Bráhman en de Arische dichters

Het eeuwige, onveranderlijke, onvoorwaardelijke en immer in alles aanwezige beginsel van het bestaan—het zuivere bewustzijn als diepste en hoogste werkelijkheid—wordt in India al drieduizend jaar begrepen onder de naam Bráhman. In de oudste bronnen sloeg het woord echter op een zekere bezigheid van dichters, en over de eigenlijke betekenis zijn de meningen dan ook verdeeld, maar er lijkt in elk geval verband met het een en ander in de Germaanse talen, verre verwanten van het Oudindisch. Lees verder “Bráhman en de Arische dichters”

Koorts

Hertenvlees—vroeg en vaak gegeten—verdrijft de koorts. Dat was de raad die Jacob van Maerlant zijn middeleeuwse lezers te bieden had in Der naturen bloeme. Deze Brugse geleerde bezat tevens enige kennis van woorden, dus wellicht had hij ons ook kunnen vertellen waar koorts nu eigenlijk vandaan komt. Voor zover bekend was hij de eerste die het te schrift stelde, ruim zeven eeuwen geleden, waarna het nog lange tijd alleen in het Nederlands en westelijk Nederduits bestond. Later is het door het Fries overgenomen, maar elders lijkt het nooit in gebruik te zijn geweest. Lees verder “Koorts”

Van de ziener en de woede

Gelijk de sjamanen van Siberië leefden er onder onze eigen voorouders zij die goddelijke kennis verwierven—ook over de toekomst—door het wild met diens vele tekenen waar te nemen en zich gebeurlijk in een toestand van vervoering te werken. Bij alle Indo-Europese volkeren waren zulke zieners en waarzeggers van groot belang en bovendien vaak in dichtkunst bedreven. De beste van deze was voor de oude Germanen niemand minder dan de eenoogde god Woen. Zijn naam, beter bekend in de oude vorm Wódan en de Oudnoordse evenknie Óðinn, is verwant aan woede doch heeft maar zijdelings met razernij te maken. Lees verder “Van de ziener en de woede”

Droevig verlangen

Het is jammer dat het edele jammer thans weinig meer dan een tussenwerpsel is. Eertijds verwees het als zelfstandig naamwoord naar verdriet, leed en ellende, maar ook naar het geweeklaag daarbij, zoals jammeren nog toont. Zo kon men zeggen dat iets een groot jammer is en zo noemde Vondel de heidense onderwereld eens de poel des jammers. Door verbindingen als dat is jammer kon het als een bijvoeglijk naamwoord opgevat worden en een tussenwerpsel worden, zoals Duits schade vanuit das ist Schade. Over de herkomst is te zeggen, in weerwil van sommige woordenboeken, dat jammer niet uit klanknabootsing maar uit schone beeldspraak is ontstaan. Lees verder “Droevig verlangen”

Een oud woord voor woest drasland

Met vormen als broel, bruul en briel in de Lage Landen en Brühl in Duitsland bestond er vroeger een woord dat verwees naar drassig laagland begroeid met kreupelhout, en ook oeverweiden waar bijvoorbeeld hout verhandeld werd—plekken die later marktpleinen werden. Volgens de gangbare opvatting gaat het woord langs het middeleeuws Latijn terug op Gallisch *brogilos en is dat afgeleid van brogis ‘gebied, land’. Een Keltisch woord dus, waarmee overigens ook de oordnaam Breugel verklaard zij. Doch bij nader inzien ligt de herkomst elders. Lees verder “Een oud woord voor woest drasland”