Het is een zeldzaam genoegen te stuiten op een Nederlands woord waarvan de herkomst nog niet eerder onderzocht is. Dat geviel uw schrijver enige tijd geleden met het vergeten teuluwen ‘kneden’, dat een zeer oude erfenis geweest moet zijn.
Het woord is alleen te vinden in enkele zestiende- en zeventiende-eeuwse woordenboeken en vandaar het omvangrijke Woordenboek der Nederlandsche Taal, in een ingang die in 2001 geschreven is met de opmerking dat het een waarschijnlijk sinds lang verouderd Vlaams streekwoord van onbekende herkomst is. Het werd eerst als tueluwen gespeld en in de oudste bron die we ervoor hebben, het Naembouck uit 1562 van de Gentse drukker en taalkundige Joos Lambrecht, is tevens de vorm teluwen gegeven.
Lambrecht gaf de betekenis bij vertaling naar Frans pestrir (nu pétrir) ‘kneden, vormen’ en de grote Cornelis Kiliaan vertaalde het in 1599 naar Latijn depsere ‘kneden’ en subigere ‘bedwingen, bewerken’ en stelde het bovendien in zin gelijk aan Nederlands touwen. Dat woord werd zelf gebruikt voor het zacht en gedwee maken van iets, met name leder of garen, door middel van kloppen, slaan of treden. Latere oude woordenboeken volgden hierin.
Buiten het Vlaams is het woord niet te vinden. De vorm is eigenaardig maar rijmt keurig met die van het eveneens vergeten Vlaamse woord zeuluwen ‘bevlekken, bezoedelen’, een evenknie van onder meer Middelhoogduits sülwen en Oudsaksisch sulwian in dezelfde betekenis. Zoals die teruggaan op Germaans *sulwijaną is ons kneedwoord te herleiden tot Germaans *tulwijaną, ondanks zijn late verschijning op schrift. De genoemde nevenvorm teluwen bij Lambrecht is te begrijpen als het gevolg van gewestelijke ontronding van de klinker zoals in peluw naast peuluw ‘kussen’, een ontlening van Latijn pulvīnus (zie noot).
Met *-(i)jan- als een gangbaar achtervoegsel ter vorming van werkwoorden is *tulwijaną vervolgens te ontleden als een afleiding van een bijvoeglijk of zelfstandig naamwoord *tulw- waarvan de uitgang niet meer te achterhalen is. Ondertussen weten we dat de Germaanse *t aan het begin van woorden stelselmatig verschoven is uit de oudere, Indo-Europese *d. Zo zien we bijvoorbeeld Germaans *tehun ‘tien’ tegenover Latijn decem. Daarnaast, indien er een medeklinker op volgde moet *-ul- ontwikkeld zijn uit een oudere *l̥ oftewel een *l die als een lettergreep op zichzelf gold.
Dat maakt dat *tulw- klankwettig te herleiden is tot ouder *dl̥h1u̯-, een afleiding van de wortel *delh1-/*dolh1-/*dl̥h1– ‘bewerken’, bekend van Latijn dolāre ‘bewerken met een dissel (timmermansbijl)’ en Germaans *tullaz ‘bewerkt stuk hout’, vanwaar Nederlands tol ‘speelgoed’, Middelnederduits tolle ‘tak’ en Middelhoogduits zol ‘blokje hout; rond stukje hout’. Ook de oude jongensnaam Tolle valt daarmee te vereenzelvigen, zoals woorden voor ‘stuk hout’ e.d. wel vaker voor jongens in gebruik kwamen, getuige bijvoorbeeld Nederlands knaap en Deens dreng.
In de Keltische talen vinden we afleidingen die hetzelfde achtervoegsel als in *tulw- bevatten, te weten Oudwels delu ‘vorm, beeld’ en Wels delw ‘afbeelding; beeldhouwwerk, beeltenis’ en het daaraan beantwoordende Oudiers delb ‘vorm, verschijning, beeld’ met b uit ouder *w. Verwant is Oudiers dolb ‘verschijning; begoocheling, tovenarij’ met het daarvan afgeleide dolbaid ‘vormen, bijv. van een kleien pot; bewerken met toverkracht of bedrog’. Te verbinden is verder een groep Slavische woorden, ook met dat achtervoegsel, bestaande uit onder meer Middelbulgaars dьly ‘kleien vat’ (2e nv. dьlъve) en Russisch-Kerkslavisch delva ‘vat’. Zo wordt de gedachte aantrekkelijk dat *tulw- en zijn afleiding *tulwijaną aanvankelijk iets als ‘vorm’ en ‘vormen’ betekenden.
Doch in de vorsing wordt de wortel ook wel begrepen als ‘behouwen’ e.d., tevens vanwege wel toebehorende woorden als Litouws dalýti ‘verdelen’ en dìlti ‘verslijten, verkwijnen, verdwijnen’. Dan valt voor *tulw- en *tulwijaną wellicht eerder te denken aan ‘behouwing’ en ‘behouwen’ of iets dergelijks, vanwaar ‘slaan’ en uiteindelijk ‘kneden’. Dat is te vergelijken met hoe de wortel *bherH-/*bhorH-/*bhr̥H- ‘met iets scherps bewerken’ ten grondslag ligt aan Germaans *barjaną, de voorloper van zowel Oudnoords berja ‘slaan’ als Westvlaams beren ‘kneden’ en Fries barre ‘kneden, van boter’. Inderdaad, zoals gezegd had teuluwen voor Kiliaan dezelfde lading als touwen, dat met name verwijst naar zacht en gedwee maken door te kloppen, slaan of treden.
Denkbaar is ook dat juist teluwen de meer oorspronkelijke vorm is en teuluwen een latere ronding toont. Vergelijk hiervoor hoe naast vermeluwen ‘bederven door mijt of houtworm’ ook vermeuluwen ontstaan was. Doch in tegenstelling tot de t is de m te begrijpen als een rondende invloed. En voor de hier voorgestelde verbinding met de wortel *delh1– maakt het niet uit of het Germaanse grondwoord *telw- of *tulw- was.
Verwijzingen
Bo, L. De, Westvlaamsch Idioticon (Gent, 1892)
Derksen, R., Etymological Dictionary of the Slavic Inherited Lexicon (Leiden, 2008)
Derksen, R., Etymological Dictionary of the Baltic Inherited Lexicon (Leiden, 2015)
INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)
Kiliaan, C., Etymologicum Teutonicae Linguae, uitgegeven door F. Claes in 1972 (1599)
Lambrecht, J., Het naembouck van 1562, uitgegeven door R. Verdeyen in 1945 (1562)
Lexer, M., Mittelhochdeutsches Handwörterbuch (webuitgave)
Matasović, R., Etymological Dictionary of Proto-Celtic (Leiden, 2009)
Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (webuitgave)
Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)
Tiefenbach, H., Altsächsisches Handwörterbuch / A Concise Old Saxon Dictionary (Berlijn/New York, 2010)
Toner, G. e.a., Dictionary of the Irish Language (DIL) (webuitgave)
Vaan, M. de, Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages (Leiden, 2008)