Húgo

In de vierde eeuw na Christus verspreiden talloze groepen Franken en andere Germanen zich als roedels vanuit het noorden en oosten over het oude Gallië. Hoewel dat rijke land aanvankelijk nog onder het gezag van Rome valt, stichten ze er binnen afzienbare tijd hun eigen koninkrijken, die onder de vorst Chlodovech omtrent het jaar 500 worden verenigd tot één Frankrijk. Ze snuiven Romeinse beschaving op, maar nemen ook hun eigen taal en zeden mee, waaronder de wolfse naam Húgo.

Lees verder “Húgo”

Advertenties

Fricco

In de elfde eeuw na Christus heeft de Duitse geestelijke Adam van Bremen wat opmerkelijke dingen te zeggen over de zeden van de Zweden, die dan nog heidens zijn en beoogd voor kerstening. In Uppsala, zo heeft hij vernomen, staat een beroemde tempel met vergulde wanden en een grote gouden ketting eromheen. Ernaast staan onder meer uiterst heilige bomen aan wier takken op gezette tijden mannen en mannetjesdieren worden opgehangen. Hun bloed geldt als zoenoffer aan de goden.

Lees verder “Fricco”

Een joon te water

Tot ver in de Middeleeuwen werden in grote delen van Holland, Zeeland en West-Vlaanderen streektalen gesproken die meer op het toenmalige Fries leken dan wat er elders in de Lage Landen werd gesproken. Een duidelijke herinnering aan deze tijd is West-Friesland, de naam van een gebied ten noordoosten van Alkmaar. Maar het Friesachtige taalverleden van deze streken langs de Noordzee blijkt vooral uit de afwijkende klanken van menig woord en oordsnaam. Eén daarvan zij joon, een eigenaardig visserswoord dat wel eens heel oud kon zijn.

Lees verder “Een joon te water”

Cruptorix

Het zijn spannende dagen in 28 na Christus, wanneer de Friezen enkele Romeinse belastinginners aan het kruis nagelen, naar verluidt om onredelijke eisen. Ze belegeren daarna het plaatselijke castellum en lokken uiteindelijk negenhonderd rijkstroepen, waaronder Germaanse dienstplichtigen, tot hun bloedige einde in het woud van Baduhenna. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus, van wie wij het verhaal hebben, voegt eraan toe dat nog eens vierhonderd rijkstroepen de hoeve van ene Cruptorix bereiken en daar uit angst voor verraad de hand aan elkaar slaan. Van Cruptorix zegt Tacitus verder alleen dat deze ooit soldaat voor de Romeinen was geweest. Een beschouwing van zijn naam onthult echter meer: niet zozeer over hemzelf als wel over de Friezen van toen, een verrassende bevestiging van iets dat we lang over hen hebben aangenomen. Lees verder “Cruptorix”

Hoe Keltisch waren de Friezen?

In 58 na Christus reizen de twee Friese vorsten Verritus en Malorix af naar Rome om te praten over de rijksgronden die ze net bezuiden de Rijn hebben ingenomen. Al warend door de eeuwige stad belanden ze in het Theater van Pompeius en merken ze op dat er buitenlanders op voorname plekken zitten. Dat, zo wordt hun uitgelegd, zijn afgevaardigden van volkeren die hun moed en vriendschap aan Rome hebben bewezen. Daarop zeggen Verritus en Malorix dat er boven de Germanen geen sterveling uitmunt in wapens en trouw, en ze nemen ertussen plaats. Het wordt goed opgevat en de heren krijgen Romeins burgerrecht, maar keizer Nero laat evengoed de Friezen van de betwiste gronden vertrekken. Lees verder “Hoe Keltisch waren de Friezen?”