Ettelijke namen van oorden en wateren in Vlaanderen bewaren het woord gaver, dat zoveel betekent als ‘weide die tijdelijk onderloopt’, naar gangbare mening voorheen ‘moeras’. Een vorsing naar de herkomst onthult mogelijke evenknieën in de Friese landen.
Een veelvoud
Gavers zijn of waren in een groot deel van Oost-, West- en Frans-Vlaanderen te vinden. De bekendste van deze is Gavere, ouder Gavera, als naam van een kleine stad ten zuiden van Gent. Soms wordt of werd er een lidwoord bij gezegd, zoals Den Gaver bij Pittem of De Gavere bij Meulebeke, een aanwijzing dat het woord niet al te lang geleden nog als zelfstandig naamwoord bestond, hoewel het niet zo uit de volkstaal opgeschreven is. Naar de oude vormen en vroegere achternamen als Van den Gavere en Van der Gaver lijkt het woord in beide geslachten gebruikt, hoewel het mannelijke de overhand heeft en meer oorspronkelijk kan zijn.
De Gavers in meervoud is vandaag nog de naam van drie gebieden: een bij Sint-Gillis-Waas, een bij Onkerzele en een bij Deerlijk en Harelbeke. Bij de laatste twee is door zandwinning een meer ontstaan. Er is een Gaverke, thans een wijk van Waregem, niet ver van de grotere Gaver die zijn naam gaf aan de Gaverbeek, hierboven te zien op de 18e-eeuwse Ferrariskaart. Er zijn meerdere beken zo geheten en vandaar ook een dorp genaamd Gaverbeek/Guarbecque bij Béthune in Pas-de-Calais.
Betekenissen
Anderhalve eeuw geleden gaven Frans De Potter en Jan Broeckaert in hun Geschiedenis van de Gemeenten der Provincie Oost-Vlaanderen een uitleg van gaver. Volgens hun inlichtingen uit het veld werd het woord gebruikt voor “weiden die maar eens in het jaar konden gemaaid worden, en waar geene kans was, eenige toemaat te bekomen, welke omstandigheid later, bij verbetering van den bodem, ophield.” Een toemaat is een tweede maaiing van gras. Honderd jaar later schrijft de taalkundige Cecile Tavernier-Vereecken dat gaver verwees naar “weiden die gelegen langs rivieren ’s winters gemakkelijk onderlopen.” En in 2016 duidt haar vakgenoot Luc Van Durme het na een beschouwing als een “uitgestrekte depressie met tijdelijk inunderend grasland inz. hooiland”. Hij merkt ook op dat gavers van aanzienlijke omvang konden zijn en zich na leegloop toonden als vet, oftewel vruchtbaar.
In de oude overlevering wordt gaver ook gelijkgesteld met Latijn prātum ‘weide’, vanwaar Frans pré ‘weide’. En dat er in deze weiden ook dieren gehouden werden bewijst een vroegere veldnaam als Cactelegauer bij Sint-Gillis-Waas, een samenstelling met een voorloper van Vlaams kachtel ‘veulen, jong ros’. Gavers werden bovendien meermaals met meersch aangeduid—waarmee in het Vlaams vanouds een ‘hooiland’ bedoeld wordt—doch bijna nooit met broec of bosch, merkt Van Durme op. Soms werd er ook onderscheid gemaakt met plekken waar (kreupel)hout gehouwen werd, zo blijkt uit een stuk 1228, waarin gesproken wordt van Hov et Gauer als twee verschillende zaken.
Het strookt ook met het gegeven dat de Gaverbeek te Wavergem vroeger de Vijve heette, bewaard in de oordnamen Sint-Eloois-Vijve en Sint-Baafs-Vijve. Met oudere vormen als Five en Fivia is deze naam terug te voeren op een verbogen vorm van Germaans *Fimfī. De klankontwikkeling is te vergelijken met die van vijf naast Duits fünf en Oudhoogduits fimf uit Germaans *fimf. Daar is de beeknaam niet verwant aan; wel aan de oude stroomnaam Fivel in Groningen en aan Oudnoords fífl ‘reus’ en fimbul- ‘groot’ en buiten het Germaans onder meer Litouws pempùs ‘zwaarlijvig’ en pam̃pti ‘zwellen’. Deze beek kenmerkte zich dus door zwelling, in lijn met het tijdelijke onderlopen van aangelegen weideland daar: de Gaver(s).
Niettemin meende de bekende naamkundige Maurits Gysseling dat gaver voorheen ‘moeras’ betekend moest hebben. In zijn grote en baanbrekende Toponymisch Woordenboek uit 1960 herleidde hij de namen stelselmatig tot een Germaans *gabra- ‘moeras’ (lees mannelijk *gabraz). Zijn invloed is groot, want hierin volgen hem Magda Devos en Paul Kempeneers in het herkomstkundige woordenboek van Vlaamse gemeentenamen uit 2022, waarin ze het woord onder Gavere enkel als ‘moeras’ uitleggen en niet reppen van de betekenis waarin men het klaarblijkelijk gebruikte: ‘weide die tijdelijk onderloopt’.
Bestaande duidingen
Wis als hij was over de oorspronkelijke betekenis, Gysseling veranderde wel minstens twee maal van gedachten over de herkomst. In 1975 herleidde hij het woord tot de Indo-Europese wortel *gu̯ebh–, die volgens hem ook schuilt in woorden als Oudengels cwabba ‘moeras’ en Engels quave ‘beven’, met de kenmerkend Germaanse klankontwikkeling van *gu̯– tot *kw-. En dat behelst dat gaver niet langs het Germaans tot ons gekomen is. Drie jaar later noemde hij het uitdrukkelijk “een Belgisch substraatwoord”, dat wil zeggen een woord uit een veronderstelde, lang verdwenen taal tussen Keltisch en Germaans. Dat hebben Devos en Kempeneers als een mogelijkheid overgenomen.
Hij bedacht zich in 1986 weer, meende nu dat het woord eerder ‘uitholling’ betekende—en dan ‘moeras’—en verwant is aan onder meer Vlaams gabbe ‘gapende wond’ en Oudfrans gove ‘keel’, alsook aan Gave (ouder Gabarus), de naam van holle beken in de Pyreneeën. Of hij het nog steeds als een ‘Belgisch’ woord beschouwde is onduidelijk, maar het door hem verbonden gabbe is zonder twijfel van Germaanse herkomst, verwant aan gapen en zulks als IJslands gabba ‘spotten’ en Engels gap ‘kloof, gat’. Van Durme schrijft dat hiermee wellicht het einde van het onderzoek naar de herkomst bereikt is.
Er zijn nog andere duidingen geweest, die bondig gezegd als volgt gaan. De Potter en Broeckaert opperden bij gissing een samentrekking van ga-over in de zin van een oversteek van een stroom of anders een samenstelling van gouw en veren. In de derde uitgave van Förstemanns Altdeutsche Namenbuch, verzorgd door Hermann Jellinghaus in 1913, wordt gaver in verband gebracht met Middelnederlands gave ‘gangbaar’, doch bij nagang blijkt die betekenis alleen voor munten gegolden te hebben—het is gelijk aan gaaf ‘in goede staat’ en betekende aanvankelijk ‘geefbaar, geschikt om te geven’. Joseph Mansion, gevolgd door Albert Carnoy, bracht gaver in verband met Keltisch *gabros ‘geit’, een evenmin overtuigende duiding.
Edgar Polomé knoopte aan bij Oudpruisisch gabawo ‘pad’ en Oudkerkslavisch žaba ‘kikvors’, verwanten van Middelnederduits quabbe ‘moeras’ en gewestelijk Engels quab ‘moerassige plek’, waaruit volgt dat gaver Keltisch noch Germaans maar ‘Belgisch’ is zoals in een van Gysselings duidingen. De zwakte hiervan is dat het bestaan van die taal allerminst bewezen is. Tavernier-Vereecken, tot slot, zag in gaver een verfranste vorm van waver ‘moeras’, een woord dat in de Lage Landen eveneens alleen in oord- en waternamen voorkomt en dat ze herleidde tot Keltisch *waberos, ouder *woberos, de voorloper van onder meer Oudiers fobar ‘bron’. Dat is onwaarschijnlijk, want het Frans en de Franse streektalen kennen zelf geen vorm van gaver met g-. En overigens gaat waver ‘moeras’ met evenknieën als gewestelijk Engels waver ‘dorpsplas’, Sleeswijks wäwer ‘moeras’ en Juts vave ‘moeras’ beslist niet terug op dat Keltische woord.
Gavers buiten Vlaanderen
Dat gaver bezwaarlijk uit het ‘Belgisch’ afkomstig kan zijn bleek reeds genoeg uit Förstemanns Altdeutsche Namenbuch ruim een eeuw geleden. Daarin vinden we een Gaverbeke, nu de Garbeck/Garbach, ver naar het oosten naast Balve in Noordrijn-Westfalen. Een oord iets ten zuiden ervan heette Geveren, kennelijk afgeleid van gaver, waaraan nog de Burg Gevern (ook wel Wasserburg Gevern) herinnert, de naam van een burcht uit de dertiende of veertiende eeuw, alsook de Gevener Mühle. Weer een heel eind naar het oosten, aan de oeverweiden van de Wipper onder de Harz in Thüringen, vinden we Gevere, thans Niedergebra en Obergebra. Vormen met e zijn ook in Vlaanderen opgeschreven, getuige onder meer up den Ghevere bij Knesselare en op den Ghever bij Schellebelle.
Vervolgens reizen we helemaal naar Oost-Friesland in het noordwesten van Duitsland, naar Geverae, inmiddels Jever. In dit stadje werden vroeger dēnāriī (munten) geslagen, met opschriften als gefridenarii in het begin van de elfde eeuw en beschrijvingen als dēnārius Gavariēnsis monētae in 1185, waarvan de tweede toont dat er oorspronkelijk een a in de naam zat. De kern van het oord ligt op hoge zandgrond omgeven door laag, drassig, ooit vloedgevoelig weideland, weinig verschillend van de gavers in Vlaanderen. Heden is het vooral bekend om het bier dat er sinds 1848 gebrouwen wordt en Jever heet.
In het Westlauwers Fries—de vorm van Fries die in Nederland gesproken wordt—ontwikkelde de klankreeks -ave- zich eveneens tot -eve- maar werd die vervolgens -ewe- en uiteindelijk nog -jouwe- volgens een verschijnsel dat Jorwertbreking heet. Zo beantwoordt Nederlands haver aan Fries hjouwer, al wordt de h daarvan al een tijdje niet meer uitgesproken. En in het Fries werd de g een j voor een e, zoals Jever ook toont. Het behelst dat we daar als evenknie van gaver de vorm jouwer zouden verwachten.
Welnu, er is een oord met de naam De Jouwer in het Fries, bekend als Joure in het Nederlands, met oude vormen als Jeure in de dertiende eeuw, op ter Heuwera in 1466 en Opper Gyoure in 1523. Het oord wordt ook wel De Greate/Grutte Jouwer genoemd ter onderscheiding van een ander, benoorden Dokkum. Dat heet De Lytse Jouwer in het Fries, Hiaure in ambtelijk Nederlands, met oude vormen als Jeure in 1230 en upper Hyower in 1488. De spellingen met h zijn niet de oudste en kunnen door verhaspeling met het haverwoord ontstaan zijn. Een derde geval vinden we in de buurt van Eastermar, zoals er in 1484 gesproken wordt van een goed vp de Jouwer, een naam die inmiddels De Joere luidt, kennelijk met gewestelijke ontwikkeling of met uitspraak naar een eerdere spelling.
Het Oudfries was nauw verwant aan het Oudengels, dus we mogen er ook een oude oordnaam in Northumberland bij betrekken. Deze verschijnt in vormen als Ġefrin/Ġebrin in de achtste/negende eeuw en Yever en Yeure in de dertiende eeuw en luidt nu Yeavering. Ter plekke werd in de ijzertijd een burcht gebouwd en in de vroege middeleeuwen een koninklijk hof van het Engelse koninkrijk Bernicia, bestaande uit onder meer een grote hal en een houten bouwwerk dat lijkt op een theātrum. De naam wordt vaak geduid als een evenknie van Wels gafr ‘geit’, een voortzetting van het reeds genoemde Keltisch *gabros, mogelijk in samenstelling met een evenknie van Wels bryn/-fryn ‘heuvel’ ter verwijzing naar een opvallende berg daar. Maar aangezien het hof tevens uitkijkt over de stroomvlakte van de Glen is het denkbaar dat we hier te maken hebben met (een afleiding van) een evenknie van gaver ‘weide die tijdelijk onderloopt’.
Nieuwe duidingen
Voor de herkomst van dit weidewoord blijken de mogelijkheden nog niet uitgeput. Met het oog op de Hoogduitse vorm Gebra en aangezien de v in de Vlaamse en andere vormen klankwettig op een Germaanse *b kan teruggaan, mogen we als voorloper een Germaans *gabraz aannemen, zoals Gysseling reeds in 1960 deed. Het achtervoegsel *-ra- was zeer gangbaar ter vorming van bijvoeglijke naamwoorden, blijkt bijvoorbeeld ook in *baitraz en *bitraz ‘bitter’ bij *bītaną ‘bijten’. Dan was dit woord oorspronkelijk bijvoeglijk, waarop het bij verzelfstandiging zowel mannelijk als vrouwelijk kon worden, ook onzijdig.
In verband met het lang blijven staan van water is dan *gabraz ‘houdend’ een mogelijkheid als voortzetting van ouder, gewestelijk Indo-Europees *ghHbhrós bij de wortel *gheHbh– ‘vatten, houden’, bekend van onder meer Latijn habeō ‘hebben, houden’. De *H staat voor een keelklank die in de afwezigheid van klinkers zelf een klinker kon worden. Een bezwaar hiertegen is dat de wortel anderszins niet onmiskenbaar in het Germaans aan te wijzen is. Een tweede mogelijkheid is *gabraz ‘gapend’, bij uitbreiding ‘open’ als verwijzing naar het gebrek aan struiken en bomen op deze telkens weer overstroomde weilanden, verwant aan gapen maar ook het reeds genoemde IJslands gabba ‘spotten’ met verschoven betekenis, alsmede Middelnederlands gabben ‘spottend lachen’. Doch niet openheid maar overstroming is hier toch wel het belangrijkste kenmerk. Zo zijn er meer duidingen te bedenken die allemaal weinig kracht hebben.
In overvloed
Meer houvast biedt een vergelijking met enkele waternamen binnen en buiten de Germaanse wereld. Meest van belang zijn minstens drie oude stroomnamen die alle te herleiden zijn tot Germaans *Gebenō of *Gebnō. Het gaat ten eerste om de Ievena, nu Jevenau, bij Rendsburg in Sleeswijk-Holstein. Deze stroomt langs het ernaar vernoemde oord Givenstide, nu Jevenstedt, dus de naam begon aanvankelijk wel met een G. Met kenmerkende Noordse breking van klinker was in Denemarken de Giofn, nu de Lejre Å, stromend langs het oord Gevninge. Verder naar het oosten was kennelijk een tweede Giofn, getuige de verbogen vorm binnen de oordnaam Giafnatoft, nu Gentofte bij Kopenhagen. Bovendien is de Litouwse stroomnaam Gebẽnė als evenknie aan te wijzen.
Een ander achtervoegsel heeft Gjøv, te herleiden tot *Gebō. Zo heet een bijstroom van de Nidelva ten noorden van het dorp Åmli in Noorwegen. In Zweden vinden we ondertussen Gavel-Långsjön als naam van een meer boven Stockholm en mondt de Gavleån, ook wel Gävleån geheten, bij het stadje Gävle in de Botnische Golf uit. Daarin staat ån voor ‘de stroom’. En in Litouwen is ook de meernaam Gabỹs het noemen waard.
Albrecht Greule in zijn Deutsche Gewässernamenbuch duidt de naam Jevenau als ‘gavenrijke, visrijke’, als een afleiding van het werkwoord *gebaną ‘geven, schenken’, waartoe ook Gotisch/Oostgermaans gabei ‘rijkdom’ behore in verband met het vermogen tot schenken. Het is evenwel mogelijk dat zulke stroomnamen iets als ‘overvloedige’ betekenen, gezien het bestaan van Oudkerkslavisch gobině ‘overvloed’, een woord dat doorgaans als ontlening aan het Germaans gezien wordt, bij hetzelfde werkwoord. Zulke verbanden werden reeds in 1961 gevat door de Litouwse taalkundige Kazimieras Būga voor de Russische stroomnaam Gobza en enkele andere namen in Litouwen. Evenredig voor hem was hoe de Litouwse stroomnaam Gausañtė kennelijk hoort bij gausùs ‘overvloedig’.
Overigens werd Gotisch gabei ‘rijkdom’ in de vierde-eeuwse bijbelvertaling door Wulfila gebruikt ter overzetting van Grieks ploûtos ‘rijkdom’, dat eerst ‘overvloed’ betekend moet hebben als afleiding van pléō ‘zwemmen, vloeien’. We kunnen vergelijken hoe Nederlands gul vanouds behalve ‘geefzaam’ ook ‘welig, rijk’ en ‘rijkelijk stromend’ betekent. Zulke zinsontwikkelingen kunnen gemakkelijk geschieden, niet slechts in één richting.
Besluit
Dit alles staaft de veronderstelling dat van *gebaną ‘geven, schenken’ een afleiding *gabraz bestond, dat die eerst ‘gevend, schenkend, gul’ betekende en vandaar gemakkelijk ‘rijk, welig’ in verband met het vermogen tot schenken. Aldus kon *gabraz verwijzen naar weideland dat in de winters onderloopt en zich bij leegloop in het voorjaar als vet en vruchtbaar toont. Of *gabraz kwam ook ‘overvloedig’ te betekenen, in werkzame zowel als lijdzame zin, en kon dan des te gemakkelijker voor zulk weideland gebruikt worden. Het woord ontwikkelde zich klankwettig tot Vlaams gaver en Fries jouwer en raakte in oordnamen vereeuwigd.
Tot *gebaną en de besproken weide- en waterwoorden kunnen ook Oudsaksisch gevan ‘zee’ en Oudengels geofon/gifen ‘zee’ behoren i.v.m. een overvloed aan vis, zoals vermoed door o.a. Blöndal (1989). Anders moeten we aannemen dat ze teruggaan op Westgermaans *giban/*gibun/*giben, en dat dit met achtervoegselvervanging teruggaat op Germaans *gibnaz, zelf een jongere nevenvorm van *gimnaz, verwant aan *gaimô, vanwaar Oudnoords geimi ‘zee’. Zo ongeveer Kroonen (2011). Voor de afwisseling van -bn- en -mn- vergelijk Oudengels hræmn en gewestelijk Noors ramn naast Oudhoogduits hraban en Oudengels hræfn, alle ‘raaf’.
Uitsnede van een kaart van Joseph de Ferraris († 1814). Rechtenvrij.
Verwijzingen
Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)
Berkel, G. van & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard (2018)
Blöndal Magnússon, Á., Íslensk orðsifjabók (Reykjavik, 1989)
Būga, K., Rinktiniai raštai, tomas 3 (Vilnius, 1961)
Debrabandere, F. e.a., De Vlaamse gemeentenamen. Verklarend woordenboek, tweede, grondig herziene en vermeerderde uitgave (Leuven, 2022)
Derksen, R., Etymological Dictionary of the Slavic Inherited Lexicon (Leiden, 2008)
Derksen, R., Etymological Dictionary of the Baltic Inherited Lexicon (Leiden, 2015)
Durme, L. Van, “Oude taaltoestanden in en om de Nederlanden. Een reconstructie met de inzichten van M. Gysseling als leidraad”, in Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 75(1) (2003), blz. 243–381
Durme, L. Van, “Uit de Oost-Vlaamse toponiemenkorf”, in Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 88(1) (2016), blz. 215–54
Dyk, S., “Jorwert Breaking: A Late Old West Frisian Sound Change”, in R.H. Bremmer jr. e.a., Advances in Old Frisian Philology 64 (2008), blz. 91–128
Ekwall, E., The Concise Oxford Dictionary of English Place-names, 4th Edition (Oxford, 1960)
Flou, K. De, Woordenboek der Toponymie van Westelijk Vlaanderen, Vlaamsch Artesië, het Land van den Hoek, de graafschappen Guines en Boulogne en een gedeelte van het graafschap Ponthieu (Gent/Brugge, 1914–38)
Förstemann, E., Altdeutsches Namenbuch. Orts- und sonstige geographische Namen, 2 Bde., 3., völlig neu bearbeitete, um 100 Jahre (1100—1200) erweiterte Aufläge (Bonn, 1913–6)
Gildemacher, K.F., Friese Plaatsnamen: Alle steden, dorpen en gehuchten (2007)
Gysseling, M. Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226), I-II (Tongeren, 1960)
Gysseling, M., “Enkele Belgische leenwoorden in de toponymie”, in Naamkunde 7(1-2) (1975), blz. 1–6
Gysseling, M., “Inleiding tot de toponymie, vooral van Oost-Vlaanderen”, in Naamkunde 10(1-2) (1978), blz. 1–24
Gysseling, M., “Maal, gaver en andere raadselachtige moeraswoorden”, in Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 59(1) (1986), blz. 7
INL, Oudnederlands Woordenboek (webuitgave)
INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)
Johansen zu Schleswig, Chr., “Ueber das Verhältnis des Nordschleswigschen Dialects zum Ostdänischen, Nordfriesischen und Plattdeutschen”, in Jahrbücher für die Landeskunde der Herzogthümer Schleswig, Holstein und Lauenburg, Band 7 (Kiel, 1864)
Krahe, H. & W. Meid, Germanische Sprachwissenschaft III: Wortbildungslehre (Berlijn, 1969)
Kroonen, G., The Proto-Germanic n-stems (Amsterdam/New York, 2011)
Lehmann, W.P., A Gothic Etymological Dictionary (Leiden, 1986)
Moroy, R., “Over waver en gaver”, in Het Belfort 5 (1890), blz. 278–82
Niemeyer, M., Deutsches Ortsnamenbuch (Berlijn, 2012)
NorS, Danmarks Stednavne (webuitgave)
Polomé, E., “Etymologische nota over het woord gaver”, in Mededelingen van de Vereniging voor Naamkunde 26 (1950), blz. 27
Popkema, A.T. (ed.), Fon jelde: opstellen van D.J. Henstra over middeleeuws Frisia (Groningen, 2010)
Potter, F. De & J. Broeckaert, Geschiedenis van de Gemeenten der Provincie Oost-Vlaanderen. Eerste reeks — Arrondissement Gent. Derde deel. Gaver, Gentbrugge, Gontrode, Gijzenzele, Gottem, Grammene, Hansbeke, Heusden, Knesselare, St.-Martens-Latem, Landegem, Landskouter (Gent, 1864–70)
Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)
Skautrup, P., Jysk Ordbog (webuitgave)
Tavernier-Vereecken, “Het Vlaamse toponiem gaver”, in Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 39(1) (1965), blz. 12–14
Tavernier-Vereecken, C., Gentse naamkunde van ca. 1000 tot 1253 (Tongeren, 1968)
Vaan, M. de, Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages (Leiden, 2008)
Vanagas, A., Lietuvių hidronimų etimologinis žodynas / Etymologisches Wörterbuch der litauischen Hydronyme (Vilnius, 1981)
Wright, J., The English Dialect Dictionary, 6 vol. (Londen, 1898–1905)