Skip to content

Beun

7 juni 2015

beun3

In het Noordnederlandse spraakgebied, en dan vooral in de Saksische streektalen, gebruikt men vanouds een vorm van het wonderschone woord beun. Afhankelijk van streek en tijd kan het naar allerhande verhogingen verwijzen –vaak van hout– zoals zolders, steigers, balkwerken en planken vloeren, maar ook naar zolderingen en het gehemelte. In delen van Drenthe is het tevens het woord voor de bultige, groene strook tussen de wagensporen, en de Drentse plaatsnaam Bunne zal op een verhoging in het land slaan. Ook in Duitsland bestaat het, in de Saksische streektalen van het noorden en in de algemene, Hoogduitse vorm Bühne. Wat valt er over de herkomst te zeggen?

Menigeen zal het woord enkel kennen uit de verbinding beunhaas. Net als balkhaas en dakhaas zijn dit van oorsprong spotnamen voor de kat, naar diens gewoonte om de hogere delen van bouwsels op te zoeken en daar vorstelijk te vertoeven. Om niet geheel duidelijke redenen werden deze woorden later ook gebruikt voor o.a. timmerlui die niet bij een gilde waren aangesloten en uiteindelijk geringschattend voor knoeiers in hun vak.

Nauw verwant aan beun is het verouderde buining, dat verwees naar verhoogde houten vloeren en in de vorm van Drents buning en Gronings bunen nog verwijst naar steigers voor lossen en laden en naar schoeiingen, oftewel de houten bekledingen van oevers.

Volgens het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands is het “zeer waarschijnlijk” dat beun verwant is aan bodem, en moet het ooit ook een -d- hebben gehad, die echter in een ver verleden is uitgevallen. We zouden voor beun dan van een grondbetekenis ‘vloer, bodem’ moeten uitgaan. Maar de grondbetekenis is toch echt eerder ‘verhoging’ en het blijft onduidelijk waarom die -d- zo vroeg zou zijn uitgevallen. Bovendien wordt buining zo geheel buiten beschouwing gelaten. Er valt evenwel een duiding te bedenken die veel eenvoudiger en aannemelijker is.

Naast beun bestaan er in de oudere talen en in de streektalen o.a. ook de vormen beune, bunne, bun en bön. Samen met Duits Bühne wijzen deze op een voorloper in de gedaante van Oudgermaans *bunī (tweede naamval *bunjōz). Ondertussen wijzen buining en nevenvormen op Oudgermaans *būningō, al kunnen ze ook betrekkelijk laat van een werkwoord zijn afgeleid, hetwelk dan *būnjanan zou luiden.

Welnu, deze woorden hebben er vervolgens alles van weg afleidingen te zijn van een bijvoeglijk naamwoord *bunaz/*būnaz ‘hoog’, hetwelk zelf de voortzetting is van Proto-Indo-Europees *bhuh2-no- ‘verrezen, ontstaan’, een voltooid deelwoord bij de wijdverbreide wortel *bhuh2-, *bheuh2-, *bhu̯eh2‘ontstaan, ontkiemen, opgroeien, verrijzen, zijn’. Vergelijk hoe Latijn altus ‘hoog’ uiteindelijk teruggaat op de Proto-Indo-Europese wortel *h2el- ‘voeden; groeien’. Van dezelfde wortel vinden we in het Germaans onder meer *bewwan ‘oogst; gerst’ (Oudsaksisch beu, Oudnoords bygg, enz.), *bewanan ‘zijn’ (Engels to be, Nederlands ik ben, enz.) en *būanan ‘leven, wonen’ (Oudnoords búa, Nederlands bouwen, enz.).

De voornamelijk Friese namen Bone, Bonne, Bunne en Bune, die anderszins een bevredigende duiding moeten ontberen, zullen ook teruggaan op dit *bunaz/*būnaz ‘hoog; verrezen, ontstaan’. En het woord zou in het hedendaags Nederlands bon/buin luiden.

Afbeelding
Gemaakt door Joop Reuvecamp. Enige rechten voorbehouden.

Verwijzingen

Berkel, G. van & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen, 3e herziene druk (Utrecht, 2006)

Bjorvand, H. & F.O. Lindeman, Våre Arveord, revidert og utvidet utgave (Oslo, 2007)

INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)

Jans, J., Landelijke bouwkunst in Oost-Nederland, vijfde druk (Enschede, 1977)

Kocks, G.H., Woordenboek van de Drentse dialecten, 1e deel A–L (Assen, 1996)

Krahe, H. & W. Meid, Germanische Sprachwissenschaft III: Wortbildungslehre, 7. Auflage (Berlijn 1969)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Laan, K. ter, Nieuw Groninger woordenboek, tweede druk (Groningen, 1989)

Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (webuitgave)

Rix, H., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Vries, J. de, Nederlands etymologisch woordenboek (Leiden, 1971)
Weijnen, A.A., Etymologisch dialectwoordenboek, 2e druk (Den Haag, 2003)

Wijk, N. van, Franck’s Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal (Den Haag, 1936)

Advertenties
10 reacties leave one →
  1. 8 juni 2015 10:36

    Ik veronderstel dat “gebinte”, de naam voor de draagconstructie van een zolder, dan ook verwijst naar “beun” ?

    Bij mij in de buurt (Hamme, Oost-Vlaanderen) ligt overigens een gebied dat “De bunt” wordt genoemd. Als de benaming daarvan verwijst naar “beun”, dan is het in dit geval toch naar de betekenis “vloer, bodem” daarvan, want het gebied is een laag gelegen dalletje naast de dijken van de Schelde.

    • Olivier van Renswoude permalink*
      8 juni 2015 11:48

      Ik vrees dat gebint(e) teruggaat op bint ‘dwarsbalk’, zelf een afleiding van het werkwoord binden.

      Aangaande de Bunt: ik vermoed dat dit verwijst naar bunt(gras)/bent(gras). Dit zou volgens het Vroegmiddelnederlands Woordenboek ook gelden voor het gelijknamige gebied bij Sint-Kruis en Assebroek (West-Vlaanderen).

      • 8 juni 2015 12:00

        Zou kunnen, dat van die verwijzing naar dat gras, al vraag ik me dan af of de naam van het gras niet eerder afgeleid is uit de gebruikelijke vindplaats ervan dan omgekeerd. Ik ben helaas – al ben ik, zoals je merkt, wel in die wetenschap geïnteresseerd – geen taalkundige, dus mis ik wel eens de volgorde van het oorzakelijk verband tussen woorden.

      • Olivier van Renswoude permalink*
        8 juni 2015 12:37

        Wel, het is alleszins een redelijke overweging. Voor zover ik weet is de grasnaam bent/bunt (Oudgermaans *benutaz) nog nooit in verband gebracht met beun. Maar het is ook niet waarschijnlijk, vanwege het volgende.

        In het Oudgermaans is klinkerwisseling mogelijk tussen *-e- en *-u- indien vóór *-l-/-r-/-m-/-n- (vgl. *stelanan ‘stelen’, *stulanaz ‘gestolen’) en tussen *-ū- en *-u- (vgl. *būganan ‘buigen’, *buganaz ‘gebogen’), maar niet tussen *-e- en *-ū-. Waarom dit zo is zou aardig wat tijd kosten om uit te leggen, dus ik hoop dat je het van me aan kan nemen.

        Oftewel: *bunī is vormelijk te verbinden met zowel *benutaz als *būningō, maar niet met allebei. Daar *bunī en *būningō gezien hun betekenissen toch echt wel bij elkaar horen, is *benutaz niet verwant.

      • 8 juni 2015 13:09

        Ik ben geheel bereid dat aan te nemen 🙂

      • Olivier van Renswoude permalink*
        8 juni 2015 13:38

        Gelukkig! Doch weet dat ik de bespiegelingen op prijs stel.

  2. Luc Vanbrabant permalink
    8 juni 2015 12:29

    Een aantal mensen die ik ken uit de omgeving van Poperinge hebben ‘Beun’ als familienaam. Ik zocht het even op, en vond bij F. Debrabandere (Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk) volgende namen en uitleg: Beune, de Beun, Beunen(s), Beunnens, Bunnens, Bunn, Beunes, Beunis: Patr. Germ. VN Bun(n)o (Fm.). 1281 de manso quondam Bunnes, Zevergem; 1374 Willem Beune; 1386 Salin Beune. De Westvlaamse familie Beun stamt af van ene Buns in Belle. Lieven Buns kwam in 1824 van Belle naar Kemmel; zijn kinderen werden ingeschreven als Buns, Beuns en Beun. Beunkens, Beunckens, Beuneken(s), Bun(c)kens, Beumkes: Patr. Diminutief van Beun. Beuning, Bunk. Gyso Bunke, Hamburg.
    Die verwijzing naar de naam Buno/Buno lijkt mij zo toch problematisch. Tenzij die naam weer verwijst naar jouw uitleg.

    • Olivier van Renswoude permalink*
      8 juni 2015 12:53

      Ik denk dat hier wel sprake is van een vadersnaam, ja. Op grond van de overlevering in de dochtertalen kunnen we vaststellen dat er in het Oudgermaans, of althans de westelijke tak daarvan, de volgende namen bestonden:

      *Bunō (Oudhoogduits Buno, Oudengels Buna, Fries Bone)
      *Bunnō (Oudhoogduits Bunno, Punno, Fries Bonne)
      *Bunjaz (Oudhoogduits Buni, Puni, Oudengels Byni, Bynni)
      *Bunjō (Oudengels Bynna)
      *Bunikō (Oudsaksisch Buniko, Oudhoogduits Bunicho)
      *Būnō (Fries Bune)

      (Hier en daar waren er ook vrouwelijke tegenhangers.) Deze zijn allemaal op te vatten als teruggaande op het door mij voorgestelde bijvoeglijk naamwoord *bunaz/*būnaz ‘hoog; verrezen, ontstaan’. De betreffende Westvlaamse namen gaan terug op (sommige) van deze oude namen.

  3. Walter Gauwloos permalink
    8 juni 2015 21:28

    Het Keltische woord (scots gaelic) ‘BUN’ betekent bodem.

    • Olivier van Renswoude permalink*
      8 juni 2015 23:29

      Ik vrees dat daar hetzelfde bezwaar geldt als bij *benutaz hierboven.

      In zijn Etymological Dictionary of Proto-Celtic stelt Ranko Matasović de grondvorm van Oudiers bun en Middelwels bon (Wels bôn) vast als Oudkeltisch *bonu- ‘grondslag, basis’. Hij acht het vervolgens waarschijnlijk dat Gallische plaatsnamen als Bonna en Vindobona van dezelfde wortel zijn.

      Welnu, Oudkeltisch *-o- beantwoordt aan Oudgermaans *-a-. Binnen het Oudgermaans kan er vervolgens klinkerwisseling zijn tussen *-a- en *-u- (mits er meteen een *-l-/-r-/-m-/-n- op volgt) en tussen *-u- en *-ū-, maar er kan geen klinkerwisseling zijn tussen *-a- en *-ū-. Dat betekent dat Oudgermaans *bunī ofwel verwant is aan Oudkeltisch *bonu- ofwel aan Oudgermaans *būningō. Aangezien het laatste veel waarschijnlijker is, is het vrij zeker dat het Keltische woord niet verwant is.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s