De doudenduld van het dagenlengen

De grote uitbundigheid van blad en bloem in lente is niets minder dan het toonbeeld van hoogtijd. Laat ons dan eens kijken naar de opmerkelijke gelijkenis tussen twee oude, Germaanse woorden: *dulþô ‘bloemscherm, boomkroon’ en *dulþiz ‘hoogtijd, viering’.

Gedaanten

Het ene woord is alleen in de taal van onze oosterburen overgeleverd, eerst in de middeleeuwen als Oudhoogduits toldo ter vertaling van Latijn coma holeris ‘blad en bloem van groente’, al werd het ongetwijfeld in bredere zin gebruikt, zoals getoond door Middelhoogduits tolde, dolde ‘bloemscherm, boomkroon’. Heden leeft het in diezelfde betekenis voort als Duits Dolde, gewestelijke Tolde.

Het andere woord duikt al in de vierde eeuw op als Gotisch (Oostgermaans) dulþs ter vertaling van Grieks heortḗ ‘(godsdienstige) viering’. Enkele eeuwen later verschijnt het op schrift als Oudhoogduits tuld ter vertaling van onder meer Latijn fēstus ‘hoogtijd, viering’, fēstīvitās ‘hoogtijdvreugde’ en sollemnitās ‘plechtigheid’ en wordt het daar ook gebruikt in samenstellingen als ôstartuld ‘paasfeest’ en rêotuld ‘uitvaart’, met rêo ‘lijk’. Het is vermoed dat het woord van het Gotisch naar het Hoogduits verspreid is en wel door de zendelingen van het arianisme, een stroming in het christendom die voor de middeleeuwen in trek was onder Germanen, maar een dwingende reden hiervoor ontbreekt.

Hoe dan ook werd het woord vervolgens als Middelhoogduits tult en dult gebruikt voor kerkelijke vieringen, met name van heiligen, en de daarmee verbonden jaarmarkten. Heden bestaat het als gewestelijk Duits Tult en Dult vooral als benaming van jaarmarkten in verschillende steden in Beieren. De bekendste van deze is de Auer Dult in het stadsdeel Au van München.

Oorsprong

Het ligt voor de hand dat *dulþô ‘bloemscherm, boomkroon’ in het Germaans verwant is aan Middelhoogduits tole ‘(vruchten)tros’ en Nederlands dille, een kruid met geel bloemscherm, en mogelijk ook Oudengels deall ‘trots, welig, uitbundig’, bijvoorbeeld gezegd van vogels met hun veren en krijgers met hun speren. Ten grondslag ligt de Indo-Europese wortel *dhelh1 (zie noot), elders bekend van onder meer Middelwels deillyau ‘ontstaan’ en deil ‘lover’, Latijn folium ‘blad’, Albanees dal ‘uitgaan, uitkomen, verschijnen’, Oudarmeens deł ‘kruid, geneesmiddel’ en dalar ‘groen, vers’ alsook Grieks thállō ‘spruiten, bloeien, gedijen’, thalerós ‘kloek, jong’ en Thallṓ en Tháleia, zoals de godin der lente en de godin van de klucht en de landelijke dichtkunst heetten.

Ondertussen is *dulþiz reeds in 1848 door Jacob Grimm buiten het Germaans verbonden met Grieks thalía, dat door hem in de zin van ‘feestmaal, gastmaal’ gegeven werd maar doorgaans te boek staat als ‘overvloed’ en in meervoudig gebruik ‘feestelijkheden’. Een kleine eeuw later wees zijn vakgenoot Sigmund Feist dat verband af, daar hij thalía verwant achtte aan thállō ‘spruiten, bloeien, gedijen’ en de rest van de reeds hierboven genoemde woorden. Waarom het een het ander zou uitsluiten is onduidelijk. Het Grieks toont zo, overigens ook met het woord thallós ‘groene twijg; hoogtijdgeschenk’, dat deze wortel tevens tot hoogtijd betrokken kon raken. Dat kon evengoed in het Germaans gebeurd zijn.

Nochtans mogen we overwegen wat Theodor von Grienberger in 1900 stelde, dat *dulþiz ‘viering, hoogtijd’ afkomstig is van de wortel van *dwelaną, vanwaar Oudhoogduits twelan ‘dralen, inslapen’ en Oudsaksisch fardwelan ‘verzuimen (van werk)’, verwant aan Nederlands dwalen en dolen. Volgens hem moest het woord aanvankelijk op een toestand van rust geslagen hebben. Ook denkbaar echter is dat er eerst een door elkaar dolen van een menigte mee bedoeld werd, zoals Gelders-Overijssels, Drents en Westfaals bisse, bissinge ‘jaarmarkt’ wel een afleiding is van Middelnederduits bissen ‘onrustig rondlopen, dolen’.

Gezien het oorspronkelijke verschil in beginklank heeft *dulþiz in elk geval niets te maken met *(ga)þuldiz, de voorloper van Nederlands geduld, Duits Geduld, Oudengels ġeþyld en verouderd Fries tsjild. Dat woord gaat terug op een oude wortel met de betekenis ‘(ver)dragen, (ver)heffen’.

Besluit

De verwantschap tussen *dulþô ‘bloemscherm, boomkroon’ en *dulþiz ‘viering, hoogtijd’ is niet wis maar wel een aantrekkelijke mogelijkheid. Op zijn minst zullen sprekers destijds een verband tussen de twee gevoeld hebben, al is het maar omdat men tijdens vieringen ook met bloemen tooide en smukte. En wie eenmaal de grote ontluiking in het voorjaar als een hoogtijd beziet—als een feest of festival—zal die gedachte niet gauw weer vergeten. Zoals deze woorden in onze taal nu doude en duld zouden luiden mogen we deze bijzondere tijd de doudenduld noemen.

Noot
Beekes (2010) gaat voor Grieks thállō ‘spruiten, bloeien, gedijen’ en aanverwanten uit van een wortel *dheh2l-, verbiedt aldus een verband met de hier besproken Germaanse woorden, doch ook met o.a. Oudarmeens deł ‘kruid, geneesmiddel’. We kunnen Grieks thállō veel beter duiden als de nasaalpresens van *dhelh1, evenredig aan Grieks bállō ‘werpen’ van *gelh1. De lange klinker van het perfectum téthēla (Eolisch en Dorisch téthāla) is dan ontstaan naar voorbeeld van de vervoeging van andere werkwoorden. Zo ook Kümmel (2011–25).
Beeld
Lente in Dwingeloo (bewerkt) door Erik Bethlehem. Enige rechten voorbehouden.

Verwijzingen

Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)

Feist, S., Vergleichendes Wörterbuch der gotischen Sprache, 3. neubearbeitete und vermehrte Auflage (Leiden, 1939)

Graff, E.G., Althochdeutscher Sprachschatz oder Wörterbuch der althochdeutschen Sprache, 5. Theil. Die mit den Dentalen D (TH), T und Z anlautenden Wörter (Berlijn, 1840)

Grienberger, Th. von, Untersuchungen zur gotischen Wortkunde (Wenen, 1900)

Grimm, J., Geschichte der deutschen Sprache, 2. Band (Leipzig, 1848)

INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)

Kluge, F. & E. Seebold, Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache, 24., durchgesehene und erweiterte Auflage (2002)

Kümmel, M. e.a., Addenda und Corrigenda zum Lexikon der indogermanische Verben (2011–25)

Lehmann, W.P., A Gothic Etymological Dictionary (Leiden, 1986)

Lexer, M., Mittelhochdeutsches Handwörterbuch, 3 Bde. (Hirzel, 1872–8)

Niebaum, H. e.a., Westfälisches Wörterbuch, 5 Bde. (Neumünster, 1969–2021)

Pokorny, J., Indogermanisches etymologisches Wörterbuch (Bern, 1959)

Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Vaan, M. de, Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages (Leiden, 2008)

Plaats een reactie