Hauwer in de hoormaand

Aan namen voor de maanden is in de volkstaal van de Lage Landen geen gebrek geweest en december is misschien wel het meest gezegend, met onder meer hardmaand, heilmaand, hoormaand, windmaand, wintermaand en wolfmaand. Sommige daarvan hebben ook naar andere maanden verwezen en over het algemeen zijn ze doorzichtig en meteen te begrijpen, geen stokoude samenstellingen met onbekende woorden die door de eeuwen heen zo verbasterd zijn dat we enkel kunnen gissen naar hun betekenis en herkomst. Hier is alleen hoormaand het raadsel.

Lees verder “Hauwer in de hoormaand”

Advertenties

Es ten hemel

Van een afstand zijn ze vaak niet bijster opvallend, maar kijk onder essen omhoog op een mooie lentedag en je ziet hun frisse geveerde bladeren tegen het licht afgetekend. Hoe kwalijk is het dan dat juist deze vertrouwde inheemse bomen sinds enkele jaren worden geteisterd door een genadeloze schimmel, met de akelige essentaksterfte als gevolg. We hoeven niet te wijzen op hun nut voor andere schepsels om met het ongeluk van essen begaan te zijn –hun innerlijke waarde is reden genoeg– maar het is nu meer dan ooit goed om na te gaan wat zij voor onze voorouders hebben betekend en waarom ze heten hoe ze heten. Lees verder “Es ten hemel”

Een Germaanse winter

Also available in English.

Van alle takken aan de Indo-Europese taalboom beschikt de Germaanse als enige over een geheel eigen woord voor het koude jaargetijde. Waar de anderen een vorm van het oude hei-m- hebben, zoals Grieks kheîma ‘winter, winterweer, storm’, Oudiers gaim ‘winter’ en Oudindisch himá- ‘vorst, sneeuw, winter’ (ook in Himālaya), gebruiken de Germaanse talen allemaal een vorm van winter. Wat is hier aan de hand? Waar komt het vandaan? Hier volgt een frisse, nieuwe blik op een eigenaardig woord. Lees verder “Een Germaanse winter”

Appels vallen

Er is een hoop wetenschappelijke vooruitgang geboekt met de buitengewoon scherpe waarneming dat appels vallen. Of beter gezegd: met het besef dat ze altijd recht omlaag vallen. Eind zeventiende eeuw vroeg de Engelse geleerde Isaac Newton zich namelijk af waarom ze niet evengoed zus of zo vielen. Wat was nu eigenlijk de aard van deze regelmatige ‘zwaartekracht’? Hij werkte daarop de nodige wetten uit en werd daarmee de grondlegger van de klassieke mechanica. Een sappig aanhangsel van dit verhaal is evenwel dat het vallen der appels mogelijk besloten ligt in het woord appel zelf.

Lees verder “Appels vallen”

Han

Kwiek zij de mens die in mei de mooie plekken kent, waar het wast en woekert met zalig jong groen, waar een volle vacht van mals gras, fluitenkruid en wat niet al de hellingen hult en heerlijke, koele lucht door het lover stroomt. Glimpen van de oude noorder-oerwouden, die misschien ooit herleven in verlaten steden – over eeuwen of eerder. Het is met zoveel groen in onze wereld wat karig dat wij alleen vormen van groen hebben en geen andere woorden. Geen behoorlijk woord voor net dit levenslustige, frisse groen dat zo anders is dan het moeë, matte groen van de nazomer. En dus bedacht ik het woord han.

Lees verder “Han”

Daken in het drasland

Wie de weergoden niet wenst te verzoeken komt een heel eind met stro. Maar vooral met riet. Flans een flinke laag riet kundig op de spanten & gordingen en je blijft lang genoeg droog om je huis een heus heem te mogen noemen. Het sterke gestengelte houdt bovendien goed de warmte binnen des winters – en buiten des zomers. Te meer, als een blonde en later bruine vacht voegt het zich alleraardigst in het landschap. En zo is het al duizenden jaren gegaan, van Drenthe tot Japan.

Lees verder “Daken in het drasland”

Bottijd

Het is ieder voorjaar weer een groots en uitbundig schouwspel in de nog koele buitenlucht. Overal aan de stengels van bomen en andere gewassen ontvouwen en ontwikkelen zich op wonderlijke wijze bloemen en bladeren en ook nieuwe stengels, tot heel het land weer fris in groene schik is. En al deze pracht vindt haar oorsprong in die kleine, bescheiden knoppen – de beginselen van groei, van ontstaan en bestaan in het licht van deze oude Middelgaard.

Men pleegt ieder zulk bol buideltje ook wel een bot te noemen, of met een vergeten vorm van verkleining een bottel, zoals nog in rozenbottel. En dit bot is een waar kleinood, want met recht is te zeggen dat het hoort bij een zeer oude groep woorden die ook alles te maken hebben met het leven in de zuiverste zin, waaronder (ik) ben en Engels to be en body en ook Grieks phúsis ‘oorsprong, natuur’.

Lees verder “Bottijd”

Gelijk een boom

Al hun kracht en pracht ten spijt, er is iets droefs aan het stille, gedragen bestaan van bomen. Ze hebben alles maar te harden, van rot en dorheid tot storm en strengheid, en zijn ten slotte weerloos als de bijlen komen bijten en de zagen komen rijten. De meesten met een kroon van bladeren zijn gedoemd die ieder jaar te verliezen, zij het waardig in weelde van kleuren. Hoe roerig het ook achter hun basten mag zijn, waar hun sappen vloeien, ze lijken maar lijdzaam te leven. Bomen treuren, is met enig recht te zeggen, en een treurend mens is als een boom gestemd.

Lees verder “Gelijk een boom”