Germaanse namen

germaansenamen

Een flinke greep uit de Germaanse namen die in de Lage Landen en omstreken gedragen werden of anderszins bekend waren. Ze zijn, dikgedrukt en met standaardspelling, ingedeeld op de vorm die ze hadden of gehad zouden hebben in het Oudnederlands omtrent de achtste eeuw na Christus. Daarna volgen schuingedrukt de bestaande of verwachte hedendaagse vormen in verschillende mate van verbastering. De naamstammen zijn in groene kaders gegeven. Uitgebreid herzien in de herfst van 2017 en 2024.

Lees ook de toelichting met bronverwijzingen, de bloemlezing van hedendaagse vormen en namen voor de nieuwe tijd.

A

Abbo Abbe m., Abba Abbe v. nevenvorm van Avo of koosvorm van Alf-namen (vanuit de tijd dat alf nog *albi luidde) • oordnamen Abbenbroek (Zuid-Holland), Abbenes (Noord-Holland) en Abbenstade, nu Abstede (Utrecht), oude erfnamen Abbenkote (Overijssel) en Abbingh (Overijssel), geslachtsnaam Abbing in de oude erfnaam Abbinghe (Drenthe) • Oudengels Abba Æbba m., Æbbe v., oordnamen Abbeton, nu Abdon (Shropshire), en Æbbandun, nu Abingdon (Berkshire), Oudhoogduits Abbo Appo, Abba Appa

Abbuko Abbeke Abke m., Abbuka Abbeke Abke v. koosvorm van Abbo • oordnaam Abbekewolde, nu Abcoude (Utrecht)

Ado Ade m., Ada Ade v. ‘vader, moeder’, nevenvorm van Atho • Oudengels Ada m., Oudhoogduits Ato, Ata

Addo Adde m., Adda Adda v. nevenvorm van Atho of koosvorm van Ald-namen • geslachtsnaam Adding in de oordnaam Addingahem, nu Adegem (Oost-Vlaanderen) • Oudengels Adda m., Oudhoogduits Atto, Atta

Adduko Addeke Adke m., Adduka Addeke Adke v. koosvorm van Addo • oude erfnaam Addekonch (Gelderland)

Affo Affe m., Affa Affe v. koosvorm van Alf-namen • Oudengels Æffa Affa, oordnaam Affebrigg, nu Abridge (Essex)

Ago Age m. betekent mog. ‘scherpe, felle’ o.i.d., vgl. eggia, of anders ‘verschrikkelijke’ (op het slagveld), vgl. egiso

áht acht v. ‘vervolging’, vgl. acht ‘rijksban’ (≠ acht ‘aandacht’), Oudhoogduits áhta ‘vervolging’, Oudengels éhtan ‘vervolgen’

Áhtulf Achtolf m.

Akko Akke m. nevenvorm van Ako en Ago • Oudengels Acca

Ako Ake m. betekent wel ‘aandrijvende, leider’, vgl. Grieks agós ‘leider’, Sanskriet ajá- ‘aandrijver’, verwant aan Oudnoords aka ‘rijden’ • Oernoords ᚨᚲᚨᛉ (AkaR), Oudhoogduits Ahho, Oudengels Aca, oordnaam Akeworth, nu Ackworth (Yorkshire)

al al ‘geheel, volledig’, ook ‘zeer’, vgl. almachtig

Alagund Algond v. • Oerhoogduits ᚨᛚᚨᚷᚢᚦ (Alagu[n]þ)

Alaman Almannen mv., naam van een machtig verbond van stammen der Swáva Zwaven in wat nu Zuid-Duitsland, Zwitserland en Elzas zijn • lijkt ‘volledige mannen’ te betekenen, doch vgl. Gotisch almans ‘mensheid’ • Latijns-Germaans Alamannī mv. (vanwaar Alemannia, Frans Allemagne ‘Duitsland’), Grieks-Germaans Ἀλαμανοί (Alamanoí) mv.

Alamard Almard m., bijnaam van Tuw (zie Tíu), betekent mog. ‘al-schitterend’ (zie mard) • Latijns-Germaans Halamardus (wel met Latijnse spook-h)

Alarík Alrik Aldrik Alderik m., naam van twee koningen der Wesugoton Wezegoten • Latijns-Germaans Alarīcus, Oudengels Ælríc

Alawís Alwijs Alwis m. • Oudnoords Alvíss (dwergnaam), Frans Aloys Aloïs

ald oud ‘volwassen’, in dichterlijke zin ‘ervaren, wijs’, vgl. Oudhoogduits alt, Oudengels ald eald ‘hetz.’, verwant aan Gotisch alan ‘groeien’, vgl. fród, gamal, wís

Aldburg Alburg Olburg Ouburg v.

Aldfrith Oudfred Oudfert m. • Latijns-Germaans Altfridus

Aldgêr Oudger m. • geslachtsnaam Aldgêring in de oude oordnaam Aldgeringelant (Noord-Holland)

Aldgísl Oudgis m., naam van een 7e-eeuwse koning der Frésion Friezen • Oudfries Aldgísl, Oudengels Aldgísl

Aldgund Oudgond v., naam van een 7e-eeuwse heilige • Latijns-Germaans Aldegundis, Oudengels Ealdgýþ, oordnaam Aldedeford, nu Alford (Somerset)

Aldheri Outer m. • geslachtsnaam Aldhering in de oordnaam Oldrengem, nu Oudergem (Brussel) • Oudengels Aldhere Ealdhere

Aldhild Oudhild Outild v.

Aldhravan Ouderaven, Aldhram Ouderam m.

Aldo Oude m., Alda Oude v. • geslachtsnaam Alding in de oordnamen Aldengienh, nu Oudegem (Oost-Vlaanderen), Aldingaheim, nu Ouwegem (Oost-Vlaanderen), en Oudinghesela, nu Oudezele (Nord) • Oudengels Alda Ealda Ealde

Aldrád Ouderaad m. • Oudengels Ealdréd, oordnaam Aldredeslega, nu Adderley (Staffordshire)

Aldrík Ouderik m.

Aldulf Oudolf m. • oordnaam Aldulfashem, nu Oldersum (Groningen) • Oudengels Aldwulf Ealdwulf, oordnaam Aldulfestreo, nu Austrey (Warwickshire)

Aldwíh Oudewij Oudewijg v.

Aldwini Oudewin Oudewijn m. • Oudengels Ealdwine, oordnaam Aldwynesbrigg, nu Allen (Dorset)

alf alf, elf elf m. ‘elf’, het mensachtige wezen dat om zijn kunsten en krachten zowel gevreesd als bewonderd werd, vgl. Oudnoords álfr ‘hetz.’

Alf Alf, Alvo Alve m., Alva Alve v.

Alfdag Alfdag m.

Alfflád Alfflaad v., naam van een 5e/6e-eeuwse koningsdochter der Frankon Franken • Latijns-Germaans Alboflēdis, Oudengels Ælfflǽd, oordnaam Alfledetun, nu Alpheton (Suffolk)

Alfgard Alfgard v.

Alfgêr Alfger m. • oude oordnaam Alfgeres meeth (West-Vlaanderen) • Oudengels Ælfgár

Alfgôt Alfgot m. • Oudsaksisch Alfgôt, oude oordnaam Alfgatingahoua (Noordrijn-Westfalen)

Alfhard Alfhard Alfert Alvert m. • oude erfnamen Alphardinck (Overijssel) en Alpherdinch (Overijssel)

Alfheid Alfheid v.

Alfheri Alfer m. • erfnaam Elferink (Overijssel), oude erfnamen Alfershoeve (Overijssel), Elverinck (Overijssel), Elpherync (Gelderland) enz., geslachtsnaam Alfhering in de oordnaam Alfringehem, nu Alveringem (West-Vlaanderen) • Oudengels Ælfhere

Alfhild Alfhild v. • Oudengels Ælfhild

Alflind Alflind v.

Alfrád Alfraad Alveraad m. • Oudengels Ælfréd, oordnamen Alveredescote, nu Alverdiscott (Devon), en Alvredestone, nu Allaston (Gloucestershire), Engels Alfred

Alfráda Alverade v.

Alfrík Alfrik Alverik m. • erfnaam Elverking, nu Elferman (Overijssel) • Middelhoogduits Alberîch (dwergnaam), Oudengels Ælfríc, oordnaam Alvricestone, nu Alfriston (Sussex), Oudfrans Auberi (koosvorm Auberon)

Alfrún Alfruin Alveruin v. • Oudnoords Alfrún, Oudhoogduits Albrûn, Oudengels Ælfrún, oordnaam Alfruneton, nu Afflington (Dorset)

Alfstên Alfsteen Alfsten m. • Oudhoogduits Albstein, Oudengels Ælfstán

Alfswind Alfswind v.

Alfthrúth Alfdruid v. • Oudengels Ælfþrýþ

Alfward Alverd m. • Latijns-Germaans Alfwardus, Oudengels Ælfweard

Alfwíh Alfwij Alfwijg v.

Alfwini Alfwin Alvewijn m., naam van een beroemde 6e-eeuwse koning der Langbardon Langbaarden, zoon van Ôdwini Odwin • Langbaards Alboin, Oudengels Ælfwine, oordnaam Alwinestone, nu Alston (Devon)

alh aal m. ‘heiligdom’, vgl. Gotisch alhs, Oudengels ealh ‘hetz.’, Litouws al̃kas, alkà ‘heiligdom, heilig heuvelbos’, mog. verwant aan Oudengels ealgian ‘verdedigen’, Fries ealgje ‘letten op’

Alhfrith Alfred Alfert m. • Oudsaksisch Alhfrith, oordnaam Alhfridushuson (Noordrijn-Westfalen), Oudengels Alhfriþ Ealhfriþ

Alhmund Almond m. • Latijns-Germaans Alchemundus, Oudengels Ealhmund, oordnamen Ælmundestune, nu Alcastone (Shropshire), en Alchmundesberi, nu Alconbury (Cambridgeshire)

Alhwini Alewijn Alwin m., naam van de beroemde geleerde en raadgever van koning Karl Karel de Grote, afkomstig van de Engili Engelen • Oudengels Alhwine Ealhwine, Latijns-Germaans Alchuinus Alcuinus

alu aal v. betekent mog. ‘vervoering’, vgl. Germaans ᚨᛚᚢ (alu) op menige amulet, mog. hetz. woord als Middelnederlands ale ‘bier’, vgl. Grieks alúō ‘buiten zichzelf zijn’, Lets aluôt ‘dwalen’

Aluberht Albrecht Albert m. • Latijns-Germaans Alubertus, Oudengels Ealubeorht

Alurún Alruin Alderuin v., naam van de vrouw van Eigil Eigel, volgens het Oudnoordse lied Vǫlundarkviða een valkyrja, waarvoor zie wal • Oerhoogduits ᚨᛇᛚᚱᚢᚾ (Aïlrūn), wel eig. ᚨᛚᚢᚱᚢᚾ (Alurūn), Oudnoords Ǫlrún

Alvuko Alfke m., Alvuka Alfke v., Elviko Elfke m., Elvika Elfke v. koosvorm van Alf • oude erfnaam Elfkonch (Gelderland)

amal amel betekent mog. ‘telg, tak’ o.i.d., vgl. Gotisch ams ‘schouder’ (eig. ‘tak’), Litouws ãmalas ‘maretak’, anders mog. ‘daadkrachtig, onvermoeibaar’, vgl. Oudnoords amla ‘zich inspannen’, Noors ama ‘aandringen’

Amal Amel m., Amalo Amele Amel m., Amala Amele v. • oordnaam Amelestorp, nu Amelsdorp (Belgisch-Limburg), geslachtsnaam Amaling in de oude erfnaam Amelinghe guet (Drenthe)

Amalberga Amelberge v., naam van meerdere 8e/9e/10e-eeuwse heiligen en geestelijken

Amalberht Amelbrecht Amelbert m. • Latijns-Germaans Amalbercthus

Amalburg Amelburg v.

Amalgard Amelgard v.

Amalgêr Amelger m.

Amalgísl Amelgijs Amelgis m.

Amalgôt Amelgot m.

Amalhard Amelhard m.

Amalheri Amelaar m. • oude erfnaam Amelrynck (Overijssel), geslachtsnaam Amalhering in de oordnaam Amolringehem, nu Amelgem (Vlaams-Brabant)

Amaling Ameling, Amalung Ameling m. • oude erfnaam Amelongsgoed (Overijssel) • Oudhoogduits Amalung, Oudengels Amuling, Oudnoords Ǫmlungr

Amalrík Amelrik m. • oude erfnaam Emelrikynk (Overijssel) • Frans Amaury

Amalswind Amelswind v.

Amalthrúth Ameldruid v.

Amalwald Ameloud m. • Latijns-Germaans Amalwaldus

amat amt, emit emt betekent wel ‘ijver, volharding’, vgl. Middelhoogduits emzic ‘ijverig, volhardend’, Duits emsig ‘vlijtig’, en het achtervoegsel van Davat, mog. verwant aan amal

Amatheri Ameter m.

Amathild Ametild v.

Amatlêk Ametlek m.

Ammo Amme m., Amma Amme v. nevenvorm van Amo

Amo Ame m., Ama Ame v. koosvorm van Amal- en Amat-namen en brabbelnaam voor verwanten, vgl. am ‘min, zoogmoeder’ en zie Mama

And And m. betekent mog. ‘blind’ of wellicht zelfs ‘eenoogd’ in verwijzing naar Wódan, vgl. Sanskriet andhá- ‘blind’, Latijn andabata ‘gladiator met helm zonder opening voor de ogen’ • oordnaam Andassale, nu Andelst (Gelderland)

andar ander ‘bloeiend, spruitend’, vgl. andoorn, Oudhoogduits antarfahs ‘met weelderig haar’, Oostfries andel ‘kweldergras’, Sanskriet ándhas- ‘spruit der somaplant’, Grieks ánthos ‘bloem’

Andarbodo Anderbode m. ‘bloeiende, spruitende knop’ • Oudengels Anderboda, Oudhoogduits Antirpoto Antarbot

ando ande m. ‘adem, geest, bezieling’, vgl. Oudnoords andi ‘hetz.’, Middelnederlands ande ‘ijver, drift, toorn, spijt’, vgl. blád

Andberht Andbrecht Andbert Ambrecht Ambert Ammert m.

Andgêr Andger m.

Andheri Anter m. • oude erfnaam Enderinck (Gelderland)

Andhram Anderam m.

Andrík Anderik m.

Andulf Andolf m. • erfnaam Andolvynck (Gelderland) • Oudfries Andulf, oordnaam Andulfes uurð (Oost-Friesland)

ango ang ‘stekel’, in dichterlijke zin ‘(werp)speer’, vgl. Oudengels anga ‘stekel’, Grieks-Germaans ἄγγωνες (ángōnes) mv. ‘(Frankische) werpsperen’, verwant aan angel

Angantheo Angendie m., naam van meerdere mannen uit de heldentijd • Bourgondisch Angatheus, Oudhoogduits Angendeo, Oudengels Angenþéow Ongenþéow, Oudnoords Angantýr (verhaspeld met týr ‘god’), mog. Fries And Ant

Anniko Anneke m., Annika Anneke Anke v. koosvorm van Anno

Anno Anne m., Anna Anne v. nevenvorm van Ano of koosvorm van Arn-namen • oude erfnaam Anning (Overijssel) • Oudengels Anna Eanna

Ano Ane m., Ana Ane v. betekent wel ‘grootvader, grootmoeder’, bij uitbreiding ‘voorvader, voormoeder’, vgl. Oudhoogduits ano ‘grootvader’, ana ‘grootmoeder’, Duits Ahn ‘voorouder’, Westfaals âneke (in o.a. ânekefader ‘over- of oergrootvader’), Twents annike (in o.a. annikebesmoor ‘over- of oergrootmoeder’)

ans ans m. ‘god, godheid, oergeest’, vgl. Oudengels ós, Oudnoords áss ‘hetz.’, mv. æsir, vgl. frô, god, regin

Ansbald Ansboud m. • Oudengels Ósbeald, oordnaam Osbaldeston (Lancashire)

Ansberht Ansbrecht Ansbert m. • Latijns-Germaans Ansebercthus, Oudengels Ósbeorht, Oudfries Ósberht, oude oordnaam Osprehtashem Osbragttashem (Noord-Holland)

Ansbern Ansbern m. • Oudsaksisch Ôsbern, oude erfnaam Oesbernijng (Overijssel), Oudnoords Ásbjǫrn, Oudengels Ósbeorn, oordnaam Osberneston, nu Osbaston (Leicestershire)

Ansdag Ansdag m. • Oudvlaams Ósdei, Oudsaksisch Ôsdag, oordnaam Osdageshusen, nu Odagsen (Nedersaksen)

Ansflád Ansflaad v. • Latijns-Germaans Anseflēdis

Ansfrith Ansfred Ansfert m. • Oudengels Ósfriþ, Oudfries Ósfrith, oude oordnaam Osfrithhem (Noord- of Zuid-Holland)

Ansgar Ansger m.

Ansgard Ansgard v. • Oudvlaams Ósgard

Ansgêr Ansger m. • Oudfries Ósgêr, oordnaam Osgeresgest, nu Oegstgeest (Zuid-Holland), Oudengels Ósgár

Ansgeva Ansgeve v. • Oudvlaams Ósgiva, Oudengels Ósgifu

Ansgísl Ansgis m. • Latijns-Germaans Ansegīselus

Ansgund Ansgond v. • Oudengels Ósgýþ

Anshelm Anselm m. • erfnaam Anseminck, nu Ansink (Gelderland), oude erfnaam Anselminc (Overijssel) • Frans Ansaume Anseaume

Ansheri Anser m. • erfnamen Ensering, nu Het Enzerinck (Gelderland), en Enserinch, nu Enzerink (Gelderland)

Anshild Anshild Ansild v. • Oudhoogduits Anshilt Enshilt, oordnaam Enseltheim, nu Einselthum (Rijnland-Palts)

Anslêf Anslef m. • Oudsaksisch Ôslêf, oordnaam Osleveshem, nu Oesselse (Nedersaksen), Oudfries Óslêf, Oudengels Ósláf, oordnaam Oslavestune, nu Osleston (Derbyshire)

Ansman Ansman m. • oude erfnaam Ansmanning (Overijssel) • Oudsaksisch Ôsman, erfnaam Osmanninc, nu Oossink (Gelderland)

Ansmund Ansmond m. • Oudfries Ósmund, oude oordnaam Ostmondskerke, nu Oosmanskerke (Zeeland), Oudengels Ósmund, oordnaam Osmundestune, nu Osmaston (Derbyshire), Oudnoords Ásmundr, oordnaam Asmundrebi, nu Aismunderby (Yorkshire)

Anso Anze m., Ansa Anze v. koosvorm van Ans-namen • oude erfnamen Ensing (Overijssel), Ensinck (Gelderland) • Oudengels Ósa, oordnaam Osanig, nu Osney (Oxfordshire), Oudnoords Ási Ása

Ansrík Anzerik m. • Oudengels Ósríc

Ansulf Anzolf m. • Oudengels Óswulf Ósulf, oordnaam Osulvestona, nu Owston (Leicestershire),Oudnoords Ásólfr

Answald Ansoud m. • geslachtsnaam Answalding in de oordnaam Ansoldingehem, nu Anzegem (West-Vlaanderen) • Latijns-Germaans Ansovaldus Ansoaldus, Oudengels Óswald Ósweald, oordnaam Oswaldescherca, nu Oswaldkirk (Yorkshire)

Answind Answind m. • Latijns-Germaans Ansoindus

Answini Answin Anzewijn m. • Oudengels Óswine

Answíh Answij Anzewij Answijg Anzewijg v.

anst anst v. ‘gunst, genegenheid’, vgl. Oudsaksisch anst, Oudhoogduits anst, Oudnoords ást ‘hetz.’

Ansto Anste Anst m. • oordnaam Anstenrode, nu Amstenrade (Nederlands-Limburg)

Anstwini Anstwin Anstwijn m.

Anto Ante m., Anta Ante v. betekent mog. ‘grote’ o.i.d., vgl. Oudengels ent ‘reus’, Beiers Enzmann ‘grote man’, Enzkerl ‘grote kerel’ • erfnaam Antink (Overijssel), mog. geslachtsnaam Anting in de oordnaam Hantinguehem, nu Autinghem (Pas-de-Calais), mog. geslachtsnaam Enting in de oude erfnaam Entinghe-erve (Drenthe), mits niet bij Into • Oudhoogduits Anzo, Anza, Oudengels Anta m., mog. Fries Ante in Antema

Anulo Andele Andel m., naam van een Zweedse koning, koosvorm van Ano • Oudengels Onela, Oudnoords Áli Óli, Fries Andele

Appo Appe m. nevenvorm van Avo • Oudengels Appa

ard aard m. ‘thuis, thuisland, vaderland, herkomst’, vgl. aard ‘wezen, inborst’, aarden ‘zich thuis voelen’, Oudengels eard ‘thuis(land)’, Latijn ortus ‘opkomst, geboorte, afstamming’, niet verwant aan aarde ‘wereld, grond’

Ardrík Arderik m.

Ardulf Ardolf m. • Oudengels Eardwulf

arn arn, aro aar m. ‘arend’, de vorstelijke roofvogel, vgl. Fries earn, Oudnoords ǫrn ‘hetz.’

Arn Arn m., Arno Arne m. • oude oordnaam Arneshoec (mog. West-Vlaanderen), geslachtsnaam Erning in de oordnaam Erningahem, nu Eernegem (West-Vlaanderen)

Arngôt Arngot m. • Oudengels Earngéat

Arngund Arngond v., naam van een 6e-eeuwse koningin der Frankon Franken • Latijns-Germaans Arnegundis

Arnhard Arnard Arend m. • erfnaam Arnding, nu Aarnman (Overijssel)

Arnulf Arnolf m. • Oudnoords Ǫrnolfr, Oudengels Earnwulf, oordnamen Arnulvesheved, nu Arnside (Cumbria), Ernulfestorp, nu Armthorpe (Yorkshire)

Arnwald Arnoud m. • oude erfnaam Arnolding (Overijssel) • Latijns-Germaans Arnoaldus, Frans Arnault Arnaut Arnaud

Aro Are Aar m. • geslachtsnaam Ering in de oordnaam Erenkeim, lees *Erinkheim, nu Erichem (Gelderland)

aru aruw aar ‘snel, vlug, gereed’, vgl. Oudsaksisch aru ‘hetz.’

Arugast Argast m., naam van een bekende Romeinse legerleider afkomstig van de Frankon Franken • Latijns-Germaans Arvagastēs Arbogastēs, Latijns-Germaans Arogast

ask as m. ‘es, essenboom’, in dichterlijke zin ‘speer’, daar speren vroeger vooral van essenhout waren gemaakt

Ask As m., Asko Asse m. • oude erfnaam Esking (Overijssel), mog. oordnaam Assenrade (Overijssel), geslachtsnaam Asking in de oude erfnaam Asscingehus (Drenthe) • Oudengels Æsc Æsca, oordnaam Æscesdun, nu Ashdown (Berkshire)

Askheri Asser m. • erfnaam Esschering, nu De Essche (Overijssel) • Oudengels Æschere, oordnaam Assherestone, nu Ashton (Devon)

Askhild Ashild Assild v. • Latijns-Germaans Ascoildis, Oudhoogduits Aschilt, Oudengels Æschild, oordnaam Assildeham, nu Asheldham (Essex)

Askrík Asserik Asterik m.

Askala Assele v. • Latijns-Germaans Ascula Ascyla Ascila

Askulf Assolf m. • Oudengels Æscwulf

Askwald Assoud m. • geslachtsnaam Askwalding in de oordnaam Ascold[in]gehem, nu Assegem (West-Vlaanderen)

Askwind Aswind m. • Latijns-Germaans Ascovindus

Ato Ate m., Ata Ate v. nevenvorm van Atho • geslachtsnaam Ating in de oordnaam Atingohova, nu Etikhove (Oost-Vlaanderen) • Oudengels Ata m., Oudhoogduits Azo, Aza

Atto Atte m., Atta Atte v. nevenvorm van Atho • oordnaam Attenhove (Vlaams-Brabant), geslachtsnaam Atting in de oude oordnaam Attinghem (Gelderland) • Oudengels Atta Ætta m., Ætte v., Oudhoogduits Azzo, Azza

athal adel o. ‘adel, geslacht, afkomst’, verwant aan óthil ‘erfgoed, stamgoed, vaderland’, mog. eig. ‘het vaderlijke, van vader geërfde’ als afleiding van Atho en dan evenredig aan Hettitisch attallaš ‘vaderlijk’ van atta ‘vader’, of mog. net als Gotisch aþn ‘jaar’ en Oudhoogduits atahaft ‘doorgaand’ van een wortel voor ‘gaan’

Athal Adel Aal m., Athalo Adele Ale m., Athala Adele Ale v. koosvorm van Athal-namen • Oudengels Æþel

Athalbald Adelboud Alboud m. • Oudengels Æþelbeald

Athalbarn Adelbarn Albarn m.

Athalberht Adelbrecht Adelbert Albrecht Albert m. • erfnaam Alberting, nu Den Iemker (Overijssel) • Oudengels Æþelbeorht

Athalbrand Adelbrand Albrand m.

Athalburg Adelburg Alburg v. • Oudengels Æþelburh, Fries Jelbrich

Athaldag Adeldag Aldag m. • Oudsaksisch Athaldag, oordnaam Adaldageshusen, nu Aldagsen (Noordrijn-Westfalen)

Athalgard Adelgard Algard v. • Oudengels Æþelgeard m.

Athalgêr Adelger Alger m. • Oudsaksisch Athalgêr, oordnaam Adalgerasthorpa, nu Ellersdorf (Saksen-Anhalt), Oudengels Æþelgár, Fries Jelger Jeljer

Athalgeva Adelgeve v. • Oudengels Æþelgifu

Athalgísl Adelgijs Alegijs Algis m. • Latijns-Germaans Adalgīsilus Adalgīselus

Athalgôt Adelgot Algot m. • oude oordnaam Algothesdorpe Algoti villa (Utrecht) • Oudengels Æþelgéat, Oudhoogduits Adalgôz, Oudsaksisch Athalgôt, oordnaam Algotesthorpe, nu Alversdorf (Nedersaksen)

Athalhard Adelhard Allard Aldert m. • oordnaam Alerdeskirkam, tSer Olaertskerke (lees te ’s Heer Olaertskerke), nu Serooskerke (Zeeland), erfnaam Alarding, nu Alert (Overijssel), oude erfnaam Alardeshove (Gelderland) • Fries Jellert Jeldert, Oudengels Æþelheard, oordnaam Athelardestre, nu Allestree (Derbyshire)

Athalheid Adelheid Aleid v. • Frans Adélaide

Athalheri Adelaar Alder m. • Oudsaksisch Athalheri, oordnaam Athalheringuuik (Noordrijn-Westfalen), Oudengels Æþelhere, Fries Jelder

Athalhelm Adelhelm Alem m. • Oudengels Æþelhelm

Athalhild Adelhild v. • Oudengels Æþelhild

Athalland Adeland m.

Athallêf Adelef Alef m.

Athallind Adelind v.

Athalmár Adelmar Almar m. • oude erfnaam Almerinc (Gelderland) • Oudengels Æþelmǽr, Fries Jelmer

Athalmód Adelmoed Almoed v.

Athalrík Adelrik Alrik Alderik m. • oordnaam Athalrichheim, nu Erlecom (Gelderland) • Oudengels Æþelríc, Fries Jelrik Jeldrik

Athalstên Adelsteen Alsteen Alsten m. • Oudhoogduits Adelstein, Oudengels Æþelstán, oordnaam Æðelstanestun, nu Ayston (Rutland)

Athalthrúth Adeldruid Aldruid v. • Oudengels Æþelþrýþ

Athalulf Adolf Alof Aalf m. • achternaam Adolfsen Adolfs Alofsen Alofs Aalfs, oude erfnaam Aelvinghof (Overijssel) • Oudengels Æþelwulf

Athalwara Adelware Alware v. • Oudengels Æþelwaru, oordnaam Æþelware byrig, nu Alderbury (Wiltshire)

Athalward Adelward Alward m. • Oudengels Æþelweard

Athalwíf Adelwijf Alwijf v.

Athalwíh Adelwij Adelwijg Alewij Alewijg v.

Athalwini Adelwijn Alewijn Alwin m. • erfnaam Aelvening, nu Aalvink (Overijssel) • Oudengels Æþelwine

Atho Ade m., Atha Ade v. enerzijds koosvorm van Athal-namen, enerzijds ‘vader, moeder’, net als Ado, Ato en Atto, vgl. Zaans ate, Gronings oate atte, Gotisch atta, Latijn atta, Grieks atta, Oudkerkslavisch otьcь, alle ‘vader’, Sanskriet attā ‘moeder, oudere zuster’, Oudnoords edda ‘oma’, verwant aan Ódo en mog. grondslag van athal • Oudhoogduits Ado, Ada

avar aver ‘sterk’, vgl. Gotisch abrs ‘hetz.’, verwant aan Oudnoords afl ‘kracht’ en Óvo (niet Ôvo), mog. ook Avo

Avarhild Averhild Averild v.

Avarwald Averoud m.

Avo Ave m., Ava Ave v. brabbelnaam voor verwanten, mog. vermengd met de wortel van avar, vgl. Gotisch aba ‘man, echtgenoot’, Oudnoords afi ‘man, grootvader’, Faeröers abbi ‘grootvader’ en zie Mama • oordnamen Avenhorn (Noord-Holland), en Avansati, nu Kerk-Avezaath (Gelderland), erfnaam Avenhuis (Overijssel) • Oudengels Afa, Fries Ave Ouwe

Avuko Aveke m., Avuka Aveke v. koosvorm van Avo • erfnaam Aveking, nu Aaftink (Overijssel) • Fries Aveke Ouke

Avulo Avele m., Avula Avele v. koosvorm van Avo • geslachtsnaam Avuling in de oordnamen Avlingehem, nu Avelgem (West-Vlaanderen), en Affligem (Vlaams-Brabant)

awi ouw ooi ‘voorspoed, heil’, eig. ‘hulp, gunst, van de goden’, vgl. Oernoords ᚨᚢᛃᚨ (auja), Oudnoords ey ‘hetz.’, Gotisch awi-liuþ ‘dankzegging’, letterlijk ‘gunst-lied’, verwant aan Sanskriet ávati ‘helpen, beschermen’, Latijn iuvō ‘helpen, steunen’

Awimund Oumond m. • Oerhoogduits ᚨᚹᛁᛗᚢᚾᛞ (Awimund), Oudnoords Eymundr

Awo O m., Awa Auwe v. betekent wel ‘grootouder, voorouder, stamouder’, nog in oom, Duits Oheim (ouder *awahaim-), vgl. Oudnoords ái ‘stamvader’, Gotisch awō ‘grootmoeder’, Latijn avus ‘grootvader, voorvader’ • Oudhoogduits ᚨᚹᚨ (Awa)

B

Babbo Babbe m., Babba Babbe v. nevenvorm van Bavo • Oudengels Babba, oordnaam Babbethorp, nu Babthorp (Yorkshire)

-bad zie badu

Bado Bade m., Bada Bade v. koosvorm van Badu-namen • geslachtsnaam Bading in de oordnaam Badingehem, nu Baaigem (Oost-Vlaanderen) • Oudengels Bada Beada (mits niet Béada), oordnaam Badenhale, nu Badenhall (Staffordshire)

badu bade m. ‘strijd, krijg’, vgl. Oudengels beado v., Oudnoords bǫð v. ‘hetz.’, Oudsaksisch undarbadon ‘verschrikken’, Oudhoogduits unbat ‘lui’ (wel eig. ‘onstrijdlustig’), Oudiers bodb badb ‘kraai, krijgsgodin’ • als tweede lid in mannelijke namen altijd -bad zonder eindklinker

Badugar Badegar m.

Badugêr Badeger m.

Badugísl Badegijs m. • Latijns-Germaans Badegīsilus

Baduko Badeke m. koosvorm van Bado of Badu-namen • Oudengels Beadeca, Oudhoogduits Batucho Patucho

Badulo Badele m., Badula Badele v. koosvorm van Bado of Badu-namen • geslachtsnaam Baduling in de oordnaam Badelinghem, nu Balegem (Oost-Vlaanderen)

Badulôg Badelog v.

Baduhild Badehild v., naam van de dochter van Níthhath Nijdhad, bezwangerd door Wéland Wieland • Oudengels Beadohild, Oudnoords Bǫðvildr, Oudhoogduits Batahilt Patuhilt

Badunand Badenand m. • Oudfries Badunâth, oordnaam Badunathashem (Oost-Friesland), Oudhoogduits Batanand, oude oordnaam Batanandesheim (Elzas)

Badurík Baderik m. • Oudengels Beaduríc, oordnaam Badoricesheah, nu Battersea (Londen)

Bágo Bage m. ‘drieste, vermetele’, vgl. Oudnoords bágr ‘wedijver’, Oudhoogduits bágan ‘twisten’, Middelnederlands bagel ‘vermetel’ • geslachtsnaam Báging in de oordnaam Bagingatun, nu Baincthun (Pas-de-Calais) • Oudengels Bǽga Béga, oordnaam Begestan, nu Bayston (Shropshire)

Bakko Bakke m. nevenvorm van Bágo • Oudengels Bacca, oordnaam Baccancelde, nu Bapchild (Kent)

bald boud ‘wagend, durvend’, vgl. Engels bold ‘hetz.’

Bald Boud m., Baldo Boude m. • geslachtsnaam Balding in de oude erfnaam Baldinghus (Drenthe) • Oudengels Beald Bealda

Baldgard Boudgard v.

Baldheri Bouter m. • oordnamen Baltreshem, nu Boutersem (Vlaams-Brabant), Baltreshanda, nu Boterzande (Zeeland), Baltershoven, nu Boutershoven (Belgisch-Limburg), en Boutresbruge, nu Boutersbrugge (Vlaams-Brabant) • Oudengels Baldhere Bealdhere, oordnaam Balderestone, nu Balderston (Lancashire)

Baldhild Boudhild Boutild v. • Latijns-Germaans Baldechildis Balthildis

Baldhravan Bouderaven, Baldhram Bouderam m.

Baldrík Bouderik m. • Oudengels Bealdríc

Baldrún Bouderuin v. • Latijns-Germaans Balderūna

Baldulf Boudolf m. • Oudengels Bealdwulf

Baldwini Boudwin Boudewijn m. • oordnaam Boudewijnskerke (Zeeland), oude erfnaam Boldewynsguet (Drenthe) • Oudengels Bealdwine

Ballo Balle m. nevenvorm van Bólo

Balo Bale m. nevenvorm van Bólo

bana baan v. betekent ‘slagveld’ o.i.d., vgl. Middelnederlands bane ‘hetz.’, Oudhoogduits bana ‘dood(slag) in de strijd’, Oudengels ben ‘verwonding, wond’, Oudsaksisch beniwunda ‘doodswond’

Banagêr Banger m. • Oudsaksisch Banagêr, Oudhoogduits Panagêr

Banno Banne m., Banna Banne v. nevenvorm van Bano of betekent ‘gebiedende’, vgl. bannen ‘bij vonnis (ont)zeggen’, Oudhoogduits bannan ‘gebieden, bevelen’ • erfnaam Bannink (Gelderland), geslachtsnaam Banning in de oude erfnaam Banninge (Drenthe)

Bano Bane m., Bana Bane v. koosvorm van Bana-namen of betekent ‘doder’, vgl. Oudhoogduits bano, Oudengels bana m. ‘hetz.’, doch dan alsnog verwant aan bana • geslachtsnaam Baning in de oude erfnaam Baningehus (Drenthe) • Langbaards Bano (bijnaam), Oudhoogduits Pana, Oudengels Bana m., oordnaam Bananwylle, nu Banwell (Somerset), Fries Bane

Banto Bante Bant m. betekent mog. ‘landsman’ o.i.d., mits afgeleid van bant ‘landstreek, gebied’, zoals nog in Brabant en Swifterbant • mog. oude erfnaam Benting (Gelderland) • Oudhoogduits Panzo, Oudengels Banta, Fries Bante Bant

Banuso Banze m., Beniso Benze m. koosvorm van Bano • oude erfnaam Benesing (Overijssel) • Oudengels Benesa, geslachtsnaam Benesing in de oordnaam Bænesingtun, nu Bensington/Benson (Oxfordshire)

bard bard baard m. ‘baard’, mits niet ‘bijl’, vgl. Oudsaksisch barda ‘bijl’, of zelfs ‘krijger’, vgl. Oudnoords berja ‘slaan’, bardagi ‘strijd’, Grieks pérthō ‘plunderen, verwoesten’, zie Langbardon

Bard Bard m., Bardo Barde m. • oude erfnaam Bardinchof (Gelderland), geslachtsnaam Barding in de oordnaam Bardenghem, nu Baardegem (Oost-Vlaanderen)

barn barn o. ‘kind’, verwant aan baren, geboren, vgl. Noors barn, Schots bairn, Fries bern

Baso Baze Baas m. betekent mog. ‘flinkerd’, vgl. Basso en Bóso, of ‘beveler’ of ‘vader’, vgl. baas ‘leider’, ouder ‘gezinshoofd’, Rijnlands Base ‘tante’, vroeger vooral ‘vaderszuster’, Grieks phḗsō ‘zal zeggen’, Sanskriet bhāṣā ‘spraak’, vgl. Fries heit ‘vader’, verwant aan heten ‘verklaren, (zich) noemen’, vroeger ook ‘oproepen, bevelen’ • geslachtsnaam Basing in de oordnaam Basingeham, nu Bazinghen (Pas-de-Calais), en oude oordnaam Basingasele (Oost-Vlaanderen) • Oudhoogduits Baso Paso, oordnamen Basenheim, nu Baasem (Rijnland-Palts), en Pasinpah, nu Pasenbach (Beieren), Oudengels Basa, oordnaam Baseford, nu Basford (Nottinghamshire), en Basengum, nu Basing (Hampshire)

Basso Basse Bas m. betekent mog. ‘flinkerd’ o.i.d., vgl. Westfaals basse ‘wild zwijn’, Middelnederduits basse ‘hetz.’, Oudzweeds basse ‘hetz.’, Noors basse ‘groot dier, grote man’, IJslands bassi ‘wild zwijn, beer, os’, mog. verwant aan Baso en Bóso • Oudengels Bassa, oordnaam Basselawa, nu Baslow (Derbyshire), Oudfries Bassa, oordnaam Bassenze, nu Bassens (Oost-Friesland)

Batawa Batuwen mv., naam van een stam die in Nederland woonde, naast de Hamawa Hamuwen en Kananafethi Kanenveden, en schitterde in dienst van Rome doch ertegen in opstand kwam en later opging in de Frankon Franken • overleeft met gewestelijke uitspraak als de streeknaam Betuwe en betekent ‘goeden’ als oude verbuiging van batu • Latijns-Germaans Batavī mv. (vanwaar de oneigenlijke vorm Bataven, met verlegde klemtoon)

Bato Bate m., Bata Bate v. ‘goede’, zie batu • oordnaam Batenburg (Gelderland), geslachtsnaam Bating in de oude erfnaam Batinge (Drenthe) • Oudengels Bata, oordnamen Batancumbæ, nu Batcombe (Somerset), en Batington, nu Baddington (Cheshire), Oudhoogduits Bazo Bazzo Pazo Pazzo

Batto Batte m., Batta Batte v. nevenvorm van Bato • oude erfnaam Battinc (Drenthe), geslachtsnaam Batting in de oude erfnaam Battingehus (Drenthe)

batu baat ‘goed’, vgl. baat, beter, boete ‘vergoeding’, bet- in o.a. betovergrootvader, Middelnederlands bat bw. ‘beter’ en Batawa

Batuwini Batwin Batewijn m. • Latijns-Germaans Batovinus Batouinus Batoinus, Gotisch Batwin(s), Oudhoogduits Pazzwin

Bavo Bave m., Bava Bave v. brabbelnaam voor verwanten, zie Mama • geslachtsnaam Baving Beving in de oordnamen Bavingehem, nu Bavegem (Oost-Vlaanderen), Bavinghova, nu Bavikhove (West-Vlaanderen), en Beuinges, nu Bevingen (Belgisch-Limburg)

Beiko Beike m. koosvorm van Beio • Fries Baike Baaike

Beio Beie Bei m. betekent mog. ‘strijdende’ o.i.d., zie Bío • Fries Baaie

Bekko Bekke m. nevenvorm van Bakko of koosvorm van Berko • oude oordnaam Beccanburen (Noord-Holland) • Oudengels Becca Beocca, oordnamen Beccanford, nu Beckford (Gloucestershire), en Beccanlea, nu Beckley (Sussex)

Bello Belle m., Bella Belle v. nevenvorm van Ballo • geslachtsnaam Belling in de oordnamen Bellingim, nu Bellegem (West-Vlaanderen), en Bellengem, nu Bellingen (Vlaams-Brabant) • Oudengels Bella

bên been in namen betekent wel ‘recht, rechtvaardig, welgezind, gastvrij’ o.i.d., vgl. Oudnoords beinn ‘recht(streeks); gastvrij’

Bênbôd Bembod m. • Latijns-Germaans Bainobaudēs

Bênheri Bener Beender m. • oude erfnaam Beneringh (Gelderland) • Oudhoogduits Beinher, oordnaam Beinheresstat

Bêning Bening, Beining Beining m. • Latijns-Germaans Bainingus

Bêno Bene m. • Oudnoords Beini, Oudengels Bána, geslachtsnaam Báningas mv., Fries Biene

Bêntêt Beente Beent m. koosvorm van Bêno • Fries Biente Bient Bjinte

Benniko Benneke Benke m., Bennika Benneke Benke v. koosvorm van Benno of Banno • erfnaam Benneking, nu De Benneker (Overijssel)

Benno Benne Ben m. koosvorm van Bern-namen of nevenvorm van Banno • Oudengels Benna Beonna, oordnaam Bennanhamme, nu Benham (Berkshire)

Bentêt Bente Bent Beinte Beint m. koosvorm van Benno • Fries Bente Beinte Beint

Bêr Beer m. ‘mannelijk everzwijn’, vgl. Evor en Thróand • Oudhoogduits Pêr, Oudengels Bár

berga berge v. ‘bescherming’, vgl. bergen ‘in veiligheid brengen’, halsberg m. ‘wapenrustig’, burg

Bergo Berge m. betekent wel ‘beschermer’, zie berga • Oudhoogduits Pergo, Oudengels Beorga, Fries Barge Berge

berht brecht bert ‘schitterend, stralend, helder’, vgl. Oudengels beorht, Engels bright, Oudnoords bjártur ‘hetz.’

Berht Brecht Bert, Berhto Brecht Bert m., Berhta Brechte Berte v. • oordnaam Bertshere, nu Batsheers (Belgisch-Limburg), geslachtsnaam Berhting in de oordnaam Bertinghehem, nu Beertegem (Oost-Vlaanderen) • Oudengels Beorht, Fries Brjocht

Berhtflád Brechtflaad Bertflaad v. • Latijns-Germaans Bertheflēdis (met th voor ht)

Berhtgard Brechtgard Bertgard v.

Berhtgôt Brechtgot Bertgot m.

Berhtgund Brechtgond Bertgond v. • Latijns-Germaans Berthegundis (met th voor ht)

Berhtheid Brechtheid Bertheid v.

Berhthelm Brechtelm Bertelm m. • Latijns-Germaans Berthelmus Bertelmus, Oudengels Beorhthelm Byrhthelm Bryhthelm, oordnaam Bristelmestune Brighthelmstone, nu Brighton (Sussex)

Berhtheri Brechter Berter m. • Latijns-Germaans Berthacharius (met th voor ht), Oudengels Beorhthere

Berhthild Brechteld Berteld v. • Latijns-Germaans Berthichildis (met th voor ht)

Berhthram Brechtram Bertram m. • oude erfnaam Bertraninc Bartraming (Overijssel) • Latijns-Germaans Berthechramnus Berthchramnus Berthramnus (met th voor ht)

Berhtilo Brechtel Bertel m., Berhtila Brechtele Bertele v. koosvorm van Berht-namen

Berhtlind Brechtlind Bertlind v.

Berhtrád Brechtraad Bertraad m. • Oudengels Beorhtréd

Berhtráda Brechterade Berterade v.

Berhtrand Brechtrand Bertrand m.

Berhtrík Brechtrik Brechterik Bertrik Berterik m.

Berhtsind Brechtsind Bertsind v. • Latijns-Germaans Berthesindis (met th voor ht)

Berhtswind Brechtswind Bertswind v. • Oudengels Beorhtswíþ

Berhtthrúth Brechtruid Bertruid v., naam van een 6e/7e-eeuwse koningin der Frankon Franken • Latijns-Germaans Bertrūdis

Berhtulf Brechtolf Bertolf m. • Oudengels Beorhtwulf

Berhtwald Brechtoud Bertoud m. • erfnaam Bertolding, nu Het Bartelink (Overijssel) • Latijns-Germaans Bertovaldus Bertoaldus, Oudengels Beorhtweald, oordnaam Bertoldestreu, nu Bartestree (Herefordshire)

Berhtwara Brechteware Berteware v. • Latijns-Germaans Bertovara

Berhtwini Brechtwin Brechtewijn Bertwin Bertewijn m. • Latijns-Germaans Bertovinus Bertoinus, Oudengels Beorhtwine

Berko Berke Berk m. ‘heldere, stralende, vgl. Noors bjerk ‘helder’, verwant aan berk en berht • Oudnoords Bjarki, Oudengels Beorcol

bern bern, bero beer m. ‘beer’, in dichterlijke zin ‘krijger’, vgl. Oudnoords bjǫrn ‘hetz.’

Bern Bern m., Berno Berne m. • oude erfnaam Berninc (Gelderland) • Oudengels Beorn Beorna

Berngard Berngard v.

Bernhard Bernard Berend Barend m. • oordnaam Bernardeskercha, nu Noord-Scharwoude (Noord-Holland), erfnamen Berending (Overijssel), Bernding, nu Bernink (Overijssel) • Oudengels Beornheard, oordnamen Bernardeshull, nu Barnsdale (Rutland), en Bernardeston, nu Barnardiston (Staffordshire)

Bernhild Bernhild Bernild v.

Bernlêf Bernlef m., naam van een 8e-eeuwse zanger-dichter der Frésion Friezen die door de zendeling Liudgêr Ludger van zijn blindheid genezen ware • Oudfries Bernlêf, Oudengels Beornláf

Bernswind Bernswind v.

Bernulf Bernolf m. • Oudengels Bearnwulf, oordnaam Bernulvestone, nu Barlastone (Staffordshire)

Bernwald Bernoud m. • Oudengels Bearnweald

Bernwíf Bernewijf v.

Bernwíh Bernewij Bernewijg v. • Fries Bernou

Bernwing Bernwing m.

bero beer m. zie bern

Berafrith Berfred Bervert m. • erfnaam Berversborch, nu Berverborg (Overijssel)

Beragísl Beregijs Bergis m. • Latijns-Germaans Beregīsilus

Beraheri Beerder m. • Latijns-Germaans Beracharius

Berahwelp Berewelp m. • Oudhoogduits Perawelf

Beralind Berlind v., naam van een 7e-eeuwse heilige • Latijns-Germaans Berlindis

Beramód Bermoed m. • Latijns-Germaans Beremōdus

Beramundd Bermond m. • Latijns-Germaans Beremundus

Berathrúth Berdruid v. • Latijns-Germaans Berethrūdis Beretrūdis

Berawald Berwoud m.

Berawíh Berewij Berewijg v.

Bero Bere Beer m. • geslachtsnaam Bering in de oordnaam Beringen (Belgisch-Limburg)

Berulo Beerle Berel m. koosvorm van Bero • geslachtsnaam Beruling in de oordnaam Berlenghem, nu Beerlegem (Oost-Vlaanderen)

Betto Bette Bet m. koosvorm van Berht-namen of nevenvorm van Batto • oude oordnaam Bettenrode (Noord-Brabant of Nederlands-Limburg), geslachtsnaam Betting in Bettingaheim, nu Bettegem (Vlaams-Brabant) • Oudengels Betta Beotta, oordnaam Bettenden, nu Bittadon (Devon)

Bíko Bijke m. mog. koosvorm van Bío • Oudengels Bíca

bili bele betekent mog. ‘gelijkmatig, evenwichtig’, vgl. billijk ‘rechtvaardig, redelijk’, beeld ‘gelijkenis’, Oudengels bilewit ‘genadig, zachtaardig, eerlijk’ (waarin wit ‘wetend’), of anders mog. ‘schijnend, licht’, vgl. Oudengels bǽl ‘vuur(stapel)’, Oudkerkslavisch bělь ‘wit’

Biligard Belegard Belgard v.

Biligrím Belegrim Belgrim m.

Bilihild Belehild Belhild v.

Bilithrúth Beledruid Beldruid v.

Binno Binne m. mog. nevenvorm van Bêno • Oudengels Binna

Bío Bije Bij m., Bía Bije Bij v. betekent ofwel ‘bij’, de honingmaker, ofwel ‘strijdende’ o.i.d., vgl. verouderd IJslands bjá ‘strijden, zwoegen’, bjá ‘inspanning, arbeid’, Oudkerkslavisch bijǫ ‘(ik) sla’, Russisch bítva ‘strijd’, boj ‘strijd’ en zie Bíwulf, Beio • Oudhoogduits Bio Biio, Bia Biia, Fries Bij, achternaam Bijma

birin berin v. ‘vrouwelijke beer’

Bíwulf Bijwolf m., naam van de beroemde, beresterke krijger, lijkt ‘bijenwolf’ te betekenen, d.w.z. ‘beer’ i.v.m. honing, maar zie Bío • Oudhoogduits Bîulf Pîholf, Oudengels Bíwulf Bíowulf Béowulf Béulf, Oudnoords Bjólfr

blád blaad m. ‘adem, geest, bezieling’, vgl. Oudhoogduits blát, Oudengels blǽd ‘hetz.’, bláwan ‘blazen, ademen’, vgl. ando

Bládheri Blater m. • oordnaam Bladresdunc, nu Blaardonk (Antwerpen), geslachtsnaam Bládhering in de oordnamen Bladringehem, nu Blaringem (Nord), en Blarinchem, nu Blaricum (Noord-Holland) • Latijns-Germaans Blātcharius

Bládhild Bladhild Blatild v. • Latijns-Germaans Blāthildis

Bládulf Bladolf Blalof m. • oordnaam Bladulfi villa, nu Bloville (Pas-de-Calais)

Blanko Blanke m., Blanka Blanke v. ‘lichte, witte’ • Oudhoogduits Blanko, oordnaam Blankenheim (Noordrijn-Westfalen), Oudengels Blanca, oordnaam Blancaneia, nu Blankney (Lincolnshire)

blíth blíthi blijde blij ‘helder, licht, vriendelijk, vrolijk’

Blíthgêr Blidger m. • geslachtsnaam Blíthgêring in de oude oordnaam Blidgeringmađ (Gelderland) • Oudhoogduits Blídgêr, oude oordnaam Blitgereswilere (Hessen)

Blíthgund Blijdegond v. • Oerhoogduits ᛒᛚᛁᚦᚷᚢᚦ (Blīþgu[n]þ)

Blíthheri Blijter Blitter m. • oordnaam Blitterswijck (Nederlands-Limburg) • Oudhoogduits Blídheri, oordnaam Bliterstorf, nu Großblittersdorf (Moselle), Oudengels Blíþhere

Blíthhild Blijdhild Blijteld v. • oude erfnaam Blideldestede (Overijssel)

Blítha Blíthia Blijde Blije v.

Blíthulf Blijdolf Blijlof m.

blómo bloem m. ‘bloem, jeugd, schoonheid’, verwant aan bloeien

Blómhard Bloemert Blommert m.

Blómo Bloeme Bloem m., Blóma Bloeme Bloem v. • erfnaam Bleumink (Overijssel) • Oudhoogduits Pluoma

Bobbo Bobbe m., Bobba Bobbe v. nevenvorm van Bavo • oude erfnaam Bubbinch (Gelderland) • Oudengels Bobba Bubba

bôd bood m. ‘bevel, leiding’, van (ge)bieden

Bôdgísl Botgis m. • Latijns-Germaans Baudigīsilus

Bôdheri Boter Botter m. • mog. geslachtsnaam Bôdhering in de straatnaam Boteringhestrate Botterincstrate, nu Boteringestraat (Groningen) • Latijns-Germaans Baudacharius

Bôdlêf Bodlef m. • Latijns-Germaans Baudeleifus Baudolefius

Bôdmár Bodmar m. • oordnaam Bommershoven (Belgisch-Limburg) • Latijns-Germaans Baudomēris Baudomērus, Oudhoogduits Bôtmâr, oordnaam Botmarsheim, nu Bommersheim (Hessen)

Bôdmella Bodmelle v. • Latijns-Germaans Baudomella

Bôdmund Bodmond m. • Latijns Germaans Baudimundus Baudemundus

Bôdniu Bodnieuw Bodnieuwe Bodnuw Bodnuwe v. • Latijns-Germaans Baudonivia

Bôdo Bode m. • Oudengels Béda Béada (mits niet Beada)

Bôdrún Boderuin v. • Latijns-Germaans Bauderūna

Bôdulf Bodolf Bolof m. • mog. oude erfnaam Boedelving (Overijssel) • Latijns-Germaans Baudulfus

Bôdwih Bodwig Bodewig m. • Latijns-Germaans Baudoveus

Bôdwini Bodwin Bodewijn m.

Boddo Bodde m., Bodda Bodde v., Buddo Budde m., Budda Budde v. nevenvorm van Bodo • oude oordnamen Buddenacker (Overijssel) en Buddenkamp (Gelderland), geslachtsnaam Budding in de oude oordnaam Buddingewold (Drenthe) • Oudnoords Boddi, Oudengels Budda, Oudsaksisch Buddo, oordnaam Buddonfeld, nu Bödefeld (Noordrijn-Westfalen)

bodo bode m. betekent wel ‘knop, spruit, jong’, vgl. bot ‘knop’, (rozen)bottel, Engels bud ‘hetz.’, body ‘lijf’, gewestelijk Noors budda ‘pasgeboren huisdier’, Oudnoords boði ‘golf in de branding’ (eig. ‘zwelling’) en zie Boio

Bodo Bode m., Boda Bode v. • oordnaam Bodengraven, nu Bodegraven (Zeeland) • Oudengels Boda Bodeca, oordnaam Bodenham (Herefordshire)

Bódo Boede m. betekent mog. ‘jongen’ o.i.d., zie Boio • mog. oordnaam Boedenheyde, nu Bonheiden (Antwerpen), geslachtsnaam Bóding in de oordnamen Boedeghem, nu Boeigem (Oost-Vlaanderen), en Buedinghen, nu Budingen (Vlaams-Brabant) • Oudhoogduits Buoto Puoto Puato

bôg boog m. ‘ring’, d.w.z. een armring zoals gegeven door de krijgsheer aan zijn gevolgsmannen, vgl. Oudsaksisch bôggevo, Oudengels béahgifa ‘ringgever’, d.w.z. ‘heer’, en zie hring • een ander doch verwant woord is Oudnederlands bogo ‘(hand)boog’

Bôglind Bogelind v. • oordnaam Boclendis villa, nu Boclenville (Belgisch-Luxemburg)

Bôgulf Bogolf m. • Latijns-Germaans Baugulfus

Boiko Buike m. koosvorm van Boio • oude erfnaam Boeykinck (Gelderland)

Boio Buie Bui m. ‘jongen’, vgl. Gronings buie bui bòi, Fries boie boi boai, Engels boy ‘hetz.’, net als bodo, Bóvo, Buno en wel Bódo van een wortel die ‘groeien, zwellen’ betekent, vgl. bui (eig. ‘luchtzwelling’), buil, Tsjechisch bujný ‘welig, stormachtig’, Sanskriet bhūyān- ‘groter, sterker’ • oude erfnamen Boync (Overijssel), Boygync (Gelderland) • Oudengels Boia, Fries Boaie

Boitêt Buite Buit m. koosvorm van Boio • oude oordnaam Boiteskerke (Zeeland)

Bok Bok m. ‘mannetje van de geit’ • oordnamen Bockeshem, nu Boxem (Vlaams-Brabant), Bockeshova, nu Boshoven (Antwerpen), en Buckeskop, nu Boskoop (Zuid-Holland)

Bollo Bolle Bol m. ‘stier’, vgl. Fries bolle, Engels bull ‘hetz.’ • oordnaam Bollenborne, nu Bolleborre (Vlaams-Brabant), geslachtsnaam Bolling in de oordnamen Bollingesel, nu Bollezele (Nord), en Bullenghem, nu Bullegem (Oost-Vlaanderen) • Oudengels Bolla Bulla

Bólo Boele m. ‘lieve, geliefde, beminde’, vgl. boel ‘bijzit’, Middelnederlands boel ‘geliefde; bloedverwant’

Bóno Boene m., Bóna Boene v. betekent wel ‘schitterende, glanzende’, vgl. boenen ‘schrobben’ (eig. ‘glanzend maken’), Oudiers bán ‘wit’, Sanskriet bhā́na- ‘licht’ • geslachtsnaam Bóning in Bunenghem, nu Bunegem (Vlaams-Brabant) • Fries Boene

Bóso Boeze m. heeft niets te maken met boos maar betekent mog. ‘grote, stevige’ o.i.d., vgl. IJslands bósi ‘lijvige boreling’, gew. Noors bose ‘brok, bonk; grote, sterke kerel’, verwant aan boezem en mog. Basso, anders wellicht ‘glanzende’ o.i.d., vgl. Sanskriet bhā́s- ‘licht, glorie’, Grieks phôs ‘licht’, zo niet ‘gebiedende’, vgl. Baso • oude erfnamen Boesing (Overijssel) en Boesinckhem (Gelderland), geslachtsnaam Bósing in de oordnamen Bosinga, nu Boezinge (West-Vlaanderen), Boesingheliede (Noord-Holland), Buosingahem, nu Boezegem (Nord), Bosenchem, nu Buizegem (Antwerpen), Bosenchem, nu Beusichem/Beuzekom (Gelderland), en Busengem, nu Buizingen (Vlaams-Brabant) • Oerhoogduits ᛒᛟᛋᛟ (Bōso), Oudhoogduits Buoso, Oudengels Bósa, oordnaam Bosanbirig, nu Bosbury (Herefordshire)

Bôto Bote m. ‘stoter’, verwant aan Vlaams boten, Engels beat ‘slaan, kloppen’ • Germaans Bauto, Oudengels Béata

Bóto Boete m., Bóta Boete v. nevenvorm van Bato

Botto Botto m., Botta Botte v. nevenvorm van Bodo • mog. oordnaam Buttinge (Zeeland) • Oudengels Botta

Bóviko Boeveke Boefke m., Bóvika Boeveke Boefke v. koosvorm van Bóvo • oude erfnaam Boefkinck (Gelderland)

Bóvilo Boevele m., Bóvila Boevele v. koosvorm van Bóvo • geslachtsnaam Bóviling in de oordnamen Buvelinhcen, nu Bovelingen (Belgisch-Limburg), en Bovelingeham, nu Bouvelinghem (Pas-de-Calais) • Oudhoogduits Buobilo, Buobila

Bóvo Boeve Boef m., Bóva Boeve v. ‘jongen; meisje’, vgl. boef ‘schurk’, ouder ‘knaap, knecht’, gew. Duits Bube ‘(kwa)jongen’, verwant aan Boio • oordnaam Bovenkerca, nu Bovekerke (West-Vlaanderen), erfnaam Boving, nu Beuvink (Overijssel), geslachtsnaam Bóving in de oordnamen Bovingon, nu Buvingen (Belgisch-Limburg), Buvengem, nu Buvingen (Vlaams-Brabant), en Bovinclo, nu Boevelo (Oost-Vlaanderen) • Oerhoogduits ᛒᛟᛒᛟ (Bōbo) ᛒᛟᛒᚨ (Bōba), Oudhoogduits Buobo, Buoba, Fries Bouwe, Oudengels Bófa, oordnaam Bovecome, nu Bowcombe (Wight)

Brakko Brakke m. betekent wel ‘knul’ of ‘welp’, vgl. Latijns-Germaans bracchio ‘berenwelp’, Noordbrabants brak ‘knul’, Middelnederlands bracke ‘speurhond, jachthond’, Zwitsers Brack Bräck ‘mannelijk jong; reu; speurhond’, vgl. hwelp • geslachtsnaam Brakking in de oordnaam Brakkinghem, nu Breklenkamp (Overijssel) • Oudengels Bracca

brand brand m. ‘vlam’, in dichterlijke zin ‘zwaard’, zoals nog in brandschoon, vgl. Oudengels brand brond, Oudnoords brandr ‘hetz’, Frans brandir ‘zwaaien, met een wapen’ (uit het Germaans), vgl. eggi, heru

Brand Brand m. • oude erfnamen Brandescamp (Overijssel), Brandynck (Gelderland), achternamen als Brands • Oudengels Brand, oordnaam Brandesdal, nu Bransdale (Yorkshire)

Brandulf Brandolf m. • Oudengels Brandwulf

Brandwini Brandwin Brandewijn m. • Oudengels Brandwine

Brant Brant m. ‘groot, hoog’, vgl. Oudengels brant ‘hoog, steil, diep’, Oudnoords brattr ‘steil’, Litouws brandùs ‘rijp, volwassen’, Lets bruôžs ‘dik, sterk’ • geslachtsnaam Branting in de oordnaam Brantegem (Oost-Vlaanderen) • Oudnoords Brattr, Oudfries Brant, geslachtsnaam Branting in de oordnaam Brantgum (Friesland), Oudengels Brant, oordnaam Brantestone, nu Brandestone (Suffolk)

Bratto Bratte m. ‘stoutmoedige’, vgl. Westvlaams brat, Zaans brat, Fries brat ‘hovaardig e.d.’ • geslachtsnaam Bratting in de oude oordnaam Brattingadala (Pas-de-Calais)

Brêdo Brede m. ‘brede, wijde’, vgl. Grieks Plátōn ‘hetz.’ • Oudengels Bráda, Fries Breide

Brinno Brinne Barne m., naam van een 1e-eeuwse legerleider van de Kananafethi Kanenveden, betekent mog. ‘vlam’, vgl. Oudnoords brinni ‘hetz.’, Oudsaksisch brinnan, Middelnederlands bernen ‘branden’ • Latijns-Germaans Brinno

Bríso Brijze m. betekent wel ‘schijnende’ o.i.d., vgl. Oudnoords brísingr ‘vuur’, Noors brisa ‘vuur, vlammen, gloed’, mog. met *br- uit ouder *mr- en verwant aan már

Brísulf Brijzolf m.

brord brord m. ‘punt, speerpunt’, vgl. Oudengels brord ‘hetz.’

Bróthar Broeder Broer m. ‘broer’, vgl. Fadar • oude erfnaam Broderinc (Gelderland) • Oudengels Bróðer

brún bruin in namen betekent ook ‘glanzend’, oorspr. i.v.m. gepoetst wapentuig, vgl. Middelnederlands bruun ‘glanzend, van staal e.d.’, Frans brunir ‘polijsten, van metaal’ (uit het Germaans, en weer ontleend als bruineren)

Brún Bruin m., Brúno Bruine m., Brúna Bruine v. • achternaam Bruinse Bruins, oordnamen Brunesberc, nu Brunembert (Pas-de-Calais), Brunsbeke, nu Bruisbeke (Oost-Vlaanderen), Brunsham, nu Brunssum (Nederlands-Limburg), en Brunsberge, nu Bronsbergen (Gelderland), erfnaam Bruning, nu Broenman (Overijssel) • Oudsaksisch Brún, oordnaam Bruneswic, nu Brunswiek/Braunschweig (Nedersaksen), Oudengels Brún Brúna

Brúndag Brundag m.

Brúngêr Brunger Bronger m. • oude erfnaam Brungering (Overijssel) • Oudengels Brúngár, oordnaam Brungareflet, nu Broomfleet (Yorkshire)

Brúngrím Brungrim Brongrim m.

Brúnhard Bruinhard Brunhard Bruinert Brunnert m. • Oudengels Brúnheard

Brúnheri Bruiner Brunner m. • oude erfnaam Brunrynck (Gelderland)

Brúning Bruining m. • oude veldnaam Bruninxweerd (Gelderland) • Oudengels Brúning Brýning

Brúnman Bruineman Bruiman m. • Oudengels Brúnman

Brúnstên Brunsten Bruisten m. • oordnaam Brunsting (Drenthe) • Oudengels Brúnstán, Oudhoogduits Prúnstein

Brúntêt Brunte Brunt Bronte Bront m. • oude oordnaam Brunteslothe (Noord-Holland), geslachtsnaam Brúntêting in de oordnaam Bruntinge (Drenthe) • Oudengels Brúntát

Brúnulf Bruinolf m. • Latijns-Germaans Brūnulfus

Brúnwíh Brunwij Brunwig Bronwig v.

brunnia brunne brun v. ‘heergewaad, halsberg’, vgl. Duits Brünne, Oudnoords brynja ‘hetz.’

Brunnihild Brunhild Brunnild, Brunihild Breunhild Breunild v., naam van een 6e-eeuwse koningin der Frankon Franken en van de bekende schildmaagd in het Nibelungenlied, vgl. Middelnederlands ver Broenelden strate ‘Melkweg’ (met ver ‘vrouw’ en oe als oude spelling van eu) • Latijns-Germaans Brunichildis Brunechildis, Oudnoords Brynhildr, Oudhoogduits Brunnihilt Prunnihilt Brunihilt Prunihilt, Middelhoogduits Brunhilt Prunhilt

Buggo Bugge m., Bugga Bugge v. nevenvorm van Burgo • oordnaam Buggensele, nu Buggezele (West-Vlaanderen) • Oudengels Bugga Bucga m., Bucge v., oordnaam Bucganora, nu Bognor (Sussex)

Bunno Bonne Bon m. nevenvorm van Buno

Buno Bone Boon m. betekent wel ‘gegroeide’ o.i.d., verwant aan beun ‘verhoging’, maar niet aan boon ‘peulvrucht’, zie Boio • geslachtsnaam Buning in de oordnamen Boninge, nu Beuningen (Gelderland), en Boningaham, nu Bonegem (Nord) • Oudengels Buna (mits niet Búna)

Búno Buine Buin m. nevenvorm van Buno • Oudengels Búna (mits niet Buna)

Búo Bouwe m. ‘bewoner, boer’, verwant aan (ver)bouwen, boer • Oudengels Búa, Oudnoords Búi, Fries Buwe Bouwe

burg burg v. ‘burcht, vesting, versterkte plaats’, verwant aan berga

Burghard Burghard Burgert m. • erfnaam Borcharding, nu Borgerink (Overijssel) • Oudengels Burgheard

Burglind Burglind v.

Burgman Burgman m. • oude erfnaam Borchmansgoet (Overijssel)

Burgo Burge m., Burga Burge v. koosvorm van Burg-namen • Oudengels Burga

Burgswind Burgswind v. • Oudengels Burgswíþ

Burgulf Burgolf m.

Burgward Burgward m. • Oudengels Burgweard, oordnaam Burwardeslei, nu Burwardsley (Cheshire)

Burgweri Burger m. • gelijk aan het woord burger, Oudengels burgware mv.

Burgunda Burgenden Borgenden mv., naam van een stam die na grote omzwervingen, ook door het Rijnland, eindigde in de streek die naar hen Bourgondië heet (vgl. Langbardon) • betekent ‘hogen’, verwant aan berg en de oude oordnamen Borgund ‘hoogte’, Borgundar- Burgundarhólmr ‘eiland van de hoogte’, nu Bornholm (Denemarken), Burgunde ‘hoogte’, nu Borne (Overijssel) en (Oud-)Bergentheim (Overijssel), alsook aan Latijns-Brits Brigantia, Oudiers Brigit • Latijns-Germaans Burgundiī Burgundiōnes mv., Grieks-Germaans Βούργουνδοι Βουργουζίωνες (Boúrgoundoi Bourgounzíōnes) mv., Oudnoords Burgundar mv., Oudengels Burgendas mv., Middelhoogduits Burgonde mv.

D

Daddo Daddo m., Dadda Dadde v. nevenvorm van Dado

Dado Dade m., Dada Dade v. brabbelnaam voor verwanten, vgl. Engels daddy en zie Mama • geslachtsnaam Dading in de oordnaam Dadincsele, nu Dadizele (West-Vlaanderen) • Oerhoogduits ᛞᚨᛞᛟ (Dado)

dag dag m. ‘dag’, in dichterlijke zin ‘luister, pracht’

Dagaberht Dagebrecht Dagbert Dabbert m., naam van meerdere koningen der Frankon Franken • Latijns-Germaans Dagobercthus Dagobertus

Dagahravan Dageraven, Dagahram Dageram m., naam van een krijger der Húga Huigen • Oudengels Dæghrefn

Dagalêf Dagelef m., naam van een 4e-eeuwse Romeinse bevelhebber, wel afkomstig van de Frankon Franken • Latijns-Germaans Dagalaifus

Dagalind Dagelind v.

Dagamár Dagemaar Dagmar m., niet te verwarren met de oorspronkelijk Slavische naam Dagmar v. • oude oordnaam Dachmarsdonc (Antwerpen), geslachtsnaam Dagamáring in de oude oordnaam Dagmaringahem (Pas-de-Calais)

Dagaráda Dagerade v.

Dago Dage m., Daga Dage v. koosvorm van Dag-namen mits niet rechtstreeks ‘schitterende’ • oude erfnaam Daghenvorde (Overijssel), mog. geslachtsnaam Daging in de oordnaam Daginghem (ook Daningheim), nu Denekamp (Overijssel) • Oudengels Daga

Dakko Dakke Dak m. nevenvorm van Dago • oordnaam Dackenham, nu Daknam (Oost-Vlaanderen) • Oudengels Dæcca

Dallo Dalle m. ‘tierige’, vgl. Oudengels deall ‘welig, tierig, trots’, Oudnoords Heimdallr (godennaam), Mardǫll (godinnennaam), Gotisch dulþs ‘(paas)feest’, Oudhoogduits tola ‘druif’, toldo ‘boomkroon’, Grieks thállō ‘bloeien, gedijen’ • Oudengels Dealla, Oudhoogduits Tallo Tello

dand dand betekent mog. ‘streek, list’, vgl. Middelhoogduits tant ‘streek, loze praat’

Dand Dand m., Dando Dande m. • Oudhoogduits Tanto

Dandheri Danter m. • geslachtsnaam Dandhering in de oordnaam Dentrengem, nu Dentergem (West-Vlaanderen)

Dano Dane m., Dana Dane v. betekent mog. ‘reizende’, vgl. Veluws danderen ‘afdwalen’, gew. Engels dander dan(n)er ‘wandelen’, Sanskriet dhánvati ‘lopen, stromen’, anders mog. ‘zuigeling, kindje’, vgl. Oudhoogduits táan ‘zogen’, Brabants deem ‘speen’, Sanskriet dháyati ‘moeders melk zuigen’, mog. verwant aan Deni • geslachtsnaam Daning mog. in de oordnaam Daningheim (ook Daginghem), nu Denekamp (Overijssel) • Oudhoogduits Tano

Danaburg Daneburg v.

Danno Danne m., Danna Danne v. nevenvorm van Dano • geslachtsnaam Danning in de oude erfnaam Danningehave (Drenthe)

Daso Daze m. betekent mog. ‘rustige, kalme’ o.i.d., vgl. bedaren ‘zich bedwingen’, Oudnoords dasast ‘moe raken’ • Langbaards Taso

Dato Date m., Data Date v. nevenvorm van Dado

Datto Datte m., Datta Datte v. nevenvorm van Dado

Davat Daaft m. betekent wel ‘deugd’ o.i.d., zie Davo en vgl. het achtervoegsel van amat • geslachtsnaam Davating in de oordnaam Davatinge, nu Deftinge (Oost-Vlaanderen)

Davo Dave m. betekent ‘deugdelijke’ o.i.d., van dezelfde wortel als deftig, Oudengels gedæfte ‘passend, vriendelijk’, Gotisch ga-daban ‘passen’ • oude erfnamen Davenschote (Overijssel), Davenhorst (Gelderland) en Davenhues (Gelderland), oordnaam Daventre, nu Deventer (Overijssel) • Oudhoogduits Tabo, Oudengels Dafa, oordnamen Daventrei, nu Daventry (Northamptonshire), en Davinton, nu Davington (Kent), mog. Fries Douwe

Deni Denen mv., naam van een stam die oorspr. in Zuid-Zweden bezuiden de Gôta Goten woonde en zich westwaarts uitbreidde, daarbij de Iuti Juten inlijvend • betekent mog. ‘laaglanders’, mits verwant aan den ‘dorsvloer’, Oudengels dene ‘dal’, anders mog. ‘reizenden’ of ‘zonen’, zie Dano • Oudnoords Danir mv., Oudengels Dene mv.

deor dier ‘bezield, moedig’, vgl. Oudengels déor ‘boud, wild’, verwant aan dier ‘beest’ en dwaas

Deor Dier m. • Oudengels Déor

Deorulf Dierolf m. • Oudengels Déorwulf

diuri duur, diori dier ‘duur, kostbaar, dierbaar’ (de tweede vorm is zuidwestelijk), vgl. Engels dear

Diurgísl Durgis m. • Latijns-Germaans Deorigīsilus

Diurhard Durard m. • oude oordnaam Diurardasrip (Groningen) • Oudengels Déorheard

Diuring During m. • Oudengels Déoring Dýring

Diurio Dure m., Diuria Dure v. • Oudengels Déora, Fries Djoere Djurre

Diurulf Durolf m. • Oudengels Déorwulf

Diurwald Duroud m. • geslachtsnaam Diurwalding in de oordnaam Diorwaldingathun, nu Dirlincthun (Pas-de-Calais) • Oudengels Déorweald

Dodo Dode m., Doda Dode v. nevenvorm van Dúdo • oordnaam Dodeuuero, nu Dodewaard (Gelderland) • Oudengels Doda (mits niet Dóda)

Doddo Dodde m., Dodda Dodde v. nevenvorm van Dúdo • mog. oordnaam Doddendael (Gelderland) • Oudengels Dodda Dudda, Oudhoogduits Totto

Dódo Doede m., Dóda Doede v. nevenvorm van Dado • erfnaam Dodinc, nu Deunk (Gelderland) • Oudengels Doda (mits niet Dóda)

Dokko Dokke Dok m., Dokka Dokke Dok v. ‘pop’, vgl. dok ‘strowis met dichtgebonden kop’, Middelnederlands docke ‘pop’, Zweeds docka ‘hetz.’ • Oudengels Docca

dóm doem m. ‘oordeel, gezag, macht, aanzien, roem’

Dómgísl Doemgijs m. • Latijns-Germaans Dōmigīsilus

Dómrík Doemerik m. • Latijns-Germaans Dōmarīcus, Oudhoogduits Tuomrîch

Dóno Doene m., Dóna Doene v. nevenvorm van Dano • Oudhoogduits Tuona, Fries Doene

Dotto Dotte Dot m., Dotta Dotte Dot v. nevenvorm van Dúdo of rechtstreeks beantwoordend aan dot ‘plukje; schat’ • geslachtsnaam Dutting in de oordnaam Duttinghem, nu Doetinchem/Deutekom (Gelderland)

drag drag betekent mog. ‘krijgsgevolg, bende’, vgl. Middelnederlands gedrach ‘menigte’, Oudengels gedræg ‘hetz.’, Drógo

Dragabôd Dragebod m. • Latijns-Germaans Dragobōdus, Oudhoogduits Tragaboto

Dragahath Dragad m. • Latijns-Germaans Dragoadus

Dragaheri Drager m. • erfnaam Dregering, nu Dreierink (Overijssel)

Dragawald Dragoud m. • Latijns-Germaans Dragoaldus

Dragulf Dragolf m. • Latijns-Germaans Dragulfus, Oudhoogduits Tragulf

Drógo Droege m. betekent wel ‘aanvoerder’, bij dragen (eig. ‘trekken’ zoals nog Engels draw), vgl. hertog, van heer ‘leger’ en een afleiding van tijgen (toog, getogen) ‘trekken’, vgl. drag • Latijns-Germaans Drōgo, Oudhoogduits Truogo Truago

drúd druid ‘bemind, geliefd’, vgl. Middelnederlands druut ‘vriend, minnaar’, Oudhoogduits trút ‘lief’

Drúdo Druide m., Drúda Druide v.

druht drucht v. ‘leger, krijgsgevolg’, vgl. Oudengels dryht ‘hetz.’, verwant aan Middelnederlands drochtijn ‘legerhoofd, heervorst’, Gotisch driugan ‘dienst doen’, vgl. folk, heri, hlóth, skara

Druhtgísl Druchtgis m. • Latijns-Germaans Droctegīsilus

Druhtman Druchtman m.

Druhtulf Druchtolf m.

Druhtwald Druchtoud m. • Latijns-Germaans Dructoaldus, Oudengels Dryhtweald

Druhtwih Druchtwig m. • Latijns-Germaans Droctoveus

Dúdo Duide m., Dúda Duide v. betekent (liefkozend) ‘warboel’ e.d., vgl. Westfries doedel ‘dikke bundel, knoet’, doede ‘slaapkop’, IJslands dúði dúða ‘dikke kleding’, verwant aan dot ‘plukje; schat’, Westvlaams dodder ‘verwarde bundel’, dodderken ‘kindje’, Engels dodder ‘warkruid’ • Oudhoogduits Túto, Oudengels Dúda m.

dun (dunn-) don betekent wel ‘donker, zwartig’, vgl. Oudengels dun ‘hetz.’, van dezelfde wortel voor ‘roken, walmen’ als Oudnoords duni ‘vuur’, Lets dvans ‘stoom’, Sanskriet dhvāntá- ‘donker’, zie ook dund

Dunning Dunning m. • Oudengels Dunning

Dunno Donne m., Dunna Donne v. • achternaam Dunning • Oudhoogduits Tunno, Tunna, Oudengels Dunna m., Dunne v., Fries Donne

Duno Done m., Duna Done v. • Oudhoogduits Tuno, Tuna, Oudengels Duna m., Fries Done

dund dond betekent wel ‘donker, zwartig’, zie dun

Dundhram Donderam m. • Latijns-Germaans Donderamnus

Dundo Donde m. • koosvorm in de oude oordnaam Dondelins vliet (Zeeland) • Oudhoogduits Dundo Tundo Tunto

Dúva Duive Duif v. ‘duif’

E

Edo Ede m., Eda Ede v. mog. nevenvorm van Ado • Oudengels Eda (mits niet Éda)

êd eed m. ‘vuur, brandstapel’, een vorstelijke uitvaart, vgl. Oudsaksisch êd, Oudhoogduits eit, Oudengels ád ‘hetz.’, Sanskriet édhate ‘stralen’ • niet te verwarren met Oudnederlands êth ‘eed, plechtige bevestiging’

Êdheri Eter Etter m. • oordnaam Etersheim (Noord-Holland)

Êdo Ede m., Êda Ede v. • Oudhoogduits Aito Aita, Fries Eide

Êdulf Edolf Elof m. • Latijns-Germaans Aidulfus, Oudhoogduits Aitulf, Oudfries Êdulf, oordnaam Edulves uurð (Oost-Friesland)

eggia egge v. ‘scherpe rand, scherp van het zwaard’, in dichterlijke zin ‘zwaard’, vgl. Oudengels ecg, Engels edge, Duits Ecke, met egil en egin van een wortel voor ‘scherp’, vgl. Latijn acus ‘scherp’, Grieks ákōn ‘werpspeer’, akē ‘ijzeren punt’, akmē ‘punt, piek, rand’, vgl. brand, heru

Eggiberht Egbrecht Egbert m. • erfnamen Egberting, nu Ergberink (Overijssel), Egberting, nu Egberman (Overijssel) • Oudengels Ecgbeorht

Eggifrith Egfred Egfert Eggevaart m. • oordnaam Eggafridi capella, nu Eggewaartskapelle (West-Vlaanderen) • Oudengels Ecgfriþ

Eggihard Eghard Eggert m. • oude erfnaam Eckerding (Overijssel) • Oudengels Ecgheard, Duits Eckhart

Eggirík Eggerik m. • Oudengels Ecgríc

egil eil betekent wel ‘punt, stekel’, in dichterlijke zin ‘speer’, vgl. verouderd Duits Egel ‘kafnaald’, Oudengels egl ‘hetz.’, Middelengels eile ‘kafnaald, stekel’ en zie eggia

Egil Eil m., Egilo Eile Eil m., Egila Eile v. • Oudnoords Egill (werd verward met Eigill, de evenknie van Eigil)

Egilberht Eilbrecht Eilbert Elbert m. • erfnaam Elberting, nu Elbert (Overijssel) • Latijns-Germaans Aghilibercthus

Egilbern Eilbern Elbern Elben m.

Egilbrand Eilbrand m.

Egilgêr Eilger Elger m.

Egilhard Eilhard Eildert m. • oude erfnaam Eylerding (Overijssel)

Egilmár Eilmar m. • oude erfnaam Ylmerynck (Gelderland) • Oudsaksisch Egilmár, oordnaam Egilmaringhusun

Egilmund Eilmond m.

Egilrád Eilraad m.

Egilthrúth Eildruid v. • Oerhoogduits ᚨᚷᛁᛚᚨᚦᚱᚢᚦ (Agilaþrūþ)

Egilwald Eiloud m.

egin ein, agan agen betekent wel ‘punt, stekel’, in dichterlijke zin ‘speer’, vgl. Zeeuws eine ‘kafnaald’, Oudengels egenu ‘kaf’, Latijn agna ‘korenaar’, en zie eggia

Egin Ein m., Egino Eine Ein m., Egina Eine v.

Eginberht Einbrecht Einbert Eimbrecht Eimbert Eimert m. • Latijns-Germaans Agnebertus

Eginhard Einhard Eindert m. • oude oordnaam Einardsmeeth (West-Vlaanderen)

Eginhild Einhild Einild v. • Latijns-Germaans Agnechildis

Eginhravan Einraven Einderaven, Eginhram Einram Einderam m. • Latijns-Germaans Agneramnus

Egintêt Einte Eint m. koosvorm van Egin-namen

Eginthrúth Eindruid v.

Eginwald Einoud m. • Oudsaksisch Eginwald, oude oordnaam Eynoldynck

egiso eize eis m. ‘verschrikking, vrees’, vgl. Oudsaksisch egiso, Oudengels egesa ‘hetz.’

Egisgêr Eisger m.

Egislôg Eislog v.

Egiso Eize m., Egisa Eize v. • mog. erfnaam Egezing, nu Engsman (Overijssel) • Oudengels Egesa

Egisulf Eizolf m.

Eigil Eigel m., naam van een boogschutter uit de heldentijd, gehuwd met Alurún Alruin, betekent ‘stekel, scheut’, vgl. gew. Zweeds egel, äjel ‘scheut, loot’, verwant aan Oudnoords eigin ‘korenscheut’, Oudpruisisch ayculo ‘naald’, Grieks aikhmē ‘speer’ • oordnaam Eigelsowen ‘Eigels beemd’, nu Eygelshoven (Nederlands-Limburg) • Oudnoords Eigill (werd verward met Egill, de evenknie van Egil), Oerhoogduits ᚨᛁᚷᛁᛚ (Aigil), Oerengels ᚨᚷᛁᛚ (Ǣgil), Oudengels Ǽgel, oordnaam Ægelesuurð, nu Ailsworth (Northamptonshire)

Eio Eie m. betekent mog. ‘reizende’, zie ín • Fries Aaie

Eiko Eike m. koosvorm van Eio • Fries Aike

Eitêt Eite Eit m. koosvorm van Eio • Fries Aite

elf zie alf

eli eel betekent mog. ‘ander’, vgl. Oudsaksisch elilendi ‘vreemd land’, anders mog. een nevenvorm van alu

Elisind Elsind v.

Eliwald Eloud m.

eliso els m. ‘els, elzenboom, elzenhout’, wel overdrachtelijk ‘schild’, zoals linde ook ‘schild’ kon betekenen

Eliso Elze Els m. • Oudengels Elesa m.

ellian ellen o. ‘gedrevenheid, drift’, vgl. Oudengels ellen ‘hetz.’, verwant aan Drents ölm ulm ‘ongedurig’, Oudnoords ólmr ‘razend’

Ellianhard Ellenhard m. • Oudengels Ellenheard

Ellianhild Ellenhild v.

Ello Elle m. koosvorm van Ellian-namen of Erl-namen • Oudengels Ella Eolla

emit zie amat

Emmo Emme m., Emma Emme v. koosvorm van Erman-namen

Êmo Eme m., Êmelo Emele Emel m. betekent mog. ‘wedijverende’ of ‘gelijkende, evenbeeld’, vgl. Latijn aemulus ‘wedijverend; gelijk’, imāgō ‘beeld, gelijkenis’, imitārī ‘evenaren’, Hettitisch ḫimmaš ‘nabootsing’ • mog. oordnaam Emlem, nu Emblem (Antwerpen) • Oudhoogduits Eimo, Oudengels Ǽmele, Gronings Aime Aimel, Fries Ieme Jimme Jimmele Jimmel

Engili Engelen mv., naam van een stam in Sleeswijk die in de vijfde eeuw grotendeels met vele Sahson Sassen en Iuti Juten naar het land der Frésion Friezen en vooral Brittannië verhuisde • afgeleid van de streeknaam Angel, nu Angeln, ooit de naam van heel Sleeswijk, vgl. enerzijds angel, Oudengels angel ‘vishaak’, Grieks ankúlos ‘buigend’, anderzijds eng, ouder ang, Oudengels enge, ænge, ange ‘nauw’ • Latijns-Germaans Angliī mv., Grieks-Germaans Ἀγγεῖλοι Ἀγγίλοι (Angeîloi Angíloi) mv., Oudengels Engle Englan mv., Oudnoords Englar mv.

Engil Engel, Engilo Engel m., Engila Engele v.

Engilbald Engelboud m.

Engilberht Engelbrecht Engelbert m. • oude oordnaam Engilbrechtes ambehte (Noord-Holland), erfnaam Engelberting, nu Engberink (Overijssel) • Latijns-Germaans Anglibercthus

Engilburg Engelburg v.

Engilgêr Engelger m.

Engilgôt Engelgot m. • Latijns-Germaans Engelgōtus

Engilhard Engelhard m.

Engilhram Engelram m.

Engilmár Engelmar m.

Engilmund Engelmond m. • oordnaam Engilmundeshovon, nu Engelmanshoven (Belgisch-Limburg) • Latijns-Germaans Engelmundus

Engilrík Engelrik m. • erfnaam Engelreking, nu Het Engerink (Overijssel)

Engilsind Engelsind v.

Engilskalk Engelschalk m.

Engilswind Engelswind v.

Engilthrúth Engeldruid v.

Engilwara Engelware v.

Engriweria Engeren mv., naam van een stam die aan de middenloop van de Wezer woonde en later opging in de Sahson Sassen • betekent zoveel als ‘weidenbewoners’, vgl. enk eng ‘gemeenschapsland’, Oudsaksisch angar ‘grasland’ en zie weri • Latijns-Germaans Angrivariī (later Angrariī Angariī e.d.) mv., Grieks-Germaans Ἀγγρουάριοι (Angriouárioi) mv., Duits Engern (streeknaam)

Enno Enne m. koosvorm van Ernost of nevenvorm van Anno • Oudengels Enna Eonna

Entêt Ente Ent Einte Eint m. koosvorm van Enno

êo ee eeuw m./v. betekent enerzijds ‘wet, godsdienst, zede, huwelijk’, d.w.z. wat met de goddelijke orde stemt, vgl. Middelnederlands ee, Oudengels ǽ, ǽw ‘hetz.’, anderzijds ‘levenstijd, levenskracht’, vgl. Vlaams eeuweloos ‘futloos’, Oudnoords æfi ‘leven’, Oudengels ǽfre ‘altijd’, verwant aan o.a. jung, Latijn jūs ‘wet’ en Sanskriet āyuṣ- ‘levensduur’

Êoberht Ebrecht Ebert m.

Êomund Emond m. • Oudhoogduits Êomund, oordnaam Emundrode, nu Immerath (Noordrijn-Westfalen), Oudengels Ǽmund

Êorík Erik Ierik m., naam van een koning der Wesugoton Wezegoten • (ook) nog in de achternamen Eriks Iriks • Latijns-Germaans Ēvarīx Ēurīcus

Êowald Ewoud m., vgl. Sanskriet dharmarājā ‘koning volgens de goddelijke orde’

Êoward Eward Eeuwert m., vgl. Oudhoogduits êowart, Oudengels ǽweweard ‘hoeder van de wet, priester’

Êulf Eelf m. • Oudengels Ǽulf

Êwiso Eeuwze m., Êwisa Eeuwze v. nevenvorm van Êwo

Êwo Eeuwe m., Êwa Eeuwe v. betekent ‘zedelijke’ dan wel ‘levenskrachtige’, zie êo • Fries Eauwe Ieuwe, mog. Latijns-Germaans Haeva v. (godennaam) (mits met Latijnse spook-h)

Eodo Iede m. nevenvorm van Eotho • geslachtsnaam Eoding in de oude oordnaam Iodichem (Utrecht) • Oudhoogduits Eoto, Oudengels Éoda

Eono Iene m. betekent mog. ‘behulpzame’, mits van dezelfde wortel als awi, en anders mog. ‘telg’, mits verwant aan Eotho • Oudengels Éona, Fries Iene Jinne

Eopo Iepe m. betekent mog. ‘hoge’ o.i.d., vgl. op, Gotisch iup ‘op’, Hettitisch ūppzi ‘rijzen’ en oft, zie ook Obbo, Oppo, Offo, Ôvo, Ubbo, Uppo, Uffo en Úvo • Oudengels Éopa, Fries Iepe Jippe

Eoto Iete m. nevenvorm van Eotho • Oudhoogduits Eozo, Oudengels Éota, oordnaam Eotanford, Fries Iete Jitte

Eotho Iede m. betekent wel ‘telg, zoon’, vgl. Oudnoords jóð (ouder *eoþ) ‘zuigeling, telg’, Latijns-Germaans Iuthungī mv. (stamnaam), Oernoords ᛁᚢᚦᛁᚾᚷᚨᛉ (IuþingaR), vgl. Eodo, Eoto, Oddo, Otto, Údo, Úto en Iuti • Langbaards Eudo, Oudhoogduits Eodo, Fries Iede Jidde

Eppo Eppe m. koosvorm van Erp-namen of nevenvorm van Appo • oude oordnaam Uuest Eppinheri (Noord-Holland), erfnaam Epping (Overijssel) • Oudengels Eppa Eoppa

êr eer v. ‘hoog aanzien’

Êrgund Ergond v. • Oerhoogduits ᚨᛖᚱᚷᚢᚦ (Aergu[n]þ), Latijns-Germaans Airgundis

eran eren betekent mog. ‘strijd’, vgl. Oudnoords jara (uit ouder *erōn) ‘hetz’., mog. verwant aan erl en Ernost

Eranbald Erenboud Ermboud m. • oordnaam *Erembaldes cappelle (vertaald als Erembaldi cappelle), nu Armboutskappel (Nord), oude oordnaam Erenboudes wege (Zeeland), geslachtsnaam Eranbalding in de oordnaam Erembaldengem, nu Erembodegem (Oost-Vlaanderen)

Eranberht Ermbrecht Ermbert m. • Oudfries Eranbraht, oordnaam Eranbrahtas tuchiu (Oost-Friesland)

Eranburg Ermburg v.

Eranfrith Erenfert m.

Erangard Erengard v.

Eranthrúth Erendruid v.

Eranwald Ernoud m.

erkan erken ‘echt, heilig’, vgl. Oudhoogduits erkan ‘waar, heilig, voornaam’, Gotisch unaírkns ‘onvroom’, aírkniþa ‘echtheid’, mog. verwant aan Oudiers erc ‘hemel’, Sanskriet árcati ‘stralen, loven, zingen’, Tochaars B yarke ‘verering’

Erkanbald Erkenboud m.

Erkanberht Erkenbrecht Erkenbert m. • Oudengels Eorconbeorht

Erkanbrand Erkenbrand m.

Erkanburg Erkenburg v.

Erkanhild Erkenhild v.

Erkanrád Erkenraad m.

Erkanswind Erkenswind v.

Erkanulf Erkenolf m.

Erkanwald Erkenoud m.

erl erel m. ‘edelman’, vgl. Oudengels eorl, Engels earl, Oudnoords jarl ‘hetz.’, mog. eig. ‘krijger’ en verwant aan eran

Erlebald Erleboud m.

Erlewini Erlewin Erlewijn m. • Latijns-Germaans Erloinus

Erlulf Erolf Erlof m.

erman irmin ermen ‘groots, weids, werelds’, vgl. Oudengels eormen- in o.a. eormengrund ‘de wereld’, Oudsaksisch irmin- in o.a. Irminsúl (de grote houten zuil als heiligdom), Oudnoords jǫrmun- in o.a. Jǫrmungandr (de grote slang die de wereld omringt, zie gand), mog. verwant aan aarde, Oudhoogduits erda ‘aarde’, ero ‘hetz.’

Ermanberga Irminberga Ermenberge v., naam van een 6e/7e-eeuwse koningsdochter der Wesugoton Wezegoten en koningin der Frankon Franken • Latijns-Germaans Ermenberga

Ermanfrith Irminfrith Ermenfred Ermenfert m. • geslachtsnaam Ermanfrithing in de oordnaam Hermefredegim, nu Hemelveerdegem (Oost-Vlaanderen) • Latijns-Germaans Ermenefredus

Ermangard Irmingard Ermengard v.

Ermangêr Irmingêr Erminger v.

Ermangund Irmingund Ermengond v. • Latijns-Germaans Ermengundis

Ermanhild Irminhild Ermenhild v. • Oudengels Eormenhild

Ermanlêf Irminlêf Ermenlef m.

Ermanlind Irminlind Ermenlind v., naam van een 6e-eeuwse heilige • Latijns-Germaans Ermelindis

Ermano Irmino Ermene m.

Ermanrík Irminrík Ermenrik m., naam van de beruchte 4e-eeuwse koning der Ôstargoton Oostergoten • Latijns-Germaans Ermanarīcus, Oudengels Eormanríc Eormenríc, Oudnoords Jǫrmunrekkr

Ermanthrúth Irminthrúth Ermendruid v.

Ermanulf Irminulf Ermenolf m.

Ermanwald Irminwald Ermenoud m. • Latijns-Germaans Ermenoaldus

Ermanwara Irminwara Ermenware v.

Ermanwíh Irminwíh Ermenwij Ermenwijg v.

Ernost Ernst m. ‘ernst, strengheid’, vgl. Gotisch arniba ‘zeker’, mog. verwant aan eran • erfnaam Ernsting, nu Eerstink (Overijssel) • Oudsaksisch Ernost, oordnaam Ernestinghof Ernstinck, nu Eersink (Nedersaksen)

erp erp ‘donker, bruin’, vgl. Oudengels eorp ‘hetz.’, Oudnoords jarpr ‘kastanjekleurig’, Westvlaams erpel ‘woerd, mannetjeseend’

Erp Erp m., Erpo Erpe m. • oude erfnaam Erpesvelde (Gelderland), geslachtsnaam Erping in de oordnaam Erpenchem, nu Erpekom (Belgisch-Limburg) • Latijns-Germaans Herpo (met Latijnse spook-h), Engels Earp (achternaam)

Erpman Erpeman m.

Erpulf Erpolf m.

Erpwini Erpwin Erpewijn m. • Oudengels Eorpwine

Ettilo Ettele Ettel m., naam van de vermaarde, beruchte leider der oosterse Húna Huinen, later verweven in Duitse en vandaar Noordse heldendichten, lijkt van Gotisch (Oostgermaans) attila ‘vadertje’ doch mogelijk als aanpassing van een oosterse naam • geslachtsnaam Ettiling in de oordnaam Adlingehem Etlingehem, nu Ettelgem (West-Vlaanderen) • Latijn Attila, Grieks Ἀττίλα (Attíla), Gotisch Attila, Oudnoords Atli, Oudengels Ætle, Middelhoogduits Etzele, Middelnederlands Ettele

Evo Eve Eef m. koosvorm van Evor-namen • Oudhoogduits Ebo

evor ever m. ‘everzwijn, wild zwijn’, zinnebeeld van vorstelijkheid, geroemd om zijn weerbaarheid en kracht, vgl. Oudnoords jǫfurr ‘vorst’ (eig. dus ‘everzwijn’) en zie Bêr, krém en Thróand

Evor Ever m. • oordnaam Eversward, nu Everswaard (Zeeland), geslachtsnaam Evoring in de oordnaam Everengem, nu Evergem (Oost-Vlaanderen) • Oudengels Eofor

Evorbald Everboud m.

Evorberht Everbrecht Everbert m.

Evordag Everdag m. • Oudengels Eofordæg, Oudfries Evordei, oordnaam Everdeisdike, nu Eversdijk (Zeeland), Oudhoogduits Ebertag

Evorgard Evergard v.

Evorgêr Everger m.

Evorgísl Evergijs m. • Latijns-Germaans Ebregīsilus

Evorgrím Evergrim m.

Evorhard Everhard Evert m. • oordnaam Everchem (met c voor ts), nu Eversem (Vlaams-Brabant), oude oordnamen Everardsmeeth (Zeeland) en Everdeswalda (Drenthe), erfnamen Everding, nu Olde Evink (Overijssel), en Everding, nu De Strewel (Overijssel), geslachtsnaam Evorharding in de oordnaam Everdingen (Utrecht) • Latijns-Germaans Ebrochardus, Fries Jorrit Jort

Evorhelm Everhelm m. • oude oordnaam Everelmes stic (West-Vlaanderen)

Evorhild Everhild Everild v. vgl. Krémhild

Evoril Everel m. koosvorm van Evor • geslachtsnaam Evoriling in de oordnaam Euerlingahem, nu Everlingem/Verlinghem (Nord)

Evorin Everen m. koosvorm van Evor • Latijns-Germaans Eurinus Evrinus

Evorlôg Everlog v.

Evormár Evermar m.

Evormund Evermond m.

Evorrík Everik m. • oordnaam Everikesthorpe, nu Achttienhoven (Zuid-Holland)

Evorsind Eversind v.

Evorulf Everolf m. • Latijns-Germaans Ebrulfus

Evorwakar Everwakker Everokker m.

Evorwald Everoud m. • mog. oude oordnaam Everrods krike (Zeeland) • Latijns-Germaans Ebroaldus

Evorward Everward m. • Oudengels Eoforweard, oordnaam Evrewardestuna, nu Erwarton (Suffolk)

Evorwini Everwijn m. • erfnaam Everwijnsgoed (Gelderland), oude erfnaam Everwynnynck (Gelderland), oude oordnaam Everwijnsberg, nu Bakenberg (Gelderland), geslachtsnaam Evorwining in erfnaam Everwenninkhoek (Gelderland) • Latijns-Germaans Ebroinus, Oudhoogduits Eburwin, Fries Jorn

F

Fadar Vader Vaar m. ‘vader’, vgl. Bróthar • oude erfnaam Vedderinck (Gelderland) • Oudengels Fæder

falko valk m. ‘valk’

Falko Falke Falk Valk m. • oordnaam Falconhem, nu Valkum (Groningen), geslachtsnaam Falking Felking in de oordnaam Velkenghem, nu Velkegem (Oost-Vlaanderen)

falu vaal ‘bleekgeel, bleekrood’

Falufalko Valevalk m., vgl. Sigifalko • oude erfnaam Valevalkinch, nu Vaalverink (Gelderland)

Fanto Fante m. betekent mog. ‘reizende’, vgl. Middelhoogduits alevanz ‘schalk die aan is komen lopen, vreemdeling’, Zweeds fant ‘vreemde, landloper; bode’, fänta ‘meid’, verwant aan vinden, Grieks póntos ‘zee’, Sanskriet pánthās ‘weg’ • geslachtsnaam Fanting in de oordnaam Vantenghem, nu Vantegem (Oost-Vlaanderen) • Oudengels Fonta, Fries Fante

far vaar ‘reizend, gaand’, vgl. varen, Duits fahren

Faraberht Farbrecht Farbert m.

Faragísl Fargis m.

Farahild Farehild Farild Ferild Feerle Veerle v., naam van een 7e/8e-eeuwse heilige • Latijns-Germaans Pharahildis Pharaildis

Faraman Fareman Farmen m. • Oudengels Færman

Faramund Farmond m.

Farawulf Farolf m.

Faro Fare m., Fara Fare v.

Farro Farre m. ‘(jonge) stier’, vgl. Middelnederlands varre, Oudhoogduits farro, Oudnoords farri ‘hetz.’ • Latijns-Germaans Farro

fast vast ‘vast, standvastig, trouw, betrouwbaar’

Fastrád Fastraad Fasteraad m. • erfnaam Vasterding, nu Vastert (Overijssel)

Fastráda Fasterade v.

Fastulf Fastolf m.

Fastwini Fastwin m.

Fáuko Fauke m., Fáuka Fauke v. koosvorm van Fáwo • Fries Fawke Fauke

Fáulo Faule m., Fáula Faule v. koosvorm van Fáwo • Latijns-Germaans Fāvila, Oudengels Fáwle

Fáwo Fauwe m., Fáwa Fauwe v. betekent mog. ‘lieve, goedaardige’ o.i.d., mits verwant aan Tochaars B päkw- ‘vertrouwen (op)’, Sanskriet pāká- ‘argeloos, kinderlijk’, Grieks ō pépon ‘o lieve’ • Latijns-Germaans Feva, Fries Fau

fegin vein ‘vrolijk, verheugd, vreugdevol’, vgl. Oudnoords feginn, Oudengels fægen ‘hetz.’

Feginhild Feinhild Feinild v.

Feginulf Feinolf Feilof m. • Latijns-Germaans Fainulfus

Felduni Felden m. betekent wel ‘tot het veld behorende’, mog. ‘veldheer’ of ‘veldman, landbouwer’ • Latijns-Germaans Feldunius, mog. Oudnoords Fjǫlnir (naam van Zweedse koning, bijnaam van Óðinn)

felu veel, fili veel ‘veel, menig’, ook ‘zeer, in hoge mate’

Feluberht Felbrecht Felbert m.

Felumár Felmar m. • Latijns-Germaans Filumārus

Felurád Feldraad m.

Ferilo Ferel Verel m., Ferila Feerle Veerle v. koosvorm van Fara-namen

fers vers vars betekent mog. ‘nageslacht’, vgl. vaars ‘jonge koe’, var ‘jonge stier’, Westvlaams veurzen ‘zaad schieten’, Latijn pariō ‘voortbrengen, ter wereld brengen’, Sanskriet parṣá- ‘schoof’, Grieks persós ‘koren’ (in Persóphattā ‘korendorsende’, verbasterd tot Persephónē)

Fersmár Fersmar Farsmar m. • Latijns-Germaans Fersomēris

fili zie felu

fin (finn-) fin vin betekent mog. ‘stekel, punt’, vgl. vin ‘zwemlid’ (eig. ‘uitsteeksel’), vinnig ‘scherp’, Middelnederlands vin vinne ‘scherpe punt’, Noors finn ‘borstelgras’, Zweeds fena ‘kaf’, vgl. brord, egil, egin en ord

Fin Fin Vin m., naam van de bekende koning der Frésion Friezen, zoon van Folkwald, gehuwd met Hildiburg, in o.a. het heldendicht Béowulf, en voorvader van vorsten der Engili en Sahson in Brittannië volgens dier stambomen • geslachtsnaam Finning in Vinninghen, nu Vinninge (Zeeland) • Oudengels Fin (Finn-), Oudnoords Finnr, Oudhoogduits Finn, geslachtsnaam Finning in de oordnamen Finningen (Beieren) en Vinningen (Rijnland-Palts)

Fingrím Fingrim m. • oude oordnaam Fengrimahuson (Gelderland)

Fitilo Fetel m., naam van een man uit de heldentijd, betekent wel ‘sok, kous’, vgl. Oudsaksisch fitilfót ‘met gesokte, witte onderbenen’, Noors Askeladden ‘de as-sok’ in volksverhalen • Oudengels Fitela, Oudnoords Sinfjǫtli, Oudhoogduits Sintarfizzilo, waarin sintar ‘sintel, kalk-as’

flád vlaad v. ‘zuiverheid, schoonheid’, vgl. Middelhoogduits vlât ‘hetz.’, vlæen vlæjen ‘spoelen, wassen, zuiveren’

Fládhild Fladhild Flatild v.

Fládmella Flademelle v. • Latijns-Germaans Flēdimella

Fládrád Fladeraad m.

Fládulf Fladolf m.

flan vlan vlam o. ‘onstuimigheid’, vgl. Zaans (zee)vlam ‘plotselinge mist die uit zee komt opzetten’, Schots flan ‘schielijke windvlaag’, Oudnoords flan ‘onstuimige beweging’, niet verwant aan vlam ‘brandtong’ (een ontlening van Latijn flamma)

Flanaberht Flambrecht Flambert Flammert m. • geslachtsnaam Flanaberhting in de oordnaam Flambertenges, nu Vlamertinge (West-Vlaanderen) • Oudhoogduits Flanpraht

Flanagísl Flangis m. • Latijns-Germaans Flanigīsilus

Fokko Fokke m., Fokka Fokke v. koosvorm van Folk-namen • oude erfnaam Fockunck (Gelderland) • Oudengels Focca

folk volk o. ‘heerschare, leger’ (pas later ‘stam’), mog. eig. ‘gevolg’, mits verwant aan volgen, anders mog. eig. ‘ploeg’, mits verwant aan Fries felgje ‘ploegen’ e.d., vgl. druht, heri, hlóth, skara

Folkbald Folkboud Folboud m. • Oudfries Folkbald, oordnaam Folkbaldesthorpe (Oost-Friesland)

Folkberht Folkbrecht Folkbert Folbert Folpert m. • erfnaam Folberting, nu Het Volbert (Overijssel)

Folkburg Folkburg Folburg v.

Folkgard Folkgard v.

Folkhard Folkert Volkert m. • oordnaam Volcartsnesse, nu Volkaarsnisse (Zeeland), geslachtsnaam Folkharding in de oude erfnamen Folkerdingeguet (Drenthe), Volkardingehus (Drenthe)

Folkheri Folker Volker m. • erfnaam Volkerink (Overijssel), geslachtsnaam Folkhering in de oordnaam Folkeringhehove, nu Volkerinkhove (Nord) • Oudengels Folchere

Folklêf Folklef v.

Folklind Folkind v.

Folkmár Folkmar Folmar m. • erfnaam Volmering, nu Volmer (Overijssel)

Folkmód Folkmoed v.

Folko Folke m., Folka Folke v. • geslachtsnaam Folking in de oordnaam Folkengem, nu Volkegem (Oost-Vlaanderen)

Folkrád Folkraad m. • Oudengels Folcréd

Folkráda Folkrade Folkerade m.

Folkrík Folkerik m.

Folkswind Folkswind v.

Folkwald Folkoud m., naam van de vader van Fin, koning der Frésion Friezen • oordnaam Volcousthord, lees *Volcouts ord, nu Walsoorden (Zeeland) • Latijns-Germaans Fulcoaldus, Oudengels Folcweald Folcwealda

Folkwara Folkware v.

Folkward Folkward m.

Folkwíf Folkwijf v.

Folkwíh Folkwij Folkwijg v. • Fries Folkou

Folkwini Folkwin Folkwijn m. • oordnaam Sancti Folquini, nu Saint-Folquin/Sint-Volkwin (Pas-de-Calais), mog. oude erfnaam Wolquijnsgoed (Overijssel) • Oudengels Folcwine

forth voort ‘verder’

Forthwald Voordoud m.

Fosso Fosse m. betekent mog. ‘pluk’ o.i.d., vgl. Drents fosse ‘pluk, bos, hoeveelheid’, Duits fussen ‘rafelen’, Engels fuzz ‘dons, pluis’, anders mog. ‘groeiende’ o.i.d., vgl. Noors føysa ‘zwellen’, Gronings vust ‘veel’, Sanskriet púṣyati ‘gedijen’ • Oudhoogduits Fusso

Frankon Franka Franken Vranken mv., naam van een groot verbond van Germaanse stammen en geslachten (zie Batawa, Frésion, Hamawa, Hatta, Hatweria, Húga, Súgambra, Tehsundra, Tungra), bestaande uit twee vleugels (zie Rípweria en Sellia), dat in de derde eeuw n.Chr. onder druk van de Sahson Sassen naar het zuidwesten trok en Frankrijk stichtte • beantwoordt aan vrank, frank ‘vrijmoedig’ • Latijns-Germaans Francī Francōnes mv., Grieks-Germaans Φράγκοι Φράγγοι (Phránkoi Phrángoi) mv., Oudengels Francan mv., Oudnoords Frakkar Frankar mv., Oudhoogduits Frankon mv. (ook in Frankonofurt ‘voorde der Franken’, nu Frankfurt)

Franko Frank m., Franka Franke v. • oordnamen Frankendike, nu Vrankendijk (Zeeland), en Frankenissa, nu Vrankenisse (Zeeland), oude erfnamen Vranckenkate (Overijssel) en Vrankinc (Gelderland)

Frésion Friezen, Frísion Frísia Frijzen mv., naam van een stam die al ruim tweeduizend jaar in dezelfde streek woont, hoewel velen in de derde eeuw n.Chr. wegtrokken, wel als onderdeel van de Frankon Franken, en de achterblijvers later aangevuld werden door Engili Engelen en Sahson Sassen • betekent mog. ‘vrienden, verwanten’ o.i.d. (zie Frí) • oordnaam Fresionowic ‘nederzetting der Friezen’, nu Vreeswijk (Utrecht), oude erfnaam Vresenewyck (Overijssel), vgl. Frankonofurt ‘voorde der Franken’, nu Frankfurt (Hessen) • Latijns-Germaans Frīsiī mv., Frīsiōnum (2e nv.) mv., Oudfries Frésa Frísa mv., Oudengels Frésan Frýsan Frísan mv., Oudnoords Frísir mv., Oudhoogduits Frieson Fríson mv., Middelnederlands Vresen Vriesen mv.

Frésberht Friesbrecht Friesbert m. • Oudfries Frésberht, oordnaam Fresbrahtteshem, nu Freepsum (Oost-Friesland)

Frésio Fries, Frísio Fries m., Frésia Frieze, Frísia Frijze v. • oude erfnaam Vriesingen (Overijssel)

Frésnand Friesnand m. • Oudvlaams Frísnóth

Frí Frij Vrij, Fría Frije Vrije v., naam van de bekende godin, nog in vrijdag, betekent ‘geliefde (vrouw)’, vgl. Oudsaksisch frí ‘vrouw’, verwant aan vrijen (eig. ‘liefhebben’), vriend, vrede • mog. erfnaam Vrilo/Vrielo, nu Vriele (Overijssel) • Oudnoords Frigg, niet Freyja, Oudfries Frí, mog. oude oordnaam Friefurt, lees *Friewurth (Groningen)

fríd vrijd ‘geliefd, dierbaar, gekoesterd, mooi’, vgl. Vrijthof (Maastricht, Tongeren), Oudsaksisch frídhof ‘binnenplaats’, Oudnoords fríðr ‘mooi’, Oudhoogduits frîtlîh ‘aangenaam’, frîten ‘verzorgen’, verwant aan frithu

Frikkio Frikke Frik m. betekent mog. ‘begerige, gretige, lustige’, vgl. vrek ‘gierigaard’, verouderd Nederlands frik ‘mannelijk lid’, anders mog. ‘heraut, verkondiger’, vgl. Oudengels fricca friccea ‘hetz.’

-frith zie frithu

Fritho Vrede m., Fritha Vrede v. koosvorm van Frithu-namen • geslachtsnaam Frithing in de oordnaam Fredingahem, nu Veerdegem (Oost-Vlaanderen)

frithu vrede m. ‘vriendschap’, vanwaar ook ‘goede betrekkingen’ en ‘veiligheid’, zoals nog in de samenstelling huisvrede, verwant aan vrijen (eig. ‘liefhebben’), vriend, Frí, fríd en mog. Frésion • als tweede lid in mannelijke namen altijd -frith zonder eindklinker

Frithubald Fredeboud m.

Frithuberht Fredebrecht Fredebert m.

Frithuburg Fredeburg v.

Frithugard Fredegard v.

Frithugêr Fredeger m.

Frithugand Fredegand m.

Frithugern Fredegern m.

Frithugund Fredegond v., naam van een 6e -eeuwse koningin der Frankon Franken • Latijns-Germaans Fredegundis

Frithulind Fredelind v. • Latijns-Germaans Fredelindis

Frithulf Fredolf m. • Oudengels Friðuwulf

Frithuman Fredeman m.

Frithumár Fredemar m. • Oudfries Frithumêr Ferthemêr, oordnaam Fertmereshem, nu Farmsum (Groningen), oude oordnaam Ferthemereswere (Noord-Holland)

Frithunand Fredenand m. • Oudfries Frithunâth, oordnaam Frithunathasthorpe (Oost-Friesland)

Frithurád Frederaad m.

Frithuráda Frederade v.

Frithurík Frederik Frerik Freerk Freek m. • erfnamen Frederking, nu Freersbroer (Overijssel), Frerking, nu Freriks (Overijssel) • Oudengels Friðuríc, Duits Friedrich

Frithurún Frederuin v. • Latijns-Germaans Frederūna

Frithuswind Fredeswind v.

Frithuwald Fredewoud Fredoud m. • Oudfries Frithuwald, oordnaam Fretholdasthorpa (Oost-Friesland), Oudengels Friðuweald

Frithuwara Fredeware v.

Frithuward Fredeward m.

Frithuwerk Fredewerk m.

Frithuwíh Fredewij Fredewijg v. • Fries Fredou Fardou

Frithuwini Fredewin Fredewijn m.

frô vro m. ‘heer’, in dichterlijke zin ‘godheid’, vgl. Oudsaksisch frô frôho frâho, Oudengels fréa ‘hetz.’, Middelnederlands vrone ‘heilig’ (eig. ‘van de heren’), verwant aan Frôio en vrouw, vgl. ans, god, regin

Frôberht Frobrecht Frobert m.

Frôgêr Froger m.

Frômund Fromond m.

Frôrád Froraad m. • oordnaam Frordeslo, nu Vladslo (West-Vlaanderen) • Oernoords ᚠᚱᚨᚹᚨᚱᚨᛞᚨᛉ (FrawarādaR)

Frôrík Frorik m.

Frôwara Froware Frouwere v., naam van de dochter van koning Hróthgêr Rutger in Béowulf • Oudengels Fréawaru

Frôwini Frowin m. • Oudengels Fréawine

Frôio Vrooie Vrooi m. ‘heer’, vgl. Oudsaksisch frôio, Oudengels frígea ‘hetz.’, Oudnoords Freyr (godennaam), verwant aan frô • erfnaam Vrooijink (Overijssel)

fród vroed ‘wijs’, ook in bevroeden, vgl. Oudengels fród, Oudnoords fróðr, Oudhoogduits fruot ‘hetz.’, vgl. ald, gamal, wís

Fródberht Froebrecht Froebert m.

Fródo Froede Vroede, naam van een koning der Hathubardon Hadebaarden en enkele der Deni Denen • mog. oordnamen Vrodenhout Vroedenhout, nu Vroenhout (Noord-Brabant), en Frodowalda, nu Vredewolde (Groningen) • Oudnoords Fróði, Oudengels Fróda, Oudhoogduits Fruoto Fruato

Fródulf Froedolf Froelof m.

Fródwini Froedwin Froedewijn Vroedewijn m.

frumo vrome ‘voorste, eerste’, ook ‘voorste in de strijd, moedige’, vgl. Gotisch fruma ‘eerste’

Frumaheri Frommer Former m.

Frumawald Fromoud Formoud m.

funs vons ‘gereed, gretig’, vgl. Oudhoogduits funs, Oudengels fús ‘hetz.’

G

gal gal betekent mog. ‘zingend’, vgl. nachtegaal, galm, Oudhoogduits galan ‘betoveren door zang’, Oudnoords galdr ‘toverlied’, anders mog. ‘begerig’, vgl. Middelnederlands galen ‘begeren’

Galaman Galeman m.

Gallo Galle m., Galla Galle v. nevenvorm van Galo

Galo Gale m., Gala Gale v. • geslachtsnaam Galing in de oude oordnaam Galinghem (Noord- of Zuid-Holland)

gamal gamel gammel ‘oud’, in dichterlijke zin ‘wijs, ervaren’, vgl. Oudnoords gamall, Oudengels gamol gomel ‘hetz.’, mog. eig. ‘ter aarde’ en verwant aan gumo, vgl. ald, fród, wís

Gamalberga Gamelberge v.

Gamalbold Gamelboud m.

Gamalheri Gamelaar m.

gaman gamen o. ‘vertier, vrolijkheid, gelukzaligheid’, vgl. Oudsaksisch gaman, Oudhoogduits gaman ‘hetz’.

Gamanulf Gamenolf m.

Gammo Gamme m. nevenvorm van Gamo • geslachtsnaam Gamming in de oordnaam Gamminclo, nu Gammelke (Overijssel)

Gamo Game m. koosvorm van Gamal-namen of Gaman-namen

gan (gann-) gan betekent mog. ‘aandrijvend, beweeglijk’ o.i.d., vgl. beginnen (mits eig. ‘in beweging brengen’), Middelhoogduits gan ‘vonk’, IJslands gana ‘onbezonnen voorwaarts stormen’, mog. ook Oudnoords gandr ‘toverstaf’ (zie Ganna)

Ganhard Gandert m. • Oudhoogduits Ganhart, Fries Gannert Gandert

Gannask Gannes Gans m., naam van een 1e-eeuwse zeerover der Kananafethi Kanenveden, mog. met ask, al begon het tweede lid van namen doorgaans met een medeklinker • Latijns-Germaans Gannascus

Ganno Ganne m., Ganna Ganne v., naam van een 1e-eeuwse zieneres, vgl. Waluburg, Weleda • mog. geslachtsnaam Genning in de oude oordnaam Genneghem (Antwerpen) • Latijns-Germaans Ganna, Fries Ganne

gand gand betekent mog. ‘gretig’, vgl. Oudnoords gandr ‘wolf; ros’, hrótgandr ‘vuur’ (met hrót ‘dak’), Jǫrmungandr (de grote slang die de wereld omringt, zie erman), gana ‘aangapen’, Noors gan ‘keelgat’, Oostfries gannen, gânen ‘loerend verlangen’, IJslands góna ‘staren’ • in mensennamen wel verre te houden van Oudnoords gandr ‘toverstaf, tovenarij’

Gandheri Ganter m. • geslachtsnaam Gandhering in de oordnaam Gendringen (Gelderland)

Gando Gande m. • oude erfnaam Gendinch (Gelderland)

Gandrík Ganderik m. • Oudfries Gandrík Gondrík, oordnaam Gondrikeshem, nu Gandersum (Oost-Friesland)

Gandulf Gandolf m. • Latijns-Germaans Gandulfus

gang gang m. ‘gang, loop’

Gangulf Gangolf m., vgl. Wulfgang

-gar zie garu

gard gard gaard v. ‘omheining, omheind oord’, in dichterlijke zin ‘bescherming, vrede’, geeft als tweede lid overwegend doch niet uitsluitend vrouwelijke namen

Gardulf Gardolf m.

garu garuw gaar ‘gereed, bereid’, vgl. Oudsaksisch garu ‘hetz.’, mog. eig. ‘gretig’ en verwant aan begeren • als tweede lid in mannelijke namen altijd -gar zonder eindklinker

Garubald Garboud m.

Garuman Gareman Garmen Garm m.

Garuward Garward m.

gast gast m. ‘gast’, de bezoeker die met alle eer wordt ontvangen

Gastneri Gastenaar m. • Latijns-Germaans Gastinasius

gawi gouw gooi go o./v. ‘landstreek’, vgl. land

Gawirík Gouwerik Gorik m. • Latijns-Germaans Gaugerīcus, Oudhoogduits Gawiríh, Frans Géry

gegin gegen gein, gagan gagen betekent mog. ‘rechtstreeks, rechtdoorzee’ o.i.d., vgl. tegen (uit te gegen), Oudhoogduits gagan gegin ‘tegemoet’, Oudnoords gegn ‘rechtstreeks’, gǫgn ‘pijl’

Geginhard Gegenhard Geinhard Geindert m.

Gegino Gegene Geine m. • geslachtsnaam Gegining in de oude oordnaam Gegningathriusca (Oost-Vlaanderen)

Geiko Geike m. koosvorm van Geio • Fries Gaike

Geio Geie m. betekent mog. ‘aandrijvende’ of ‘gedrevene’ o.i.d., mits evenknie van Sanskriet hayá- (in aṡva-hayá- ‘rossen drijvend’), vgl. Fries de gaai krije/nimme ‘beginnen te lopen, vaart krijgen’ en zie Swên en Sunno • Fries Gaaie

gêl geel ‘begerig, lustig, vrolijk’, vgl. Duits geil ‘hetz.’ (ontleend als geil)

Gêliko Geelke Gelke m. koosvorm van Gêlo • oordnaam Geelkenesse, nu Gelkenes (Zuid-Holland), oude erfnaam Gheleking (Overijssel), geslachtsnaam Gêliking in de straatnaam Gelkingestraat (Groningen)

Gêlo Gele m., Gêla Gele v.

Gêltêt Gelte Gelt m. koosvorm van Gêlo • oude erfnaam Geltinck (Overijssel)

Gêlthrúth Geldruid v.

geld geld ‘vergeldend, betalend’

Geldheri Gelter m. • mog. oordnaam Geldersler, nu Gelselaar (Gelderland)

Geldráda Gelderade v.

Geldulf Geldolf m.

Geldwíh Geldewij Geldewijg v. • Fries Jeldou Jildou

gêr geer m. ‘speer, werpspeer’, in dichterlijke zin ‘krijger’, vgl. Oudnoords geirr ‘speer’, verwant aan gísl

Gêrbald Gerboud m.

Gêrberht Gerbrecht Gerbert m.

Gêrbern Gerbern Gerben m.

Gêrbôd Gerbod m.

Gêrbrand Gerbrand m.

Gêrburg Gerburg v.

Gêrhard Gerard Geert Gert m. • erfnamen Gherding, nu Geerdink (Overijssel), Gherding, nu Geerman (Overijssel) • Oudfries Gêrhard, oordnaam Gerhardas weritha (Groningen)

Gêrhelm Gerelm m.

Gêrhild Gerhild Gerild v.

Gêrhravan Gerraven, Gêrhram Gerram m. • Latijns-Germaans Gaerechramnus

Gêrlêf Gerlef m. • Oudfries Gêrlêf, oordnaam Gerleviswert, nu Garrelsweer (Groningen)

Gêrlêk Gerlek m.

Gêrlind Gerlind v.

Gêrmund Germond m. • Oudengels Gármund

Gêrnand Gernand m.

Gêro Gere Geer m. koosvorm van Gêr-namen • Oudengels Gára

Gêrrík Gerik Gerrik m.

Gêrsind Gersind v.

Gêrswind Gerswind v.

Gêrthrúth Gerdruid v. naam van een 7e-eeuwse heilige abdis • Latijns-Germaans Gērthrūdis Gērtrūdis (vanwaar Geertruida)

Gêrulf Gerolf Gerlof m. • oordnaam Gherolfsdijc, nu Geersdijk (Zeeland), oude erfnaam Gherlovinc (Overijssel) • Oudengels Gárwulf Gárulf

Gêrwald Geroud m. • oordnaam *Gerwaldes berge (vertaald als Geroaldi monte), nu Geraardsbergen (Oost-Vlaanderen), oude erfnaam Geroldinc (Overijssel)

Gêrwara Gerware v.

Gêrward Gerward m. • oude oordnaam Gerwardeshem (Noord-Holland), oude erfnaam Gerwerding (Overijssel), erfnaam Gerwerdijnk, nu Garvelink (Gelderland)

Gêrwendil Gerwendel m., naam van een man uit de heldentijd, vader van Ôrwendil Orendel • Latijns-Germaans Gērwendillus, Oudhoogduits Gêrwentil Kêrwentil, oordnaam Kerwenteleshusa, nu Gerblinghausen (Beieren)

Gêrwerk Gerwerk m.

Gêrwíh Gerewij Gerewijg Gerwij Gerwijg v.

Gêrwini Gerwin Gerewijn m. • erfnaam Gherwening, nu Gerveman (Overijssel), oude erfnaam Gherwyning (Overijssel)

Germo Germe Germ m. betekent mog. ‘begerige’, vgl. begeren, gaarne, of ‘brullende’, vgl. Oudengels gyrman ‘brullen’, Oudnoords garmr ‘hond’, in beide gevallen mog. hetzelfde woord als Latijns-Germaans Germānī mv. (volksnaam) • oude erfnaam Germynghe (Drenthe)

gern gern gaarn ‘begerig’, vgl. gaarne, Duits gerne, verwant aan begeren

geva geve v. ‘gift, geschenk’, vgl. Oudsaksisch geva, Oudhoogduits geba ‘hetz.’

Gevahard Geverd Gevaard Geffert m. • oude erfnamen Gheverdinc (Overijssel) en Geverdynck (Gelderland), geslachtsnaam Gevaharding in de oordnaam Gheverdighovo, nu Gijverinkhove (West-Vlaanderen) • Oudhoogduits Gebahart, Duits Gebhart Gibhart Giphart

Gevo Geve m., Geva Geve v. • Oudhoogduits Gebo, Geba, Oudengels Gifa m., Fries Jouwe (samengevallen met de evenknie van Júwo)

Gevuko Geveke m., Giviko Geveke m., naam van een beroemde koning der Burgunda Burgenden, is koosvorm van Gevo • Oudengels Gifica, Oudhoogduits Gibicho, Oudnoords Gjúki, Fries Jouke

Ginno Ginne m. betekent mog. ‘aandrijvende’, zie gan • mog. Fries Jinne

gísl gijzel, gís gijs m. ‘scheut, loot’, in dichterlijke zin ‘telg, kind’, vgl. gijzelaar (destijds een edel kind dat als borg voor vrede door een wedijverend geslacht opgevoed werd), Middelnederduits gisel gise ‘hetz.’, Oudnoords gísli ‘stok, staf’, Langbaards gísil ‘pijlschacht’, verwant aan gêr

Gísl Gijzel, Gíslo Gijzel m., Gísla Gijzele v. • oude oordnaam Gisleshem (Noord-Holland), erfnaam Ghizeling, nu Giezelman (Overijssel), geslachtsnaam Gísling in de oordnaam Gislengem, nu Gellingen/Ghislenghien (Henegouwen) • Oudfries Jísl, oordnaam Gisleheim, nu Jislum (Friesland), Frans Gisèle v.

Gíslberga Gijsberge v.

Gíslberht Gijsbrecht Gijsbert Gisbert m. • erfnaam Ghiselbertinc, nu Gijzelberting (Overijssel), geslachtsnaam Gíslberhting in de oordnaam Ghiselbrechtenghen, nu Gijzelbrechtegem (West-Vlaanderen) • Oudengels Gíslbeorht, Frans Gilbert

Gíslbrand Gijsbrand m.

Gíslhild Gijzild v.

Gísllind Gijzelind v.

Gíslmár Gijsmar m. • Latijns-Germaans Gīslemārus

Gíso Gijs m., Gísa Gijze v. koosvorm van Gísl-namen • oordnaam Ghisenrode, nu Gijzenrooi (Noord-Brabant), geslachtsnaam Gísing in de oordnamen Gisingasela, nu Gijzenzele (Oost-Vlaanderen), en Gisengem, nu Gijzegem (Oost-Vlaanderen)

Gísulf Gijzolf m.

glís glijs ‘glans, schittering’, vgl. Oudengels glísian ‘glanzen, schitteren’, glisnian ‘glinsteren’, Engels glisten ‘hetz.’, Oudnoords glis ‘opsmuk’, Noors glis ‘lichtflits’

Glísmód Glismoed v. • Oudhoogduits Glîsmuot Glîsmuat

god god o. ‘god, godheid, oergeest’, in heidense tijd meestal in mv. gebruikt, vgl. Oudnoords goð o. ‘heidense godheid’ (ook guð- in sommige namen), guð m. ‘christelijke God’, vgl. ans, frô, regin

Godabald Godeboud Goboud m.

Godaberht Godebrecht Godebert Gobert m. • oude erfnaam Godeberting (Overijssel), geslachtsnaam Godaberhting in de oordnamen Godebreghtingen, nu Goilberdingen (Gelderland), en Gobertingen, nu Gobertange (Waals-Brabant)

Godaburg Godeburg v.

Godafrith Godefred Govert Godevaart Govaart m. • oordnamen Godeuerdsuelda, nu Godewaersvelde (Nord), en Godeferts Lewe, nu Gors-Opleeuw (Belgisch-Limburg), erfnaam Godeverding, nu De Geuver (Overijssel), oude erfnaam Gadevording (Overijssel), geslachtsnaam Godafrithing in de oordnaam Gotferthengem, nu Godveerdegem (Oost-Vlaanderen) • Duits Gottfried, Frans Geoffroy (vanwaar Engels Geoffrey Jeffrey)

Godagísl Godegijs m. • Latijns-Germaans Godegīsil Godigīsil

Godahild Godehild Godeld v. • Oerhoogduits ᚷᛟᛞᚨᚺᛁᛞ (Godahi[l]d)

Godahram Goderam m.

Godalêf Godelef m. • Oudnoords Guðleifr, Oudfries Godlêf, oordnaam Godlevingi, nu Godlinze (Groningen)

Godalêk Godelek m.

Godaleova Godelieve v.

Godalind Godelind v.

Godamár Godemar Gomar m. • Latijns-Germaans Godomārus

Godamund Godemond m. • Oudnoords Guðmundr

Godarún Goderuin v. • Latijns-Germaans Goderūna, Oudnoords Guðrún (tenzij evenknie van Gundrún, maar hoe dan ook langs het Middelnederlands ontleend als Middelhoogduits Kudrûn)

Godawara Godeware v.

Godaward Godeward Godward m.

Godawini Godwin Godewijn m. • Oudengels Godwine

Godesskalk Godeschalk Godschalk Gosschalk m. ‘Gods knecht’, een christelijke naam, vgl. Godesthiu • oordnaam Godschalksoord, nu Goidschalxoord (Zuid-Holland), erfnaam Gotschalking, nu Gosselt (Overijssel), oude erfnaam Gaetscalkynck (Gelderland) • Oudengels Godesscealc, Duits Gottschalk

Godesthiu Godestuw Godestuwe Godstuw Godstuwe Gostuw Gostuwe v. ‘Gods dienstmaagd’, een christelijke naam, vgl. Godesskalk • achternaam Goetstouwen, nu Goetstouwers • Oudhoogduits Gotesdiu

gód goed ‘goed, welvoeglijk’

Gódilo Goedele m., Gódila Goedele v., naam van een 7e-eeuwse heilige • oude erfnaam Godelenkamp (Overijssel), geslachtsnaam Gódiling in de oordnaam Godelinchehem, nu Gullegem (West-Vlaanderen)

Góding Goeding m. • Oudengels Góding, Oudhoogduits Guoting

Gódman Goedeman Goeman m. • Oudengels Gódmann, Oudhoogduits Guotman

Gódo Goede m., Góda Goede v. • geslachtsnaam Góding in de oordnaam Guodengohovo, nu Guigoven (Belgisch-Limburg) • Oudengels Góda m., Góde v., Oudhoogduits Guoto, Guota

gold goud o. ‘goud’

Goldgard Goudgard v.

Gorm Gorm m., naam van een Deense koning, betekent mog. ‘begerig’, vgl. Germo • Ouddeens ᚴᚢᚱᛘᛦ (KurmR), Oudnoords Gormr, mog. Fries Gorm

Goro Gore Goor m. betekent mog. ‘jongen’, vgl. Middelnederduits göre, gör ‘uk; meid’, Gelders-Overijssels gör ‘kleine meid’, Engels girl ‘meisje’ (vroeger ‘kind’) • koosvorm in de erfnaam Gorkengoet, nu Geurkink (Gelderland), geslachtsnaam Goring in de oordnaam Gorinchem (Zuid-Holland)

gôt goot, goto goot m. betekent wel ‘bevruchter, verwekker’ o.i.d., vanwaar ‘man’ of ‘voorvader’, van de wortel van gieten • hiervan komen de onderstaande volksnamen Gôta en Goton

Gôt Goot m., Gôto Gote Goot m. • oude erfnamen Goetinch (Overijssel), Gotinck (Gelderland) • Oudhoogduits Gôz Gôzo, Oudengels Géat (naam van voorvader van Wóden, zie Wódan), Oudnoords Gautr (bijnaam van Óðinn, zie Wódan)

Gôta Goten mv., naam van een stam in wat nu Zweden is, benoorden de Deni Denen, bezuiden de eigenlijke Swion Zweden • Oudnoords Gautar mv., Zweeds Götar mv. (ook in Göteborg), Oudengels Géatas mv.

Gôtberht Gotbrecht Gotbert m. • Latijns-Germaans Gautbertus Gaotbertus

Goton Goten mv., naam van een verzameling stammen die oudtijds in Oost-Europa woonden, vaak slag leverden met de Romeinen en Hunnen en vertakt waren in de Ôstargoton en de Wesugoton • Latijns-Germaans Gutōnes Gotōnes Gotī Gothī mv., Oudnoords Gotar mv., Oudengels Gotan mv.

Gram Gram m. ‘toorn’ • oordnaam Gramsbergen (Overijssel) • Oudnoords Gramr

gráu grauw ‘grauw, grijs’, vgl. Oudnoords grár ‘grauw; vijandig’

Grábard Grabard Grauwbaard m. • Oudnoords Grábarði (bijnaam)

Gráman Graman Grauweman m.

Gráwo Grauwe m.

Gráwulf Grauwolf m.

grád graad m. ‘honger’, vgl. graag (uit *gradig), Oudsaksisch grádag ‘vraatzuchtig’, Oudnoords gráðr ‘honger’, Engels greed ‘hebzucht’

Grádulf Gradolf Gralof m.

grím grijm m. ‘roet, zwart gesmeerd gezicht, masker’, in dichterlijke zin ‘helm’, vgl. Vlaams grijm grim ‘roet, zwartsel’, Zaans grim ‘masker’, Tessels grim ‘masker’, Rijssens grim ‘spook’, Oudengels gríma m. ‘masker, helm; spook’, Grím, Oudnoords Grímr (beide ook bijnaam van Wóden/Óðinn, zie Wódan, vgl. Hagubard), Frans grimer ‘schminken’ (uit het Germaans) en zie Masko, niet verwant aan grim(mig) • jonge mannen speelden zo de doden van de Wilde Jacht, als voorlopers van o.a. Zwarte Pieten in de Lage Landen en Schmutzlis in Zwitserland

Grím Grijm m. • Oudnoords Grímr, Oudengels Grím (beide ook bijnaam van Óðinn/Wóden, zie Wódan, vgl. Hagubard), oordnamen Grimesdiche, nu Grim’s Ditch (Wiltshire), en Grimesdich, nu Grim’s Dyke (Oxfordshire)

Grímbald Grimboud m. • Oudengels Grímbeald

Grímberht Grimbrecht Grimbert Grimmert m. • oude oordnaam Grimberghespit (Pas-de-Calais), geslachtsnaam Grímberhting in de oordnaam Grimmertingen (Belgisch-Limburg)

Grímhard Grimhard Grimmert Grijmert m.

Grímheri Grijmer Grimmer m. • erfnaam Grimering, nu Grimmerink (Overijssel)

Grímhild Grimhild v., vroeg verhaspeld met Krémhild Kriemhild • Latijns-Germaans Grīmoildis, Oudnoords Grímhildr, Oudhoogduits Grîmhilt, oordnaam Grimhiltaperg, nu Greimelberg (Beieren)

Grímwald Grijmoud m. • Latijns-Germaans Grīmoaldus, Frans Grimault Grimaud

Grímwara Grimware v.

Grímward Grimward m.

Grindio Grinde m. betekent mog. ‘vermorzelende’ o.i.d., vgl. grind, Oudengels grindan ‘vermalen’ • Latijns-Germaans Grindio

Gríp Grijp, Grípo Grijpe Grijp m. ‘grijpende’ • oordnaam Gripeskirca, nu Grijpskerke (Zeeland), oude erfnamen Griping (Overijssel) en Gripinchaven (Gelderland)

Grippo Grippe Grip m. nevenvorm van Gríp

gumo gome goom m. ‘man’, nog in bruidegom, vgl. Oudengels guma, Oudnoords gumi ‘hetz.’, in de verte verwant aan Latijn homo ‘man’, met als oorspr. betekenis ‘aardling’, vgl. gamal

Gumo Gome Goom m.

Gumathrúth Gomedruid v., naam van een 7e-eeuwse koningin der Frankon Franken • Latijns-Germaans Gomatrūdis

Gumulo Gomele m. koosvorm van Gumo • geslachtsnaam Gumuling in de oordnaam Gomelingehem, nu Glomenghem (Pas-de-Calais)

gund gond v. ‘strijd, krijg, oorlog’, vgl. Oudnoords gunnr guðr, Oudengels gúð ‘hetz.’, Oudsaksisch gúthfano ‘krijgsvaan’, gúthhamo ‘krijgsgewaad’

Gundbad Gondbad Gombad m. • Latijns-Germaans Gundobadus, Oudengels Gúðbeorht

Gundberht Gondbrecht Gondbert Gombrecht Gombert Gommert m.

Gundfrith Gondfred Gomfert m. • geslachtsnaam Gundfrithing in de oordnaam Gonferdinghen, nu Goeferdinge (Oost-Vlaanderen) • Oudengels Gúþfriþ

Gundheri Gonter m., naam van een beroemde koning der Burgunda Burgenden • oude oordnaam Gunterslaar (Noord-Brabant), oordnaam Gontersforde, nu Wontersvoorde (Oost-Vlaanderen), geslachtsnaam Gundhering in de oordnaam Gontrenghem, nu Wontergem (Oost-Vlaanderen) • Oudnoords Gunnarr, Oudengels Gúþhere, Duits Günter

Gundhravan Gonderaven, Gundhram Gonderam m., naam van een 6e-eeuwse koning der Frankon Franken • Latijns-Germaans Gunthchramnus

Gundilo Gondele m., Gundila Gondele v. • geslachtsnaam Gundiling in de oordnaam Gundinglehem, lees *Gundlingehem, nu Wondelgem (Oost-Vlaanderen)

Gundo Gonde m., Gunda Gonde v. • Oudengels Gúða

Gundrand Gonderand m.

Gundrún Gonderuin v. • Oudhoogduits Gundrûn, Oudnoords Guðrún (tenzij evenknie van Godarún, maar hoe dan ook langs het Middelnederlands ontleend als Middelhoogduits Kudrûn)

Gundulf Gondolf m. • Oudengels Gúðwulf, oordnaam Gutthulvesforda, nu Gusford Hall (Staffordshire)

Gundwakar Gondewaker Gondeker m.

Gundwald Gondoud m. • Latijns-Germaans Gundovaldus, Oudengels Gúþweald

Gundwih Gondwig m. • Latijns-Germaans Gundovechus

H

Haddo Hadde m. koosvorm van Hard-namen • Oudengels Headda

hag hag betekent ofwel ‘bekwaam, potent’, vgl. Oudnoords hagr ‘bekwaam, vaardig (gemaakt)’, Oudnederlands hagan ‘stier’, ofwel ‘haag’, in dichterlijke zin ‘beschermend’, vgl. gard en Oudengels eodor ‘omheining; beschermer’, zie ook Hagubard, Haguno

Hago Hage m.

hagal hagel m. ‘neerslag van ijskorrels’

Hagalberht Hagelbrecht Hagelbert m. • Latijns-Germaans Chaglibercthus

Haggo Hagge m. nevenvorm van Hago • oude oordnaam Haggonwerva (Groningen)

Hagubard Hagebard m. ‘masker, vermomming’, vgl. Oudhoogduits hagubart ‘hetz.’, zie hag • Latijns-Germaans Chagobardus, Oudhoogduits Hagupart, Oudnoords Hagbarðr (ook bijnaam van Óðinn, zie Wódan en Grím)

Haguno Hagano Hagen m., naam van twee verschillende beroemde krijgers, een de vader van Hild en vijand van dier schaker Hedan Heden, de ander een verwant van Gundheri Gonter, betekent ‘bekwame, potente’ of ‘beschermende’, zie hag • oude erfnaam Hagheninghe (Drenthe) • Oudengels Haguna Hagena, Oudnoords Hǫgni, Middelhoogduits Hagene

Hagustald Hagastald Hagestoud m. ‘jonge, ongehuwde gevolgsman, wonend bij zijn heer’, vgl. Oudsaksisch hagustald hagastald, Oudengels hagosteald ‘hetz.’, Duits Hagestolz ‘vrijgezel’ • oordnamen Agastaldaburg Bagastaldaburg, lees *Hagastaldaburg, nu Hazelberg (Gelderland), en Hagestolzesheim, nu Hassum (Noordrijn-Westfalen) • Oernoords ᚺᚨᚷᚢᛋᛏᚨᛚᛞᚨᛉ (HagustaldaR)

háh ha m. betekent wel ‘ros’, van ouder *hanh, en is dan verwant aan hengst (ouder *hangist), Oudnoords hestr ‘ros’ (ouder *hanhistaR)

Háhmund Hamond m. • Oudengels Hómund, Oudnoords Hámundr

Háhwald Hawoud m. • Latijns-Germaans Hanhavaldus, Oudnoords Hávaldr

Háhwar Hawar Hauwer m. • Oerhoogduits ᚺᚨᚺᚹᚨᚱ (Hāhwar), mog. Oudnoords Hávarr

Háhward Haward Hauwert m. • Oudengels Hóward, Oudnoords Hávarðr

Hakko Hakke m. nevenvorm van Hago • geslachtsnaam Hakking in de oordnaam Hachinghem, nu Hacquinghen (Pas-de-Calais)

Hakulberand Hakelberend m., laat overgeleverde doch gewis oude naam van de leider van de Wilde Jacht, d.w.z. Wódan Woen, betekent ‘manteldragend’, vgl. Oudsaksisch hakul ‘mantel’ en beran ‘dragen’, vgl. hoe Óðinn í feldi blám ‘in blauwe mantel’ gehuld is volgens het Oudnoordse lied Grímnismál • verouderd Westfaals Hackelberend, verouderd Oostfaals Hackelberg (verbastering)

Halfdeni Halfdeen m., naam van meerdere vorsten van gemengde afkomst na de verovering van Jutland (zie Iuti) door de Deni Denen • Oudengels Healfdene, Oudhoogduits Halbtene, Oudnoords Halfdan(r)

Hamar Hamer m. ‘hamer’, voorheen ‘steen’ • Latijns-Germaans Chamarus, Oudhoogduits Hamar

Hamawa Hamuwen mv., naam van een stam die oorspr. benoorden de Batawa Batuwen woonde en deel werd van de Frankon Franken • leefde voort in de oude streeknaam Hamaland Hamuland en betekent mog. ‘gehulden’ (zie Hamo, vgl. Hatta), anders mog. ‘begerigen’, vgl. Litouws kamaros ‘wellust’, Lets kãmêt ‘hongeren’, Sanskriet kamra- ‘begeerlijk; begerig’ • Latijns-Germaans Chamavī mv., Grieks-Germaans Χάμαβοι (Khámaboi) mv.

Hammo Hamme m. nevenvorm van Hamo

Hamo Hame m., naam van een krijger der Sahson Sassen, betekent mog. ‘omhulling’, bij uitbreiding ‘gehulde strijder’, mog. i.v.m. de verering van Wódan Woen, vgl. Oudsaksisch hamo ‘omhulling’

Hamuko Hameke, Hemiko Hemeke m. koosvorm van Hamo • erfnaam Hemekink, nu Hemmekink (Gelderland)

Handskóh Handschoe Handschoen m., naam van een strijdmakker van Bíwulf • Oudhoogduits Hantskuoh, oordnamen Hantscohasheim, nu Handschuheim (Elzas), Hantscuhesheim, nu Handschuhsheim (Baden-Württemberg), en Hantschuhesliebe, nu Henschleben (Thüringen), Oudengels Hondsció, oordnaam Andscohesham (Kent)

Hanno Hanno Han m. nevenvorm van Hano

Hano Hane Haan m. betekent mog. ‘jonge, opgroeiende’ o.i.d., vgl. Oostfries hane hân ‘riet’, Sanskriet kanīna- ‘jong’, Latijn recēns ‘fris, nieuw, jong’, Oudiers cinim ‘ontstaan’, mits niet gewoon ‘haan’, eig. ‘zanger’, vgl. Latijn canō ‘zingen’ • Oudengels Hana

Hanuko Haneke m. koosvorm van Hano • Oudengels Haneca

Happo Happe m. nevenvorm van Havo

hard hard ‘sterk, straf, streng, hard’, vgl. Litouws kartùs ‘bitter’

Hardberht Harbrecht Harbert m. • erfnaam Harberteshus, nu Harbertink/Bergharbert (Overijssel) • Oudengels Heardbeorht

Hardgêr Hardger m. • heuvelnaam Hartgersberch, nu Hartjesberg (Gelderland), erfnaam Hertgerink (Overijssel)

Hardgrím Hargrim m.

Hardman Hardeman Harmen Harm m.

Hardmód Hardmoed m.

Hardnand Harnand m. • Oudfries Hardnáth, Oudhoogduits Hartnant

Hardo Harde m. • erfnaam Herding, nu Heerdink (Overijssel), geslachtsnaam Harding in de oordnamen Hardingfort, nu Hardenvoorde/Hardefoort/Hardifort (Nord), en Hardingfelde, nu Hardinxveld (Zeeland)

Hardrád Hardraad Harderaad m. • Oudengels Heardréd, oordnaam Hardredeshella, nu Hartshill (Warwickshire), Oudnoords Harðráði (bijnaam)

Hardrík Harderik m. • Latijns-Germaans Charderīcus

Hardulf Hardolf m. • Oudengels Heardwulf Heardulf

Hardulo Hardele m. koosvorm van Hardo • geslachtsnaam Harduling in de oordnaam Hardelingen (Belgisch-Limburg)

Hardwíh Hardewij Hardewijg v.

Hardwini Hardwin Hardewijn m. • oude erfnamen Hartwening (Overijssel) en Haertwink (Overijssel) • Latijns-Germaans Chardoinus

Harding Harding m. ‘langharige’, naam van een man uit de heldentijd, vgl. Oudnoords haddr ‘lang haar’, Oudhoogduits hartburi ‘hoge beambte’, eig. ‘drager van lang haar’, en vgl. hoe de eerste vorsten der Frankon Franken beschreven werden als rēgēs crīnītī ‘langharige koningen’ • oordnamen Hardingeshem, nu Herdersem (Oost-Vlaanderen), en Hardingeshem, nu Hardinxent (Pas-de-Calais) • Latijns-Germaans Hasdingī mv. (geslachtsnaam), Oudengels Heardingas mv. (geslachtsnaam), Oudnoords Haddingr

Harko Harke Herke m. betekent mog. ‘ruwe’ o.i.d., vgl. hark, Oudnoords hark ‘lawaai’, harkr ‘vuur’, harka ‘met kracht en veel geluid voortslepen’ • Germaans ᚺᚨᚱᚲᛁᛚᚨᛉ (Harkilaz), Fries Harke

Haruda Haarden mv., naam van een noordelijke stam • betekent wel ‘krijgers, helden’ o.i.d., evenknie van Oudiers caur (gen. curad) ‘hetz.’, niet verwant aan hard • Latijns-Germaans Harudēs mv., Oudengels Hæredas mv., Oudnoords Hǫrðar mv.

hasu haas ‘grijs’, in dichterlijke zin ‘wijs’, vgl. Oudengels haso ‘grijs’, of anders ‘glanzend’, vgl. Oudhoogduits hasan ‘glad, glanzend’

Haso Haze m., Hasa Haze v. • mog. geslachtsnaam Hasung in de oordnaam Hasungum Hasongon, nu Hezingen (Overijssel)

Hasso Hasse m., Hassa Hasse v. nevenvorm van Haso

Hasuko Haaske Haske m. koosvorm van Haso • erfnamen Hasking, nu Hassing (Overijssel), Hasking, nu Hasman (Overijssel)

Hatta Hatten mv., naam van een stam aan het begin van onze jaartelling die later opging in de Frankon Franken • betekent mog. ‘kappen, hoeden’ o.i.d., mog. i.v.m. de verering van Wódan Woen, vgl. Oudengels hætt, Oudnoords hǫttr ‘kap, hoed’ (ook in Síðhǫttr ‘brede kap’, bijnaam van Óðinn), vgl. Hamawa en in het Nibelungenlied de onzichtbaar makende tarnhût/tarnkappe • mog. in de oordnaam Hatheim, nu Hattem (Overijssel) • Latijns-Germaans Chattī mv., Grieks-Germaans Χάττοι (Kháttoi) mv.

Hatweria Hatteren, Hetweria Hetteren mv., naam van een stam tussen Rijn en Maas, een streek die later als de Hettergouw bekend stond, die opging in de Frankon Franken • betekent mog. ‘gehulde weerders’ o.i.d., zie Hatta en weri • Latijns-Germaans Attuariī mv., Hazzoariī mv., Grieks-Germaans Χαττουάριοι (Khattouárioi) mv., Oudengels Hætwere Hetware mv.

-hath zie hathu

Hatho Hade m., Hatha Hade v. koosvorm van Hathu-namen • Latijns-Germaans Chado

hathu hade m. ‘strijd, krijg’, vgl. Oudengels heaðo (in samenstellingen), Oudnoords hǫð v. ‘hetz.’, Hǫð v. (naam van een valkyrja), Hǫðr m. (naam van een god) • als tweede lid in mannelijke namen altijd -hath zonder eindklinker

Hathubald Hadeboud m. • oude erfnaam Hadeboldinc (Overijssel) • Oudengels Heaðubeald

Hathubardon Hadebaarden mv., naam van een stam die ooit in een vete met de Deni Denen verwikkeld was, mog. oorspr. nauw verwant aan de Langbardon Langbaarden • Oudengels Heaðobeardan mv.

Hathuberht Hadebrecht Hadebert Habert m. • oude erfnaam Hadeberdink (Overijssel) • Oudfries Hathubraht, oordnaam Hatbrahtashem (Oost-Friesland), Oudengels Heaðubeorht

Hathubern Hadebern m. • oude erfnaam Hadeberninc (Overijssel)

Hathubrand Hadebrand m.

Hathuburg Hadeburg v. • Oudengels Heaðuburh

Hathugar Hadegar Hager m. • oordnaam Hagarsrode, nu Haasrode (Vlaams-Brabant)

Hathugôt Hadegot m.

Hathugrím Hadegrim m.

Hathuko Hadeke m. koosvorm van Hatho • oude erfnaam Hadekinch (Gelderland)

Hathulêf Hadelef m. • Oudengels Heaðuláf

Hathulêk Hadelek m. • Oernoords ᚺᚨᛞᚢᛚᚨᛁᚲᚨᛉ (HadulaikaR), Oudhoogduits Hadaleih, Oudengels Heaðolác

Hathulf Hadolf m. • Latijns-Germaans Chadulfus, Oernoords ᚺᚨᚦᚢᚹᚢᛚᚠᚨᛉ (HaþuwulfaR)

Hathulo Hadele m., Hathula Hadele v. koosvorm van Hatho • geslachtsnaam Hathuling in de oordnaam Hadelingen, nu Halingen (Belgisch-Limburg)

Hathulôg Hadelog v.

Hathuman Hademan Haman m. • oude erfnaam Hademanninch (Overijssel)

Hathumár Hademar Hamar Hamer m. • erfnamen Hademaring, nu Heimerink (Overijssel), Hademering, nu De Haimer (Overijssel), Hademering, nu Hamer (Overijssel) • Latijn-Germaans Chadomārus, Oudengels Heaðumǽr

Hathurád Haderaad m. • Oudengels Heaðuréd

Hathurík Haderik m.

Hathuwald Hadewoud Hadoud m. • oude erfnaam Hadewoldynk (Overijssel)

Hathuward Hadeward Haward m. • oordnaam Hadewartswoude, nu Hazerswoude (Zuid-Holland), oude erfnaam Hawerding (Overijssel)

Hathuwerk Hadewerk m.

Hathuwíh Hadewij Hadewijg v.

Hathuwind Hadewind m. • Latijns-Germaans Chaduindus Haduindus Hadoindus

Hathuwini Hadewin Hadewijn m. • Latijns-Germaans Chaduinus

Havo Have m. betekent mog. ‘grijpende’, vgl. hebben, happen, of mog. ‘slagende’, vgl. Oudnoords happ ‘goed geluk’, Oudiers cob ‘zege’ • Oudhoogduits Habo, Fries Have Houwe

Havuk Havik m. ‘havik’ • oordnaam Havekeskercha, nu Haverskerke (Nord) • Oudengels Hæfeca, Oerfries ᚻᚪᛒᚢᚳᚢ (Habuku), Fries Hauk, Oudnoords Haukr

Hedan Heden m., naam van een beroemde krijger, schaker van Hild en vijand van dier vader Hagano Hagen, betekent mog. ‘beschutter’ o.i.d., vgl. Oudengels heaðor ‘omsluiting’, Gotisch hēþjō ‘kamer’ • oude waternaam Hedinsee, lees Hedins ee ‘stroom, water’, later Hedenzee (Zeeland), oude oordnaam Hedenslo Hedensloe (Belgisch-Limburg) • Latijns-Germaans Chedinus, Oudengels Heoden (ook in Heodeningas), Oudnoords Heðinn (ook in Hjaðningar), Middelhoogduits Hetele (met vervanging van achtervoegsel)

hedin heden m. ‘overkleed, mantel, jas’, vgl. Oudengels heden ‘hetz.’, Oudnoords heðinn ‘pelsjas’, úlfheðinn ‘razende krijger’ (eig. ‘wolfjas’), naast berserkr ‘razende krijger’ (eig. ‘beerhemd’), mog. verwant aan hoed, Hatta, vgl. hrok

Hedinulf Hedenolf m. vgl. Wulfhedin

hegin hein zie hagan

Heginfrith Heinfred Heinfert m. • erfnaam Hinverding, nu Hinvert (Overijssel)

Hegino Heine Hein m. nevenvorm van Haguno

heid heid m./v. ‘glans, eer, stand’, vgl. Oudhoogduits heit, Oudengels hád ‘rang, stand, waardigheid’

Heidrík Heiderik m.

Heidrún Heideruin v. • Latijns-Germaans Chaiderūna, Oudnoords Heiðrún

Heidulf Heidolf m.

Heiko Heike m. koosvorm van Heio • Fries Haike

Heio Heie m. betekent mog. ‘verwante, naaste’ o.i.d., mits van dezelfde wortel als heem, huwen, Oudengels híwan mv. ‘familieleden, huisgenoten’ en mog. hier, Gotisch hi- ‘dit, deze’ • geslachtsnaam Heing in de oude oordnaam Heingasele (West-Vlaanderen) • Fries Haaie

Heitêt Heite Heit m. koosvorm van Heio • Fries Haite

heil heil v. ‘voorspoed, gezondheid, heelheid’

Heilswind Heilswind v. • mog. geslachtsnaam Heilswinding in de oordnaam Helsdingen (Utrecht)

Heilwíf Heilwijf v.

Heilwíh Heilewij Heilewijg v.

Hêlago Helge m., naam van een vorst der Deni Denen, vgl. heilig, Oudsaksisch hêlag • Oudengels Hálga, Oudnoords Helgi

Held Held m. ‘krijger’, niet te verwarren met held ‘dappere man’ (zie helith), maar verwant aan hild, Litouws kálti ‘slaan’, Oudkerkslavisch koljǫ ‘doden’, Latijn per-cellō ‘neerslaan’, mog. de evenknie van Latijns-Gallisch Celtae mv. ‘Kelten’ • Oernoords ᚺᛖᛚᛞᚨᛉ (HeldaR), Oudnoords Hjaldr

helith held, heli heel, hale haal m. ‘man, krijger’, vgl. held ‘dappere man’, Oudengels hæleþ, hæle ‘hetz.’, Oudnoords hǫldr ‘eigenerfde’, halr ‘man’, wel evenknie van Latijns-Gallisch Caletī (stamnaam), Oudiers calad ‘hard’, Middelwels caled ‘hard’

Helifrith Helfred Helvert m. • oordnaam Helvercele (met c voor ts), nu Elversele (Oost-Vlaanderen)

Helith Held m.

Helithbald Helboud, Halebald Halboud m.

Helithberht Helbrecht Helbert, Haleberht Halbrecht Halbert m.

Helithbrand Helbrand, Halebrand Halbrand m. • oordnaam Halebranshovel, nu Hermansheuvel (Vlaams-Brabant)

Helithgêr Helger m.

Helitho Helde Held m.

Helithráda Helderade v.

Helithrík Helderik m.

Helithulf Heldolf m.

Helithwini Heldwin Heldewijn m.

helm helm m. ‘helm’, in dichterlijke zin ‘beschermer’

Helm Helm m., Helmo Helme Helm m., Helma Helme v. • erfnaam Helmyng, nu De Helmer (Overijssel) • Oudengels Helm Helma

Helmbald Helmboud m.

Helmberht Helmbrecht Helmbert Helmert m. • Oudengels Helmbeorht

Helmburg Helmburg v.

Helmrík Helmerik m. • erfnaam Helmerking (Gelderland)

Helmwara Helmware v.

Helmward Helmward m.

Helmwini Helmwin m. • Latijns-Germaans Chelmoinus

helpa help v. ‘hulp’, vgl. Oudsaksisch helpa, Oudnoords hjǫlp hjálp ‘hetz.’

Helprík Helperik m., naam van meerdere koningen der Frankon Franken en Burgunda Burgenden • Latijns-Germaans Chilperīcus, Oudnoords Hjálprekr

hêm heem m. ‘thuis’, vgl. Duits Heim, Engels home ‘hetz.’, mog. verwant aan híd

Hêmrík Hemerik m.

Hêmo Heme m., naam van een beroemde krijger, koosvorm van Hêm-namen of rechtstreekse afleiding van hêm • Oudengels Háma, Middelhoogduits Heime, Oudnoords Heimir

Hemilo Hemel m. koosvorm van Hamo • Oudengels Hemela

Hemithi Hemde, Hamethio Hamde m. betekent mog. ‘metgezel’, vgl. Oudnoords hamðir ‘havik’, gamðir ‘valk’, als evenknie van Latijn comes (gen. comitis) ‘metgezel’ • Oudnoords Hamðir

hên heen betekent mog. ‘(scherp)steen’, vgl. Oudnoords hein, Oudengels hán ‘hetz.’, anders mog. een samentrekking of nevenvorm van hêthan, ook omdat beide vrijwel uitsluitend met rík voorkomen, vgl. de klankontwikkeling van Oudnoords Heinir uit *Heiðnir, naam van de bewoners van Heiðmǫrk (Hedemarken, Noorwegen)

Hênrík Hendrik Henk m. • oordnamen Henrikesheim, nu Heendersum (Vlaams-Brabant), en Heinrici capella, nu Hendrikkapelle (Luik), oude oordnaam Henrikaskiricun (Groningen), erfnamen Henreking, nu Hendrikman (Overijssel), en Hinreking, nu De Koopman (Overijssel), geslachtsnaam Hênríking in de oude oordnaam Henrikingahem (Pas-de-Calais) • Duits Heinrich, Frans Henri (vanwaar Engels Henry)

Hengist Hengst m. ‘mannelijk ros’, naam van de vorst der Engili Engelen die met zijn broer Horsa (‘ros’) leider ware in de Germaanse bezetting van Brittannië • mog. oordnaam Hinghesdic, nu Hengstdijk (Zeeland) • Oudengels Hengest

heri heer m. ‘leger, krijger’, niet verwant aan heer ‘voornaam man’, wél in heerschare, hereweg, herberg, hertog, vgl. Oudnoords Herjann (bijnaam van Óðinn, zie Wódan), de evenknie van Grieks koíranos ‘bevelhebber, heerser’, vgl. druht, folk, hlóth, skara

Heri Here, Herio Here m. koosvorm van Heri-namen • erfnaam Hering, nu Heerman (Overijssel) • Fries Heare Hjerre

Heribald Herboud m. • Latijns-Germaans Charibaldus, Oudengels Herebeald, oordnaam Herebolddune, nu Harbledown (Kent)

Heriberht Herbrecht Herbert m. • oude oordnaam Herbrechets dale (Belgisch-Limburg), erfnamen Herberting, nu Dinkelharbert (Overijssel), Herberting, nu Herbert (Overijssel) • Latijns-Germaans Chariberthus (met th voor ht), Oudengels Herebeorht

Heribern Herbern Herben m.

Heribôd Herbod m., naam van een 4e-eeuwse koning der Alaman Almannen • Latijns-Germaans Hariobaudēs, Grieks-Germaans Χαριοβαύδης (Khariobaúdēs)

Heribrand Herbrand m.

Heriburg Herburg v.

Heridag Herdag m.

Herifrith Herfred Hervert m. • Oudengels Herefriþ

Herifuns Herfons m.

Herigand Hergend m.

Herigeld Hergeld m. • erfnaam Herghelding, nu Hergelt (Overijssel)

Herigern Hergern Hergen m.

Herigôt Hergot m.

Heriko Heerke Herke m. koosvorm van Heri • erfnaam Herkinc (Gelderland), geslachtsnaam Heriking in de oordnaam Herkingen (Zuid-Holland) • Oudengels Hereca, Oudhoogduits Hericho

Herilêf Herlef m.

Herilind Herlind v.

Herilo Heerle Herle Herel m. koosvorm van Heri • geslachtsnaam Heriling in de oordnamen Herlingehem, nu Herlegem (Oost-Vlaanderen), en Herlengoua, nu Herlinkhove (Oost-Vlaanderen) • Oudfries Herela, oordnaam Herlinge, nu Harlingen/Harns (Friesland), Oudengels Herelingas mv. (geslachtsnaam), Latijns-Germaans Herla rēx (naam van de aanvoerder van het Wilde Heer, d.w.z. Wódan, vgl. Heriwald)

Heriman Herman m. • oude erfnaam Hermannishus (Overijssel), erfnamen Hermanning (Gelderland), Hermening, nu Het Harmelink (Overijssel) • Oudengels Heremann

Herimár Hermar m., naam van een 1e-eeuwse koning der Heruska Heersen • Latijns-Germaans Chariomērus, Grieks-Germaans Χαριόμηρος (Khariómēros)

Herimella Hermelle v., naam van een vergeten godin • Latijns-Germaans Harimella

Herimód Hermoed m. • Oudnoords Hermóðr, Oudengels Heremód, oordnaam Hermodesworde, nu Harmondsworth (Middlesex)

Herimund Hermond m. • Latijns-Germaans Charimundus

Herirád Herraad m. • oude oordnamen Herradeskerke (Zuid-Holland) en Herredes Leed (West-Vlaanderen)

Herirík Herrik m. • Oudengels Hereríc

Herisind Hersind v.

Heriswind Herswind v. • Oudengels Hereswíþ

Heriulf Herolf m. • Latijns-Germaans Chariulfus, Oudengels Herewulf Hereulf Herulf

Heriwald Herwoud Heroud m., naam van een 1e-eeuwse vorst van de Batawa Batuwen onder Romeins bevel • oude oordnaam Herualdolugo (West-Vlaanderen), met Romaanse verbuiging en voortzetting van Latijn lūcus ‘(heilig) bos’, mog. ter aanduiding van Wódan, vgl. Herilo • Latijns-Germaans Chariovalda (met andere verbuiging), Oudengels Hereweald, oordnaam Herewoldesleg, nu Harrowsley (Surrey), Oudnoords Haraldr (vanwaar Engels Harold)

Heriward Hereward Herward m. • oude erfnaam Herwordinc (Gelderland) • Oudengels Hereweard

Heriwih Herwig m. • Latijns-Germaans Charivius

Heriwíh Herwij Herwijg Herewij Herewijg v. • Fries Hearou

Heriwind Herwind m. • Latijns-Germaans Chariovindus

Heriwini Herwin Herewijn m. • Latijns-Germaans Charivinus, Oudengels Herewine

Herrando Herrand Herrend Harrend Harnt m., naam van een beroemde schop ‘zanger-dichter’, betekent mog. ‘verhalende’, vgl. Drents horren ‘jachtbelevenissen vertellen’, Oudnoords herma ‘verhalen, herhalen’, Sanskriet kārú- ‘lofzanger, dichter’, akāriṣam ‘heb geroemd’ enz. • Oudengels Heorrenda, Oudnoords Hjarrandi (ook bijnaam van Óðinn, zie Wódan), Middelhoogduits Herrant Hôrant (verbastering)

hers hers hars ‘ros, paard’, vgl. Oudsaksisch hers hars, Oudfries hers hars ‘hetz.’

Hersmár Hersmar m. • oude erfnaam Hersmering (Overijssel) • Langbaards Hersemâr

heru heer heur m. ‘zwaard’, vgl. Gotisch haírus, Oudnoords hjǫrr, Oudengels heoru heoru, Oudsaksisch heru ‘hetz.’, vgl. brand, eggi

Heruberht Herbrecht Herbert m.

Herugêr Herger m., naam van een Deense koning in Béowulf • Oudengels Heorogár

Heruwing Herwing m.

Heruska Heersen mv., naam van een voorname stam die in de eerste eeuw aan de bovenloop van de Wezer woonde en later opging in de Sahson Sassen • mog. afgeleid van (de voorloper van) hert, vgl. Oudengels heorot, Oudhoogduits hiruz ‘hert’, niet verwant aan heersen ‘de macht hebben over’ • Latijns-Germaans Cheruscī mv.

hêthan heden, heithin heiden ‘heiden’, mog. eig. ‘volksgenoot’ o.i.d., vgl. Gotisch háiþnō ‘heidense vrouw’, zie ook hên

Hêthan Heden, Heithin Heiden m. • oordnaam Hethenesberg, nu Hesmond (Pas-de-Calais)

Hêthanrík Hederik, Heithinrík Heiderik m.

Hiddo Hidde m. koosvorm van Hildi-namen en nevenvorm van Hído • Oudengels Hidda

híd hijd o. ‘leger, ligplaats, thuis’, vgl. Oudnoords híð híði ‘hetz.’, mog. verwant aan hêm

Hído Hijde m. koosvorm van Híd-namen of rechtstreekse afleiding van híd • Oudhoogduits Híto, Oudengels Hída, Fries Hide

Hídulf Hijdolf m. • Oudengels Hídulf

Hikko Hikke m. nevenvorm van Híko • Oudengels Hicca

Híko Hijke m. betekent mog. ‘begerige’, vgl. Noors hika ‘verlangen’ • Oudengels Híca

hild hild, hildia hilde v. ‘strijd, krijg’, vgl. Oudnoords hildr ‘hetz.’

Hild Hild, Hildia Hilde v., naam van een vrouw uit de heldentijd, dochter van Hagano Hagen, geschaakt door Hedan Heden • Oudnoords Hildr, Oudengels Hild, Middelhoogduits Hild

Hildibald Hildeboud Hilboud m. • oude erfnaam Hilbolding (Overijssel)

Hildiberht Hildebrecht Hilbrecht Hilbert m., naam van meerdere koningen der Frankon Franken • erfnaam Hilberting, nu Hilbert (Overijssel) • Latijns-Germaans Childebercthus, Oudengels Hildebeorht

Hildibrand Hildebrand Hilbrand m. • oude oordnaam Hildebrandeslant (Noord-Holland), erfnaam Hillebranding, nu Braakman (Overijssel) • Latijns-Germaans Childebrandus

Hildiburg Hildeburg v., naam van de gemalin van Fin, afkomstig van de Deni Denen • Oudengels Hildeburh, oordnaam Hildeburhwella, nu Hilborough (Norfolk)

Hildifrith Hildefred Hilfred Hilfert Hilvert m. • oordnaam Hilfertsem, nu Hilversum (Noord-Holland), erfnaam Hilverdynch, nu Hilferink (Overijssel) • Oudengels Hildefriþ

Hildigard Hildegard v. • oordnaam Hildegerdberge Hildegaertsberghe, nu Hillegersberg (Zuid-Holland)

Hildigêr Hildeger Hilger m. • Oudfries Hildgêr, oordnaam Hildcheres he, lees *Hildgêres é ‘stroom, water’, nu Elkerzee (Zeeland)

Hildigrím Hildegrim m.

Hildigund Hildegond v. • Latijns-Germaans Childegundis, Oudengels Hildegýþ

Hildiheri Hilder m. • erfnaam Hilderink (Overijssel), geslachtsnaam Hildihering in de oordnaam Heldrenghem, nu Heldergem (Oost-Vlaanderen)

Hildila Hildele v. koosvorm van Hild • Latijns-Germaans Childela

Hildimár Hildemar Hilmar m.

Hildimód Hildemoed Hilmoed v.

Hildimunda Hildemonde v.

Hildiniu Hildenieuw Hildenieuwe Hildenuw Hildenuwe v. • Latijns-Germaans Hildenibia, Oudhoogduits Hiltiniu Hiltiní

Hildirád Hilderaad m.

Hildiráda Hilderade v.

Hildirík Hilderik m., naam van meerdere koningen der Frankon Franken • Latijns-Germaans Childerīcus, Oudengels Hilderíc, oordnaam Hildricesham, nu Hildersham (Cambridgeshire)

Hildirún Hilderuin v. • Latijns-Germaans Childerūna, Oudhoogduits Hiltirûn

Hildiswind Hildeswind v.

Hildiulf Hildolf m. • Latijns-Germaans Hildulfus, Oudengels Hildewulf Hildulf, oordnaam Hildulvestune, nu Hilderstone (Staffordshire)

Hildiwara Hildeware v. • oordnaam Hildewarenbeecke, nu Hilvarenbeek (Noord-Brabant)

Hildiward Hildeward m. • erfnaam Hillewardinc, nu Hillerding (Overijssel)

Hildiwíf Hildewijf v.

Hildiwini Hildewin Hildewijn m.

Hillo Hille m., Hilla Hille v. koosvorm van Hildi-namen • geslachtsnaam Hilling in de oordnaam Hillinghem, nu Hillegom (Zuid-Holland)

Hiltêt Hilte m. koosvorm van Hillo • oordnaam Hiltetesbroc, nu Elsbroek (Zuid-Holland)

Hitto Hitte m. nevenvorm van Hído • Oudhoogduits Hizzo, Fries Hitte

hleo lie betekent ofwel ‘beschutting’, vgl. Oudsaksisch hleo, Oudnoords hlé ‘hetz.’, ofwel ‘roem’, vgl. Grieks kléos, Oudiers clú, Sanskriet śrávas- ‘hetz.’, verwant aan luid, luisteren, Oudhoogduits hliumunt ‘reputatie’

Hleoberht Liebrecht Liebert m. • Oudengels Hléobeorht, Oudhoogduits Hleoperht

Hleogast Liegast m. • Germaans ᚺᛚᛖᚹᚨᚷᚨᛋᛏᛁᛉ (Hlewagastiz), op een van de bekende Gallehus-hoorns

hlóth loed v. in namen betekent wel ‘hoop, bende, heerschare’, vgl. Oudfries hlóth, Oudengels hlóþ, Middelhoogduits luot ‘hetz.’, verwant aan laden, Oudnoords hlaða ‘opstapelen’, vgl. druht, folk, heri, skara, anders mog. ‘roofgoed, buit’, vgl. Oudengels hlóþ ‘hetz.’ (ouder *hlonþ), Oudnoords hlanna ‘roven’ (ouder *hlanþa), niet verwant aan Engels loot ‘buit’

Hlóthberht Lodbrecht Lodbert Lobbrecht Lobbert Loebrecht Loebert m. • Latijns-Germaans Chlōdobercthus

Hlóthgêr Lotger m. • erfnaam Lotgherinc, nu Lotgerink (Overijssel)

Hlóthheri Loeter m., naam van twee koningen der Frankon Franken • oude erfnamen Loderinc (Overijssel) en Loderynck (Gelderland) • Latijns-Germaans Chlōthacharius Chlōtharius, Grieks-Germaans Χλωϑάριος (Khlōthários), Oudengels Hlóþhere, Duits Luther

Hlóthhild Loedhild Loetild v., naam van meerdere 5e/6e/7e-eeuwse koningsdochters der Frankon Franken, later verhaspeld met Hróthhild • Latijns-Germaans Chlōthichildis Chlōtchildis Chlōthildis Clōtildis

Hlóthio Loede m., naam van een 5e-eeuwse krijgsheer der Frankon Franken • oude erfnaam Loedinck (Overijssel) • Latijns-Germaans Chlōdio, mog. Oudnoords Hlenni

Hlóthmár Lodmar Loemer m., naam van een koning der Frankon Franken • Latijns-Germaans Chlōthomēris Chlōdomērus, Grieks-Germaans Χλωϑομήρος (Khlōthomḗros)

Hlóthrík Loederik Loerik m. • Latijns-Germaans Chlōderīcus

Hlóthsind Lotsind v., naam van een 6e-eeuwse koningsdochter der Frankon Franken, dochter van Sigiberht en Brunnihild • Latijns-Germaans Chlōthosinda Chlōdosinda

Hlóthswind Lotswind v., naam van een 6e-eeuwse koningsdochter der Frankon Franken, dochter van Hlóthheri en Alfswind • Latijns-Germaans Chlōdosuinda

Hlóthulf Loedolf m. • Latijns-Germaans Chlōdulfus

Hlóthwih Loedwig m., naam van meerdere 5e/6e/7e-eeuwse koningen der Frankon Franken • Latijns-Germaans Chlōthovechus Clōdovechus Clōdovichus Chlōdoveus Clōvis Lōdvicus (vanwaar Lodewijk), Grieks-Germaans Χλωϑοαῖος (Khlōthoaîos), Oudnoords Hlóðvér (ontleend aan het Westgermaans), Oudengels Hlóðewíg, Oudhoogduits Luodwich, Duits Ludwig, Frans Louis

Hlóthwini Loedwin Loedewijn m. • Latijns-Germaans Chlōdoinus

H+

hnôd nood betekent mog. ‘slag, stoot’ o.i.d., mits verwant aan Oudnoords hnjóða ‘(vast)slaan’, Oudhoogduits biniotan ‘hetz.’

Hnôdfrith Notfert m. • Latijns-Germaans Hnaudifridus

Hódo Hoede m. betekent wel ‘hoeder’ • koosvorm in de erfnaam Hodikenshues, nu Heuks (Overijssel) • Oudengels Hóda, Oudhoogduits Huoto

hôh ho hoog ‘hoog, verheven’, vgl. Oudsaksisch hôh, Duits hoh ‘hetz.’

Hôha Hoën Hogen mv., naam van een stam die in de eerste eeuwen aan de benedenloop van Eems en Wezer woonde en later opging in de Sahson Sassen • betekent ‘hogen’, maar onwis in welke zin: grond, gestalte, afkomst of aanzien • Latijns-Germaans Chaucī Cauchī (later ook Chauchī) mv., Grieks-Germaans Καῦχοι (Kaûkhoi) mv.

Hôhrík Horik m. • Oudhoogduits Hôhrich, Oudengels Héahríc, mog. Oudnoords Hárekr

Hoiko Huike m. koosvorm van Hoio • erfnaam Hoyking, nu Huikman (Overijssel)

Hoio Huie m. betekent wel ‘jongen’ o.i.d., net als Húdo, hún en Drents huien ‘dijen’ van een wortel die ‘groeien, zwellen’ betekent, verwant aan Grieks kuéō ‘zwanger zijn’, vgl. Boio

Hoitêt Huite Huit m. koosvorm van Hoio • oude erfnaam Hoytinge (Drenthe)

horsk hors ‘vlug, snel’, vgl. Oudsaksisch horsk ‘hetz.’

Horskulf Horsolf m.

Hólo Hoele m. betekent mog. iets als ‘bekorende’ of ‘begoochelende (in strijd)’, vgl. Oudnoords hól ‘gevlei’, Oudhoogduits huolen ‘bedriegen’, Grieks kēléō ‘bekoren, betoveren’ • geslachtsnaam Hóling in de oude oordnaam Huolingaham (Pas-de-Calais) • Oudhoogduits Huolo, Oudengels Hóla

Hoppo Hoppe Hop m. betekent wel ‘ros’, vgl. Gronings hop (roepwoord voor paard), Deens hoppe ‘merrie’, verouderd Deens hoppedreng ‘staljongen, paardenknecht’ • Latijns-Germaans Chuppa m. (naam van een stalmeester), Oudhoogduits Hupho, Fries Hoppe

Horskwald Horsoud m.

Horto Horte m. betekent mog. ‘stormende’, mits verwant aan Middelhoogduits hurzen ‘stormen, haasten’, Oudnoords hraðr ‘snel’ • Oudengels Horta, Fries Horte

Hóso Hoeze m. betekent mog. ‘grijze’ en vandaar ‘wolf’, vgl. haas, Oudengels hasu ‘grijs’, Oudnoords hǫss ‘grijs’, anders mog. ‘roepende’, vgl. Oudhoogduits foraharo ‘heraut, verkondiger’, Gotisch hazjan ‘loven’, Sanskriet śā́sti ‘bevelen; onderwijzen’ • oude oordnaam Hosanheim Huasanheim (Gelderland) • Oudhoogduits Huosa v., Huosi mv. (geslachtsnaam)

Hóto Hoete m., Hóta Hoete v. betekent mog. ‘felle’ o.i.d., vgl. Oudsaksisch hóti ‘vijandig’ (ouder *hwóti), Oudengels hwæt ‘vlug, boud’, Middelnederlands wat ‘scherp’ • erfnaam Hoting, nu Het Heutink (Overijssel), oude erfnaam Hoetinck Hotinch (Gelderland) • Oudhoogduits Huozo, Huoza, Fries Hoete

Hotto Hotte m. betekent mog. ‘dikke, bolle’ o.i.d. (als koosnaam voor kinderen), vgl. hot ‘dik van geronnen melk’, Vlaams hotje, hodje, hokke ‘klomp hout, blokje hout’, gew. Zweeds hott, hodd ‘klein, ineengekrompen mens’, gew. Noors hott ‘(gras)heuveltje’

hram zie hravan

Hramberht Rambrecht Rambert Rammert

hrath rad ‘vlug’, vgl. Oudengels hræð hræd ‘hetz.’, Engels rather ‘liever, eerder’

Hrathaberht Radbrecht Rabbrecht Radbert Rabbert m. • Latijns-Germaans Chradobercthus

hravan raven, hram (hramn-) ram m. ‘raaf’, zinnebeeld van wijsheid en het slagveld i.v.m. aaseten • volgens de Oudnoordse overlevering stuurt de wijze, alwetende Óðinn (zie Wódan) zijn raven Huginn en Muninn (beide ‘de gedachte’) uit als spieders, een voorstelling ook afgebeeld op mantelspelden gevonden in de Lage Landen

Hravan Raven, Hram Ram m. • als ze niet rechtstreeks naar de vogel verwijzen: oordnamen Raveneswade, nu Ravenswaaij (Gelderland), Ravenslo, nu Ravels (Antwerpen), Ramnesbecca, nu Ransbeek (Oost-Vlaanderen), en Ramshem, nu Ransem (Vlaams-Brabant), oude oordnaam Rammesbeke (Oost-Vlaanderen) • Latijns-Germaans Chramnus, Oernoords ᚺᚨᚱᚨᛒᚨᚾᚨᛉ (Harabanaz)

Hravangrím Ravengrim m.

Hravanrík Ravenrik, Hramrík Ramrik m.

Hravantêt Ravente Ravent m. koosvorm van Hravan

Hravanulf Ravenolf, Hramnulf Rammolf m.

Hravanward Ravenward, Hramward Ramward m.

hrêd reed betekent wel ‘pracht, heerlijkheid’ o.i.d., vgl. Oudnoords Hreiðgotar mv., Oudengels Hrǽde mv., beide als bijnaam van de Goton Goten, verwant aan Grieks kreíōn, kréōn ‘heerser’, Sanskriet śrī- ‘pracht, schoonheid, heerlijkheid’ en hrím

Hrêdgêr Redger m. • erfnaam Reetghering, nu Rietgers (Overijssel)

Hrêdulf Redolf m.

Hreidil Reidel m., naam van een koning der Gôta Goten, verwant aan hrêd • Oudengels Hrǽdel (nevenvorm Hréðel o.i.v. hréð ‘roem’), oordnaam Redelesden, nu Riddlesden (Yorkshire)

hrím rijm wordt vaak vereenzelvigd met rijm ‘rijp, bevroren dauw’, Oudsaksisch hrím, Oudnoords hrím ‘hetz.’ maar is in namen mog. een ander woord, de evenknie van Sanskriet śremán- ‘pracht, onderscheiding’, verwant aan hrêd

Hrímberht Rimbrecht Rimbert m.

Hrímgrím Rimgrim m. • Oudengels Hrímgrím

Hrímheri Rijmer Rimmer m. • oude erfnaam Rijmering (Overijssel) • Fries Rimer

Hrímo Rijme m. • oordnaam Rimenham, nu Rijmenam (Antwerpen)

Hrímulf Rijmolf m.

Hrímwald Rijmoud m. • Oudengels Hrímwold

hring ring m. ‘ring’, d.w.z. een armring zoals gegeven door de krijgsheer aan zijn gevolgsmannen, vgl. Oudengels hringa þengel ‘ringenheer’ en zie bôg

Hringulf Ringolf m. • Oudengels Hringwulf Hringulf

Hringwini Ringwin Ringewijn m. • oordnaam Ringwenscura, nu Ruisscheure/Renescure (Nord) • Oudengels Hringwine

Hristo Riste Rist m., Hrista Riste v. betekent wel ‘schuddende’, van wapens in het bijzonder, vgl. Oudnoords hrista ‘schudden’, Engels Shakespeare • Germaans Hristo m., Hris[ta] v., Oudnoords Hrist (naam van een valkyrja)

hrok rok m. ‘overkleed, mantel, jas’, vgl. wapenrok, Oudsaksisch hrok, Oudfries hrok ‘overkleed’, vgl. hedin

Hrokkulf Rokkolf m. vgl. Wulfhrok

Hrók Roek m., Hróko Roeke m. ‘roek’, de kraaiachtige, naam van een 3e/4e-eeuwse koning der Alaman Almannen • oordnamen Hrokashem, nu Roksem (West-Vlaanderen), en Roexdamme, nu Roesdamme/Rousdamme (West-Vlaanderen) • Latijns-Germaans Chrōcus, Oudengels Hróca, Oudnoords Hrókr, Oudhoogduits Ruoho

hróm roem m. ‘roem, lof’, verwant aan hróth en mog. Herrando

Hróma Roeme v., naam van een 5e-eeuwse koningsdochter der Frankon Franken • Latijns-Germaans Chrōma Chrōna

Hrómbald Romboud m.

Hrómberht Rombrecht Rombert Rommert m.

hróth roed m. ‘roem, lof’, vgl. Engels hréð ‘hetz.’, Gotisch hrōþeigs ‘roemrijk’, verwant aan hróm

Hróthbald Rodboud Robboud Roeboud m. • Latijns-Germaans Chrōdebaldus

Hróthberht Rodbrecht Rodbert Robbrecht Robbert Roebrecht Roebert m. • erfnaam Roberting, nu De Reuver (Overijssel) • Latijns-Germaans Chrōdobercthus Chrōdeberthus (met th voor ht), Duits Rupert Ruprecht, Frans Robert (vanwaar Engels Robert, Nederlands Robert)

Hróthgang Rodgang m. • Latijns-Germaans Chrōtgangus

Hróthgêr Rodger Rotger Rutger m., naam van een koning der Deni Denen • oordnaam Rodgershouen, nu Ruddershove (Oost-Vlaanderen), erfnaam Rotghering, nu Backenhage (Overijssel) • Oudfries Hróthgêr, oude oordnaam Hrohtgering tiochi (Oost-Friesland), Oudengels Hróðgár, Duits Rüdiger, Frans Roger (vanwaar Nederlands Rogier, Engels Roger)

Hróthhard Roedhard Roetert m. • oordnaam Rodarsbrugga, nu Roesbrugge (West-Vlaanderen), erfnamen Roderdinck, nu Roerdink (Gelderland), Roderding, nu Rorink (Overijssel), oude erfnaam Roterding (Overijssel)

Hróthheri Roeter m. • erfnaam Rodering, nu Roerink (Overijssel) • Latijns-Germaans Chrōthcharius Chrōdcharius Chrōtharius

Hróthhild Roethild Roetild v., naam van twee 5e/6e/7e-eeuwse koninginnen der Frankon Franken, later verhaspeld met Hlóthhild • Latijns-Germaans Chrōdechildis Chrōdigildis Chrōthigildis

Hróthing Roeding m.

Hróthland Roeland m. • Frans Roland

Hróthmár Rodmar Roemer m.

Hróthmund Rodmond m. • oude erfnaam Rothmundinc (Gelderland) • Latijns-Germaans Chrōdmundus, Oudengels Hróþmund

Hrótho Roede m., Hrótha Roede v. • geslachtsnaam Hróthing in de oordnamen Rodincham, nu Rooigem (Oost-Vlaanderen), en Rudenchoven, nu Rijkhoven (Belgisch-Limburg)

Hróthrík Roederik Roerik m. • oude oordnaam Rorikesberg (Noord-Holland), erfnaam Roerking, nu Reurink (Overijssel) • Oudengels Hréðríc

Hróthulf Roedolf Roelof Roelf m. • oordnaam Hrothalvashem, nu Rijnsburg (Zuid-Holland), erfnaam Roelvink (Overijssel), geslachtsnaam Hróthulfing in de oude oordnaam Rotholfengabroke (Noord-Holland) • Latijns-Germaans Chrōdulfus, Oudengels Hróþwulf Hróðulf, oordnaam Rotholveswurth, nu Roddlesworth (Lancashire), Duits Rudolf

Hróthwald Roedoud m. • Latijns-Germaans Chrōdoaldus, Oudnoords Hróaldr

Hróthwara Roedeware v., naam van een 6e/7e-eeuwse heilige • Latijns-Germaans Chrōdoara, Oudengels Hróþwaru

Hróthwini Roedewijn m. • Latijns-Germaans Chrōdoinus, Oudengels Hróþwine

Húdo Huide m. betekent wel ‘jongen’ o.i.d., verwant aan Hoio • Oudengels Húda, Oudhoogduits Húto

Húga Húgon Huigen mv., naam van een een stam of geslacht van de Frankon Franken in de Lage Landen • betekent ‘zinnenden’, vgl. Drents hugen, hoegen ‘verlangend loeren’, verwant aan hugi • oordnaam Huguardis, nu Hoegaarden (Vlaams-Brabant) • Latijns-Germaans Hūgōnes mv., Oudengels Húgas mv.

Húgbald Huigboud Huiboud m. • oude erfnaam Huboldinc (Overijssel), erfnaam Hubbelding, nu Hobbelink (Overijssel)

Húgberht Huigbrecht Huigbert Huibrecht Huibert m., al vroeg verhaspeld met Hugiberht • oude erfnaam Hoeberdinck (Overijssel), geslachtsnaam Húgberhting in de oordnaam Hubertingen, nu Hoepertingen (Belgisch-Limburg) • Frans Hubert

Húgo Huige Huig m. • erfnaam Hughing, nu Het Hoevink (Overijssel), oordnamen Hugenvoort, nu Huijgevoort (Noord-Brabant), en Heeren Huygen Waert, nu Heerhugowaard (Noord-Holland) • Frans Hugues (vanwaar Engels Hugh)

hugi heug m. ‘gedachten, geest, zin’, vgl. Oudengels hyge ‘hetz.’, nog in tegen heug en meug, verwant aan heugen, verheugen, geheugen en Húga

Hugiberht Heugebrecht Heugebert m., al vroeg verhaspeld met Húgberht • Oudengels Hygebeorht

Hugilêk Heugelek m., naam van de 6e-eeuwse koning der Gôta Goten die sneuvelde tijdens een rooftocht op de Rijn • Latijns-Germaans Chochilaicus Chlochilaicus (met Chl- o.i.v. namen als Chlōdovechus, waarvoor zie Hlóthwih), Oudengels Hygelác, Oudnoords Hugleikr

hún húni betekent wel iets als ‘groot, stevig, sterk’ dan wel ‘knuppel, knaap, grote jongen’ o.i.d., vgl. Oudnoords húnn ‘dik uiteinde van een mast; jonge beer’, Middelhoogduits hiune ‘reus’, Sanskriet śūná- ‘gezwollen’, verwant aan Hoio

Hún Huin, Húno Huine m. • erfnaam Hunink (Gelderland), geslachtsnaam Húning in de oordnaam Huneghem, nu Huinegem (Oost-Vlaanderen), oude erfnaam Huninguhus (Drenthe) • Oudengels Hún Húna

Húna Húnia Huinen mv., naam van het oosterse ruitervolk dat onder leiding van Ettilo het Avondland teisterde in de vijfde eeuw en vandaar (of ervoor al) ook de naam van enig Germaans volk op het vasteland • kennelijk ontstaan door verhaspeling van het inheemse hún met de oorspronkelijke oosterse naam zoals weergegeven door Latijn Hunnī mv. (vanwaar Nederlands, Duits Hunnen, Engels Huns) • Oudhoogduits Húneo mv. (2e nv.), Middelhoogduits Hiunen mv., Oudengels Húnas Húne mv., Oudnoords Húnar Húnir mv., Middelnederlands Hunen mv.

Húnbald Humboud m. • geslachtsnaam Húnbalding in de oude oordnaam Hunbaldingahem (Pas-de-Calais), oude erfnaam Hummeldinckhuus (Drenthe)

Húnberht Humbrecht Humbert Hummert m. • erfnaam Humberting, nu Hommers (Overijssel) • Latijns-Germaans Chūnobertus, Oudengels Húnbeorht, oordnaam Humbresfelda, nu Homersfield (Suffolk)

Húnburg Humburg v.

Húnfrith Hunfred Humfert m. • Oudfrans Hunfrei (vanwaar Engels Humphrey)

Húngêr Hunger Honger m. • erfnaam Hungering, nu De Hunger (Overijssel) • Oudengels Húngár

Húniko Huineke m. koosvorm van Hún

Húning Huining m.

Húnlêf Hunlef m.

Húnulf Huinolf m. • oude oordnaam Hunolvesdunc (Noord-Brabant)

Húnwald Huinoud m. • Oudengels Húnweald

Húnwerk Hunwerk m. • Oudsaksisch Húnwerk, oude oordnaam Hunwercushusun (Noordrijn-Westfalen)

Hund Hond, Hundo Honde m. ‘hond’, het toonbeeld van trouw • oordnamen Hundeswiic, nu Honswijk (Utrecht), Hundeshem, nu Honsem (Vlaams-Brabant), en Huntsele, nu Honselersdijk (Zuid-Holland), geslachtsnaam Hunding in de oordnaam Hundingehem, nu Hondegem (Nord) • Latijns-Germaans Chundo, Oudhoogduits Hunt Hunto, Oudengels Hund Hunda

Hundilo Hundele Hundel m. koosvorm van Hund • geslachtsnaam Hundiling in de oordnaam Hundelgem (Oost-Vlaanderen)

Hundulf Hondolf m. • Oudhoogduits Huntolf, Oudnoords Hundólfr

Hunno Honne m. wel een nevenvorm van Hún, anders ‘aanvoerder, oorspronkelijk van een honderdtal’, vgl. Oudsaksisch hunno, Oudhoogduits hunno ‘hetz.’ • geslachtsnaam Hunning in de oordnaam Hunnekum, nu Hunnecum (Nederlands-Limburg) • Oudengels Hunna

Hunsina Hunzene v., naam van een 6e-eeuwse koningin der Frankon Franken, betekent mog. ‘begunstigde’ o.i.d., vgl. Gotisch hunsl ‘offer’, Lets svinêt ‘vieren’, Litouws šveñtas ‘heilig’, Avestisch spəṇta- ‘hetz.’, spanah- ‘heiligheid’, Sanskriet śuná- ‘voorspoed’, Hettitisch kunnaš ‘gunstig, voorspoedig, rechts’ • Latijns-Germaans Chunsina

Hunto Hunte Hunt m. ‘jager’, vgl. Oudengels hunta ‘hetz.’ • Oudhoogduits Hunzo, Oudengels Hunta, Fries Hunte

husi heuze heus m. ‘jongeling, krijger’, vgl. Oudengels hyse ‘hetz.’

Husibald Heuzeboud Heusboud Husboud m. • Oerhoogduits ᚺᚢᛋᛁ(ᛒ)ᚨᛚᛞ (Husi(b)ald), Oudengels Hysebeald

Husilêf Heuzelef Heuslef Huslef m.

Húsiko Huiske Huske m. koosvorm van Húso • achternaam Huiskens Huskens

Húso Huize m. betekent wel ‘huisbezitter, vrij man’ • geslachtsnaam Húsing in de oude erfnaam Husingehus (Drenthe) • Oudengels Húsa

hwelp welp m. ‘dierenjong’, vgl. Brakko

Hwelp Welp m. • oordnaam Welpesdale, nu Groot-/Klein-Welsden (Nederlands-Limburg), oude erfnaam Welpeskoven (Gelderland)

Hwíto Wijte m. nevenvorm van Hwitto • Oudengels Hwíta, Fries Wite Wyte

Hwitto Witte m. ‘witte, lichte’ • Oudengels Hwitta, Fries Witte

I

Ibbo Ibbe m. nevenvorm van Ívo of koosvorm van Ídberht • oude erfnaam Ibbenty (Overijssel) • Oudengels Ibba, Fries Ibbe

Ibbulo Ibbele m. koosvorm van Ibbo • geslachtsnaam Ibbuling in de oordnaam Iblingehem, nu Ebblingem (Nord)

Íbo IJbe m. koosvorm van Ídberht

Íbuko IJbeke m. koosvorm van Íbo • erfnaam Ybekinc, nu IJbeking (Gelderland)

íd ijd ‘vlijtig, ijverig’, vgl. Oudnoords íð, ið ‘arbeid’, iðinn ‘ijverig’, IJslands iða ‘voortdurend in beweging zijn’, van dezelfde wortel als ín (mog. ook ír), mog. verwant aan idis

Ídberht IJbrecht IJbert Ibbert m.

Ídburg IJburg v. • Fries Ibrich Ibbrich

Ídheri IJter Itter m. • oordnaam Yttersheim, nu Ittersum (Overijssel), geslachtsnaam Ídhering in de oordnaam Idrengoham, nu Iddergem (Oost-Vlaanderen)

Ído IJde m., Ída IJde v. • oordnaam Henrick Iden ambocht, nu Hendrik-Ido-Ambacht (Zuid-Holland), geslachtsnaam Íding in de oordnaam Idingehem, nu Idegem (Oost-Vlaanderen) • Oerhoogduits ᛁᛞᚨ (Īda), Oudengels Ída, Fries Ide Yde

Ídulf IJdolf m.

Ídwini Idwin IJdewijn m.

Iddo Idde m., Idda Idde v. nevenvorm van Ído • Oudengels Idda, Fries Idde

Idduko Iddeke m., Idduka Iddeke v. koosvorm van Iddo • geslachtsnaam Idduking in de oude erfnaam Iddickinghegoet (Drenthe)

idis edis v. ‘eerbare vrouw’, vgl. Oudsaksisch idis ‘hetz.’, mog. eig. ‘vlijt’ o.i.d. en verwant aan íd, vgl. wíf

Idis Edis v.

Idisbald Edisboud m. • achternaam Hutsebaut • Oudengels Idesbeald, Oudhoogduits Itisbald

Idisgard Edisgard v. • Oudhoogduits Itisgart

Idisleova Edislieve v. • oude oordnamen Idaslifeuata (Zeeland) en Idselieue hoec (West-Vlaanderen)

Idiswíf Ediswijf v.

Ígo IJge m., Íga IJge v. nevenvorm van Ího • Fries Ige Yge

Ího IJe m., Íha IJe v. ‘taxus’, vgl. Oudengels éoh, Oudsaksisch íh, Oudhoogduits ígo ‘hetz.’, verwant aan Íwo (zie daar) • oude erfnaam Yeijng (Overijssel) • Oudhoogduits Ího

Ikko Ikke m., Ikka Ikke v. nevenvorm van Ího • erfnaam Ikkink (Overijssel) • Oudengels Icca, Fries Ikke

Íko IJke m., Íka IJke v. nevenvorm van Ího • erfnaam Yckink Iekink, nu De Vrochte (Gelderland), geslachtsnaam Íking in de oude erfnaam Ykinge (Drenthe) • Oudhoogduits Íhho, Íhha, Oudengels Íca, Fries Ike Yke

Immo Imme m., Imma Imme v. koosvorm van Erman-namen • oordnaam Imminchusen, nu Emminkhuizen (Utrecht), erfnaam Ymyng, nu Immink (Overijssel)

Ímo IJme m. betekent mog. ‘wolf’ of ‘krijger’, vgl. Oudnoords ími, ímr, ímir ‘wolf, reus’, íma ‘strijd’, Noors imen ‘woedend’, ima ‘zich inspannen’, imast ‘verhevigen’ • Oudengels Íma, Fries Ime Yme

ín ijn betekent wel ‘reizend, gaand’, vgl. Opijnen en Neerijnen aan de Waal, van dezelfde wortel voor ‘gaan’ als íd (mog. ook ír), ijlen, Oudnoords eið ‘landengte, pas’ (eig. ‘gang, toegang, doorgang’), Oudengels éode ‘ging’, Latijn eō, īre ‘gaan’, Grieks eîmi ‘gaan’

Ínfrith Imfert m. • Oudengels Ínfriþ, Oudhoogduits Ínfrid

Íngeld Ingeld m., naam van een beroemde krijger der Hathubardon Hadebaarden, betekent wel ‘reizende vergelder’ (vgl. Wrekkio) • Latijns-Germaans Īngeldus Īngildus Hīnieldus, Oudengels Íngeld Ínegild, Middelengels Īnigeld, Oudnoords Íngjaldr, Oudrussisch Ingeld Inegeld Igeld

Ínheri Inder m. • Oudengels Ínheri, Oudhoogduits Ínheri (in Ínheringun)

Inno Inne m., Inna Inne v. nevenvorm van Íno • Oudhoogduits Inno, Fries Inne

Íno IJne m., Ína IJne v. • Oudengels Ína, Fries Ine Yne

Indo Inde m. betekent mog. ‘reizende’ o.i.d., vgl. de stroomnaam Inde, gew. Noors andra ‘dolen’, Grieks entheĩn ‘komen, gaan’, Sanskriet ádhvan- ‘weg’ • Oudhoogduits Into, Fries Inde

-ing -ing, -ung -ong -ing m. achtervoegsel waarmee toebehoren, afstamming en eigenschap wordt aangeduid, met een nevenvorm die overleeft in de geslachtsnaam Amerongen, niet verwant aan Ing

Ing Ing m., naam van de zoon van Man en voorvader van vele stammen (zie Ingion), vervolgt Germaans *Ingwaz, dat mog. ‘sterveling, man’ of ‘overledene, voorvader’ betekent, vgl. Tochaars B eṅkwe ‘man’ (eig. ‘sterveling’), Wels angau ‘de dood’, Grieks nékus, nekrós ‘dood; dode; lijk’, nékuia ‘dodenoffer’, nekúsia mv. ‘dodenfeesten’, niet verwant aan -ing, -ung • Oudengels Ing

Ingion Ingen mv., naam van alle Germaanse stammen in de buurt van de zee, van de Lage Landen tot in Zweden, als telgen van Ing • Latijns-Germaans Ingvaeōnes Ingaevōnes mv.

Ingiberga Ingeberge v. • Latijns-Germaans Ingoberga, Oudnoords Ingibjǫrg

Ingiberht Ingbrecht Ingbert m. • Latijns-Germaans Ingvobert(us) Ingobercthus

Ingibrand Ingbrand m.

Ingiburg Ingeburg v.

Ingiflád Ingeflaad v.

Ingiheri Inger m. • oordnaam Ingersbrugga, nu Opwijk (Vlaams-Brabant) • Oudnoords Ingvarr Yngvarr

Ingihild Ingehild v. • Oudnoords Ingvildr

Ingihravan Ingeraven m., Ingihram Ingram m. • oude veldnaam Ingrauens hoec (West-Vlaanderen)

Ingimár Ingmar m. • oordnaam Incmarsele, nu Immerzeel (Antwerpen) • Latijns-Germaans Ingviomērus Ingomērus

Ingio Ing m. • Oudnoords Yngvi (naam van menig Zweedse vorst), mog. Fries Jonge (vgl. de klankontwikkeling van sjonge ‘zingen’)

Ingirád Ingeraad m.

Ingithrúth Ingetruid v. • Latijns-Germaans Ingitrūdis

Ingiulf Ingolf m. • Oudnoords Ingólfr

Ingiwald Ingoud m. • geslachtsnaam Ingiwalding in de oordnaam Ingoudenghem, nu Ingooigem (West-Vlaanderen) • Latijns-Germaans Ingoaldus, Oudfries Ingwald, oordnaam Ingaldinghem, nu Tinallinge (Groningen)

Ingiwíf Ingwíf Ingewijf v.

Ingiwini Ingwini Ingwin Ingewijn m. • Oudengels Ingwine, Oudnoords Ingunr, verbogen in Ingunar-Freyr

Into Inte m. nevenvorm van Indo • mog. geslachtsnaam Inting in de oude erfnaam Yntingenhuus (Drenthe), mits niet bij Anto • Oudhoogduits Inzo, Oudengels Inta, mog. Fries Inte

Ípo IJpe m. nevenvorm van Ívo • Oudengels Ípa, Fries Ipe Ype

Ippo Ippe m. nevenvorm van Ívo • Oudengels Ippa, Fries Ippe

ír ier betekent mog. ‘reizend, rondgaand’ o.i.d., vgl. íd, ín, Oudnoords íri ‘gerucht’, írast ‘gefluisterd worden’, Gotisch áirus ‘boodschapper’, of anders ‘onstuimig’ o.i.d., vgl. Oudnoords eisa ‘aanstormen’, Latijn īra ‘woede’, Sanskriet ēṣá- ‘snellend’

Íring Iering m., naam van een of twee mannen uit de heldentijd • Oudsaksisch Íring, ook in Íringis [weg/stráta] ‘Melkweg’, Oudhoogduits Íring, ook in Íringes stráza ‘Melkweg’, Oudengels Íringes weg ‘Melkweg’, Oudnoords Írungr (uit het Middelnederduits), ook in Írungs vegr/veggr

Íro Iere m. • Oudengels Íra

irmin zie erman

ís ijs o., ísan ijzen o. samenval van twee woorden, enerzijds voor ‘ijs’, anderzijds voor ‘ijzer’, vgl. Middelnederlands isen, Oudhoogduits ísarn ísen, Duits Eisen, Oudengels ísen ‘ijzer’

Ísangrím IJzengrim m.

Ísberht IJsbrecht IJsbert, Ísanberht IJsbrecht IJsbert m.

Ísbrand IJsbrand, Ísanbrand IJsbrand m.

Íso IJze m. • oordnamen Isendica, nu IJzendijke (Zeeland), en Izenberge (West-Vlaanderen), geslachtsnaam Ísing in de oordnaam Isenchehem, nu Izegem (West-Vlaanderen), oude erfnaam Dysynge erve (Drenthe)

Íswini IJswin IJzewijn m.

Íto IJte m., Íta IJte v. nevenvorm van Ído • geslachtsnaam Íting in de oordnaam Itengem, nu Itegem (Antwerpen) • Oudengels Íta, Fries Ite Yte

Itto Itte m., Itta Itte v. nevenvorm van Ído • Oudengels Itta, Fries Itte

Iunio Uine m. nevenvorm van Eono • Latijns-Germaans Eunius, Gronings Uniko, Fries Joenke Joene Jûne

Iuti Iution Uiten Juten mv., naam van een stam die vanouds benoorden de Engili Engelen woonde op het naar hen vernoemde schiereiland Jutland en in de loop van de vijfde eeuw deel werd van de Deni Denen • betekent wel ‘mensen’, vgl. Oudnoords ýtar mv. ‘hetz.’ en Eotho • Latijns-Germaans Iutī Iutae mv., Oudengels Ýte Ýtan Éote Éotan mv., Oudnoords Jótar mv., Zweeds Jutar mv., Deens Jyder mv.

Ívo IJve m. betekent wel ‘onstuimige’ of ‘gedrevene’ o.i.d., vgl. ijver, Drents iever ‘zandverstuiving’ (eig. ‘drift’), Engels ivy, Westvlaams ijft ‘klimop’, Oudnoords Ífing (naam van de stroom die nooit zal overvriezen), gew. Zweeds ivlas ‘zich inspannen, streven’, Oudhoogduits eiber ‘heftig, fel’ • Oudengels Ífa, Fries Ive Iuwe Juwe

Íwo Uwe m., Íwa Uwe v. ‘taxus’, in dichterlijke zin ‘handboog’, vermaard om zijn goede hout voor handbogen en zijn lange levensduur; de wereldboom Yggdrasill in de Oudnoordse overlevering ware ook een taxus, vgl. Oudengels íw éow, Engels yew, Oudhoogduits íwa, Duits Eibe, Oudnoords ýr ‘hetz.’, verwant aan Ího • Oudengels Íwa, Fries IJe

J

Jolo Jole Jool m. betekent mog. ‘vrolijke’ o.i.d., vgl. jolen • oude erfnaam Joling (Overijssel) • Oudengels Iola Iolla

jung jong ‘jong, groeiend’, verwant aan jeugd, Júwo en êo

Junghram Jongeram Jonkram m.

Jungman Jongeman m.

Jungo Jonge m.

Júwo Jouwe m. ‘jonge; jongen, jongeling’, vgl. Sanskriet yúvā ‘jong; jongeling’, verwant aan jeugd, jung en êo • Oudhoogduits Júwilo, Fries Jouwe (samengevallen met de evenknie van Gevo)

K

Kado Kade m. betekent mog. ‘kleintje’ o.i.d., vgl. Westvlaams kade ‘plat houtje of steentje’, Middelnederlands cade ‘vetkruimel, kaantje’, gew. Engels cade ‘jong huisdier, verwend kind’, cad ‘kleinste van zijn soort’, chat ‘miezerig aardappeltje’ • geslachtsnaam Keding in de oordnaam Kedinchem, nu Kedichem (Zuid-Holland) • Oudhoogduits Kato Chato, mog. Oudengels Cada Ceada, oordnamen Cadenham, nu Cadnam (Hampshire), en Cadenai, nu Cadney (Lincolnshire), mog. Fries Tsjeed

Kananafethi Kanenveden mv., naam van een stam die aan het begin van onze jaartelling naast de Batawa Batuwen in de Lage Landen woonde en zijn boten tot duikers ombouwde • betekent wel ‘heren der boten’, vgl. Middelnederduits kane ‘boot’, Gotisch faþs ‘heer’ • Latijns-Germaans Cananēfatēs Cannanēfatēs

Kano Kane Kaan m. betekent mog. ‘zoon, kind’ of ‘verwekkend’, vgl. Grieks gónos ‘nageslacht’, teknogónos ‘kinderen verwekkend’, Oudengels cennan ‘verwekken, voortbrengen’ • geslachtsnaam Kaning in Caningahem, nu Kanegem (West-Vlaanderen) • Oudengels Cana, oordnaam Canefelda, nu Canfield (Essex), Oudfries Kana, oordnaam Kaninghem, nu Canum (Oost-Friesland), Fries Kane

kan (kann-) kan betekent mog. ‘bekwaam’, mits verwant aan kunnen, koen (zie kón)

Kanbôd Kambod m. • Latijns-Germaans Cannabaudēs

Kanno Kanne m. • Oudengels Conna, Fries Kanne

kant kant betekent mog. ‘kloek, flink’ o.i.d., vgl. verouderd Nederlands kant ‘hetz.’, Middelengels cant ‘boud, dapper, fel’, gew. Engels cant ‘gezond, levendig, kras’, mog. verwant aan kunnen, koen (zie kón)

Kant Kant, Kanto Kante m. • Oudengels Canta, oordnaam Cantelea, nu Cantley (Norfolk), Oudfries Kanta, oordnaam Cantenze, nu Kantens (Groningen), Fries Kant

Kantheri Kanter m.

Karl Karel m., naam van de bekende koning der Frankon Franken, betekent ‘man, vrij man’, vgl. Oudnoords karl, verwant aan kerel, Oudengels ceorl • Latijns-Germaans Carlus Carolus, Oudengels Carl (ook in Carles wǽn ‘Karelswagen, Grote Beer’), Frans Charles (vanwaar Engels Charles) Charlotte (koosvorm)

Karlman Karelman m., naam van meerdere koningen der Frankon Franken, vgl. Oudengels carlman ‘manmens’ naast wífman ‘vrouwmens’ • Latijns-Germaans Carlomannus Carolomannus

Katto Katte m. betekent mog. ‘kat’, anders mog. nevenvorm van Kado • Oudengels Ceatta, mog. Fries Tsjette

Kiukilo Kuikel m. betekent wel ‘hoentje’ o.i.d., vgl. met andere achtervoegsels kuiken, Oudengels cýcen, Engels chicken ‘kip’, Oudnoords kjúklingr ‘gansje’ • Latijns-Germaans Ciucilo

Kobbo Kobbe, Koppo Koppe m. is een kooswoord voor bolle, ronde dingen, waaronder kleine kinderen en dieren, vgl. Engels cub ‘welp’, cob, cop ‘spin’, Vlaams koppe kobbe ‘hetz.’, Zaans kobbe ‘zilvermeeuw’, Oudnoords kubbi ‘zeehond’ enz. • oude erfnamen Cobbinc (Gelderland) en Cubbinc (Gelderland), geslachtsnaam Kobbing in de oordnaam Cobbenchem, nu Kobbegem (Vlaams-Brabant)

kol kol in namen betekent wel ‘stralend’, verwant aan kool, Oudnoords kola ‘lamp’, Litouws žvìlti ‘schijnen’, Sanskriet jválati ‘branden, vlammen’

Kolaberht Kolbrecht Kolbert m. • Oudengels Colbeorht

Kolaman Koleman Koolman Kolman m. • mog. in de oordnaam Colmenschote, nu Colmschate (Overijssel) • Engels Coleman

Kollo Kolle m. nevenvorm van Kolo

Kolo Kole m. • geslachtsnaam Koling in de oordnaam Colengem, nu Kolegem (Oost-Vlaanderen) • Oerhoogduits ᚲᛟᛚᛟ (Kolo), Oudengels Cola, oordnamen Colanhomm, nu Colham (Middlesex), en Colentreu, nu Collingtree (Northampton)

kón koen ‘bekwaam, vaardig’ en vandaar ‘dapper’, vgl. Duits kühn, Engels keen, verwant aan kunnen, vgl. kan

Kóno Koene Koen m.

Kónrád Koenraad m. • erfnaam Conrading, nu Koenderink (Overijssel) • Oudengels Cénrǽd Cénréd, oordnaam Chernetone Kerdingetone, nu Cardington (Bedfordshire)

Kraft Kracht m. ‘kracht’, mog. eig. ‘drang’, vgl. krap ‘nauw’ (mog. eig. ‘gedrongen’), Oudnoords krafa ‘eis, aandringen’

krém kriem betekent mog. ‘jong vrouwelijk (wild) zwijn’ i.v.m. de weerbaarheid en vorstelijkheid van het everzwijn, vgl. Rijnlands Krieme ‘hetz.’, Middelnederlands crieme ‘jonge zeug’, Limburgs kreem ‘zeug’, vgl. evor

Krémhild Kriemhild v., naam van een vorstin in het Nibelungenlied, vroeg verhaspeld met Grímhild, vgl. Evorhild • Oudhoogduits Crémhilt Criemhilt Chriemhilt Chrímhilt, oordnamen Criemhilterot, nu Krimderode (Thüringen), en Kriemhelde stule, nu Kriemhildenstuhl (Rijnland-Palts), Duits Kriemhild

Kroftrík Krochterik m., naam van een 1e-eeuwse krijgsman der Frésion Friezen, heeft als eerste lid de evenknie van Middelnederlands croft crocht ‘hoge zandgrond, akker in de duinen’, Oudengels croft ‘afgeperkt stuk land’, vgl. Litouws grùbtas ‘aardkloot’, grùb(l)as ‘heuvel’ • Latijns-Germaans Cruptorīx

kuni keun, kunni kunne o. ‘(vorstelijk) geslacht’, verwant aan kind, koning, Oudengels cennan ‘verwekken’

Kunigund Keunegond v. • Oudengels Cynegýþ

Kunimund Keunemond m. • Oernoords ᚲᚢᚾᛁᛗᚢᛞᛁᚢ (Kunimu[n]diu), Oudengels Cynemund, oordnaam Kinemundescot, nu Kimcote (Leicestershire)

Kuniwíh Keunewij Keunewijg v. • Oudengels Cynewíh, Fries Kenou

Kúro Kure Kuur m. ‘wachter, uitkijker’, vgl. Middelnederduits kure ‘hetz.’, Drents kuren ‘turen, mikken’ • geslachtsnaam Kúring in de oude oordnamen Curengem, nu Kuregem (Brussel), en Curinge, nu Kuringen (Belgisch-Limburg)

kust kust m./v. ‘beproeving, keuze, onderscheiding’, vgl. te kust en te keur

Kustrád Kusteraad m. • Oudfries Kustrêd, oordnaam Kustridingi (Groningen)

L

land land o. ‘land’, vgl. gawi

Landberht Landbrecht Landbert Lambrecht Lambert Lammert m. • oordnaam Lambrechtscoch, nu Lambertschaag (Noord-Holland), erfnaam Lamberting, nu Lantink (Overijssel), Lamberting, nu Lammertman (Overijssel) • Latijns-Germaans Landobercthus

Landfrith Landfred Lamfert m. • erfnamen Lentfording, nu Lentfert (Overijssel), Lenferding, nu Lemferdinge (Drenthe)

Landgard Landgard v.

Landgêr Landger m. • erfnaam Lentghering, nu Lentfers (Overijssel)

Landheri Lanter m. • erfnaam Lendering (Overijssel), geslachtsnaam Landhering in de oordnamen Landringetun, nu Landrethun-lès-Ardres (Pas-de-Calais), en Landringehem, nu Landergem (West-Vlaanderen)

Landhild Landhild Lantild v.

Landhravan Landraven Landeraven m., Landhram Landram Landeram m. • geslachtsnaam Landhramning in de oordnaam Landremenges, nu Lantremange (Luik)

Lando Lande m. • geslachtsnaam Landing in de oordnamen Landengehem, nu Landegem (bij Gent, Oost-Vlaanderen), en Landenghem, nu Landegem (bij Aalst, Oost-Vlaanderen)

Landrád Landeraad m.

Landráda Landerade v., naam van een 7e-eeuwse heilige abdis

Landrík Landerik m.

Landwara Landeware v.

Landweri Lander m. • Oernoords ᛚᚨᛞᚨᚹᚨᚱᛁᛃᚨᛉ (La[n]dawarijaR)

Langbardon Langbarda Langbaarden mv., naam van een stam die na grote omzwervingen een rijk hield in Noord-Italië van de late 6e tot de late 8e eeuw, vanwaar de streeknaam Lombardije (vgl. Burgunda), mog. oorspr. nauw verwant aan de Hathubardon Hadebaarden • volgens hun eigen geschiedschrijving betekent de naam ‘Lange Baarden’ en is hij te danken aan Wódan, vgl. Oudnoords Langbarðr ‘Langbaard’ (bijnaam van Óðinn), doch zie bard • Latijns-Germaans Langobardī Longobardī mv., Grieks-Germaans Λαγγοβάρδοι (Langobárdoi) mv., Oudengels Langbeardas Langbeardan mv., Oudnoords Langbarðar mv.

lêd leed v. ‘weg, tocht’, vgl. Oudnoords leið, Oudengels lád ‘hetz.’, verwant aan lijden (eig. ‘gaan’)

Lêdheri Letter m.

Lêdulf Ledolf m.

Lêdwíf Ledewijf v.

lêf leef m. ‘overblijfsel, nalaatsel’, in dichterlijke zin ‘nazaat, telg’, verwant aan leven, blijven (eig. be-lijven), Oudnoords leif ‘overblijfsel, nalatenschap’, Oudhoogduits leiba ‘hetz.’, gew. Duits Leben in oordnamen als Oschersleben

lêk leek m. ‘spel, dans’, in dichterlijke zin ‘strijd’, vgl. Oudnoords leikr, Oudengels lác ‘hetz.’, Middelnederlands vechteleec ‘strijd’, huweleec ‘huwelijk’, vgl. Middelnederlands spel ‘strijd’, nijtspel ‘hetz.’

leof lief ‘lief, geliefd, bemind’, Oudengels léof, Oudfries liáf ‘hetz.’, vgl. lind

Leofburg Liefburg v. • Oudfries Liáfburg

Leofgêr Liefger m. • erfnaam Lefgerinc, nu Leferink (Overijssel)

Leofhard Liefhard Liefert m. • oude erfnaam Lefferding (Overijssel)

Leofheri Liefer m. • oordnaam Lieferinch, nu Lieferink (Gelderland), geslachtsnaam Leofhering in de oordnaam Lifrenghem, nu Lieferinge (Oost-Vlaanderen) • Oudhoogduits Liobheri Liubheri, Oudengels Léofhere, oordnaam Leveresdale, nu Laversdale (Cumbria)

Leoftêt Liefte Lieft m. koosvorm van Leovo • erfnaam Liefftynck, nu Lieftink (Gelderland) • Oudfries Liáftêt, Oudengels Léoftǽt v., oordnaam Leftetewych, nu Leftwich (Cheshire)

Leofwini Liefwin Lievewijn Lieven m., naam van een 8e-eeuwse zendeling in de Lage Landen, afkomstig van de Engili Engelen • Oerhoogduits ᛚᛖᚢᛒᚹᛁᚾᛁ (Leubwini), Latijns-Germaans Lebuinus Liafwinus, Oudengels Léofwine, oordnamen Levenesheth, nu Leavenheath (Suffolk), Lewyneshulm, nu Levenshulme (Lancashire), en Lewyneston, nu Lainston (Hampshire)

Leoving Lieving m., Liuving Luiving m. • Oudengels Léofing Lýfing, Oudhoogduits Liubing

Leovo Lieve m., Leova Lieve v. • Oerhoogduits ᛚᛖᚢᛒᛟ (Leubo), ᛚᛖᚢᛒᚨ (Leuba), Oudengels Léofa, oordnamen Liofeland, nu Leaveland (Kent), en Levintone, nu Loynton (Staffordshire)

lind lind ‘mild, zacht, zachtmoedig’, vgl. Middelnederlands linde, Duits lind, Engels lithe ‘hetz.’, vgl. leof

Lindgard Lindgard v.

Lindheri Linter m. • oude oordnaam Lintthereswalda (Noord-Holland), geslachtsnaam Lindhering in de oordnaam Lindrengem, nu Lindergem (Vlaams-Brabant)

Lindhravan Linderaven, Lindhram Linderam m. • Oudfries Líthhram, oordnaam Letherminge, nu Leermens (Groningen)

Lindrád Linderaad m.

Lindulf Lindolf m. • Oudengels Líðulf

lís lijs ‘zacht, kalm, niet luid’, vgl. Middelnederlands lise ‘hetz.’, Oudhoogduits lîso bw. ‘zacht, rustig, weloverwogen’

Líso Lijze Lijs m., Lísa Lijze v. • Oudengels Lísa m., Fries Lise Lyse Lyze

Lísung Lijzing m.

liud luid m. ‘volk’, vooral ‘krijgsvolk’, het oude enkelvoud van lui (ouder luide) en lieden ‘mensen’ (de tweede vorm is zuidwestelijk), vgl. Oudhoogduits liut ‘mens, volk’, Latijns-Germaans leudēs mv. ‘vrije mannen, getrouwen des konings’, verwant aan Oudsaksisch leodan ‘groeien’, Grieks eleútheros, Latijn līber ‘vrij, ongeknecht’, eig. ‘behorend tot het (eigen) volk’

Liudbald Ludboud Lubboud m. • oude erfnaam Lubboldes waer (Overijssel)

Liudberht Ludbrecht Ludbert Lubbert m. • achternaam Lubbertsen Lubberts Lubbers, erfnaam Lubberting, nu Lubberdink (Overijssel) • Oudengels Léodbeorht, oordnaam Ledbrizton, nu Lebberston (Yorkshire)

Liudburg Ludburg v. • Fries Liebrich Lybrich

Liudgard Ludgard v. • oude erfnaam Lutgerding (Overijssel)

Liudgêr Luiger Ludger m., naam van een 8e-eeuwse zendeling van de Frésion Friezen, bekeerde de zanger-dichter Bernlêf • geslachtsnaam Liudgêring in de oude erfnaam Ludgeringhe (Drenthe)

Liudgeva Luidgeve v.

Liudheri Luiter m. • oordnaam Lidersele, nu Lederzele (Nord), geslachtsnaam Liudhering in de oordnaam Ledringehem, nu Ledergem (Oost-Vlaanderen), en oude erfnamen Luderingehus (Drenthe) en Ludderinghe (Drenthe)

Liudhild Luidhild Luitild v.

Liudiko Luideke Luike Luik m. koosvorm van Liudo • erfnaam Ludekinck, nu Luykink (Gelderland)

Liudo Luide m., Liuda Luide v. • oude erfnamen Ludenhorst (Gelderland) en Luding (Gelderland), geslachtsnaam Liuding in de oordnamen Liedengehem, nu Ledegem (West-Vlaanderen), en Lidingehem, nu Ledinghem/Ledingem (Pas-de-Calais), en de oude erfnamen Ludincghe (Drenthe), Oelde Ludingheguet (Drenthe) en Nieludinge (Drenthe)

Liudrád Luideraad m. • geslachtsnaam Liudráding in de oordnaam Leodredingum, nu Ledringem (Nord)

Liudráda Luiderade v.

Liudrík Luiderik m.

Liudulf Luidolf Luif m. • oude erfnamen Ludolvinc (Overijssel), Ludelvinc (Overijssel), Ludolving (Gelderland) enz., geslachtsnaam Liudulving in de oude oordnaam Luidelvinge (Drenthe) • Fries Ljoelf

Liudwara Luideware v.

Liudwíh Luidewij Luidewijg Liedewij Liedewijg v.

lôg loog betekent mog. ‘lichtend, stralend’, vgl. lo(o) ‘open plek in het bos’, Middelnederlands loge, looch ‘vlam’, of anders mog. ‘eedverbonden’ o.i.d., vgl. Gotisch liuga ‘huwelijk’, Oudiers lugae ‘eed’

lôn loon o. ‘vergoeding, vergelding’

Lônbôd Lonbod Lombod m. • Latijns-Germaans Launobaudus

Lônmund Lonmond m. • Latijns-Germaans Launomundus

Lôno Lone m. • geslachtsnaam Lôning in de oordnamen Loningahem, nu Leulinghem (Pas-de-Calais), en Loningaheimo, nu Leulinghen-Bernes (Pas-de-Calais)

Lovand Lovend m. ‘liefhebbend’ • geslachtsnaam Lovanding in de oordnaam Lovendenghem, nu Lovendegem (Oost-Vlaanderen)

M

Mago Mage m., Maga Mage v. betekent mog. ‘kind’, zie Magusan, of ‘groeiende’, vgl. mager (eig. ‘lang’), Middelwels magu ‘(op)voeden’, Grieks makrós ‘groot’, mits geen koosvorm van Megin-namen

Magusan Magezan m., de (bij)naam van de held die in de Lage Landen vereenzelvigd werd met de zoonrijke Herculēs, vereerd door met name jonge mannen, betekent wel ‘zonenstrevend’ of ‘jeugdige krijger’, vgl. Middelnederlands mage ‘knaap’, Oudengels magu ‘kind, zoon, jonge man’ en zie san • Latijns-Germaans Magusanus

mahal zie mathal

Makko Makke m., Makka Makke v. nevenvorm van Mage of koosvorm van Mark-namen • oude oordnaam Mackenhusa (Oost-Vlaanderen), oude erfnaam Mackinch (Gelderland) • Latijns-Germaans Macco

maht macht v. ‘macht, vermogen’

Mahthild Machteld v. • Latijns-Germaans Mactildis

mal mal betekent mog. ‘indachtig, moedig’ en langs ‘overmoedig’ hetz. woord als mal ‘zot’, vgl. Oudsaksisch malsk ‘overmoedig’, Gotisch untilamalsks ‘roekeloos’ (waarin tila- ‘doel’), Oudengels malscrung ‘beheksing, fixatie’, Hettitisch māl- ‘geestkracht’, Grieks mélō ‘denken om’

Malarík Malrik Maldrik Malderik m., naam van o.a. een 1e-eeuwse vorst der Frésion Friezen • Latijns-Germaans Malorīx

mal (mall-) mal betekent mog. ‘rijzig, hoog, groot’, vgl. mol (eig. ‘verrijzende’), Oudnoords mellingr ‘reus’, mella ‘reuzin’, Sloveens moléti ‘oprijzen’, Albanees mal ‘berg’

Malbôd Malbod m., naam van een 4e-eeuwse vorst der Frankon Frankon • Latijns-Germaans Mallobaudēs

Mallo Malle m. • geslachtsnaam Melling in oordnaam Mellesheym, Mellinchin (verwaalsingen), nu Melleschet (Nederlands-Limburg) • Fries Malle, Oudnoords Malli (bijnaam)

Mama Mame v., Mamo Mame m. en vergelijkbare brabbelnamen zijn ontstaan in de kindertaal, waarbij het vaak niet te zeggen is of het gaat om een sterke vervorming van een volwaardige naam (en welke dan) of om een eerste woordje dat door verwanten als naam is opgenomen en doorgegeven, zoals mama en papa als wijdverbreide benamingen voor vader en moeder • zie ook Papo, Bavo, Tato, Dado, Atho, Avo enz.

Mamma Mamme v., Mammo Mamme m. nevenvorm van Mama

man (mann-) man m. ‘mens, man’, veelal als liefkozend achtervoegsel gebruikt

Man Man m., ook de naam van de zoon van Twisto en vader van Ing en daarmee de voorvader der mensen • Latijns-Germaans Mannus

Manfrith Manfred Manfert m.

Mannikín Manneken Manneke m.

Manniko Manneke m.

Manno Manne m., Manna Manne v.

Mantêt Mante Mant m. koosvorm van Man of Manno, vgl. manlief • oude oordnaam Mantetessuethe (Zuid-Holland), geslachtsnaam Mantêting in de oordnaam Mantinge (Drenthe) en de oude oordnaam Mantingalanda (Vlaams-Brabant) • Oudengels Mantát

már maar ‘schitterend, vermaard’, verwant aan Oudnoords merla ‘schijnen, schitteren’, Oudengels mare ‘zilverschoon’, Sanskriet márīci- ‘lichtstraal’ en mog. mard en Bríso

Márbôd Marbod m., naam van een Romeinse bevelhebber afkomstig van de Frankon Franken • Latijns-Germaans Mērobaudēs

Márflád Marflaad v., naam van een 6e-eeuwse koningin der Frankon Franken • Latijns-Germaans Mēroflēdis

Márwih Marwig m., naam van een 5e-eeuwse koning der Frankon Franken • Latijns-Germaans Mērovechus Mēroveus Mērovicus, Oudengels Merewíoing (geslachtsnaam, verhaspeld met mere ‘meer, zee’)

mard mard betekent mog. ‘schitterend, glanzend’, mits verwant aan már, vgl. Oudfries Mardunga (stroomnaam)

Mardo Marde Mard m.

Mardhelm Martem m.

Mardulf Mardolf m.

mark mark v. ‘grensgebied, grens’, vgl. Oudnoords mǫrk ‘woud’ (eig. ‘grenswoud’)

Markhelm Markhelm m., naam van een 8e-eeuwse zendeling in de Lage Landen, afkomstig van de Engili Engelen of Sahson Sassen in Brittannië • Latijns-Germaans Marchelmus

Markmár Markmar m., naam van een 4e-eeuwse legerleider der Frankon Franken • Latijns-Germaans Marcomērēs

Markniu Marknieuw Marknieuwe Marknuw Marknuwe v. • Latijns-Germaans Marconivia

Marko Marke Mark m. • geslachtsnaam Marking in de oordnaam Marchengem, lees *Markinghem, nu Markegem (West-Vlaanderen)

Markrád Markraad m.

Markrík Markerik m.

Markswind Markswind v.

Markthrúth Markdruid v. • Latijns-Germaans Marcatrūdis

Markulf Markolf m.

Markward Markward m. • oude erfnaam Marcquarding (Overijssel)

Markwíh Markwijg Markwij v.

Masko Masse m. ‘roet, mom’, vgl. mascara, masker (beide langs Romaanse talen uit het Germaans), Westvlaams masscher ‘roet, mom’, Middelnederlands bemasscheren ‘zwart maken, bezoedelen, bevlekken, vuil maken’, vermasselen ‘vermommen, een masker op doen’, en zie grím • oude erfnaam Mesking (Overijssel) • Oudhoogduits Masco Masgo, Fries Meske

Maso Maze m., Masa Maze v. betekent wel ‘strevende’ o.i.d., vgl. de stroomnaam Maas, Noors masa ‘zwoegen’, Grieks mṓsthai ‘streven’, vgl. Waho • oordnaam Masensele, nu Mazenzele (Vlaams-Brabant), geslachtsnaam Masing in de oordnaam Masingehem, nu Mazinghem (Pas-de-Calais) • Oudhoogduits Maso, Masa, Fries Maze

Masso Masse m., Massa Masse v. nevenvorm van Maso • erfnaam Massink (Gelderland) • Oudhoogduits Masso, Oudengels Mæssa

máth maad v. ‘maat, (mate van) vermogen’, vgl. Oudengels mǽþ ‘hetz.’

Máthhild Mathild Matild m. • Oudengels Mǽþhild, Frans Mathilde Mahaut Maud

mathal madel maal, mahal maal o. ‘bijeenkomst, zitting, vergadering, rechtspraak’, vgl. Oudengels mæðel ‘hetz.’, Oudhoogduits mahal ‘hetz.’, mog. verwant aan ontmoeten

Mathalberht Madelbrecht Malbrecht Malbert m. • geslachtsnaam Mathalberhting in de oordnaam Maubertinghes, nu Mopertingen (Belgisch-Limburg)

Mathalberhta Madelbrechte Malbrechte Madelberte Malberte v.

Mathalfrith Madelfred Malfert m. • oude erfnaam Malfardesgut (Overijssel)

Mathalgard Madelgard Malgard v.

Mathalgêr Madelger Malger m.

Mathalgísl Madelgijs Malegijs Malgis m.

Mathalheri Madeler Malder m. • oude erfnaam Maelrynck (Gelderland), geslachtsnaam Mathalhering in de oordnaam Maldrenghem, nu Maldergem (Oost-Vlaanderen)

Mathallêf Madelef m.

Mathalo Madele Male m. • geslachtsnaam Mathaling in de oordnaam Madlingem, nu Maldegem (Oost-Vlaanderen)

Mathalráda Madelrade Malrade v.

Mathalwini Madelwijn Malewijn Malwin m.

megin mein, magan magen ‘machtig, krachtig’, vgl. Engels main, verwant aan macht, mogen, vermogen

Megin Mein m., Megino Meine m., Megina Meine v. • oordnaam Meegenzheim, nu Megelsum (Nederlands-Limburg)

Meginbald Meinboud m. • erfnaam Magenboldingh, nu Memelink (Gelderland)

Meginburg Meinburg Memburg v. • oude oordnaam Meinburgbelc (West-Vlaanderen)

Meginfríd Meinevrijd v.

Megingêr Meinger Menger m. • oude erfnaam Mengersguet (Gelderland) en Mengerinc (Gelderland)

Megingôt Meingot m.

Meginhard Meinhard Meindert m. • oordnaam Meginhardeswich, nu Meinerswijk (Gelderland), geslachtsnaam Meginharding in oude oordnaam Menardinghamme (Overijssel) • Oudfries Meinhard, oordnaam Meynaertsga, nu Minnertsgea/Minnertsga (Friesland)

Meginheri Meinder m. • Latijns-Germaans Magnacharius

Meginhild Meinhild Meinild v.

Meginlêf Meinlef m.

Meginleova Meinelieve v.

Meginrád Meinraad m. • erfnaam Meynreding, nu Meenderink (Overijssel)

Meginsind Meinsind v.

Meginswind Meinswind v.

Megintêt Meinte Meint m. koosvorm van Megin-namen • oude erfnamen Myntynge (Gelderland), Mentinck (Gelderland)

Meginthrúth Meindruid v. • Latijns-Germaans Magnatrūdis

Meginulf Meinolf Meilof m. • achternaam Meilof

Meginwald Meinoud m. • erfnaam Meynolding, nu Meilink (Overijssel) • Latijns-Germaans Magnovaldus

Meginwerk Meinwerk m.

Meginwíh Meinewij Meinewijg v. • Fries Meinou

mel (mell-) mel betekent wel ‘fijn, mooi, wit’, vgl. gew. Zweeds mjäll ‘hetz.’, gew. Noors mjell ‘gezond’

Melbôd Melbod m. • Latijns-Germaans Mellobaudis

Menpia Mempia Mempen mv., naam van een stam rond het begin van onze jaartelling in wat nu West-Vlaanderen en Zeeland zijn, ingelijfd door de Frankon Franken • mog. afleiding van een Germaans *menapō(n) ‘blijvend water’, om de uitgestrekte kwelders daar destijds • Latijns-Germaans Menapiī mv., Menpiscus Mempiscus (afgeleide gouwnaam)

Menigwald Menegoud, Managwald Manegoud m. ‘heerser van velen’, vgl. Grieks Polukrátēs • Duits Mangold

Menno Menne m. nevenvorm van Manno

meri meer o. ‘zee’, vgl. sêo

Merilêf Merlef m. • Latijns-Germaans Marileifus

Metod Met m. ‘maatsteller, ordenaar, schikker’, is oorspr. wel een bijnaam van Vader Hemel (zie Tíu), vgl. Oudsaksisch Metod, Oudengels Metod Meotod ‘God’, Oudnoords mjǫtuðr ‘noodlot’, Grieks medéōn ‘maatsteller, heerser’ (bijnaam van Zeús), verwant aan meten

Mílo Mijle m. ‘zoete, lieve’, vgl. Litouws míelas ‘lief, zoet’, Russisch mílyj ‘hetz.’, Oudiers mín ‘zacht’, Latijn mītis ‘zacht van smaak’ • Fries Myle

Minnia Minne Min v. ‘liefde’

mód moed ‘gezind, gestemd’, verwant aan (ge)moed, moedig

Módheri Moeter m.

Módrík Moedrik Moederik m.

Módswind Moedswind v. • Oudfries Módswíth

Módwini Moedwin Moedewijn m.

Môdio Mode m., naam van een Germaanse legerleider in Romeinse dienst, mog. afkomstig van de Frankon Franken, betekent wel ‘heugende’ o.i.d., vgl. Gotisch máudjan ‘herinneren’, Oudkerkslavisch myslь ‘gedachte’, Grieks mûthos ‘verhaal e.d.’ • Latijns-Germaans Maudio

mund mond m. ‘beschermer, hoeder, voogd’, vgl. Oudfries mund mond, Middelnederlands mont ‘hetz.’

muni meun m. ‘gedachten, geest, voornemen’, vgl. Oudengels myne, Oudnoords munr ‘hetz.’, Gotisch munan ‘denken, overwegen’, verwant aan manen ‘doen herinneren’, wel ook minne ‘liefde’, vgl. hugi en zie hravan

Munigund Meunegond v. • Latijns-Germaans Monigundis

Munulf Meunolf Monolf m.

N

Nahthravan Nachtraven, Nahthram Nachtram m. ‘nachtraaf, nachtelijke roofvogel’, vgl. Middelnederlands nachtraven ‘iemand die des nachts streken uithaalt’

nand nand ‘wagend, moedig’, vgl. Oudhoogduits nand ‘overmoed’, Middelnederlands nenden ‘wagen, durven’, genende ‘moedig’

Nandberht Nambrecht Nambert m.

Nandgrím Nandgrim m. • Oudfries Nóthgrím, Oudengels Nóðgrím

Nandheri Nanter m. • Latijns-Germaans Nantaharius, Oudengels Nóðhere, Oudfries Nóthhere, oordnaam Notheringtiochi (Oost-Friesland)

Nandhild Nandhild Nantild v., naam van een 7e-eeuwse koningin der Frankon Franken • Latijns-Germaans Nandechildis Nanthechildis

Nandrád Nanderaad m. • Oudfries Nóthréd, Oudhoogduits Nandrât

Nandulf Nandolf m. • Oudengels Nóðwulf

Nandwini Nandwin Nandewijn m.

Nanno Nanne m., Nanna Nanne v. brabbelnaam voor verwanten, vgl. Engels nanny en zie Mama

neri neer betekent mog. ‘mannelijk’, vgl. Latijns-Germaans Naristī (stamnaam), Sanskriet náryas ‘mannelijk, dapper’, Grieks anèr ‘man’, Wels ner ‘held’, anders mog. verwant aan neren ‘voeden, onderhouden’

Neribarn Nerbarn m. • mog. geslachtsnaam Neribarning in de oordnaam Narberingeweide, nu Armweide (Drenthe)

Neriward Nereward Nerward m.

Nerth Nerd Nard Naard m./v. naam van een godheid verbonden met o.a. water, vgl. de Duitse stroomnaam Neyrthere Nerdera, nu Neerdar, en enerzijds Litouws nérti ‘duiken’, anderzijds Oudiers nert ‘kracht, macht’ • Latijns-Germaans Nerthus, Oudnoords Njǫrðr

níth nijd m. ‘nijd, vijandigheid, vijandschap’

Níthbald Nidboud Nijboud m. • oude erfnamen Nythboldynck (Gelderland), Nibbelding (Overijssel), erfnaam Nybelding, nu Nigbelt (Overijssel)

Níthgêr Nidger m.

Níthhard Nijdhard Nijtert Nittert m.

Níthhath Nijdhad Nijtat m., naam van de koning die Wéland Wieland gevangen neemt, vader van Baduhild Badehild • Latijns-Germaans Nīthadus, Oudengels Níðhád (wel verhaspeling met hád ‘toestand’, zie heid), Oudnoords Níðuðr, Oudhoogduits Nídhad

Nítho Nijde m. • oude erfnaam Nydinc (Drenthe)

Níthulf Nijdolf m.

Níthwald Nijdoud m. • oude erfnamen Nydeldingh (Overijssel), Nyttoldinc (Overijssel)

niu nieuw nuw ‘jeugd, jonge meid’, verwant aan niuwi

niuwi nieuw nuw ‘onlangs verschenen, jong’, verwant aan niu

Niuwigast Nieuwegast Nuwegast m., naam van een Romeinse legerleider, vorst der Hamawa Hamuwen • Grieks-Germaans Νεβιόγαστος Νεοβιγάστης (Nebiógastos Neobigástēs), mog. Latijn-Germaans Niviastē(s)

Nivulung Neveling m. betekent wel ‘lageling’, ook ‘laaglander’, i.t.t. Skilving, vgl. Oudengels nifl ‘zich onder bevindend, steil’, Oudnoords nifl (in o.a. Niflheimr ‘onderwereld’, Niflhel ‘diepste hel’), Oudhoogduits firnibulen ‘diep neergaan’, Rijnlands Nivelstein Nievelstein (naam van een oude zandsteengroeve) • Oudnoords Niflungar mv. (geslachtsnaam), Oudhoogduits Nibelung Nipulung, Middelhoogduits Nibelung, Nibelunge mv. (geslachtsnaam), Middelnederduits Nevelunge mv. (geslachtsnaam)

Nóro Noere Noer m., Nóra Noere Noer v. betekent wel ‘kleine’ als koosvorm voor kinderen, vgl. IJslands nóri ‘deeltje, stukje, knaapje’, Noors nore ‘boreling; kleinkind’ • Oerhoogduits ᚾᛟᚱᚢ (Nōru) v., Oudhoogduits Nuoro (in Nuorenberc, nu Nürnberg), Oudnoords Nóri (dwergnaam)

north noord ‘noord’

Northberht Norbrecht Norbert m. • Latijns-Germaans Nordobertus

Northgôt Norgot m. • Latijns-Germaans Nardgaotus

Northheri Noorder m. • geslachtsnaam Northhering in de oordnaam Nordrenges, nu Nodrenge (Waals-Brabant)

O

Obbo Obbe m. koosvorm van Ôdbald en Ôdberht of nevenvorm van Ubbo • geslachtsnaam Obbing in de oude oordnaam Obbinghem (Noord-Holland)

ôd ood m. ‘voorspoed, weelde, rijkdom’, schuilt nog in kleinood

Ôdbald Odboud Obboud Oboud m. • oude erfnaam Oetbelding (Overijssel), erfnaam Oobeldinck, nu Obelink (Gelderland) • Latijns-Germaans Audobaldus, Oudengels Éadbeald, oordnaam Edboldelege, nu Abberley (Worcestershrie)

Ôdberht Odbrecht Odbert Obbert Obert m. • erfnaam Oedberting, nu Olberman (Overijssel) • Latijns-Germaans Audobercthus, Oudengels Éadbeorht, oordnaam Edbrihteston, nu Ebberston (Yorkshire)

Ôdburg Odburg Obburg Oburg v. • Oudengels Éadburh, oordnamen Edburgetuna, nu Abberton (Essex), en Edburgham, nu Abram (Lancashire)

Ôdflád Odflaad v., naam van een 5e/6e-eeuwse koningsdochter der Frankon Franken en koningin der Ôstargoton Oostergoten • Latijns-Germaans Audeflēda, Oudengels Éadflǽd

Ôdgêr Odger Oger m. • erfnaam Oetghering, nu Eetgerink (Overijssel) • Oudfries Ádgêr, geslachtsnaam Ádgêring in de oude oordnaam Adgeringelant (Noord-Holland), Oudengels Éadgár, oordnaam Adgareslith, nu Adgarley (Lancashire), Engels Edgar

Ôdgeva Odgeve v. • Oudengels Éadgifu

Ôdgísl Otgis m. • Latijns-Germaans Audegīsilus, Oerfries ᚪᛞᚢᚼᛁᛋᛚᚢ (Ādujislu), Oudengels Éadgils

Ôdheri Oter Otter m. • oordnamen Odressele, nu Audresselles (Pas-de-Calais), en Otershem, nu Ottersum (Nederlands-Limburg) • Latijns-Germaans Autharius

Ôdhravan Oderaven, Ôdhram Oderam m.

Ôdlind Odlind v. • Oudhoogduits ᚨᛟᛞᛚᛁᚦ (Aodli[n]þ)

Ôdmár Odmar m. • oordnaam Othmarshem, nu Ootmarsum (Overijssel), oude erfnaam Oetmersguedt (Overijssel)

Ôdmund Odmond m. • Latijns-Germaans Audomundus, Oudengels Éadmund, oordnamen Ædmundeston, nu Admaston (Staffordshire), en Eadmundescotan, nu Armscott (Worcestershire), Engels Edmund

Ôdo Ode m., Ôda Ode v. koosvorm van Ôd-namen • erfnaam Odinc, nu Odink Ooink Oonk (Overijssel), geslachtsnaam Ôding in de oordnamen Odingetun, nu Audincthun (Pas-de-Calais), Odingheham, nu Audinghen (Pas-de-Calais), en Odengem, nu Ooigem (West-Vlaanderen) • Oudnoords Auði, Oudhoogduits Ôto, Oudengels Éada, Fries Eade

Ôdrád Oderaad m. • Oudengels Éadréd, oordnaam Eadredestun, nu Atterton (Kent)

Ôdráda Oderade v., naam van een 8e-eeuwse heilige

Ôdrík Odrik Oderik m. • Oudengels Éadríc, oordnaam Eadrichestone, nu Atherstone upon Stour (Warwickshire), Engels Edrich Edrick

Ôduko Odeke Oke m. koosvorm van Ôdo • oude erfnaam Odekonc (Gelderland)

Ôdulf Odolf Olof m., naam van een 9e-eeuwse zendeling in de Lage Landen, afkomstig van de Frankon Franken • Oudengels Éadwulf, oordnaam Edulveston, nu Edlaston (Derbyshire), Fries Ealf Eal, Oudhoogduits Ôtulf, oordnaam Otolfesperc, nu Ölpersberg (Beieren)

Ôdwakar Odewaker Odeker m., naam van de 5e-eeuwse, eerste Germaanse koning van Italië • Latijns-Germaans Ōdovacar Ōdoacer, Oudengels Éadwacer

Ôdweri Odewaar m. • Latijns-Germaans Audovarius

Ôdwerk Odewerk m.

Ôdwíh Odewij Odewijg v.

Ôdwini Odwin Odewijn m., naam van een 6e-eeuwse koning der Langbardon Langbaarden, vader van Alfwini Alfwin • Langbaards Audoin, Oudengels Éadwine, Engels Edwin

Oddo Odde m. koosvorm van Ord-namen of betekent ‘telg, zoon’ als verwant van Otto en Eotho • Oudengels Odda m., oordnaam Oddeseth, nu Odsey (Cambridgeshire)

Odo Ode m. nevenvorm van Eotho

Ódo Oede m., Óda Oede v. ‘voorvader, voormoeder’, vgl. Oudfries édela ‘(over)grootvader’ (ouder *œdila, koosvorm van *óda m.), IJslands óða ‘overgrootmoeder, voormoeder’, verwant aan Atho • oude erfnaam Oeding (Overijssel), koosvorm in de oordnaam Oedekinskerke, nu Hoedekenskerke (Zeeland), geslachtsnaam Óding in de oordnamen Odengem, nu Œudeghien (Henegouwen), en Odenghem, nu Udekem (Vlaams-Brabant) • Oudhoogduits Uoto m., Uota v., Uotilo m. (koosvorm), Middelhoogduits Uote v., Oudengels Óda m., Édlu v. (koosvorm)

Offo Offe m., naam van een beroemde 5e-eeuwse koning der Engili Engelen in hun oude thuisland, betekent mog. ‘hoge’ o.i.d. als verwant van Eopo en Ôvo, anders mog. ‘weerbarstige’ o.i.d. als verwant van Ubbo en Úvo • oude oordnaam Offinbeka (Oost-Vlaanderen) • Oudengels Offa, Fries Offe

oft ocht betekent wel ‘verheven, hoog’, vgl. over, boven (eig. be-oven), op, Ochten (ouder Ovtun, Gelderland), Hettitisch ūppzi ‘rijzen’, en zie Eopo en Ôvo

Oftheri Ochter m. • Oudengels Ofthere, Oudhoogduits Oftheri Ofther Oftar, Gotisch Uftahari

Ofto Ochte m. • mog. geslachtsnaam Ofting in de oordnaam Ohtinghesela, nu Ochtezele (Nord)

Ógo Oege m. nevenvorm van Ago

Okko Okke m., Okka Okke v. betekent mog. ‘kleine’ o.i.d., vgl. uk • oude oordnaam Occenvorth (Noord-Holland) • Oudengels Occa

Oko Oke m., Oka Oke v. nevenvorm van Okko • geslachtsnaam Oking in de oordnaam Okenghem, nu Okegem (Oost-Vlaanderen) • Oudengels Oca (mits niet Óca)

Óko Oeke m. nevenvorm van Ako • Oudengels Óca (mits niet Oca)

Ollo Olle m., naam van een 7e-eeuwse legerleider der Frankon Franken, betekent mog. ‘vertrappende’, vgl. Oudengels oll ‘minachting’, Hettitisch halla- ‘vertrappen’, Grieks óllumi ‘verwoesten’ • mog. geslachtsnaam Ulling in de oordnaam Ullingen (Noord-Brabant) • Latijns-Germaans Ollo, Oudengels Olla

ôn oon betekent mog. ‘gretig’ o.i.d., mits verwant aan Latijn aveō ‘gretig zijn’

Ôngêr Onger m.

Ôngísl Ongis m. • Latijns-Germaans Aunegīsilus

Ônheri Onner Onder m., naam van een 6e-eeuwse heilige • Latijns-Germaans Aunacharius, Oudengels Éanhere

Ônmund Onmond m. • Latijns-Germaans Aunemundus

Ôno One m. • Oudhoogduits ᚨᛟᚾᛟ (Aono), Oudengels Éana

Ônulf Onolf m. • Latijns-Germaans Aunulfus, Oudengels Éanwulf, oordnaam Eanulfestun, nu Alveston (Gloucestershire)

Ônwald Onoud m. • Latijns-Germaans Aunoaldus

Óno Oene Oen m. betekent wel ‘ademende, bezielde’ o.i.d., vgl. oen ‘dwaas’ (dan eig. ‘bezielde’), Gronings uin ‘kleinzerig’ (dan eig. ‘zielig’), Gotisch uz-anan ‘uitademen, sterven’, o.v.t. uz-ōn ‘ademde uit, stierf’, anders mog. ‘voorvader’ en verwant aan Ano • geslachtsnaam Óning in Onengem, nu Oenegem (West-Vlaanderen) • Fries Oene, mog. Oudengels Óna (mits niet Ona)

Oppo Oppe m. betekent mog. ‘hoge’ o.i.d. als verwant van Eopo • Oudengels Oppa, oude oordnaam Oppanbroc (Cambridgeshire), Fries Oppe

ôr oor betekent wel ‘licht, stralend’ o.i.d., vgl. oost, Latijn aurōra ‘dageraad’, aurum ‘goud’, en anders mog. ‘zee’ o.i.d., vgl. Oudnoords aurr ‘natte klei’, Oudengels éar ‘zee’

Ôrwendil Ôrendil Orendel m., naam van de morgenster (Venus) en een man uit de heldentijd, zoon van Gêrwendil Gerwendel • Langbaards Auriwandalo, Oudnoords Aurvandill, Oudengels Éarendel, Oudhoogduits Ôrentil, oordnaam Orentileshus, nu Urnshausen (Thüringen), Middelhoogduits Ôrendel, Latijns-Germaans Hōrwendillus, mog. Aurindilius Aurundilius Aurindulius

ord oord ‘punt, speerpunt, zwaardpunt’, in dichterlijke zin ‘speer, zwaard’

Ord Ord Oord m., Ordo Orde Oorde m. • geslachtsnaam Ording in de oordnaam Ordengem, nu Oordegem (Oost-Vlaanderen) • Oudnoords Oddr

Ordgêr Ordger m. • Oudengels Ordgár, oordnaam Ordgareswice, nu Orgarswick (Kent)

Ordheri Oorter Orter m.

Ordlêf Ordlef m. • Oudhoogduits Ortleib, Oudengels Ordláf, oordnamen Ordlavescot, nu Arlescote (Warwickshire), en Ordlavestone, nu Orlestone (Kent)

Ordulf Ordolf m. • Oudengels Ordwulf

Ordwini Oordwin Ordwin Ordewijn m. • Oudengels Ordwine

ôstar ooster ‘oostelijk’, zo niet ‘dageraad’, vgl. Oudhoogduits ôstara ‘Pasen’, Litouws aušrà ‘dageraad’, Latijn aurōra ‘hetz.’

Ôstarbald Oosterboud m.

Ôstarberht Oosterbrecht Oosterbert m. • Latijns-Germaans Austrobertus

Ôstargoton Oostergoten mv., naam van een tak der Goton Goten die in de 5e/6e eeuw in Italië een rijk hield • Latijns-Germaans Austrogoti Ōstrogothi Ōstrogothae mv.

Ôstarhath Oosterad m. • Latijns-Germaans Ōstoradus

Ôstarmár Oostermar m. • geslachtsnaam Ôstarmáring in de oude oordnaam Ostarmaringa rodha (Oost-Vlaanderen)

Ôstarulf Oosterolf m. • Latijns-Germaans Austrulfus

Ôstarwald Oosteroud m. • Latijns-Germaans Austrovaldus Austroaldus

Ôstarwara Oosterware v.

Ôto Ote m. mog. nevenvorm van Ôdo, anders mog. verwant aan Wato • geslachtsnaam Ôting in de oordnaam Otingehem, nu Otegem (West-Vlaanderen) • Oudhoogduits Ôzo, Fries Eate Jette, Oudengels Éata, oordnaam Eatan baeres (2e nv.), nu Adber (Dorset)

Óto Oete m., Óta Oete v. nevenvorm van Ódo • geslachtsnaam Óting in de oordnaam Otenghem, nu Oetingen (Vlaams-Brabant) • Oudengels Óta m., Oudhoogduits Uozo, Uoza

Otto Otte Ot m. betekent mog. ‘telg, zoon’, vgl. Zaans ot ‘schatje, snoes, lief’ (van kinderen gezegd), en dan verwant aan Eotho • oordnaam Ottenburg (Waals-Brabant), erfnaam Ottenhof (Overijssel) • Oudengels Otta, oordnaam Ottanford, nu Otford (Kent)

óthil oedel oel, óthal oedel oel o. ‘erfgoed, stamgoed, vaderland’, vgl. Oudhoogduits uodal, Oudsaksisch óthil, Oudnoords óðal ‘hetz.’, verwant aan athal

Óthilbald Oelboud Olboud m.

Óthilberht Oelbrecht Olbrecht Oelbert Olbert m.

Óthilbrand Oelbrand Olbrand m.

Óthilburg Oelburg Olburg v.

Óthilfrith Oelfred Olfred Oelfert Olfert Olvert m.

Óthilgard Oelgard Olgard v.

Óthilgrím Oelgrim Olgrim m.

Óthilhild Oelhild Olhild v.

Óthilo Oedele Oele m., Óthila Oedele Oele v. koosvorm van Óthil-namen • mog. geslachtsnaam Óthiling in de oordnaam Olenghem, nu Oelegem (Antwerpen) • Frans Odile v.

Óthilrík Oelrik Oeldrik Oldrik Oldrik m. • erfnamen Olreking, nu Oelerink (Overijssel), erfnaam Olreking, nu Het Eulderink (Overijssel), oude erfnaam Olrikeshof (Overijssel) • Duits Ulrich

Óthilwíh Oelwijg Olwijg Oelwij Olwij v.

Ôvo Ove m. betekent mog. ‘rijzende’ o.i.d., mits verwant aan over, boven (eig. be-oven), op, Gotisch iup ‘op’, Hettitisch ūppzi ‘rijzen’, vgl. Latijns-Germaans Aufaniae, naam van moedergodinnen in het Rijnland, en Eopo • Oudengels Éafa, Fries Eave Eauwe

Óvo Oeve m. naam of bijnaam van een jongen van de Frésion Friezen die door Wulfhravan gered zou zijn van een heidense offerdood, betekent wel ‘landbouwer’ of ‘vereerder’, vgl. Oudhoogduits uobo ‘landbouwer’, uoba ‘viering’, uoben ‘verrichten, (land) bewerken, vereren enz.’, Middelnederlands oefenen ‘hetz.’, verwant aan avar en Sanskriet ā́ps- ‘werk, godsdienstige handeling’ • Oudengels Ófa m., oordnaam Ovenden (Yorkshire), Fries Ouwe

P

Papo Pape m. brabbelnaam voor verwanten, zie Mama

Pappo Pappe m. nevenvorm van Papo

Pippin Pippen m. koosvorm van Pippo • Latijns-Germaans Pippinus, Frans Pépin (vanwaar Nederlands Pepijn), Oudengels Pippen, oude oordnaam Pippenes fenne (Gloucestershire)

Pippo Pippe m. brabbelnaam voor verwanten, zie Mama • Oudengels Pippa m.

Poppo Poppe m. nevenvorm van Papo • erfnaam Poppink (Gelderland)

R

rád raad ‘besluitend, beradend’, verwant aan rásu

Rádberht Radbrecht Rabrecht Rabbert m. • oordnaam Rabrexvort, nu Robrechtsvoorde (Vlaams-Brabant), geslachtsnaam Rádberhting in de oordnaam Rabertinge, nu Rapertingen (Belgisch-Limburg)

Rádbôd Radbod m., naam van een 7e/8e-eeuwse koning der Frésion Friezen, lang verward met Rádbald Radboud • oude oordnaam Rabodoscote (Utrecht) • Fries Redbad

Rádbald Radboud m.

Rádgard Radgard Ragard v.

Rádgêr Radger Rager m. • oude oordnaam Ragers berch (Oost-Vlaanderen), erfnaam Raetghering, nu Raatger (Overijssel

Rádgund Radegond v., naam van een 6e-eeuwse koningsdochter der Thuringa Deuringen en koningin der Frankon Franken • Latijns-Germaans Radegundis

Rádhath Ratet Rate Raat m. • Latins-Germaans Rāthadus

Rádheri Rater m. • erfnaam Raterink (Gelderland)

Rádilo Radele Rale m. koosvorm van Rád-namen • geslachtsnaam Rádiling in de oordnaam Radelengem, nu Relegem (Vlaams-Brabant)

Ráding Rading m.

Rádmár Radmar m. • Fries Redmer Riemer

Rádo Rade m., Ráda Rade v. • geslachtsnaam Ráding in de oordnamen Radinghem (Pas-de-Calais), Radinghem-en-Weppes (Nord), Radenchem, nu Rekem (Belgisch-Limburg), en Radengheim, nu Renkum (Gelderland) • Oerhoogduits of Oersaksisch ᚱᚨᛞᚨ (Rāda)

Rádulf Radolf Ralf m. • Frans Raoul

Rádwíh Radewij Radewijg v.

Rádwini Radwin Radewijn m.

Rako Rake m. betekent mog. ‘leidende’, vgl. Oudengels racian ‘leiden, besturen’, Oudnoords reki ‘drijver, voerder’ (in samenstellingen) • geslachtsnaam Raking in de oordnaam Rakingehem, nu Rakingem/Racquinghem (Pas-de-Calais)

rand rand m. ‘rand’, in dichterlijke zin ‘schild’

Rand Rand, Rando Rande Rand m. • erfnaam Randing, nu Rannink (Overijssel)

Randheri Ranter m.

Randulf Randolf m.

Randwih Randwig m. • Oudhoogduits Rantwich, Oudnoords Randvér

rásu raze raas, ráswa razuw v. ‘beraad, afweging’, vgl. Oudengels rǽs ‘hetz.’ (dat. mv. rǽswum), rǽswa ‘berader, besluiter, leider, vorst’, verwant aan rád, niet aan razen ‘woeden’

Rásumund Razemond m. • Oerhoogduits ᚱᚨᛋᚢᚹᚨ(ᛗ)ᚢᛞ (Rāsuwa(m)u[n]d)

regin rein, ragan ragen o. ‘beschikking; macht’, in mv. ook ‘goddelijke machten, goden’, vgl. Gotisch ragin ‘beschikking, besluit’, Oudnoords regin rǫgn mv. ‘goden’, Oudsaksisch regino giskapu mv. ‘verordeningen der goden’ (d.w.z. ‘lot, noodlot’), Oudengels regnian ‘schikken, ordenen’, verwant aan Sanskriet racana- ‘ordening, schepping’, Russisch rok ‘lotsbeschikking’, vgl. ans, frô, god

Regin Rein m., Regino Reine m., Regina Reine v. • oordnaam Reinnesberga, nu Renneberg (Vlaams-Brabant), erfnamen Regheningh, nu Regelink (Gelderland), en Reinink (Overijssel)

Reginbald Reinboud Reimboud Remboud m. • oordnaam Reinboldskerca, nu Reimersdorp (Zeeland), erfnaam Reymelding, nu De Reimer (Overijssel), oude erfnaam Rembolding (Overijssel)

Reginberht Reinbrecht Reinbert Rembrecht Rembert Remmert m. • oordnaam Reinbretesdalo, nu Remersdaal (Belgisch-Limburg), erfnaam Remberting, nu Remmert (Overijssel) • Latijns-Germaans Ragenobertus

Reginbrand Reinbrand Rembrand m.

Reginburg Reinburg Remburg v.

Regindag Reindag m.

Reginfrith Reinfred Remfert m. • oude erfnaam Remvordink (Overijssel)

Regingard Reingard v.

Regingêr Renger m. • oordnaam Rengesdiche, nu Reigersdijk (Nord, West-Vlaanderen), oude erfnaam Rengering (Overijssel)

Regingôt Reingot m.

Reginhard Reinhard Reindert m. • oude oordnaam Renardsbrighe (West-Vlaanderen) • Frans Renard

Reginhelm Reinelm m. • oordnaam Reinelmi Capelle, nu Oudekapelle (West-Vlaanderen)

Reginheri Reinder m. • oude erfnaam Reynering (Gelderland) • Latijns-Germaans Ragnacharius, Oudnoords Ragnarr, Frans Rainier Renier (vanwaar Reinier)

Reginhild Reinhild Reinild v., naam van een 7e-eeuwse heilige • Latijns-Germaans Ragnachildis

Reginlind Reinlind v.

Reginmár Reinmar Reimer m. • oordnamen Reimaersdyc, nu Rummersdijk (Zeeland), en Reimarswale, nu Reimerswaal (Zeeland)

Reginmund Reinmond Reimond m. • Frans Raymond (vanwaar Engels Raymond)

Reginswind Reinswind v.

Regintêt Reinte Reint m. koosvorm van Regin-namen • oude erfnaam Rentinghe (Drenthe)

Reginulf Reinolf Reilof m.

Reginwald Reinoud m. • mog. geslachtsnaam Reginwalding in de oude oordnaam Reyndinghewaghe (Noord-Holland) • Latijns-Germaans Ragnoaldus, Frans Renault Reynaud

Reginward Reinward m. • oude oordnaam Reynwardeswere (Noord-Holland), oude erfnaam Reynewardinchus (Drenthe)

Reginwíf Reinewijf v.

Reginwíh Reinewij Reinewijg v. • Fries Reinou

Reginwís Reinwis m.

rík rijk m. ‘heerser, koning’, vgl. Gotisch reiks ‘hetz.’, verwant aan rijk ‘vermogend’, rijk ‘gebied, land’, ooit ontleend aan het Keltisch, verwant aan Latijn rēx ‘koning’, Sanskriet rāj ‘hetz.’

Rík Rijk m., Ríko Rijke Rijk m. • oordnaam Rikespold, nu Rekspoede/Rexpoëde (Nord)

Ríkbald Rikboud Rippoud m.

Ríkberht Rikbrecht Rikbert Rippert m.

Ríkburg Rikburg v.

Ríkgard Rikgard v.

Ríkhard Rijkhard Rijkert Rikhard Rikkert m. • oude erfnaam Rickerding (Overijssel) • Frans Richard (vanwaar Nederlands Richard, Engels Richard)

Ríkheri Rijker Rikker m. • oordnaam beati Richarii, nu Sint-Rijkers (West-Vlaanderen), erfnaam Rikering, nu Riekeman (Overijssel)

Ríkhild Rikhild v.

Ríklind Rijklind v.

Ríkman Rijkman Rikman m. • erfnaam Ryckmanspol, nu Rikmanspoel (Overijssel)

Ríksind Riksind Rikst v.

Ríkswind Rikswind v.

Ríkthrúth Rikdruid v.

Ríkulf Rijkolf m. • geslachtsnaam Ríkulving in de oordnamen Ricoluingahem, nu Reklingem/Reclinghem (Pas-de-Calais), en Ricoluuingaheim, nu Rijkegem (West-Vlaanderen)

Ríkward Rijkward m.

Ríkwíf Rijkewijf v.

Ríkwíh Rijkewij Rijkewijg m. • Fries Rikou

Ríkwini Rijkwin Rijkewijn m. • oude oordnaam Ricuuinesgrauen (Noord-Brabant)

rimi reem o. ‘rust, kalmte’, vgl. Gotisch rimis ‘hetz.’, Litouws rìmti ‘bedaren’

Rimigand Remgend m.

Rimigard Remgard Rengerd v.

Rimist Remst Renst m., Rimisto Remste Renste m., naam van een 5e-eeuwse Romeinse veldheer afkomstig van de Wesugoton Wezegoten, afleiding van rimi, mits geen koosvorm van Rimistên, vgl. Sigist naast Sigistên • Latijns-Germaans Remistus, Remesto, Oudhoogduits Rimisto, oordnaam Rimistinrein, nu Rimselrain (Beieren)

Rimistên Remesteen Rensten m. • Oudhoogduits Rimistein

Rípweria Rijperen mv., naam van de oostelijke vleugel der Frankon Franken • betekent ‘oeverbewoners’, vgl. enerzijds Middelnederlands ripe ‘oever’, Oudnoords ríp ‘klip’, anderzijds weri • Latijns-Germaans Rīpuariī mv.

Rôhing Rong m., naam van een beruchte, wreedaardige 6e-eeuwse edelman der Frankon Franken, betekent mog. ‘(krijgs)bruller’ o.i.d., vgl. Oudhoogduits rohôn ‘brullen’, Middelnederduits rûchen rûgen rûien ‘brullen, luidruchtig lopen, ophef maken’ • Latijns-Germaans Rauchingus Rauhingus Rauingus Rohingus

rún ruin v. ‘fluistering, geheim’, vgl. Oudengels rún ‘fluistering, geheim, geheim overleg, Germaans schriftteken’, Oudnoords rún ‘hetz.’, Middelnederlands rune ‘fluistering, geheim overleg’, runen ‘fluisteren’, Oudengels rúnian, réonian ‘hetz.’, burhrúnan mv. ‘schikgodinnen’, helrúnan mv. ‘dodenbezweerders’, Oudhoogduits hellirûna ‘dodenbezwering’

Rúnfrith Runfred Rumfert m. • Latijns-Germaans Rūnfridus

S

Sahson Saksen Sassen Zassen mv., naam van een stam die rond 300 n.Chr. ontstond uit oudere stammen in Noordwest-Duitsland en Oost-Nederland (zie Engriweria, Heruska, Hôha) en die de zeeën en kusten teisterde als rovers (zie Wíking), tot velen van hen samen met de Engili Engelen en Iuti Juten in de vijfde eeuw naar het land der Frésion Friezen en vooral Brittannië verhuisden • afl. van de voorloper van Oudsaksisch sahs, Oudengels seax ‘soort lang mes, kort zwaard’ • oordnaam Saxnem, nu Sassenheim (Zuid-Holland) • Latijns-Germaans Saxōnes mv., Oudengels Seaxan Seaxe mv. (ook in Éastseaxe, Westseaxe, Súðseaxe, Middelseaxe, vanwaar Engels Essex, Wessex, Sussex, Middlesex), Oudfries Saxa mv., Oudnoords Saxar mv., Oudhoogduits Sahson mv.

Sahsbald Sasboud m. • oude erfnaam Sasbelding (Overijssel)

Sahsberht Sasbrecht Sasbert m.

Sahsburg Sasburg v.

Sahsdag Sasdag m.

Sahsgêr Sasger m.

Sahsmár Sasmar m.

Sahsmund Sasmond m.

Sahsnôt Sasnoot m., naam van een god van de Sahson Sassen, mog. een bijnaam van Tuw (zie Tíu) • Oudsaksisch Saxnôt, Oudengels Seaxnéat

Sahso Sas Zas m., Sahsa Sasse Zasse v. • oordnamen Sassenbroek (Belgisch-Limburg) en Zassenrode (Vlaams-Brabant), en Saaksum (Groningen) • Fries Saaks Saks Sas m., Saske m./v. (verkleining), Saskje v. (verdere verkleining, versmukt tot Saskia)

Sahsulf Sassolf m.

Sakko Sakke m. nevenvorm van Sako

Sako Sake m. betekent ‘betwister’ o.i.d., vgl. (rechts)zaak, Oudsaksisch sakan ‘twisten’, witharsako ‘tegenstander’, verwant aan zoeken

Sallo Salle m. nevenvorm van Salo

Salo Sale m. koosvorm van Salu-namen • geslachtsnaam Saling in de oordnaam Salenchem, nu Zalegem (Oost-Vlaanderen)

salu zaal betekent wel ‘gezond, ongedeerd’ o.i.d., vgl. Latijn salvus ‘hetz.’, Grieks hólos ‘heel’, Sanskriet sárva- ‘geheel’, zie Sellia

Salubald Salboud m.

Salugast Salgast m.

Saluhram Salram Salderam m.

Saluko Salke m. • erfnamen Salikinc, nu Zaleking (Overijssel), Saleking, nu De Zelker (Overijssel)

Saluman Salman m. • erfnaam Salmanninc, nu Zaalmering (Overijssel)

Salumár Salmar m. • oude erfnaam Salemering (Overijssel)

Salutêt Salte Salt m. • erfnaam Saaltink (Gelderland)

san zan betekent wel ‘strevend’, vgl. de stroomnaam Zenne, Oudfries sana ‘tegenstreven, strijden’, Zwitsers sane ‘verlangen’, Sanskriet sanóti ‘verwerven’, zie Magusan

Sanaheri Sander m. • erfnamen Sandering, nu Zanderman (Overijssel), Sendering, nu Zenderink (Overijssel) • Latijns-Germaans Sanaharius, Fries Sander, geslachtsnaam Sandra

Sano Sane m. • mog. oordnaam Sanegeest, nu Zanegeest (Noord-Holland)

Sanno Sanne m. nevenvorm van Sano

sand zand ‘echt, waar, waarachtig’, vgl. Oudnoords sannr, Oudengels sóð, Engels sooth ‘hetz.’, Gronings sandern ‘overdrijven’, verwant aan zijn en sunni

Sandheri Santer m. • Oudsaksisch Sôthheri, oude erfnaam Zoderinc (Gelderland)

Sandrád Sanderaad m.

Senno Senne m. nevenvorm van Sano • Fries Senne Sinne

saru zaar o. ‘wapenrusting, heergewaad’, vgl. Oudhoogduits saru ‘hetz.’, Oudengels searu ‘wapenrusting, kunst, vernuftigheid, list’, Brabants zaarf zèèrf sèèrf ‘opperhuid’

Saru Sare Saar m. • Oudengels Searu, Gotisch Sarus

Sarubôd Sarbod m. • Oudhoogduits Sarubôt, oordnaam Sarabodis villa, nu Sarresdorf (Rijnland-Palts)

Sarufrith Sarefred Sarfert Sarvert m. • Latijns-Germaans Servofredus

Sarugard Sargard Sargert m. • erfnaam Sargherding, nu Slag (Overijssel)

Saruhild Sarehild Sarild m.

Saruko Saarke Sarke m. koosvorm van Saru • geslachtsnaam Saruking in de oordnaam Sarchingehem, nu Zerkegem (West-Vlaanderen)

Sarulo Saarle Sarel, Serilo Seerle Serel m. koosvorm van Saru • Oudnoords Sǫrli

Saruwald Sareld Saroud m. • oude oordnaam Saroaldsclusa (Aisne), geslachtsnaam Saruwalding in de oordnaam Saroldingas, nu Zarlardinge (Oost-Vlaanderen) • Latijns-Germaans Sarualdus

Saruward Sareward Sarward m. • oude oordnaam Vadum Sarawardi (Henegouwen)

Sekko Sekke m. nevenvorm van Sakko of Sikko • Oudengels Secca

Sellia Sellen, Sellion Selle mv., naam van de westelijke vleugel der Frankon Franken, afkomstig uit de Lage Landen • beantwoordt mog. aan Oudhoogduits sello ‘gezel’, is anders mog. een oud woord voor ‘welgegroeid’ o.i.d. als nevenvorm van salu, vgl. Hettitisch šalliš ‘groot, volwassen, voornaam’, ‘hoofdman’, Armeens oɫǰ ‘gezond, heel’ (ouder *soli̯os) • nevenvorm mog. in de streeknaam Salahom, nu Salland (Overijssel) • Latijns-Germaans Saliī mv., Grieks-Germaans Σάλιοι (Sálioi) mv.

Selli Selle, Sellio Selle m., Sellia Selle v. • Latijns-Germaans Salius Salia, Oudhoogduits Selli, Sello, Sella, mog. Fries Selle (mits geen nevenvorm van Salle)

sen zen ‘oud’, vgl. Gotisch sineigs ‘hetz.’, sinista ‘oudste’, Latijns-Germaans senescalcus ‘voornaamste hofbediende’

Senawald Senewoud m. • Latijns-Germaans Senoaldus

sêo zee m./v. ‘zee, het ruime sop’, vgl. meri

Sêobald Seeboud m. • Oudengels Sǽbeald

Sêoberht Seebrecht Seebert Sebert m. • Oudengels Sǽbeorht, oordnaam Sabrichtesuuorde, nu Sawbridgeworth (Hertfordshire)

Sêoburg Seeburg v. • Oudengels Sǽburh

Sêowar Seewar m. • geslachtsnaam Sêowaring in de oordnaam Sewaringahem, nu Zevergem (Oost-Vlaanderen)

Sêowulf Seewolf m. • Oudengels Sǽwulf, oordnaam Salvington (Sussex)

Sevuko Seveke, Siviko Seveke m. koosvorm van Sibbio • oude oordnaam Sivukeshem (Groningen) • Oudhoogduits Sibicho, Oudengels Seofoca Sifeca, Oudnoords Sifka

Sevulo Sevele, Sivilo Sevele m. koosvorm van Sibbio, vgl. Oudnoords sjóli ‘koning’ • geslachtsnaam Siviling in oordnaam Sivelinga, nu Zellinge (Zeeland) • Oudengels Seafola, Fries Sjoule

Sibbio Sibbe m., Sibbia Sibbe v. ‘verwant, bloedverwant’, vgl. Gronings sib ‘hetz.’ • Oudengels Sibba

Siggo Sigge m. koosvorm van Sigi-namen • geslachtsnaam Sigging in de oordnaam Siggingahem, nu Zingem (Oost-Vlaanderen)

sigi zege m. ‘zege, overwinning’

Sigi Sege Zege m. • mog. oude erfnaam Segesloe (Overijssel)

Sigibald Segeboud Sijboud m. • erfnaam Siebelink (Gelderland), oude erfnaam Zybeldynck (Overijssel) • Oudfries Síbald, oordnaam Sibaldeburen, nu Sebaldeburen (Groningen), Oudengels Sigebeald, oordnaam Sibolci, nu Sibsey (Lincolnshire)

Sigiberga Segeberge Sijberge v. • oude erfnaam Sibergehove (Gelderland)

Sigiberht Segebrecht Segebert Sijbrecht Sijbert m. • oude erfnamen Zeghebertinc (Overijssel), Siberding (Overijssel) en Seberting (Overijssel), geslachtsnaam Sigiberhting in de oude erfnaam Sibertingegoet (Drenthe) • Oudengels Sigebeorht

Sigibirin Segeberin v.

Sigibôd Segebod Sijbod m. • oude oordnaam Sibodesmaer (Noord-Holland), oude erfnaam Sijbodeswolde (Overijssel)

Sigibrand Segebrand Sijbrand m.

Sigiburg Segeburg Sijburg v. • Oudengels Sigeburh, Fries Sibrich

Sigidag Segedag Sijdag m. • Oudfries Sídei

Sigifalko Segevalk m., vgl. Falufalko • erfnaam Segevalkinch Segevalkink, nu Zeevalkink (Gelderland)

Sigifrith Segefred Sijfert Sijvert m. • erfnamen Seghevording, nu Severt (Overijssel), en Ziverding, nu Sieverink Zieverink (Overijssel) • Oudfries Sífrith Síferth, oordnaam Syversthove, lees *Syvertshove (Zuid-Holland), Oudengels Sigefriþ, Duits Siegfried

Sigigard Segard v.

Sigigêr Seger Sijger m. • Oudfries Sígêr, oordnaam Sygerswolde, nu Sigerswâld/Siegerswoude (Friesland), Oudengels Sigegár

Sigihard Segehard Segert Sijert Siert m. • Latijns Sīardus, Oudengels Sigeheard

Sigiheri Seger m. • oordnaam *Sigeres capelle (vertaald als Sigeri capelle), nu Zegerskappel (Nord) • Latijns-Germaans Sigicharius Sicharius, Duits Sieger, Oudengels Sigehere, oordnamen Sigeresham, nu Syresham (Northamptonshire), en Sirestune, nu Syerston (Nottinghamshire)

Sigilêf Segelef Sijlef m.

Sigilêk Segelek Sijlek m. • Oudengels Sigelác

Sigilo Segele m., Sigila Segele v. koosvorm van Sigo • oude erfnaam Segheling (Overijssel) • Oerhoogduits ᛋᛁᚷᛁᛚᚨ (Sigila)

Sigimár Segemar Sijmar m., naam van een 1e-eeuwse edelman • erfnaam Semering, nu Siemerink (Overijssel) • Latijns-Germaans Sigimērus, Grieks-Germaans Σεγίμηρος (Segímēros), Oudengels Sigemǽr

Sigimód Segemoed Sijmoed v.

Sigimund Segemond Sijmond m., naam van een 1e-eeuwse edelman en van een bekende drakendoder in Béowulf, vgl. Unkheri en Wurmheri • Latijns-Germaans Segimundus, Oudnoords Sigmundr, Duits Siegmund, Oudengels Sigemund, oordnamen Symundesburn, nu Simonburn (Northumberland), Simundestan, nu Simonstone (Lancashire)

Sigirík Segerik Sierik m. • Oudfries Sírík, oordnaam Sirikese, lees *Síríkes é ‘stroom, water’, nu Zierikzee (Zeeland), oude oordnaam Syrekeswere (Noord-Holland), Oudengels Sigeríc, oordnaam Siricescotan, nu Syerscote (Staffordshire)

Sigist Seegst Segst Sijst m., naam van een 1e-eeuwse edelman, afleiding van sigi, mits geen koosvorm van Sigistên, vgl. Rimist naast Rimistên • oude erfnaam Seestinch (Gelderland), mog. oude erfnaam Segestvelde (Overijssel) • Latijns-Germaans Segestēs

Sigistên Segesteen Segsten Sijsten m., vgl. Middelnederlands segesteen ‘edelsteen met geheime krachten die de bezitter de zege geeft’ • Oudhoogduits Sigistain, Oudengels Sigestán

Sigitêt Segete Sijte Sijt m. koosvorm van Sigi • Fries Siete Site

Sigithrúth Segedruid v.

Sigiward Segeward Sijward Suwert m. • Oudnoords Sigurðr, Oudfries Síward, geslachtsnaam Sigiwarding in de oude oordnaam Siwirdinghelant (Noord-Holland), Fries Siwert Sywert Sjoerd, Oudengels Sigeweard, oordnaam Siwardeston, nu Sewardstone (Essex)

Sigiwid Segewid Sijwid m. • oude erfnaam Seghewedinckote (Overijssel)

Sigiwíh Segewijg Segewij Sijwij Suwe v.

Sigiwini Segewin Segewijn Sijwen m. • Oudengels Sigewine, oordnaam Siwinestone, nu Simpson (Buckinghamshire)

Sigiwulf Segewolf Sijwolf m. • oordnaam *Sigulfeshem (vertaald als Sigulfi villa), nu Zegelsem (Oost-Vlaanderen) • Oudengels Sigewulf

Sigo Sege m. koosvorm van Sigi-namen

Sikko Sikke m. nevenvorm van Sigo • oude erfnaam Sikkinc (Gelderland)

sind zind ‘reizend’, vgl. Oudhoogduits sind, Oudsaksisch síth ‘reis, weg’, Fries fersidzje ‘weggaan’, verwant aan zenden

Sindmár Simmer m.

Sindo Sinde m., Sinda Sinde v.

Sindulf Sindolf m.

sisi zeze zees ‘slaap’, in dichterlijke zin ‘dood’, vgl. Oudengels sisemús ‘slaapmuis, zevenslaper’, Oudhoogduits sisegomo ‘pelikaan’ (ooit zinnebeeld van wederopstanding, met gomo ‘man’), Hettitisch seszi ‘slapen’, Sanskriet sásti ‘slapen’

Sisimund Sezemond m. • Langbaards Sesemund

Sisinand Sezenand m.

Sisithank Sezedank m. • Grieks-Germaans Σεσίϑα[γ]κος (Sesítha[n]kos)

skaft schacht m. ‘stok, staf’, en vandaar ‘pijl, speer’

Skaftheri Schachter m. • Oudengels Sceafthere

Skaftrík Schachterik m.

Skaftulf Schachtolf m.

skalk schalk m. ‘knecht, dienaar’

Skalk Schalk m., Skalko Schalke m. • Oudfries Skalk, oordnaam Scalkessum, nu Skalsum/Schalsum (Friesland)

skara schare schaar v. ‘krijgsgevolg’, eig. ‘afdeling, deel’, vgl. Engels share ‘aandeel’, verwant aan scheren ‘snijden’, schaar ‘kniptuig’, vgl. druht, folk, heri, hlóth

Skaramund Scharmond m. • Latijns-Germaans Scaramundus

Skarpo Scherpe m. ‘scherpe’ • oordnaam Scerpensele, nu Scherpenzeel (Gelderland)

Skild Schild m., naam van een oerkoning der Deni Denen, met hetzelfde oorsprongsverhaal als Skôvo Schove, dus ofwel eig. een en dezelfde, ofwel met elkaar verhaspeld • Oudnoords Skjǫldr, Oudengels Scyld (bijnaam Scéfing ‘gekenmerkt door een schoof’)

Skilving Schilving m. betekent wel ‘hogeling’, i.t.t. Nivulung, vgl. Middelnederlands schelve ‘planken verhoging’, Oudengels scielf ‘bergtop, toren’, Oudnoords skjálf ‘richel, verhevenheid’ (in Hliðskjálf, naam van Óðins zetel, en Valaskjálf, naam van Óðins hof) • Oudnoords Skilfingr (bijnaam van Óðinn), Skilfingar mv. (geslachtsnaam), Oudengels Scylfingas mv. (geslachtsnaam), Oudhoogduits Skilpung, Middelhoogduits Schilbung

skír schier ‘schijnend, wit’, verwant aan schijnen

Skírbald Schierboud m. • Oudengels Scírbeald

Skôvo Schove Schoof m., naam van een oerkoning der Engili Engelen, Sahson Sassen en Langbardon Langbaarden, volgens de overlevering gevonden als kind met een korenschoof in een boot gestrand te Skåne, vgl. Skild • Oudengels Scéafa Scéaf Scéf, Engels Sheave (in een hervertelling door J.R.R. Tolkien)

Skrado Schrade m. betekent mog. (schertsend, liefkozend) ‘duivel’, vgl. Oudhoogduits scrato ‘boze geest’ • Oudhoogduits Scrato, Fries Skrade Skra, achternaam Schrama

Smitho Smede m. ‘smid’ • erfnaam Smedinck, nu Smeenk (Overijssel) • Oudhoogduits Smido

Smithuko Smedeke Smeke Smeek m. koosvorm van Smitho • erfnaam Smedekinc Smedekinck, nu Smekink (Gelderland)

snel (snell-) snel ‘snel, vlug’

Snelgêr Snelger m. • oordnaam Snelgerskerka, nu Snaaskerke (West-Vlaanderen)

Snello Snelle m. • geslachtsnaam Snelling in de oordnaam Snellingehem, nu Snellegem (West-Vlaanderen) • Oudengels Snella

Sólo Zoele m., Sóla Zoele v. ‘goede’, vgl. Oudengels sœlest sélest ‘best’ • geslachtsnaam Sóling in de oordnaam Solekeim, lees *Sólinkheim, nu Zuilichem (Gelderland) • Oudhoogduits Suolo m., Suolista v., Oudengels Sóla m.

sót zoet, swót zwoet ‘zoet, lief’, vgl. Fries swiet, Engels sweet

Sóto Soete m.

Sótman Soeteman m.

stark sterk ‘sterk, krachtig’

Starkhand Sterkhand m.

Starkheri Sterker m.

Starko Sterke m. • Oudengels Sterca

Starkulf Sterkolf m.

Steinil Steinel m. ‘steentje’, koosvorm van Stên, met klinkerverschil o.i.v. achtervoegsel

stên steen m. ‘steen, kei, rots’

Stên Steen m. • Fries Stien

Stênburg Stenburg Stemburg v. • Oudengels Stánburh

Stênfrith Stenfred Stemfert m. • oude erfnaam Stenverdinch (Gelderland) • Oudhoogduits Stainfrid

Stênheri Stender m. • achternaam Stenders • Oudengels Stánhere

Stênhild Stenild Stennild v. • Latijns-Germaans Stēneldis

Stênmár Stemer m. • erfnaam Stemerinc, nu Stemerdink (Gelderland) • Oudengels Stánmǽr

Sterro Sterre m., Sterra Sterre v. ‘ster’ • Oudengels Steorra

stilli stil ‘rustig, zwijgend’

Stillifrith Stilfred Stilfert m. • Latijns-Germaans Stillefridus

stind stind ‘sterk, hard, onbuigzaam’, vgl. Middelnederduits stide, Oudnoords stinnr stiðr ‘hetz.’

Stindulf Stindolf m. • Oudengels Stíðwulf, Fries Stylf

Stindwini Stindwin Stindewijn m. • Latijns-Germaans Stītwinus

Storm Storm m. ‘storm, razernij’, mog. verwant aan storen, Engels stir ‘(be)roeren’ • oude erfnaam Storminck (Overijssel)

Stúf Stuif m., Stúvo Stuive m. ‘stronk’, liefkozend voor jongens, vgl. Westfaals stûf bn. ‘stomp’, IJslands stúfur stúfi m. ‘stomp; klein ventje, jongetje’, verwant aan stobbe, stoppel • koosvorm in de oordnaam Stuvinskerke, nu Stuivekenskerke (West-Vlaanderen), geslachtsnaam Stúving in de oordnaam Stuvighem, nu Stuivegem (Oost-Vlaanderen) • Oudnoords Stúfr

Súgambra Sugammeren mv., naam van een van de kernstammen der Frankon Franken • betekent ‘zeer daadkrachtigen’, vgl. Oudnoords sú- in súsvǫrt ‘merel’ (eig. ‘zeer zwart’) en Oudhoogduits gambar ‘daadkrachtig’ • Latijns-Germaans Sūgambrī mv.

Sumar Zomer m. ‘zomer(kind)’, vgl. Wintar • oude erfnaam Somersvord (Overijssel), geslachtsnaam Sumaring in de oordnaam Sumaringahem, nu Zomergem (Oost-Vlaanderen) • Oudsaksisch Sumar, oordnaam Sumarasthorpa, nu Sommersdorf (Saksen-Anhalt), Oudengels Sumar

sunni zun ‘waarachtig, echt’, vgl. Gotisch sunjis ‘hetz.’ Sanskriet satyá- ‘hetz.’, verwant aan zijn en sand

Sunnifrith Sunfred Sumfert m.

Sunnigísl Sunnegijs m. • Latijns-Germaans Sunnigīsilus

Sunniulf Sunnolf m. • Latijns-Germaans Sunniulfus

Sunno Sonne Son m., Sunna Sonne v., naam van een 4e-eeuwse legerleider der Frankon Franken, betekent mog. ‘aandrijvende’ o.i.d., mits verwant aan o.a. Oudnederlands sunista ‘troep paarden, runderen e.d.’ (vgl. dreef ‘troep voortgedreven dieren’) en mog. ook Swên en swind • geslachtsnaam Sunning in de oordnaam Sonneghem, nu Zonnegem (Oost-Vlaanderen) • Latijns-Germaans Sunno, Oudengels Sunna

Swáva Swaven Zwaven mv., naam van een groot stammenverbond in de Romeinse tijd, sloeg oorspr. mog. op alle Germanen • mog. verwant aan Oudhoogduits swás ‘eigen, vertrouwd’ e.d. • Latijns-Germaans Suēbī mv., Oudengels Swǽfas Swǽfe mv., Oudhoogduits Swába mv., Duits Schwaben (streeknaam)

Swáf Swaaf m., Swávo Swave m., Swáva Swave v. • oordnaam Swavenarde, nu Zwaanaarde (Oost-Vlaanderen), oude erfnamen Swaving (Overijssel) en Swavingh (Gelderland) • Oudnoords Sváfa (ook de naam van een valkyrja), Oudengels Swǽf, oordnaam Suauesheda, nu Swavesey (Cambridgeshire)

Swáfgêr Swafger m.

Swáfhard Swafhard Swaffert m. • oude erfnaam Swaefferding (Overijssel) • Oudengels Swǽfheard

Swáfheri Swafer Swaffer m. • erfnamen Swafering, nu Zwaverman (Overijssel), Swafferink, nu Zwaaftink (Overijssel), oude erfnaam Swaverinc (Gelderland) • Oernoords ᛋᚹᚨᛒᚨᚺᚨᚱᛃᚨᛉ (SwābaharjaR), Oudnoords Sváfarr, Oudhoogduits Swábheri, Oudengels Swǽfhere

swan zwan m., swano zwaan m. ‘zwaan’, een veel voorkomend dier in Germaanse verhalen, ook bij gedaanteverwisseling met een man

Swan Swan m., Swano Swane Swaan m., Swana Swane Zwane v.

Swanaburg Swaneburg v.

Swanahild Swanehild Swanild v.

Swanatêt Swante Swant m. koosvorm van Swan

Swanuko Swaneke Swaanke m., Swanuka Swaneke Swaanke v. koosvorm van Swan • oude veldnaam Swanikenacker (Drenthe), geslachtsnaam Swanuking in de oude erfnaam Zwanekinghegoet (Drenthe)

Swên Sween, Swêno Swene m. ‘(herders)jongen, vgl. Middelnederlands swene, Oudhoogduits swein, Oudnoords sveinn, Oudengels swán, wel verwant aan swind en mog. Sunno, maar niet aan zwijn • oordnaam Sweensbergh, nu Zwijnsbergen (Noord-Brabant), omgeduid tot samenstelling met zwijn • Oudfries Swên, oordnaam Sueninghe, nu Sweins/Zweins (Friesland), Oudnoords Sveinn, Zweeds Sven

swind zwind ‘krachtig, gedreven’, vgl. Gotisch swinþs ‘sterk’, Oudnoords svinnr ‘vlug, dapper’, Middelhoogduits geswinde ‘snel, onstuimig’ (ontleend als gezwind ‘snel’), verwant aan gezond

Swindberht Swindbert m., naam van een 7/8e-eeuwse zendeling in de Lage Landen, afkomstig van de Engili Engelen • Latijns-Germaans Suīdbertus Suītbertus, Oudengels Swíðbeorht, oordnaam Swyðbrihtessealde, nu Sibertswold (Kent)

Swindburg Swindburg v.

Swindgêr Swindger m.

Swindhard Swindhard Swintert m. • Oudfries Swíthhard, oude oordnaam Swithardeshaga (Zuid-Holland)

Swindheri Swinter m. • Oudsaksisch Swíthheri, erfnamen Swedering, nu Zwerink (Overijssel), en Swiering, nu Zwierink (Overijssel)

Swion Sweon Zwien Zweeën Zweden mv., naam van de stam benoorden de Gôta Goten • Zweden heeft zijn d van een vorm van Oudzweeds Svethiudh, Oudnoords Svíþjóð, Oudengels Swéoþéod, waarvoor zie theod • Latijns-Germaans Suiōnes mv., Oudnoords Svíar mv., Oudzweeds Svéar mv., Oudengels Swéon mv.

swót zie sót

T

Tado Tade m., Tada Tade v. nevenvorm van Dado mits niet ‘gegevene’ als evenknie van o.a. Latijn datus en Grieks dotós (ook in namen als Zēnódotos, Hēródotos en Theódotos)

Tallo Talle m. nevenvorm van Talo

Talo Tale m. ‘behendige, lichtvoetige, kloeke’, vgl. Drents tal ‘flink, vlot, slank’, Engels tall ‘rijzig’, verwant aan tillen ‘van de grond heffen’ (eig. ‘bewegen’)

Tato Tate m., Tata Tate v. nevenvorm van Dado of Tado • geslachtsnaam Tating in de oordnamen Tatinglo, nu Tatincloud (Pas-de-Calais), Tatingahem, nu Tatinghem (Pas-de-Calais), Tatingehem, nu Tetegem (Nord), en Tatingehem, nu Tategem (West-Vlaanderen)

Tatto Tatte m., Tatta Tatte v. nevenvorm van Dado of Tado • Latijns-Germaans Tatto

Tehsundra Tessenders mv., naam van een stam in en om de Kempen die later deel werd van de Frankon Franken • schuilt in de oordnaam Tessenderlo (Belgisch-Limburg) en betekent ‘zuidelijken’ of ‘zuidwestelijken’, vgl. Texel (naam van het zuidwestelijkste Waddeneiland), Gotisch taíhswa ‘rechterzijde’ • Latijns-Germaans Texuandrī mv.

Tello Telle Tel m. nevenvorm van Talo

têt teet ‘blij; lief, zachtaardig’, oorspr. wel ‘stralend’, veelal als liefkozend achtervoegsel gebruikt, vgl. Middelnederlands teet ‘teergevoelig’, Oudhoogduits zeiz ‘lief, teder’, Duits Zeiß Zeiss (achternaam), Oudnoords teitr ‘vrolijk’

Têtburg Tetburg v.

Têtheri Teter Tetter m. • Oudhoogduits Zeizheri, oordnaam Zeizheringen, nu Zaisering (Beieren), Oudengels Táthere, oordnaam Tatersala Tateshale, nu Tattershall (Lincolnshire)

Têthild Tethild Tetild v. • Oudhoogduits Zeizhild

Têtman Teteman m. • Oudengels Tátman, Oudhoogduits Zeizman

Têtmár Tetmar m. • Oudhoogduits Zeizmár

Têto Tete m., Têta Tete v. • Oudengels Táta m., Táte v., Fries Tite Tiete m./v., Tsjitte m., Oudhoogduits Zeizo m., Zeiza v., Oudnoords Teiti m.

Têtsind Tetsind v.

Têtwini Tetwin Tetewijn m. • Oudengels Tátwine

Tetto Tette m., Tetta Tette v. nevenvorm van Dado of Tado

Tibbo Tibbe m. koosvorm van Tídberht • Oudengels Tibba, oordnaam Tibenham (Norfolk)

tíd tijd ‘gangbaar, populair, geliefd, bemind’, vgl. Oudnoords tíðr ‘hetz.’, verwant aan tijd ‘vergang’, Middelnederlands tiden ‘gaan’

Tídberht Tijbrecht Tijbert Tibbert m. • oude erfnamen Tiberink (Overijssel), Tyberts goed (Drenthe) • Oudengels Tídbeorht, oordnaam Tidbrihtingctun, nu Tibberton (Worcestershire)

Tídman Tijdeman Tijmen m., niet te verwarren met Theodman • Oudengels Tídman, Duits Zeitmann, Fries Tideman Timen Time

Tído Tijde m.

til til ‘geschikt, goed’, vgl. Oudengels til ‘hetz.’

Tilaberht Tilbrecht Tilbert m.

Tilaman Tilman m.

Tilo Tele m.

Titto Titte m. nevenvorm van Tído • Oudengels Titta

Tíu Tuw Tij m., naam van de heer des rechts en oorlogs, de eigenlijke oppergod die door Wódan Woen verdrongen werd, betekent ‘God, Hemelse’, vgl. Oudnoords týr ‘god’, tívar mv. ‘goden’, Latijn deus ‘god’, Litouws diẽvas ‘god’ en Diẽvas ‘christelijke of heidense God’, verwant aan Sanskriet Dyáuṣ pitā́, Grieks Zeús patḗr, Latijn Iūpiter Iuppiter, alle ‘Vader Hemel’, vgl. Alamard, Metod, Sahsnôt en Thingso • (mog.) in de oordnamen Tysbeke, nu Tisbeek (Belgisch-Limburg), Tiesselt, nu Tisselt (Antwerpen), Tuetslo (mits eig. Tueslo), nu Tusseler (Gelderland), en Tuesveld, nu Tusveld (Overijssel), oude oordnaam Tyisdorp (Zuid-Holland) • Oudengels Tíw Tíg, Oudhoogduits Zíu, Oudnoords Týr, Oudfries Tíu, in tíesdei ‘dinsdag’ en (mog.) oude oordnamen Tiushem (Groningen) en Thyesweer (Groningen)

Tokko Tokke m. betekent mog. ‘kleine’, vgl. Zaans tok ‘ondermaatse leng’, Noors tokk ‘stukje, greintje’ • Oudengels Tocca

Tollo Tolle Tol m. betekent wel ‘knaap’ of ‘telg’, eig. ‘houtje, tak’, vgl. tol ‘rond speelhoutje’, Middelnederduits tolle ‘tak’, Middelhoogduits zolle ‘blokje hout’

Tótilo Toetele m. koosvorm van Tóto • erfnaam Toitelinck, nu Teutelink (Overijssel) • Gotisch Tōtila, Grieks-Germaans Τωτίλας (Tōtílas)

Tóto Toete Toet m. nevenvorm van Tato • Oudhoogduits Zuozo, Zuazo

Tungra Tongeren mv., naam van een stam omtrent het naar hen geheten oord Tongeren aan het begin van onze jaartelling, ging later op in de Frankon Franken • betekent wel ‘bijtenden, grijpenden’ of ‘drukkenden’, vgl. Middelnederlands tanger ‘scherp van smaak’, Drents tongel ‘kleefkruid’, Oudengels getingan ‘drukken, dringen’ • Latijns-Germaans Tungrī mv.

Tunno Tonne Ton m. mog. nevenvorm van Túno • Oudengels Tunno, Oudnoords Tunni, Fries Tunne

Túno Tuine Tuin m. betekent mog. ‘beschermende’ o.i.d., mits verwant aan tuin (eig. ‘omheining, omheinde ruimte’), anders mog. ‘geschonkene’, mits verwant aan Litouws dovanà ‘geschenk’, Sanskriet dúvas- ‘geschenk, gunst’ • Oudengels Túna, Fries Tune

Twihanta Twenten mv., naam van een stam naast de Thrihanta Drenten en Hamawa Hamuwen • leeft voort als de streeknaam Twente en betekent wel ‘twee legers’ o.i.d.’, vgl. Latijns-Gallisch Tricoriī ‘drie legers’ en Petrocoriī ‘vier legers’ • Latijns-Germaans Tvihantī mv.

Twisto Twiste Twist m., naam van het oerwezen en vader van Man, betekent ‘tweevoudige’, vgl. twist ‘tweespalt; vertakking’, Middelnederduits twisch ‘tweevoudig’• Latijns-Germaans Tvisto Tvisco

Th

thank dank m. ‘gedachte, denken’, hetz. als dank ‘goede gedachte aan iemand vanwege een gunst of geschenk’

Thankburg Dankburg v.

Thankmár Dankmar m.

Thanko Danke m., Thanka Danke v. • oude erfnaam Dankinc (Overijssel)

Thankrád Dankraad m. • Oudengels Þancréd

Thankulf Dankolf m. • Oudfries Thankulf, oordnaam Thancolbeshuth (Oost-Friesland)

Thankward Dankward m.

thegan degen dein m. ‘gevolgsman, man in dienst van een krijgsheer’, vgl. Oudsaksisch thegan, Oudnoords þegn ‘hetz.’, wel verwant aan Oudsaksisch thiggian ‘verzoeken’, Oudengels þicgan ‘ontvangen; drinken, eten’, niet verwant aan degen ‘schermwapen’ noch gedegen of degelijk

Thegan Degen Dein m.

Theganbald Degenboud Deinboud Demboud m.

Theganberht Degenbrecht Dembrecht Dembert Demmert m.

Thegangêr Degenger Deinger Denger m. • oude erfnaam Dengerynck (Gelderland)

Theganhard Degenhard Deinhard Deindert m.

Theganswind Degenswind Deinswind v.

theo die m. ‘knecht, dienaar’, in dichterlijke zin ‘gevolgsman’, vgl. Oudengels þéow, Oudnoords þér ‘knecht’, verwant aan dienen, deerne, deemoed

theod died, theoda diede v. ‘volk, gemeenschap in bloed, taal en zeden’, vgl. Middelnederlands diet, Oudnoords þjóð ‘hetz.’, verwant aan Duits (eig. ‘volks’, vroeger ook ‘Nederlands’), Vlaams Diets

Theodbald Dieboud m., naam van een 6e-eeuwse koning der Frankon Franken • mog. erfnaam Dubbelding, nu Dubbelman (Overijssel), geslachtsnaam Theodbalding in de oordnaam Thiabodingahem Thietboldingim, nu Tiegem (West-Vlaanderen) • Oudengels Þéodbeald, Frans Thibault Thibaut Tibaut

Theodberga Dieberge v.

Theodberht Diebrecht Diebert m., naam van twee 6e/7e-eeuwse koningen der Frankon Franken

Theodbrand Diebrand m.

Theodburg Dieburg v. • Fries Tsjibbrich

Theoddag Diedag m.

Theodfrith Detfert m.

Theodgard Detgard v.

Theodgêr Detger m. • Fries Tsjidger

Theodgôt Detgot m.

Theodgrím Detgrim m. • Oudfries Thiádgrím

Theodhard Diedhard Dietert m. • erfnaam Detharding, nu Detert (Overijssel), oude erfnaam Dietharding (Overijssel)

Theodheri Dieter m. • Oudengels Þéodhere

Theodhild Diedhild Dietilt v., naam van een 6e-eeuwse koningin der Frankon Franken • Latijns-Germaans Theudechildis

Theodilo Diedele Diele m., Theodila Diedele Diele v. koosvorm van Theod-namen • geslachtsnaam Theodiling in de oordnaam Thidlengem, nu Dielegem (Brussel)

Theoding Dieding m.

Theodlêf Dielef Detlef m. • Fries Tsjalf

Theodlind Dielind Detlind v.

Theodman Diedeman Diemen Dieme Diem m., niet te verwarren met Tídman • Fries Tiedeman Tiemen Tieme Tsjimme

Theodmár Diemar Detmer m. • erfnaam Detmering, nu Deperink (Overijssel), oude erfnaam Ditmarinc (Overijssel) • Latijns-Germaans Teutomērēs Theudemērēs, Oudengels Þéodmǽr

Theodniu Dienieuw Dienieuwe Dienuw Dienuwe v. • Latijns-Germaans Theodonivia Teudonivia, Oudhoogduits Diotní

Theodo Diede m., Theoda Diede v. koosvorm van theod-namen • oordnaam Thiedeheim, nu Didam (Gelderland), geslachtsnaam Theoding in de oordnaam Dydengem, nu Diegem (Vlaams-Brabant)

Theodrád Diederaad m. • oude oordnaam Thiedradeskerken (Zuid-Holland) • Oudengels Þéodréd

Theodráda Diederade v.

Theodrík Diederik Dierik Dierk Dirk Derk m., naam van vier koningen der Frankon Franken en de grote 5e/6e-eeuwse koning der Ôstargoton Oostergoten • oordnamen Diderics Lant, nu Dirksland (Zuid-Holland), en Dierickshorn, nu Dirkshorn (Noord-Holland), erfnamen Diderking, nu Dierinkboer (Overijssel), en Dericking, nu Het Derkink (Overijssel) • Latijns-Germaans Theuderīcus Theoderīcus Theodorīcus, Oudengels Þéodríc, Duits Dietrich, Fries Tsjerk Tsjark, Frans Thierry

Theodrún Diederuin v. • Latijns-Germaans Theoderūna Theodorūna

Theodsind Diedsind v., naam van de dochter van Rádbôd, koning der Frésion Friezen • Latijns-Germaans Theudesinda, Oudfries *Thiádsíth

Theodswind Diedswind v.

Theodulf Diedolf Dielof Dielf m. • Oudengels Þéodwulf

Theodwald Diedoud m.

Theodwara Diedeware v.

Theodward Diedeward Dieuwert m. • Fries Tsjeard

Theodwíh Diedewij Diedewijg v.

Theodwini Diedewin Diedewijn m. • Oudengels Þéodwine

thing ding ‘volksvergadering, rechtszitting, rechtszaak, zaak’, vgl. geding, (af)dingen, verwant aan Thingso

Thingberht Dimbrecht Dimbert Dimmert m.

Thingulf Dingolf m.

Thingso Dings, Thíhso Dijs m., bijnaam van Tuw (zie Tíu), nog in dinsdag, gew. dijsendag, Middelnederlands dinxendach, dijssendach, verwant aan thing • mog. oordnaam Dincslo, nu Dijnselburg (Utrecht), mog. geslachtsnaam Thíhsing in de oordnamen Thisingheim, nu Dieseghem (Antwerpen), en Dijsegem (Oost-Vlaanderen) • Latijns-Germaans Thincsus

thiu duw duwe v. ‘dienstmaagd’, vgl. Oudsaksisch thiu thiwi, Oudhoogduits diu, Oudnoords þý ‘hetz.’

thrád draad, thrádi drade dra bn. ‘wendbaar, snel, heftig, onstuimig’, vgl. dra, weldra, zodra, Oudhoogduits drâti ‘snel’, verwant aan draaien

Thrádo Drade m. • Oudhoogduits Drâto

Thrádulf Dradolf Dralof m. • Oudhoogduits Drâtolf

Thrádulo Dradele Drale m. koosvorm van Thrádo • geslachtsnaam Thráduling in de oordnaam Dralingen (Oost-Vlaanderen)

thras dras betekent wel ‘razend’ o.i.d., vgl. Oudsaksisch thrásian ‘snuiven’, Oudnoords þrasa ‘dreigend stormen’, Þrasarr (bijnaam van Óðinn, zie Wódan)

Thrasaberht Drasbrecht Drasbert m.

Thrasamund Drasmond m.

Thrasawald Drazoud Drassoud m. • geslachtsnaam Thrasawalding in de oordnaam Thrassaldingehem, nu Desselgem (West-Vlaanderen)

Thraso Draze Draas m.

Thrihanta Drenten mv., naam van een stam benoorden de Twihanta Twenten en Hamawa Hamuwen • leeft voort als de gewestnaam Drenthe (met oneig. h) en betekent wel ‘drie legers’ o.i.d., vgl. Latijns-Gallisch Tricorii ‘drie legers’ en Petrocorii ‘vier legers’

Thróand Droend Drouwend m. betekent ‘everzwijn’ of ‘gedijend’ of ‘verdurend’, vgl. Oudnoords þróndr ‘gesneden mannetjeszwijn’, þróast ‘gedijen’, Oudengels þrówian ‘verduren’, Thrúsing • Latijns-Germaans Thrōandus, Oudnoords Þróndr, oordnaam Þróndheimr, nu Trondheim (Trøndelag), Oudhoogduits Thrôand Druant Druont enz., oordnaam Thruoanteswilare Druanteswilare, nu Trutzenweiler (Baden-Württemberg)

Thrúsing Druizing m. ‘flinkerd’ o.i.d., vgl. Gronings droes ‘fors, stevig; welig, dicht opeen, van kruiden en bloemen’, Drents droest ‘hetz.’, Westfaals drûst ‘tros, bloembos, struik’, Oudnoords þróast ‘gedijen’, Oudhoogduits drouwen ‘hetz.’, verwant aan thrúth, mog. ook Thróand

thrúth druid v. ‘kracht, sterkte’, Oudengels þrýð ‘hetz.’, Oudnoords þrúð- (voorvoegsel dat kracht aanduidt), verwant aan Thrúsing, later verhaspeld met drúd

Thrúthbald Drudboud Drubboud m.

Thrúthberga Druidberge v.

Thrúthberht Drudbrecht Drudbert Drubbert m.

Thrúthgêr Drutger m.

Thrúthgôt Drutgot m.

Thrúthhild Druidhild v. • Oerhoogduits ᚦᚢᚱᚢᚦᚺᛁᛚᛞ (Þurūþhild)

Thrúthlêf Druilef m. • Oudfries Thrúdláf

Thrúthmár Drudmar Druimer m.

Thrúthulf Druidolf Druilof m. • Latijns-Germaans Trūdulfus

Thrúthwini Druidewijn m.

Thunar Donder m., naam van de bekende dondergod, nog in donderdag, Middelnederlands donresdach, alsook in donderbaard ‘huislook’ (bliksemafwerend kruid op dak) met verlies van -s, vgl. Oudhoogduits Donaresbart ‘hetz.’, Latijn Iovis barba ‘hetz.’ • oude oordnamen Donreslo (Gelderland), Donresloe/Donreslaer (Noord-Brabant) en Donresvenne (Noord-Brabant), oordnamen Dunreslo, nu Donderslag (Belgisch-Limburg), Donresdonc, nu Donderdonk (Noord-Brabant), Donressel, nu Donzel (Noord-Brabant), Dondersel, nu Onderzeel (Antwerpen) enz. • Oudhoogduits Donar, Oudnoords Þórr, Oudengels Þunor, Oudsaksisch Thunar, oordnaam Thunereswe, nu Donnerschwee (Nedersaksen)

Thuringa Deuringen mv., naam van een stam en later koninkrijk in Duitsland, in de zesde eeuw voorgoed veroverd door de Frankon Franken • betekent mog. ‘durvers’ o.i.d., vgl. Oudnoords þora ‘durven, wagen’ • Latijns-Germaans Thoringi mv., Oudengels Þyringas mv., Oudhoogduits Duringa mv., Duits Thüringen (streeknaam, oneig. uitgesproken met T-), Oudsaksisch Thuringos mv., Middelnederlands Doringe mv. (met o als oude spelling van eu, vgl. core ‘keur’, store ‘steur’ enz.)

U

Ubbo Ubbe Obbe m. betekent mog. ‘ruwe, felle’, vgl. IJslands ubbi ‘harig, fel’, ubbalegur ‘ruw’, Noors ubben ‘snel, verschrikkelijk’ en Úvo, anders mog. ‘hoge’ o.i.d. als verwant van Eopo • oude erfnamen Ubbencate (Overijssel) en Ubbink (Gelderland) • Oudengels Ubba, Oudnoords Ubbi

Ubbuko Ubbeke Obbeke m. koosvorm van Ubbo • erfnaam Ubbekinck, nu Obbink (Gelderland), oude erfnaam Ubbeconc (Overijssel), geslachtsnaam Ubbuking in de oude erfnaam Ubbekingheguet (Drenthe)

Údo Uide m. betekent mog. ‘telg, zoon’ als verwant van Eotho • erfnamen Udengoed (Gelderland) en Uding, nu Nieuw Udink (Overijssel), geslachtsnaam Úding in de oordnaam Udenchoven, nu Uikhoven (Belgisch-Limburg) • Oudengels Úda, Fries Ude

Uffo Uffe m. nevenvorm van Offo • Oudengels Uffa, Fries Uffe

úht ocht betekent ‘ochtend, morgen’ dan wel ‘gewend, geoefend’, vgl. Gotisch bi-ūhts ‘gewend’

Úhtrád Ochtraad m. • Oudengels Úhtréd, mog. Oudhoogduits Úhtrét Úhtrít

-ulf zie wulf

un- on- ‘niet’

Unarg Onarg m. ‘on-laf, niet onmannelijk’, vgl. Oudengels unearh ‘hetz.’

Unforht Onfrocht m. ‘on-bang, niet bevreesd’, vgl. Oudengels unforht ‘hetz.’

Unrók Onroek m. ‘onbekommerd’, vgl. roekeloos, Oudhoogduits unruohha ‘zorgeloosheid’

Unwan Onwan, Unwano Onwane m. betekent mog. ‘ongebrekkig(e), niet tekortschietend(e)’, vgl. Middelnederlands wan, Oudsaksisch wan, Oudengels wan(a) ‘gebrekkig’ • Oudhoogduits Unwan Unwano, Oudengels Unwana

-ung zie -ing

Undo Onde m. mog. nevenvorm van Indo • Oudhoogduits Unto

unk onk, unko onke m. ‘slang; hagedis’, vgl. Duits Unke ‘hetz.’

Unkheri Onker m. ‘slangkrijger’, lees ‘drakenbevechter’, vgl. Wurmheri en Sigimund • oordnaam Unchresele, nu Onkerzele (Oost-Vlaanderen) • Oudhoogduits Uucheri, lees *Uncheri

Unno Onne m. mog. ‘welwillende’ o.i.d. en verwant aan gunnen (eig. ge-unnen), Oudnoords unna ‘gunnen, liefhebben’, anders mog. nevenvorm van Eono • Fries Unne Onne

Uno One m. mog. nevenvorm van Eono • Oudengels Una, Fries One, oordnaam Unesuuido, nu Onstwedde (Groningen)

Unto Onte m. mog. nevenvorm van Indo • Oudhoogduits Unzo, mog. Fries Onte

Uppo Uppe Oppe m. nevenvorm van Oppo of Ubbo • Fries Uppe

Úr Uur, Úro Ure m. ‘wild rund’, het geweldig sterke, nu uitgestorven dier, vgl. Oudnoords úrr, Oudhoogduits úro, Middelhoogduits ûrochse (ontleend als oeros) en Wísund • oordnaam Urisheim, nu Ursem (Noord-Holland), oude waternaam Hureslede (Noord-Holland)

Úto Uite m. betekent mog. ‘telg, zoon’ als verwant van Eotho • geslachtsnaam Úting in de oude buurtnaam Utingekluft (Groningen) • Oudengels Úta, Fries Ute

Úvo Uive m., Úva Uive v. betekent mog. ‘weerbarstige’ o.i.d., vgl. Oudnoords úfr ‘onvriendelijk’, úfr ‘beer, wolf’ en Ubbo, anders mog. ‘uil’, vgl. Oudnoords úfr, Oudengels úf ‘hetz.’, zo niet ‘hoge’ o.i.d. als verwant van Eopo • Oudengels Úfa, Oudfries Úva, oude oordnaam Uƀinghem Uuinghem (Oost-Friesland), Fries Owe

W

wád waad betekent mog. ‘kleding, uitrusting’, vgl. gewaad, Oudsaksisch wád, wádi, vgl. bruni, hedin, hrok

Wádheri Water m. • erfnaam Watring, nu Venterman (Overijssel), oude erfnaam Weterding (Overijssel)

Wado Wade m., naam van een beroemde krijger en zeeheld, betekent wel ‘wadende’ • Oudhoogduits Wato, Oudengels Wada, Oudnoords Vaði

Wadulf Wadolf m.

Waho Wa m. betekent mog. ‘strevende’ o.i.d., vgl. de stroomnaam Waal, ouder Vahalem, Hettitisch wekk- ‘willen, verlangen’, Sanskriet vaś- ‘willen, wensen, nastreven’, Grieks hekṓn ‘doelbewust’, vgl. Maso • geslachtsnaam Wahing in de oordnaam Wahanges (Waals-Brabant) • Oudhoogduits Waho

wakar wakker m. ‘waakzaam, wakend’

Wakar Wakker m. • mog. oordnaam Wackerzela, nu Wakkerzeel (Vlaams-Brabant) • Oudengels Wacer

Wakko Wakke m. nevenvorm van Waho • mog. oordnaam Wackerzela, nu Wakkerzeel (Vlaams-Brabant) • Oudengels Wacca

wal wal o. ‘slachting, bloedbad, dood volk op het slagveld’, vgl. Middelnederlands wal ‘hetz.’ (in walstat ‘slagveld’), Oudnoords val ‘hetz.’ (ook in Valhǫll ‘hal der gesneuvelden’ en valkyrja, mv. valkyrjur ‘zij die de gesneuvelden kiezen’ als naam van vrouwelijke slagveldgeesten), verwant aan Oudhoogduits wuol ‘verderf’

Walahravan Walraven Walderaven, Walahram Walram Walderam m., voor de zegerijke krijger, die van zijn verslagen vijand rooft zoals een raaf van de lijken pikt op het slagveld • onwis is het verband met Deens valravn ‘raaf die van gedaante verwisselt, in volksverhalen’ • oordnaam Walravens yde, nu Raversijde (West-Vlaanderen), erfnaam Walravening, nu Waalderink (Overijssel)

wald woud m. ‘heersend, heerser’, vgl. Oudnoords valdr ‘hetz.’, verwant aan geweld, Oudnoords valda ‘heersen’, Engels to wield ‘uitoefenen, bezitten, hanteren’, niet verwant aan woud ‘bos’

Waldberht Walbrecht Walbert Woubrecht Woubert m. • oude erfnaam Wolbrachtinc (Overijssel), geslachtsnaam Waldberhting in de oordnaam Wolbrechtenghem, nu Woubrechtegem (Oost-Vlaanderen)

Waldburg Walburg Wouburg v., naam van de 8e-eeuwse zendelinge in Duitsland, afkomstig van de Sahson Sassen te Brittannië • oude veldnaam Wouburgh meet (West-Vlaanderen) • Oudengels Wealdburg, Oudhoogduits Waltburg Waltpurg Walpurg (vanwaar Walpurgisnacht)

Waldgêr Woudger m. • erfnamen Woltghering, nu Wolcherman (Overijssel), Wolkerynck, nu Klaaskate (Overijssel)

Waldhard Woudhard Woutert m. • erfnaam Wolterding, nu Wolterink (Overijssel)

Waldheri Wouter m., naam van een koning der Wesugoton Wezegoten in geliefde verhalen • geslachtsnaam Waldhering in de oordnamen Waldringahem, nu Woudringem/Vaudringhem (Pas-de-Calais), Watrenges, nu Wouteringen/Otrange (Luik), en Walderingehem, nu Woudrichem (Noord-Brabant) • Latijns-Germaans Waltharius, Oudfries Waldhere, oordnaam Waltersum, nu Woltersum (Groningen), Gronings Wolter, Duits Walter, Frans Gaultier Gautier

Waldmár Woudmar Woudemar m. • oude erfnaam Woltmaringhe (Drenthe)

Waldo Woude m., Walda Woude v. koosvorm van Wald-namen • oude erfnaam Welding (Overijssel), geslachtsnaam Walding in de oordnaam Waldingehusen, nu Wollinghuizen (Groningen)

Waldráda Wouderade v.

Waldrík Woudrik Wouderik m. • erfnaam Woolderkinck, nu Het Woolder (Overijssel)

Waldthrúth Woudruid v., naam van een 7e-eeuwse heilige • Latijns-Germaans Waldetrūdis Waltrūdis

Walha Walen m. ‘Kelten’, na de romanisatie van Gallië ook ‘Romeinen’ en ‘Romaanstaligen’, vgl. walnoot, Waals, Engels Wales • mog. oordnamen Walehem, nu Walem (Oost-Vlaanderen), en Waelheym, nu Walem (Nederlands-Limburg)

Walh Waal m., Walho Wale Waal m. • oordnaam Wales capple, nu Waalskappel (Nord)

Walhbôd Walbod m. ‘bevel over Kelten, Romeinen’ • geslachtsnaam Walhbôding in de oordnaam Walbodingehem, nu Wabinghen/Outreau (Pas-de-Calais) • Latijns-Germaans Balchobaudēs

Walhheri Waller Walder m. • oude oordnaam Walchersart (Pas-de-Calais) • Latijns-Germaans Walacharius

Walhrík Walrik Walderik m. ‘heerser over Kelten, Romeinen’ • oude oordnaam Walricheshem (Noord- of Zuid-Holland)

Walloth Wald m. betekent wel ‘reiziger’, vgl. Oudengels wallian, Oudhoogduits wallôn ‘reizen, een pelgrimstocht maken’, vgl. Wirrith • Oudengels Wallaþ, Oudhoogduits Wallôd Wallôt, mog. Fries Walle Wale

Wals Wals m., naam van de stamvader van een vermaard geslacht, vader van Sigimund, met onbekende betekenis doch wel onterecht vereenzelvigd met Oudnoords Vǫlsi (ouder *Walusô), de naam van het aanbeden geslachtsdeel van een ros volgens het verhaal Vǫlsa þáttr • mog. geslachtsnaam Welsing in de oordnaam Welsinghen, nu Welzinge (Zeeland) • Oudengels Wæls, geslachtsnaam Wælsing in de oordnaam Walsingaham, nu Walsingham (Norfolk), Oudnoords Vǫlsungr, geslachtsnaam Vǫlsungar mv. (vanwaar Vǫlsunga saga), mog. Oudhoogduits Welisung (mansnaam), mog. Middelhoogduits Welsunc (zwaardnaam)

walu waal m. ‘staf, stok’, vgl. Oudnoords vǫlr ‘hetz.’, vǫlva ‘zieneres’ (eig. ‘stavelinge’), Oudfries walubera ‘pelgrim’ (eig. ‘stafdrager’)

Waluburg Walburg v., naam van een 2e-eeuwse zieneres, niet te verwarren met Waldburg, vgl. Ganna, Weleda • Grieks Βαλουβουργ (Baloubourg)

wán waan m./v. ‘hoop, verwachting’, later ‘ongegronde gedachte’, verwant aan wens, wennen, wonen, gewoon en wini en Winida

Wánbald Wamboud m.

Wána Wane v.

wandal wandel zie wendil

war waar betekent ‘werend’ dan wel ‘gewaar, hoedend’

Waraburg Warburg v.

Waragêr Warger m. • erfnaam Werghering, nu De Werger (Overijssel)

Waramund Warmond m.

Waro Ware m. • geslachtsnaam Waring in de oordnaam Warenghem, nu Waregem (West-Vlaanderen)

ward ward m. ‘hoeder, wacht’, vgl. Oudsaksisch ward, Oudnoords vǫrðr ‘hetz.’

Wato Wate m., Wata Wate v. betekent mog. ‘sprekende’ o.i.d., mits verwant aan Sanskriet vádati ‘spreken’, Grieks audē ‘stem, spraak’, anders mog. nevenvorm van Wado • Oudhoogduits Wazo, Waza, Oudengels Wata, Fries Wate

weh zie wíg

Wéland Wieland m., naam van de vermaarde bovenmenselijke smid die door Níthhath Nijdhad gevangen genomen wordt en bij diens dochter Baduhild Badehild een kind verwekt, mog. verwant aan Oudengels wír ‘gevlochten metaaldraad’, Oudhoogduits wiera ‘hetz.’, Latijn vieō ‘vlechten’ • oude oordnaam Wielant acre (Belgisch-Limburg), oordnaam Wilandes hus, nu Wildnis (Noordrijn-Westfalen) • Oudengels Wéland, Oudhoogduits Wialant, Oudnoords Vǫlundr (eig. andere naam), Velent (uit het Middelnederduits), mog. Oerfries ᚹᛖᛚᚨᛞᚢ (Wēla[n]du)

Weleda Weelde Welde v., naam van een 1e-eeuwse zieneres, betekent ‘ziende’, verwant aan Oudiers fili ‘ziener, geleerde dichter’ (mv. filid), Middelwels gwelet ‘zien’ en wuld, vgl. Ganna, Waluburg • Latijns-Germaans Veleda

wendil wendel, wandal wandel betekent mog. ‘reizend, gaand’, vgl. wandelen, verouderd Engels to wend ‘gaan’, went ‘ging’, Middelnederlands Wendelmere, Wendelsee ‘zee om de wereld’, Oudhoogduits Wentilmeri, Wentilsêo, Oudengels Wendelsǽ ‘Middellandse Zee’

Wendil Wendel m., Wendila Wendele v., Wandal Wandel m., Wandala Wandele v. • oude oordnaam Wendelingdaell (Gelderland)

Wendilberht Wendelbrecht Wendelbert m.

Wendilburg Wendelburg v.

Wendildag Wendeldag m.

Wendilgard Wendelgard v.

Wendilgêr Wendelger m. • erfnaam Wendelghering, nu Wenneger (Overijssel)

Wendilgrím Wendelgrim m.

Wendilhath Wendelhad m. • Latijns-Germaans Wendelhadus

Wendilmár Wendelmar m.

weri weer m. ‘weerder, bewoner’, in Burgweri (gelijk aan burger), Ôdweri en Engriweria, Hatweria, Rípweria mv., vgl. Oudnoords verjar mv. (in bijv. skipverjar ‘scheepsbemanning’ en Rómverjar ‘Romeinen’), verwant aan weren, mog. ook werin

werin weren, waran waren betekent ofwel ‘achtzaam’, vgl. gewaar, Middelnederlands warenen warnen wernen ‘behoeden’, ofwel ‘afwendend’, vgl. weren, Oudengels wearn ‘hinder’, Oudnoords vǫrn ‘weerstand’, varna ‘tegenhouden’, Middelnederlands warenen warnen wernen ‘beletten, weigeren’ en weri

Werin Weren m. • oordnamen Warnastun, nu Waasten/Warneton (Henegouwen), en Warnesvelt Wernsfelt, nu Warnsveld (Gelderland), erfnaam Werning, nu Weernink (Overijssel), oude erfnaam Werneshus (Gelderland)

Werinbald Wermboud m. • oude erfnaam Wermboldinck (Overijssel)

Werinberht Wermbrecht Wermbert m. • erfnaam Wermberting, nu Het Warmtink (Overijssel)

Werinburg Wermburg v.

Werinfrith Wernfred Wernfert m., naam van een 8e-eeuwse zendeling in de Lage Landen, volgeling van Willibrord, afkomstig van de Engili Engelen • oordnaam Warfartshove, nu Wervershoof (Noord-Holland)

Weringêr Weringer m. • oude erfnaam Werincgerinch (Gelderland)

Weringôt Werengot m. • Latijns-Germaans Werengaotus

Werinhard Wernard m. • Latijns-Germaans Werinhardus

Werinheri Werner Warner Warnder Wander m. • achternaam Warnders, erfnaam Wernering, nu Weernink (Overijssel), oude erfnaam Wernershoff (Overijssel) • Latijns-Germaans Warnacharius, Frans Garnier

Werinhild Wernild v.

werk werk ‘verrichtend’

Werk Werk m., Werko Werke m. • Oudfries Werk of Werka, oordnaam Uuirkingi, nu Wetsinge (Groningen), Oudengels Weorc

wesu weze, wisi weze ‘goed’, vgl. Grieks eús, Sanskriet vásu- ‘hetz.’

Wesugard Wezegard v., naam van een 6e-eeuwse koningsdochter der Langbardon Langbaarden en koningin der Frankon Franken • Latijns-Germaans Visigardis

Wesugoton Wezegoten mv., naam van een tak der Goton Goten die lang ten zuidwesten van de Frankon Franken een rijk hield • Latijns-Germaans Visigothi Visigothae mv.

Wesurík Wezerik m.

-wid zie widu

wíd wijd ‘wijd, breed’

Wídberht Wijbrecht Wijbert m.

Wídmár Widmar m. • Oudfries Wídmêr, oordnaam Wytmarsum/Witmarsum (Friesland)

Wído Wijde m. ‘brede’, vgl. Brêdo, dan wel koosvorm van Wíd-namen • Frans Guy, Italiaans Guido

Wídrád Wijdraad Wijderaad m.

widar weder ‘tegen, opnieuw’

Widargeld Wedergeld m. • Latijns-Germaans Guidrigildus Widargildus, Oudengels Wiðergyld

Widarhath Wederad m. • Latijns-Germaans Vidrachadus Virechadus

widu wede m. ‘bos, woud’, vgl. Oudsaksisch widu, Oudnoords viðr, Engels wood ‘hetz.’, niet verwant aan woud • als tweede lid in mannelijke namen altijd -wid zonder eindklinker

Widugang Wedegang m.

Widugôio Wedegooie, Widugouwo Wedegouwe, Widugo Wedige m., naam van een beroemde krijger der Goton Goten, betekent wel ‘woudhuiler’, d.w.z. ‘wolf’, vgl. Oudnoords geyja ‘blaffen’, Zaans guien ‘huilen, gieren, van de wind’ • erfnaam Wedeginc Wedeghing, nu Wegink (Overijssel) • Gotisch Vidigôia, Oudhoogduits Widogaugius Witogawo Witigouwo Witigo enz., Oudsaksisch Widugo, oordnaam Widegenberg, mons Wedegenberch, mons Widegonis, nu Wiehengebirge (Noordrijn-Westfalen), Oudengels Widia Wudga, Oudnoords Viðga

Widuhram Wederam m. ‘woudraaf’

Widuhund Wedehond m. ‘woudhond’, d.w.z. ‘wolf’, vgl. Oudhoogduits walthunt ‘wolf’, Zweeds skogshund ‘wolf’ • Germaans ᚹᛁᛞᚢᚺᚢᛞᚨᛉ (Widuhu[n]daz)

Widukind Wedekind m. ‘woudkind’, naam van de 8/9e-eeuwse leider der Sahson Sassen in de oorlog tegen de Frankon Franken

Widuman Wedeman m. • Oudengels Weoduman Wudeman

wíf wijf o. ‘vrouw’, oorspr. zonder ongunstige lading, wel eig. ‘vlijt, beweging’, vgl. weifelen (eig. ‘heen en weer gaan’), wuiven, Oudhoogduits weibil ‘gerechtsbode’ (iemand die telkens van hot naar her gaat), Oudnoords veifa ‘zwaaien’ en zie idis

Wívikín Wijveken Wijveke Wijfke o.

wíg wijg, wih wig, weh, weg, wing wing ‘strijdend; strijder, krijger’, verwant aan Wígand, Oudsaksisch wíg ‘strijd’, Middelhoogduits wehen ‘strijden’, Oudnoords Víg- Vé- en -vér in namen, Latijn vincō ‘overwinnen’

Wígbald Wijboud m. • erfnaam Wigbolding, nu Wigbolt (Overijssel), oude erfnaam Wicbolding (Gelderland) • Oudengels Wígbeald, oordnaam Wiboldestone, nu Wyboston (Bedfordshire)

Wígberht Wijbrecht Wijbert m.

Wígbrand Wijbrand m. • Fries Wibrân Wibren Wybren

Wígfrith Wigfred Wigfert m. • erfnaam Wifferding, nu Wieferman (Overijssel), Wiffording, nu Wieffer (Overijssel)

Wíggêr Wigger m. • erfnaam Wiggering, nu Ophuis (Overijssel)

Wíghard Wichard Wijgert m. • erfnaam Wicherding, nu Wiegerink (Overijssel) • Fries Wiard Wierd, Oudengels Wígheard, oordnaam Wyardestone, nu Wyaston (Derbyshire)

Wígheri Wicher Wijger m. • oude erfnaam Wichheringhe (Drenthe) • Fries Wiger Wyger

Wíglêf Wiglef m., naam van een held in Béowulf • Oudengels Wígláf, oordnamen Wilaveston, nu Willaston (Cheshire), Willavesham, nu Willisham (Suffolk), en Willaveslege, nu Willersley (Herefordshire)

Wígman Wigman m. • erfnaam Wichmannig, nu Wiegman (Overijssel)

Wígmód Wigmoed m. • oude erfnaam Wychmoding (Overijssel)

Wígmund Wigmond m.

Wígnand Wijnand m. • oordnaam Winantsrode, nu Wijnandsrade (Nederlands-Limburg)

Wígráda Wijgerade v.

Wígswind Wijgswind v.

Wígulf Wijgolf m.

Wígand wijgand m. ‘strijder, krijger, soldaat’, vgl. Middelnederlands wijgant, Oudfries wígand, Oudhoogduits wígant ‘hetz.’, verwant aan wíg

wih zie wíg

wíh wij wijg ‘gewijd, toegewijd’, nog in wierook (eig. wij-rook), vgl. Oudhoogduits wíh ‘heilig’

Wíhburg Wijburg v. • Fries Wibrich

Wíhmód Wijmoed v.

wiht wicht in namen betekent mog. ‘strijd’, vgl. wíg

Wihthard Wichtard Wichtert m. • oude erfnaam Wichterdinch (Gelderland)

Wihtheri Wichter m. • Langbaards Wictari Wecthari Wechtari, Oudengels Wihthere

Wihtulf Wichtolf m. • geslachtsnaam Wihtulving in de oude oordnaam Wictulfingafurt (Noord-Holland)

Wíking Wijking m. ‘zeeman, zeerover’, oorspr. niet zozeer uit Scandinavië, vgl. Oudengels wícing, Fries wytsing • mog. verwant aan Oudengels wíce, Nederduits wīke ‘iep’, aangezien iepenhout geknipt is voor zeeschepen, vgl. Oudengels æscman ‘zeeman, zeerover’ bij æsc ‘es, essenhouten schip’ • Oudhoogduits Wîhhing, Oudengels Wícing, Oudnoords Víkingr

Wild Wild m. ‘ongetemd dier’, wel eig. een bijnaam, vgl. Oudengels wildor ‘hetz.’ • Latijns-Germaans Veldēs

willio wil m. ‘wil, wilskracht, streven’

Willibald Wilboud m.

Williberht Wilbrecht Wilbert m. • oude erfnaam Wilberting (Overijssel) • Oudengels Wilbeorht, oordnaam Wilbrestone, nu Wilbrighton (Staffordshire)

Willibrand Wilbrand m. • Oudfries Wilbrand, oude oordnaam Wilbrandas wic (Oost-Friesland)

Willibrord Wilbrord m., naam van de bekende 7/8e-eeuwse zendeling in de Lage Landen, gevolgd door Werinfrith, afkomstig van de Engili Engelen • Oudengels Wilbrord

Williburg Wilburg v. • Oudengels Wilburh, oordnaam Wilburgeham, nu Wilbraham (Cambridgeshire)

Willifrith Wilfred Wilfert Wilvert m.

Willigard Wilgard v.

Willigêr Wilger m. • erfnaam Wilgerinc, nu Wilgerink (Overijssel)

Willigeva Willegeve v.

Willihath Wilhad m., naam van een 8e-eeuwse zendeling in de Lage Landen, afkomstig van de Engili Engelen • Latijns-Germaans Willihadus Willehadus

Willihelm Willem Wilm Wim m. • oordnaam Willemskerke (Zeeland), erfnamen Wilhelming, nu Willaming (Overijssel), en Wilmink (Overijssel) • Oudengels Wilhelm, oordnaam Willelmatona, nu Wilmington (Devon), Frans Guillaume Guilleaume

Williheri Willer Wilder m. • achternaam Willersen Willers Wilders • Latijns-Germaans Wiliacharius, Oudengels Wilhere, oude oordnaam Willherestrio (Londen)

Williko Wilke m., Willika Willeke v. koosvorm van Willi-namen • achternamen als Wilken Wilkens, oude erfnaam Willekinge (Drenthe)

Willimár Wilmar m. • oordnamen Wilmarsdonk (Antwerpen) en Wilmarsward (Zeeland)

Willio Wille Wil m., Willia Wille Wil v. • oude erfnaam Willinc (Gelderland)

Willirád Wilraad m. • erfnaam Wilrading, nu Het Wilderink (Overijssel)

Willirík Wilrik Wilderik m. • erfnaam Wilrekinge (Drenthe)

Williswind Wilswind v.

Willitêt Wilte Wilt m. koosvorm van Willi-namen • oude erfnamen Wiltinge (Drenthe), Wiltink (Overijssel) en Wiltink (Gelderland)

wind wind m. in namen betekent mog. ‘krijger’, vgl. winnen, Oudhoogduits ubarwindan ‘overwinnen’, Sanskriet vantā ‘overwinnaar’, mits niet gewoon ‘wind, vlaag’

wing zie wíg

wini win m. ‘vriend’, ook zoals een koning voor zijn volk, vgl. Oudsaksisch wini, Oudnoords vinr ‘hetz.’, verwant aan wens, wennen, wonen, gewoon en wán en Winida

Wini Wene Win m., Wino Wene m., Wina Wene v. • geslachtsnaam Wining in de oude oordnaam Uuiningahem (Pas-de-Calais), oordnaam Uuinningesele, nu Winnezele/Winnezeele (Nord) • Oudengels Wine Wina, Oudfries Wine, oude oordnaam Wineshem (Oost-Friesland)

Winibald Weneboud Wemboud Wimboud m. • oude erfnaam Wijmeldinck (Gelderland), geslachtsnaam Winibalding in de oordnaam Wimeldinga, nu Wemeldinge (Zeeland)

Winiberht Wenebrecht Wembert Wimbert Wimmert m. • geslachtsnaam Winiberhting in de oordnaam Wembertingen, nu Wimmertingen (Belgisch-Limburg)

Winifrith Winfred Wimfert m.

Winiko Weneke Winke m., Winika Weneke Winke v. koosvorm van Wini • oordnamen Wenechehus, nu Winkhuis (West-Vlaanderen), en Wenekensele, nu Winksele (Vlaams-Brabant), oude erfnamen Wenekynck (Gelderland) en Wennekinck (Gelderland) • Oudhoogduits Winicho, Oudengels Wineca, oordnaam Winecan felda, nu Winkfield (Berkshire)

Winimár Wenemar Wemmer Wimmer m. • erfnaam Wenemering, nu Welmar (Overijssel), Wennemaring, nu De Wermer (Overijssel) • Oudengels Winemǽr, oordnaam Wynemerislega, nu Winmarleigh (Lancashire)

Winida Winden Wenden mv., oude naam van de Slaven aan de oostgrens van de Germaanse wereld, verwant aan wini en wán • Oudhoogduits Winida mv., Duits Wenden mv., Oudengels Winedas mv., Oudnoords Vindr Vinðr Vendr Venðr mv.

Winid Wind Wend m. • oordnaam Windesheim (Overijssel)

Winidheri Winter Wenter m. • oordnamen Winethereswik, nu Winterswijk (Gelderland), en Wentersloe, nu Winterslag (Belgisch-Limburg), mog. oordnamen Wintreshovo, nu Wintershoven (Belgisch-Limburg), en Wintresdala, nu Winterdaal (Oost-Vlaanderen), mits niet met Wintar • Latijns-Germaans Winedharius, Gotisch Winidhari

Winiding Winding Wending m. • Latijns-Germaans Winethingus Winedingus

Winidmár Windmar Wendmar m. • achternaam Weemaes • Latijns-Germaans Winidmārus Wenetmārus

Wintar Winter, Wintrio Winter m. ‘winter(kind)’, vgl. Sumar • mog. oordnamen Wintreshovo, nu Wintershoven (Belgisch-Limburg), en Wintresdala, nu Winterdaal (Oost-Vlaanderen), mits niet met Winidheri • Latijns-Germaans Wintrio, Oudengels Winter Wintra

Wirrith Werd Ward m., naam van een 1e-eeuwse vorst der Frésion Friezen, lijkt een afleiding als Oudhoogduits leitid ‘leider’, skepfid ‘schepper’ en Walloth, betekent mog. ‘verstoorder, verwoester’, vgl. Middelhoogduits wirren ‘in verwarring brengen’ • Latijns-Germaans Verritus, mog. Fries Wird Wirt Wierd Wirre

wís wijs ‘wijs, vroed, ervaren’, verwant aan weten, vgl. Oudengels wís, Oudnoords víss ‘hetz’, vgl. ald, fród, gamal

Wisund Wezend ‘bizon’, vgl. Úr

Wíu Wij Wuw m. is mog. hetz. woord als wouw ‘soort roofvogel’ (met gew. klinker), Middelnederlands wīwe ‘hetz.’ • Oernoords ᚹᛁᚹᚨᛉ (WīwaR)

Wivil Wevel m. betekent wel (liefkozend, schertsend) ‘tor, kever’, vgl. wevel, Oudengels wifel, Oudhoogduits wibil ‘hetz.’ • oordnamen Wevelsdal (Oost-Vlaanderen) en Wevelswale (Zeeland), geslachtsnaam Wiviling in de oordnaam Wevelenghem, nu Wevelgem (West-Vlaanderen) • Oudengels Wifel

Wíwilo Wuwele m. koosvorm van Wíu • Oernoords ᚹᛁᚹᛁᛚᚨ (Wīwila), Oudnoords Vívill Vífill

Wódan Woedan Woeden Woen m., naam van de zienergod, de heer van de dichtkunst en Wilde Jacht, die vermomd door Middelgaard gaat (zie Grím, Hagubard, Hakulberand, Hatta), nog in woensdag, verouderd gewestelijk Woenswagen ‘Grote Beer’, verwant aan woede, verwoed, Gotisch wōds ‘bezeten’, Oudnoords óðr ‘geest, dichtkunst’, Oudiers fáth ‘voorspelling’, Latijn vātēs ‘ziener; dichter’ • (mog.) oordnamen Wonsdrech, nu Woensdrecht (Noord-Brabant), Woncele, nu Woensel (Noord-Brabant), en Wonseke, nu Woezik (Gelderland), oude oordnaam Wonesberch (Pas-de-Calais), mog. geslachtsnaam Wódaning in de oude oordnaam Woedengheem (West-Vlaanderen) • Oerhoogduits ᚹᛟᛞᚨᚾ (Wōdan), Latijns-Germaans Vōdanus, Middelhoogduits Wuotan (in Wuotanes her ‘Wilde Jacht, Wilde Heer’, vanwaar Zwitsers Wüetisheer), Oudengels Wóden, Oudnoords Óðinn

wrák wraak v. ‘vergelding’

Wrákheri Wraker m.

Wrekkio Wrekke Wrek m. ‘krijger in den vreemde, balling’, vgl. Oudengels wrecca ‘balling, vreemde’, Engels wretch ‘stakker; schurk’, Duits Recke ‘held’ • menig Germaans verhaal draaide om zo’n man, zie Fitilo, Íngeld, Sigimund

wuld wuld m. ‘luister, roem, heerlijkheid’, vgl. Gotisch wulþus, Oudengels wuldor ‘hetz.’, verwant aan Weleda

Wuldberht Wolbrecht Wolbert m. • Latijns-Germaans Vultbertus

Wuldrík Wolderik m. • Latijns-Germaans Vuldrīcus, Oudengels Wuldríc

wulf wolf m. ‘wolf’, in dichterlijke zin ‘krijger’, met gedachte aan de mannenbond als wolvenroedel • als tweede lid in menig mannelijke naam en daar meestal in de vorm -ulf omdat de w gemakkelijk wegviel tussen medeklinker en u

Wulf Wolf m. • oordnamen Wulvesheem, nu Wulmersum (Vlaams-Brabant), Wolveshem, nu Wolsem (Vlaams-Brabant), en Wolveskerka, nu Wolfskerke (Oost-Vlaanderen), oude erfnamen Wulueshus/Wulveshus (Overijssel) en Wolffsgoed (Gelderland), koosvorm in de oude oordnaam Wulvekensgoet (Overijssel) • Oudengels Wulf, oordnaam Olvestona, nu Wolviston (Durham)

Wulfberht Wolfbrecht Wolfbert Wolbert m.

Wulfbrand Wolfbrand m.

Wulffrith Wolffred Wolfert Wolvert m. • geslachtsnaam Wulffrithing in de oordnaam Wulverthinga, nu Wulverdinge (Nord)

Wulfgang Wolfgang m., vgl. Gangulf

Wulfgard Wolfgard v.

Wulfgêr Wolfger m. • oude oordnaam Wolfgersdike (Zeeland), mog. oude erfnaam Wolkertsgoet (Overijssel)

Wulfgrím Wolfgrim m.

Wulfhard Wolfhard Wolfert Wolvert m. • oordnaam Wulfardsdike, nu Wolphaartsdijk (Zeeland), erfnaam Wulverding, nu De Wulver (Overijssel) • Oudengels Wulfheard, oordnaam Wolfardesworthi, nu Woolfardisworthy (Devon)

Wulfhedin Wolfheden m. vgl. Hedinulf • Oudhoogduits Wolfhetin, Oudnoords Úlfheðinn, Oudzweeds ᚢᛚᚴᚼᛁᚦᛁᚾ (Ulfhiþin)

Wulfhelm Wolfhelm m. • Oudengels Wulfhelm, oordnaam Ulfelmescote, nu Wolfhamcote (Warwickshire)

Wulfheri Wolfer Wolver m. • oordnaam Wolfertun, nu Offrethun (Pas-de-Calais), geslachtsnaam Wulfhering in de oordnamen Wulfringahem, nu Wulveringem (West-Vlaanderen), en Wulverghem, nu Wulvergem (West-Vlaanderen) • Oudengels Wulfhere, oordnaam Wulfereslowe, nu Wolferlow (Herefordshire)

Wulfhild Wolfhild v.

Wulfhravan Wolfraven, Wulfhram Wolfram m., naam van een 7e-eeuwse zendeling in de Lage Landen, afkomstig van de Frankon Franken • Latijns-Germaans Vulfechramnus

Wulfhrok Wolfrok m. vgl. Hrokkulf

Wulfmár Wolfmar Wolmer m. • oordnaam Wolmersheym, nu Wommersom (Vlaams-Brabant)

Wulfrík Wolfrik Wolverik m. • Oudengels Wulfríc, oordnaam Wulvricheston, nu Wolston (Warwickshire)

Wulfsind Wolfsind v.

Wulfthrúth Wolfdruid v. • Latijns-Germaans Vulfetrūdis

Wulfwald Wolfoud m. • Latijns-Germaans Vulfoaldus

wunnia wunne v. ‘genot, vreugde’, vgl. Oudengels wynn ‘hetz.’, verwant aan wini

Wunnia Wunne Wonne v.

Wunnibald Wumboud m.

Wunnifrith Wunfred Wumfert m., naam van de 7e-eeuwse zendeling in de Lage Landen, afkomstig van de Sahson Sassen te Brittannië, beter bekend als Bonifātius ‘goedlottig’, werd gedood door Frésion Friezen, naar verluidt bij Dokkum • Oudengels Wynfriþ

Wunnilêf Wunlef Wullef Wulf m.

wurm worm m. ‘slangachtige, draak, worm’

Wurmheri Wormer m. ‘wormkrijger’, lees ‘drakenbevechter’, vgl. Unkheri en Sigimund • mog. oude erfnaam Wormerdinck (Gelderland) • Oudengels Wurmhere

Wursing Wurzing m., naam van een 7e/8e-eeuwse rechter der Frésion Friezen, betekent mog. ‘hogeling’ o.i.d., vgl. Oudsaksisch wrisio ‘reus’, wrisilík ‘reusachtig’, Oudnederlands wrisil ‘reus, held’, Litouws viršus ‘hoogste deel, top, zege’, Sanskriet varṣmán- ‘hoogte, top’ • Latijns-Germaans Vursingus Wersingus Wirsingus