisch bn. 1 warmtelijk

thermometer m. 1 warmtemeter

thermostaat m. 1 warmtesteller

thriller m. 1 spanner

tint v. 1 het huw (Engels hue, Noors hy)

titel m. 1 (boek e.d.) naam, aanduiding 2 (beroep) erenaam

toendra v. 1 halland (met hal ‘bevroren grond’)

toerist m. 1 reizer (verouderd Nederlands reizer ‘reiziger, toerist enz.’)

toets m. 1 (kennis) vanding (zie test) 2 (werktuig) knop

toetsen ww. 1 (kennis) vanden, -de (zie testen) 2 (werktuig) knoppen, tikken

toetsenbord o. 1 tikbord

toilet o. 1 gemak, spoelzetel

toiletpapier o. 1 gemakgoed

tomaat v. 1 de boes, boezen (~ bes, vgl. hoen naast hen)

toneel o. 1 de beun (Duits Bühne) 2 speelkunst

toorts v. 1 blaker, de wijp (Middelnederlands wipe, wijp), de waze (Middelnederlands wase)

tortel m. 1 reeuwduif (Gotisch hráiwadūbō)

traditie v. 1 erventrouw

traditioneel bn. 1 erventrouw

trailer m. 1 oplegger 2 voorstuk

tralie v. 1 spijl

trainen ww. 1 droeden, -de (Gotisch þrōþjan)

trainer m. 1 droeder

training v. 1 droeding

tram m. 1 de tram (met Nederlandse a, vgl. Middelnederlands tram, trame ‘balk, lat’)

transcendent bn. 1 bovenzinnelijk

transcendentie v. 1 bovenzinnelijkheid

transformatie v. 1 omschaping

transformeren ww. 1 omschappen, schapte om, h./is omgeschapt (zie formeren)

transseksualiteit v. 1 overslachtigheid, het overslacht

transseksueel bn. 1 overslachtig (vgl. tweeslachtig ‘hermafrodiet’)

trauma v./o. 1 letsel

traumatisch bn. 1 letsellijk, letsel-

traumatologie v. 1 letselkunde

trein m. 1 spoortuig, de/het tog, togen (Noors tog, Duits Zug, vgl. Middelnederlands getoch ‘al wat voortgetrokken wordt’, ~ tijgen ‘trekken’, vgl. locomotief)

tribaal bn. 1 stams, stammelijk

tribalisme o. 1 stamzin 2 stammenstrijd

tribalistisch bn. 1 stamzinnig

tribune v. 1 schouwbank

trilogie v. 1 drieluik, driewerk

tropen mv. 1 broeiband, band (vgl. IJslands hitabelti ‘tropen’, eig. ‘hitteriem’, Indonesië, subtropen)

tropisch bn. 1 broeiband-, broeibands, band-, bands

truck m. 1 vrachtwagen, de truk, trukken • ~ trekken, nevenvormen trokken, trukken

tsunami m. 1 vloedgolf, de overbaar

tunnel m. 1 de ril (Gronings ril ‘mollegang’, Noordhollands rel ‘hetz.’)

tunnelvisie v. 1 smalzicht

turbine v. 1 stuwrad

type o. 1 het slag

typefout v. 1 mistik

typemachine v. 1 tiktuig

typen ww. 1 tikken

typeren ww. 1 kenmerken

U

ui m. 1 look (Veluws look, Limburgs look, Noors løk, vgl. bieslook, daslook, knoflook)

umlaut m. 1 omklank

unaniem bn. 1 eenstemmig, eensgezind

unie v. 1 verbond, eenheid

uniform1 bn. 1 eenschappelijk (zie vorm)

uniform2 o. 1 het eenschap

uniformiteit v. 1 de eenschap

universeel bn. 1 alomgeldig, alomvattend, algemeen

universum o. 1 heelal, alomheid

universitair bn. 1 wijshovelijk

universiteit v. 1 het wijshof (vgl. bibliotheek, museum)

urine v. 1 de mijg (Middelnederlands mige)

urineren ww. 1 mijgen, meeg, h. gemegen (Gronings miegen, IJslands míga)

urologie v. 1 mijgkunde

uur o. 1 de stonde (Duits Stunde)

uvulaar1 bn., uvulair1 1 huigs

uvulaar2 v., uvulair2 1 huigklank

V

vacature v. 1 werkleegte

vacuüm o. 1 luchtledige, het wan (Middelnederlands wan ‘gebrek’)

vacuüm- bn. 1 luchtledig, wans

vakantie v. 1 verlof, de oorlof (Middelnederlands oorlof ‘verlof’, Duits Urlaub ‘verlof, vakantie’)

vals bn. 1 loos

veganisme o. 1 volgewaszin

veganistisch bn., vegan 1 volgewaszinnig 2 dierloos, ondierlijk

vegetarisch bn. 1 gewaszinnig 2 vleesloos

vegetarisme o. 1 gewaszin

velaar1 bn., velair1 1 zeils

velaar2 v., velair2 1 zeilklank

ventileren ww. 1 luchten

ventilator m. 1 wentelaar

Venus v. 1 Orendel (Oudsaksisch Ôrendil, Oudengels Éarendel, Oudnoords Aurvandill)

veranda v. 1 de love (Middelnederlands love ‘afdak, uitstek, zuilengang, hoge stoep’, Duits Laube ‘zuilengang’)

verificatie v. 1 waarschouw (vgl. schouwen ‘inspecteren’)

verifiëren ww. 1 waarschouwen

verkopen ww. 1 zellen, -de (Oudsaksisch gisellian, Engels sell)

verkoper m. 1 zeller, manger (zie koopman)

vermiljoen bn. 1 ever (vgl. Twents eaverbeaze ‘rode bosbes’, Duits Eberesche ‘lijsterbes’)

vers o. 1 (dichtregel) lijn, rij 2 (klein gedicht) de vit, vitten (zie strofe)

versie v. 1 uitvoering 2 lezing

verticaal bn. 1 loodrecht, valrecht

vice- vv. 1 onder-

video m. 1 kwikbeeld (met kwik/kwiek ‘levendig’, vroeger ‘levend’, vgl. IJslands kvikmynd ‘film’ bij mynd ‘beeld’)

videocamera v. 1 kwikbeeldvester (zie camera)

viking m., wiking 1 wijking

viool v. 1 de vijdel (naar vedel), de gijg (Middelnederlands gige, Duits Geige)

viraal bn. 1 kepellijk, kepel-

virologie v. 1 kepelkunde

virus o. 1 de/het kepel (~ kapen i.v.m. het overnemen van cellen)

visioen o. 1 vergezicht

vitamine m. 1 tierstof

vlam v. 1 de loge (Middelnederlands loge, Fries lôge, IJslands logi, ~ licht)

volume o. 1 omvang

voogd m. 1 de mondboor (Middelnederlands montboor, momber, vgl. Middelnederlands mond ‘gezag’, beren ‘dragen’, vgl. pupil)

voogdij v. 1 de mondboorde

vork v. 1 gaffel

vorm v. 1 de schap, schappen (Middelnederlands schap, schape, Engels shape, ~ -schap, scheppen)

vormen ww. 1 schappen, schapte, h. geschapt (zie vorm)

vrucht v. 1 (algemeen) de wassem (Oudnederlands wahsmo, ~ gewas, wassen ‘groeien’) 2 (eten) het ooft (zie fruit) 3 (zwangerschap) de vazel (zie embryo)

vruchtbaar bn. 1 (grond, gewas) vei (Westvlaams vei), vreeuw (IJslands frjór) 2 (vrouw) vazelbaar

vulkaan m. 1 vuurberg, hellemond (zie lava)

W

website v. 1 webstede, webstee, webstek

wc v., watercloset o. 1 gemak, spoelzetel

wc-papier o. 1 gemakgoed

workshop m. 1 de werkschop (zie shop)

X

xenofilie v. 1 vreemdmin

xenofiel v. 1 vreemdminnig

xenofobie v. 1 vreemdvrees

xenofoob bn. 1 vreemdvrezig

xylofoon m. 1 klankhout

Y

yin en yang o. 1 duister en licht, een en ander, twist (vgl. *Twistō, het oerwezen volgens het Germaanse volksgeloof, zie Korea)

yoghurt m. 1 melkdik, de mulk, het molken (Middelnederlands molken ‘zuivel’)

Z

zalm m. 1 de las, lassen (Duits Lachs, Noors laks)

zegen m. 1 bloetsing, bloesing 2 beweling, gunst, heil, voorspoed

zegenen ww. 1 bloetsen, bloesen, -te (Oudengels blœdsian, blétsian, Engels to bless) 2 bewelen, -de (naar wel, weelde), begunstigen

zeker bn. 1 veilig, vast, betrouwbaar 2 wis, gewis 3 overtuigd, stellig, beslist

zeppelin m. 1 luchtschip, zweveling

zich vnw. 1 zik (Twents zik, Drents zuk)

zolder m. 1 de hilde (Drents hilde, IJslands hilla), de beun (vgl. beunhaas)

zone v. 1 riem, gordel, band 2 strook, streek

zuidpool v. 1 zuidernaaf (zie pool)

zuiver bn. 1 luiter (Middelnederlands luter, luyter, Duits lauter, ontleend als louter, vgl. puur)

zuiveren ww. 1 luiteren (Middelnederlands luteren)