Skip to content

Das

23 februari 2014

jeremybrettEen das stelt ons in staat om met stijl de deur uit te gaan, voor een warme wandeling door woud of stad in kille dagen, voor hoogst belangrijke zaken en voor minder belangrijke zaken. Maar hoe vertrouwd en zwierig zij ook kan zijn om onze halzen –hetzij als winterdas, hetzij als stropdas– de herkomst van het woord zelf is toch iets van een raadsel. De meeste zustertalen moeten het zelfs geheel ontberen.

De vroegste opschrijving die wij kennen is pas uit 1666, in het verkleinde meervoud dasjes ‘halsdoekjes’. Volgens de oudste gissing is das zo goed als gelijk aan de dierennaam das, omdat men vroeger de gewoonte had dassenvellen om de nek te dragen. Van zo een gewoonte vooral dassenvellen te gebruiken is verder echter geen bewijs. Naar een latere duiding betekende das voorheen ‘bontkraag’ en gaat het door ontlening terug op Italiaans dossi ‘rug van een grijze eekhoorn’, zelf van Latijn dorsum ‘rug’. Doch in de betekenis ‘bontkraag’ is het woord niet overgeleverd en ook hier is het maar de vraag of dassen noodzakelijkerwijs van dierenvel werden gemaakt. (Aan Latijn dorsum is overigens, langs Frans dos, Nederlands dos ‘fraaie kleding’ ontleend.)

Daarnaast wordt das ook wel gezien als een zeventiende eeuwse ontlening van Nederduits dass, dasse ‘dikke wollen halsdoek’. Daarvan is de herkomst echter evenmin helder, dus met deze stelling is men weinig opgeschoten.

Welnu, bij dezen zou ik graag een eenvoudig voorstel willen doen dat ik elders niet ben tegengekomen, namelijk dat Nederlands das ‘halsdoek’ met of langs Nederduits dass, dasse ‘dikke wollen halsdoek’ teruggaat op een Oudgermaans *þahsō. (Vergelijk voor de vorm hoe Nederlands os zich heeft ontwikkeld uit Oudgermaans *uhsō.) Dit *þahsō zou dan reeds ‘wollen halsdoek’ of anders meer algemeen ‘wollen doek’ of ‘halsdoek’ hebben betekend en een eenvoudige vorming zijn bij de Germaanse wortel *þeh(s)-, *þah(s)-, *þuh(s)- ‘weven e.d.’.

Van deze wortel komen ook *þehsanan (overgeleverd als Middelhoogduits dehsen ‘zwingelen’) en, met gerekte klinker, *þēhtaz (overgeleverd als o.a. Oudnoords þáttr ‘draad, kaarsenpit; gedeelte’, vanwaar vervolgens Zweeds tåt ‘draad’, tåtte ‘wolvlok’ en Deens tot ‘vlasbundel’). Verwanten buiten het Germaans zijn onder meer Latijn texere ‘weven; samenvoegen, vlechten, bouwen’ en Grieks tékhnē ‘kunst, vaardigheid’.

De zwakte van deze duiding is dat een dusdanig oud woord toch wel eerder zou opduiken in de geschriften dan 1666. Anderzijds, misschien was het woord van begin af aan beperkt tot een betrekkelijk kleine streek en was een das –hoe stijlvol zij ook kan zijn– nu eenmaal niet een ding waar gauw over werd geschreven in die vroegere eeuwen.

Verwijzingen
INL, Woordenboek der Nederlandsche taal (webuitgave)
Philippa, M., e.a., Etymologisch woordenboek van het Nederlands (webuitgave)
Vries, J. de, Nederlands etymologisch woordenboek (Leiden, 1971)
Wortel, D., Over de etymologie van ‘das’ en ‘iemand de das omdoen’, in Trefwoord 11, 144-152 (1996)
Advertenties
3 reacties leave one →
  1. Luc Vanbrabant permalink
    26 februari 2014 08:50

    Het blijft verbazen hoe een klein woord een boeiend verhaal kan opleveren. Ik heb er weer van genoten. Mag ik er nog enige taalsprokkels aan toe voegen.
    Dat ons ‘dos’ uit het Frans moet komen doet mij twijfelen door mijn taalspeurtochten in Normandië. Voor Normandië Frans sprak, sprak het Frankisch. Alles wat ‘hoofs’ was bestond al voor het Frankisch-Franse hof besliste dat Frans niet alleen mooi was maar ook verplicht werd. Ik kan hoogstens vermoeden dat of Frans of Frankisch hier een rol speelden.
    Op INL vinden we bij uitdossen ‘Ick bin al moytjes uyt edost, nou ich mach gaen bijer’. (Starter 1618) Ik kan hier beamen dat het met rug te maken heeft, of het nu om een ‘dorsaal’ gaat – het behangsel achter de zetel van de bisschop, later verworden tot lap en vod – of om het tuigen met een mooi kleed van de rug van het paard van de ridder. Uitdos wordt hier tooi. Een vers uit ‘la Chevalerie Ogier de Dannemarche’: Tos lor adous furent à or battus. (Al hun ‘uitdos’ was van geslagen goud). Dat ‘dos’ was dus niet altijd het bont op de rug van het paard. ‘Doerzelen’ zijn in het Vlaanderen van 1301 ook lappen (INL).
    In de Normandische woordenboeken vond ik dat men bij ‘adous’ (sieraden) denkt aan het Ijslandse ‘dubba’ wat versieren, regelen of voorbereiden betekent. Dat ‘versieren’ vind ik dan in ons woord ‘dubben’ (duwen en trekken). Er was nogal wat duw- en trekwerk (regelen en voorbereiden) nodig wanneer een ridder zijn uitrusting aan deed en op zijn paard moest raken… Het uitdossen, zich feestelijk kleden of tooien, kan volgens mij vanuit het ‘gedoe’ van de ridders van ons woord ‘dubben’ afkomstig zijn.

  2. Maracanda permalink
    27 februari 2014 11:20

    Heel interessant stukje! De germaanse verklaring lijkt wel plausibel, zeker gezien de beperkte verspreiding van de term.

    In Gawain and the Green Knight kwam ik evenwel het Middelengelse woord ‘capados’ tegen, waarmee een soort korte mantel werd bedoeld die de nek omsloot, of een soort schouderdoek met kap (zoals in prentjes van Robin Hood, waarvoor ik anders geen Engels of Nederlands woord weet). Eénmaal in de tekst wordt het kledingstuk bovenaan gesloten, wat misschien wil zeggen dat het ook een soort open das kan zijn. Dit woord zou afkomstig zijn van het franse ‘cap-à-dos’, en zou nogal een vreemde vogel in de middelengelse woordenschat zijn.

    http://www.jstor.org/stable/432452
    http://quod.lib.umich.edu/c/cme/Gawain?rgn=main;view=fulltext

    Misschien is dit iets wat dichter kan brengen bij een Frankische interpretatie, zoals die van mr. Vanbrabant? Of misschien heeft het meer te maken met de Germaanse oorsprong, gezien zo’n capados blijkbaar meer te maken heeft met hals en doek dan met de rug? In ieder geval lijkt me de germaanse piste best aanvaardbaar. Hopelijk ben je er wat mee.

    • Luc Vanbrabant permalink
      27 februari 2014 13:55

      Het ‘Frankische’ zit hier dichtbij omdat ik denk dat die ‘kap’ moet komen van de kapmantel van Sint-Maarten. Die werd als een relikwie bewaard in een gebedshuisje. Men ging naar dit huisje om te bidden bij de kleine kap van Sint-Maarten, de ‘capelle’ en langzaam is dit het algemeen woord geworden voor gebedshuisje, zonder nog te denken aan dat kapje dat bij de Frankische koningen in een gebedsruimte werd bewaard.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s