Het gedrang der kruiden

Er zijn weinig plekken waar ik liever ben dan daar waar het wild zijn gang kan gaan in mei op vochtige, veie grond, liefst glooiend en hellend, met bomen die ruim het licht doorlaten. Overal gedijt het dicht en groen: met mals gras en zaailingen; met netels en daslook; zevenblad, ereprijs en muur; kleefkruid, speenkruid, fluitenkruid, ga zo maar door. Gelukkig ken ik in mijn omgeving zulk noordelijk oerwoud. Het is een volheid vervat in het woord kruid. Lees verder “Het gedrang der kruiden”

De wakel wintergroen op woeste grond

Hoewel het gebruik van de kerstboom zoals wij het kennen slechts twee eeuwen geleden lijkt te zijn verbreid vanuit Duitsland, waar het ook niet al te oud ware, moet de zinnekracht van de groenblijvende boom of struik al heel lang gevoeld zijn overal waar echte jaargetijden wisselen. In de Lage Landen komen oorspronkelijk slechts enkele van zulke soorten voor, waaronder niet de spar, nu de wijnachtsboom bij uitstek, maar wel de jeneverbes. Of om met een inheems woord te spreken: de wakel. Lees verder “De wakel wintergroen op woeste grond”

Anderbode

De lente mijn liefste is volop in gang en ik verheug mij op de malse groene wereld waarin ik mij straks weer bevinden zal. Het zijn zalige dagen voor ieder die de tijd neemt om werkelijk met aandacht te zien hoe bloem en blad tevoorschijn komen, ontvouwend als kunstige kleinoden volgens de regelmaat van de tauw. Met dat wonderbare schouwspel in de geest is ooit heel dichterlijk Anderbode bedacht, een jongensnaam die zoveel als ‘bloeiende knop’ of ‘bottende knop’ betekent. Lees verder “Anderbode”