De groene gavers in het Vlaamse landschap

Ettelijke namen van oorden en wateren in Vlaanderen bewaren het woord gaver, dat zoveel betekent als ‘weide die tijdelijk onderloopt’, naar gangbare mening voorheen ‘moeras’. Een vorsing naar de herkomst onthult mogelijke evenknieën in de Friese landen.

Een veelvoud

Gavers zijn of waren in een groot deel van Oost-, West- en Frans-Vlaanderen te vinden. De bekendste van deze is Gavere, ouder Gavera, als naam van een kleine stad ten zuiden van Gent. Soms wordt of werd er een lidwoord bij gezegd, zoals Den Gaver bij Pittem of De Gavere bij Meulebeke, een aanwijzing dat het woord niet al te lang geleden nog als zelfstandig naamwoord bestond, hoewel het niet zo uit de volkstaal opgeschreven is. Naar de oude vormen en vroegere achternamen als Van den Gavere en Van der Gaver lijkt het woord in beide geslachten gebruikt, hoewel het mannelijke de overhand heeft en meer oorspronkelijk kan zijn.

De Gavers in meervoud is vandaag nog de naam van drie gebieden: een bij Sint-Gillis-Waas, een bij Onkerzele en een bij Deerlijk en Harelbeke. Bij de laatste twee is door zandwinning een meer ontstaan. Er is een Gaverke, thans een wijk van Waregem, niet ver van de grotere Gaver die zijn naam gaf aan de Gaverbeek, hierboven te zien op de 18e-eeuwse Ferrariskaart. Er zijn meerdere beken zo geheten en vandaar ook een dorp genaamd Gaverbeek/Guarbecque bij Béthune in Pas-de-Calais.

Betekenissen

Anderhalve eeuw geleden gaven Frans De Potter en Jan Broeckaert in hun Geschiedenis van de Gemeenten der Provincie Oost-Vlaanderen een uitleg van gaver. Volgens hun inlichtingen uit het veld werd het woord gebruikt voor “weiden die maar eens in het jaar konden gemaaid worden, en waar geene kans was, eenige toemaat te bekomen, welke omstandigheid later, bij verbetering van den bodem, ophield.” Een toemaat is een tweede maaiing van gras. Honderd jaar later schrijft de taalkundige Cecile Tavernier-Vereecken dat gaver verwees naar “weiden die gelegen langs rivieren ’s winters gemakkelijk onderlopen.” En in 2016 duidt haar vakgenoot Luc Van Durme het na een beschouwing als een “uitgestrekte depressie met tijdelijk inunderend grasland inz. hooiland”. Hij merkt ook op dat gavers van aanzienlijke omvang konden zijn en zich na leegloop toonden als vet, oftewel vruchtbaar.

In de oude overlevering wordt gaver ook gelijkgesteld met Latijn prātum ‘weide’, vanwaar Frans pré ‘weide’. En dat er in deze weiden ook dieren gehouden werden bewijst een vroegere veldnaam als Cactelegauer bij Sint-Gillis-Waas, een samenstelling met een voorloper van Vlaams kachtel ‘veulen, jong ros’. Gavers werden bovendien meermaals met meersch aangeduid—waarmee in het Vlaams vanouds een ‘hooiland’ bedoeld wordt—doch bijna nooit met broec of bosch, merkt Van Durme op. Soms werd er ook onderscheid gemaakt met plekken waar (kreupel)hout gehouwen werd, zo blijkt uit een stuk 1228, waarin gesproken wordt van Hov et Gauer als twee verschillende zaken.

Het strookt ook met het gegeven dat de Gaverbeek te Wavergem vroeger de Vijve heette, bewaard in de oordnamen Sint-Eloois-Vijve en Sint-Baafs-Vijve. Met oudere vormen als Five en Fivia is deze naam terug te voeren op een verbogen vorm van Germaans *Fimfī. De klankontwikkeling is te vergelijken met die van vijf naast Duits fünf en Oudhoogduits fimf uit Germaans *fimf. Daar is de beeknaam niet verwant aan; wel aan de oude stroomnaam Fivel in Groningen en aan Oudnoords fífl ‘reus’ en fimbul- ‘groot’ en buiten het Germaans onder meer Litouws pempùs ‘zwaarlijvig’ en pam̃pti ‘zwellen’. Deze beek kenmerkte zich dus door zwelling, in lijn met het tijdelijke onderlopen van aangelegen weideland daar: de Gaver(s).

Niettemin meende de bekende naamkundige Maurits Gysseling dat gaver voorheen ‘moeras’ betekend moest hebben. In zijn grote en baanbrekende Toponymisch Woordenboek uit 1960 herleidde hij de namen stelselmatig tot een Germaans *gabra- ‘moeras’ (lees mannelijk *gabraz). Zijn invloed is groot, want hierin volgen hem Magda Devos en Paul Kempeneers in het herkomstkundige woordenboek van Vlaamse gemeentenamen uit 2022, waarin ze het woord onder Gavere enkel als ‘moeras’ uitleggen en niet reppen van de betekenis waarin men het klaarblijkelijk gebruikte: ‘weide die tijdelijk onderloopt’.

Bestaande duidingen

Wis als hij was over de oorspronkelijke betekenis, Gysseling veranderde wel minstens twee maal van gedachten over de herkomst. In 1975 herleidde hij het woord tot de Indo-Europese wortel *gebh, die volgens hem ook schuilt in woorden als Oudengels cwabba ‘moeras’ en Engels quave ‘beven’, met de kenmerkend Germaanse klankontwikkeling van *g tot *kw-. En dat behelst dat gaver niet langs het Germaans tot ons gekomen is. Drie jaar later noemde hij het uitdrukkelijk “een Belgisch substraatwoord”, dat wil zeggen een woord uit een veronderstelde, lang verdwenen taal tussen Keltisch en Germaans. Dat hebben Devos en Kempeneers als een mogelijkheid overgenomen.

Hij bedacht zich in 1986 weer, meende nu dat het woord eerder ‘uitholling’ betekende—en dan ‘moeras’—en verwant is aan onder meer Vlaams gabbe ‘gapende wond’ en Oudfrans gove ‘keel’, alsook aan Gave (ouder Gabarus), de naam van holle beken in de Pyreneeën. Of hij het nog steeds als een ‘Belgisch’ woord beschouwde is onduidelijk, maar het door hem verbonden gabbe is zonder twijfel van Germaanse herkomst, verwant aan gapen en zulks als IJslands gabba ‘spotten’ en Engels gap ‘kloof, gat’. Van Durme schrijft dat hiermee wellicht het einde van het onderzoek naar de herkomst bereikt is.

Er zijn nog andere duidingen geweest, die bondig gezegd als volgt gaan. De Potter en Broeckaert opperden bij gissing een samentrekking van ga-over in de zin van een oversteek van een stroom of anders een samenstelling van gouw en veren. In de derde uitgave van Förstemanns Altdeutsche Namenbuch, verzorgd door Hermann Jellinghaus in 1913, wordt gaver in verband gebracht met Middelnederlands gave ‘gangbaar’, doch bij nagang blijkt die betekenis alleen voor munten gegolden te hebben—het is gelijk aan gaaf ‘in goede staat’ en betekende aanvankelijk ‘geefbaar, geschikt om te geven’. Joseph Mansion, gevolgd door Albert Carnoy, bracht gaver in verband met Keltisch *gabros ‘geit’, een evenmin overtuigende duiding.

Edgar Polomé knoopte aan bij Oudpruisisch gabawo ‘pad’ en Oudkerkslavisch žaba ‘kikvors’, verwanten van Middelnederduits quabbe ‘moeras’ en gewestelijk Engels quab ‘moerassige plek’, waaruit volgt dat gaver Keltisch noch Germaans maar ‘Belgisch’ is zoals in een van Gysselings duidingen. De zwakte hiervan is dat het bestaan van die taal allerminst bewezen is. Tavernier-Vereecken, tot slot, zag in gaver een verfranste vorm van waver ‘moeras’, een woord dat in de Lage Landen eveneens alleen in oord- en waternamen voorkomt en dat ze herleidde tot Keltisch *waberos, ouder *woberos, de voorloper van onder meer Oudiers fobar ‘bron’. Dat is onwaarschijnlijk, want het Frans en de Franse streektalen kennen zelf geen vorm van gaver met g-. En overigens gaat waver ‘moeras’ met evenknieën als gewestelijk Engels waver ‘dorpsplas’, Sleeswijks wäwer ‘moeras’ en Juts vave ‘moeras’ beslist niet terug op dat Keltische woord.

Gavers buiten Vlaanderen

Dat gaver bezwaarlijk uit het ‘Belgisch’ afkomstig kan zijn bleek reeds genoeg uit Förstemanns Altdeutsche Namenbuch ruim een eeuw geleden. Daarin vinden we een Gaverbeke, nu de Garbeck/Garbach, ver naar het oosten naast Balve in Noordrijn-Westfalen. Een oord iets ten zuiden ervan heette Geveren, kennelijk afgeleid van gaver, waaraan nog de Burg Gevern (ook wel Wasserburg Gevern) herinnert, de naam van een burcht uit de dertiende of veertiende eeuw, alsook de Gevener Mühle. Weer een heel eind naar het oosten, aan de oeverweiden van de Wipper onder de Harz in Thüringen, vinden we Gevere, thans Niedergebra en Obergebra. Vormen met e zijn ook in Vlaanderen opgeschreven, getuige onder meer up den Ghevere bij Knesselare en op den Ghever bij Schellebelle.

Vervolgens reizen we helemaal naar Oost-Friesland in het noordwesten van Duitsland, naar Geverae, inmiddels Jever. In dit stadje werden vroeger dēnāriī (munten) geslagen, met opschriften als gefridenarii in het begin van de elfde eeuw en beschrijvingen als dēnārius Gavariēnsis monētae in 1185, waarvan de tweede toont dat er oorspronkelijk een a in de naam zat. De kern van het oord ligt op hoge zandgrond omgeven door laag, drassig, ooit vloedgevoelig weideland, weinig verschillend van de gavers in Vlaanderen. Heden is het vooral bekend om het bier dat er sinds 1848 gebrouwen wordt en Jever heet.

In het Westlauwers Fries—de vorm van Fries die in Nederland gesproken wordt—ontwikkelde de klankreeks -ave- zich eveneens tot -eve- maar werd die vervolgens -ewe- en uiteindelijk nog -jouwe- volgens een verschijnsel dat Jorwertbreking heet. Zo beantwoordt Nederlands haver aan Fries hjouwer, al wordt de h daarvan al een tijdje niet meer uitgesproken. En in het Fries werd de g een j voor een e, zoals Jever toont en bijvoorbeeld ook Oudfries jerne ‘gaarne’ en jest ‘gast’. Het behelst dat we daar als evenknie van gaver de vorm jouwer zouden verwachten.

Welnu, er is een oord met de naam De Jouwer in het Fries, bekend als Joure in het Nederlands, met oude vormen als Jeure in de dertiende eeuw, op ter Heuwera in 1466 en Opper Gyoure in 1523. Het oord wordt ook wel De Greate/Grutte Jouwer genoemd ter onderscheiding van een ander, benoorden Dokkum. Dat heet De Lytse Jouwer in het Fries, Hiaure in ambtelijk Nederlands, met oude vormen als Jeure in 1230 en upper Hyower in 1488. De spellingen met h zijn niet de oudste en kunnen door verhaspeling met het haverwoord ontstaan zijn. Een derde geval vinden we in de buurt van Eastermar, zoals er in 1484 gesproken wordt van een goed vp de Jouwer, een naam die inmiddels De Joere luidt, kennelijk met gewestelijke ontwikkeling of met uitspraak naar een eerdere spelling.

Het Oudfries was nauw verwant aan het Oudengels, dus we mogen er ook een oude oordnaam in Northumberland bij betrekken. Deze verschijnt in vormen als Ġefrin/Ġebrin in de achtste/negende eeuw en Yever en Yeure in de dertiende eeuw en luidt nu Yeavering. Ter plekke werd in de ijzertijd een burcht gebouwd en in de vroege middeleeuwen een koninklijk hof van het Engelse koninkrijk Bernicia, bestaande uit onder meer een grote hal en een houten bouwwerk dat lijkt op een theātrum. De naam wordt vaak geduid als een evenknie van Wels gafr ‘geit’, een voortzetting van het reeds genoemde Keltisch *gabros, mogelijk in samenstelling met een evenknie van Wels bryn/-fryn ‘heuvel’ ter verwijzing naar een opvallende berg daar. Maar aangezien het hof tevens uitkijkt over de stroomvlakte van de Glen is het denkbaar dat we hier te maken hebben met (een afleiding van) een evenknie van gaver ‘weide die tijdelijk onderloopt’.

Nieuwe duidingen

Voor de herkomst van dit weidewoord blijken de mogelijkheden nog niet uitgeput. Met het oog op de Hoogduitse vorm Gebra en aangezien de v in de Vlaamse en andere vormen klankwettig op een Germaanse *b kan teruggaan, mogen we als voorloper een Germaans *gabraz aannemen, zoals Gysseling reeds in 1960 deed. Het achtervoegsel *-ra- was zeer gangbaar ter vorming van bijvoeglijke naamwoorden, blijkt bijvoorbeeld ook in *baitraz en *bitraz ‘bitter’ bij *bītaną ‘bijten’. Dan was dit woord oorspronkelijk bijvoeglijk, waarop het bij verzelfstandiging zowel mannelijk als vrouwelijk kon worden, ook onzijdig.

In verband met het lang blijven staan van water is dan *gabraz ‘houdend’ een mogelijkheid als voortzetting van ouder, gewestelijk Indo-Europees *ghHbhrós bij de wortel *gheHbh ‘vatten, houden’, bekend van onder meer Latijn habeō ‘hebben, houden’. De *H staat voor een keelklank die in de afwezigheid van klinkers zelf een klinker kon worden. Een bezwaar hiertegen is dat de wortel anderszins niet onmiskenbaar in het Germaans aan te wijzen is. Een tweede mogelijkheid is *gabraz ‘gapend’, bij uitbreiding ‘open’ als verwijzing naar het gebrek aan struiken en bomen op deze telkens weer overstroomde weilanden, verwant aan gapen maar ook het reeds genoemde IJslands gabba ‘spotten’ met verschoven betekenis, alsmede Middelnederlands gabben ‘spottend lachen’. Doch niet openheid maar overstroming is hier toch wel het belangrijkste kenmerk. Zo zijn er meer duidingen te bedenken die allemaal weinig kracht hebben.

In overvloed

Meer houvast biedt een vergelijking met enkele waternamen binnen en buiten de Germaanse wereld. Meest van belang zijn minstens drie oude stroomnamen die alle te herleiden zijn tot Germaans *Gebenō of *Gebnō. Het gaat ten eerste om de Ievena, nu Jevenau, bij Rendsburg in Sleeswijk-Holstein. Deze stroomt langs het ernaar vernoemde oord Givenstide, nu Jevenstedt, dus de naam begon aanvankelijk wel met een G. Met kenmerkende Noordse breking van klinker was in Denemarken de Giofn, nu de Lejre Å, stromend langs het oord Gevninge. Verder naar het oosten was kennelijk een tweede Giofn, getuige de verbogen vorm binnen de oordnaam Giafnatoft, nu Gentofte bij Kopenhagen. Bovendien is de Litouwse stroomnaam Gebẽnė als evenknie aan te wijzen.

Een ander achtervoegsel heeft Gjøv, te herleiden tot *Gebō. Zo heet een bijstroom van de Nidelva ten noorden van het dorp Åmli in Noorwegen. In Zweden vinden we ondertussen Gavel-Långsjön als naam van een meer boven Stockholm en mondt de Gavleån, ook wel Gävleån geheten, bij het stadje Gävle in de Botnische Golf uit. Daarin staat ån voor ‘de stroom’. En in Litouwen is ook de meernaam Gabỹs het noemen waard.

Albrecht Greule in zijn Deutsche Gewässernamenbuch duidt de naam Jevenau als ‘gavenrijke, visrijke’, als een afleiding van het werkwoord *gebaną ‘geven, schenken’, waartoe ook Gotisch/Oostgermaans gabei ‘rijkdom’ behore in verband met het vermogen tot schenken. Het is evenwel mogelijk dat zulke stroomnamen iets als ‘overvloedige’ betekenen, gezien het bestaan van Oudkerkslavisch gobině ‘overvloed’, een woord dat doorgaans als ontlening aan het Germaans gezien wordt, bij hetzelfde werkwoord. Zulke verbanden werden reeds in 1961 gevat door de Litouwse taalkundige Kazimieras Būga voor de Russische stroomnaam Gobza en enkele andere namen in Litouwen. Evenredig voor hem was hoe de Litouwse stroomnaam Gausañtė kennelijk hoort bij gausùs ‘overvloedig’.

Overigens werd Gotisch gabei ‘rijkdom’ in de vierde-eeuwse bijbelvertaling door Wulfila gebruikt ter overzetting van Grieks ploûtos ‘rijkdom’, dat eerst ‘overvloed’ betekend moet hebben als afleiding van pléō ‘zwemmen, vloeien’. We kunnen vergelijken hoe Nederlands gul vanouds behalve ‘geefzaam’ ook ‘welig, rijk’ en ‘rijkelijk stromend’ betekent. Zulke zinsontwikkelingen kunnen gemakkelijk geschieden, niet slechts in één richting.

Besluit

Dit alles staaft de veronderstelling dat van *gebaną ‘geven, schenken’ een afleiding *gabraz bestond, dat die eerst ‘gevend, schenkend, gul’ betekende en vandaar gemakkelijk ‘rijk, welig’ in verband met het vermogen tot schenken. Aldus kon *gabraz verwijzen naar weideland dat in de winters onderloopt en zich bij leegloop in het voorjaar als vet en vruchtbaar toont. Of *gabraz kwam ook ‘overvloedig’ te betekenen, in werkzame zowel als lijdzame zin, en kon dan des te gemakkelijker voor zulk weideland gebruikt worden. Het woord ontwikkelde zich klankwettig tot Vlaams gaver en Fries jouwer en raakte in oordnamen vereeuwigd.

Noot
Tot *gebaną en de besproken weide- en waterwoorden kunnen ook Oudsaksisch gevan ‘zee’ en Oudengels geofon/gifen ‘zee’ behoren i.v.m. een overvloed aan vis, zoals vermoed door o.a. Blöndal (1989). Anders moeten we met Kroonen (2011) aannemen dat ze teruggaan op Germaans *gibnaz, zelf een jongere nevenvorm van *gimnaz, verwant aan *gaimô, vanwaar Oudnoords geimi ‘zee’. Voor de wissel van -bn- en -mn- vergelijk Oudengels hræmn en gewestelijk Noors ramn naast Oudhoogduits hraban en Oudengels hræfn, alle ‘raaf’.
Beeld
Uitsnede van een kaart van Joseph de Ferraris († 1814). Rechtenvrij.

Verwijzingen

Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)

Berkel, G. van & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard (2018)

Blöndal Magnússon, Á., Íslensk orðsifjabók (Reykjavik, 1989)

Būga, K., Rinktiniai raštai, tomas 3 (Vilnius, 1961)

Debrabandere, F. e.a., De Vlaamse gemeentenamen. Verklarend woordenboek, tweede, grondig herziene en vermeerderde uitgave (Leuven, 2022)

Derksen, R., Etymological Dictionary of the Slavic Inherited Lexicon (Leiden, 2008)

Derksen, R., Etymological Dictionary of the Baltic Inherited Lexicon (Leiden, 2015)

Durme, L. Van, “Oude taaltoestanden in en om de Nederlanden. Een reconstructie met de inzichten van M. Gysseling als leidraad”, in Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 75(1) (2003), blz. 243–381

Durme, L. Van, “Uit de Oost-Vlaamse toponiemenkorf”, in Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 88(1) (2016), blz. 215–54

Dyk, S., “Jorwert Breaking: A Late Old West Frisian Sound Change”, in R.H. Bremmer jr. e.a., Advances in Old Frisian Philology 64 (2008), blz. 91–128

Ekwall, E., The Concise Oxford Dictionary of English Place-names, 4th Edition (Oxford, 1960)

Flou, K. De, Woordenboek der Toponymie van Westelijk Vlaanderen, Vlaamsch Artesië, het Land van den Hoek, de graafschappen Guines en Boulogne en een gedeelte van het graafschap Ponthieu (Gent/Brugge, 1914–38)

Förstemann, E., Altdeutsches Namenbuch. Orts- und sonstige geographische Namen, 2 Bde., 3., völlig neu bearbeitete, um 100 Jahre (1100—1200) erweiterte Aufläge (Bonn, 1913–6)

Gildemacher, K.F., Friese Plaatsnamen: Alle steden, dorpen en gehuchten (2007)

Gysseling, M. Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226), I-II (Tongeren, 1960)

Gysseling, M., “Enkele Belgische leenwoorden in de toponymie”, in Naamkunde 7(1-2) (1975), blz. 1–6

Gysseling, M., “Inleiding tot de toponymie, vooral van Oost-Vlaanderen”, in Naamkunde 10(1-2) (1978), blz. 1–24

Gysseling, M., “Maal, gaver en andere raadselachtige moeraswoorden”, in Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 59(1) (1986), blz. 7

INL, Oudnederlands Woordenboek (webuitgave)

INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)

Johansen zu Schleswig, Chr., “Ueber das Verhältnis des Nordschleswigschen Dialects zum Ostdänischen, Nordfriesischen und Plattdeutschen”, in Jahrbücher für die Landeskunde der Herzogthümer Schleswig, Holstein und Lauenburg, Band 7 (Kiel, 1864)

Krahe, H. & W. Meid, Germanische Sprachwissenschaft III: Wortbildungslehre (Berlijn, 1969)

Kroonen, G., The Proto-Germanic n-stems (Amsterdam/New York, 2011)

Lehmann, W.P., A Gothic Etymological Dictionary (Leiden, 1986)

Moroy, R., “Over waver en gaver”, in Het Belfort 5 (1890), blz. 278–82

Niemeyer, M., Deutsches Ortsnamenbuch (Berlijn, 2012)

NorS, Danmarks Stednavne (webuitgave)

Polomé, E., “Etymologische nota over het woord gaver”, in Mededelingen van de Vereniging voor Naamkunde 26 (1950), blz. 27

Popkema, A.T. (ed.), Fon jelde: opstellen van D.J. Henstra over middeleeuws Frisia (Groningen, 2010)

Potter, F. De & J. Broeckaert, Geschiedenis van de Gemeenten der Provincie Oost-Vlaanderen. Eerste reeks — Arrondissement Gent. Derde deel. Gaver, Gentbrugge, Gontrode, Gijzenzele, Gottem, Grammene, Hansbeke, Heusden, Knesselare, St.-Martens-Latem, Landegem, Landskouter (Gent, 1864–70)

Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Skautrup, P., Jysk Ordbog (webuitgave)

Tavernier-Vereecken, “Het Vlaamse toponiem gaver”, in Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 39(1) (1965), blz. 12–14

Tavernier-Vereecken, C., Gentse naamkunde van ca. 1000 tot 1253 (Tongeren, 1968)

Vaan, M. de, Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages (Leiden, 2008)

Vanagas, A., Lietuvių hidronimų etimologinis žodynas / Etymologisches Wörterbuch der litauischen Hydronyme (Vilnius, 1981)

Wright, J., The English Dialect Dictionary, 6 vol. (Londen, 1898–1905)

9 gedachtes over “De groene gavers in het Vlaamse landschap

  1. Het verwondert mij dat uw bibliografie uitsluitend bestaat uit publicaties van Germanisten

    Carnoy volgt Mansion om de naam te ontlenen aan het Kelt. woord gabro– ‘geit’.

    Hij reconstrueert de naam als *Gaberno ‘geitenhouderij’. Hij vergelijkt met Givry (Mons), Givreyum 103.[1] De Kelt. woorden gabro- ‘geitebok’, in Oiers gabor, gabar, en gabra ‘geit’,  Mw. en Ocorn. gavar zijn wel bekend.  Er werden ook persoonsnamen uit gevormd: Gabros, Gabra, Gabrios, Gabrillus, Gabrinus, Gabranus.[2] Deze persoonsnamen vinden we terug in plaatsnamen. Dauzat vermeldt o.a.:

    Gabriac (Aveyr.) en (Loz) < *Gabriacum ‘eigendom van Gabrius’.

    Jaure (Dord.) < *Gabra (villa).

    Javron (May.), Gabron 802.

    Javrezac (Char.), Gabarciaco, op Merovingische munt.[3]

    Morlet vermeldt volgende plaatsnamen die verwijzen naar de naam Gabrus:

    Gesvres (May.), Gavres Xde eeuw, Gievre, 1330;

    Gesvres-le-Chapitre (S.-et-Marne), Gevera 1005, Gievres1202, Giesvres 1289;

    Gièvres (L.-et-Ch.), Gabris (Tabulale Peutingeriana 4de eeuw).[4]

    Delamarre voert Jaure terug tot Gabria ‘domaine de Gabrios.[5]

    [1] A. CARNOY 1948, Origine des noms de communes de Belgique, y compris les noms des rivières et principaux hameaux, Louvain.

    [1] W. STOKES & A. BEZZENBERGER 1894 [1959], Wortschatz der Keltischen Spracheinheit, Göttingen.

    X. DELAMARRE 2003, Dictionnaire de la langue Gauloise, Paris.

    [1] A. DAUZAT & Ch. ROSTAING 1963., Dictionnaire étymologique des noms de lieux en France, Paris.

    [1] M.-T. MORLET 1985, Les noms de personne sur le territoire de l’ancienne Gaule III:  Les noms de personne contenus dans les noms de lieux, Paris.

    [1] X. DELAMARRE 2012,  Noms de lieux celtiques de l’Europe ancienne (-500 / +500): dictionnaire, Arles.

    [1] A. CARNOY 1948, Origine des noms de communes de Belgique, y compris les noms des rivières et principaux hameaux, Louvain.

    [2] W. STOKES & A. BEZZENBERGER 1894 [1959], Wortschatz der Keltischen Spracheinheit, Göttingen.

    X. DELAMARRE 2003, Dictionnaire de la langue Gauloise, Paris.

    [3] A. DAUZAT & Ch. ROSTAING 1963., Dictionnaire étymologique des noms de lieux en France, Paris.

    [4] M.-T. MORLET 1985, Les noms de personne sur le territoire de l’ancienne Gaule III:  Les noms de personne contenus dans les noms de lieux, Paris.

    [5] X. DELAMARRE 2012,  Noms de lieux celtiques de l’Europe ancienne (-500 / +500): dictionnaire, Arles.

    1. Mansion en Carnoy komen langs in het stuk. In hun veronderstelling betekende het woord eerst ‘geitenhok’ en vandaar ‘veeperk, veeweide’ in het algemeen. Maar hoewel (sommige) gavers gebruikt konden worden om dieren te houden—getuige Cactelegauer—onderscheidden ze zich niet door de aanwezigheid van vee maar door hun tijdelijke onderlopen en werden ze in het bijzonder juist als hooilanden gebruikt.

      1. U antwoordt niet op mijn vaststelling dat u enkel de mening van Germanisten citeert en waardeert. Wat is uw reactie op de bevindingen van Stokes, Dauzat, Morlet en Delamarre? Graag taalkundige argumenten, en geen kringredeneringen over zogezegd verdronken land dat een Germaanse naam zou opleveren, en dat daarom de naam Germaans moet zijn. U schrijft : “Zo zijn er meer duidingen te bedenken die allemaal weinig kracht hebben”. Uw besluiten hebben even weinig kracht. U ziet over het hoofd dat een riviernaam of plaatsnaam een betekenis voor voorbijgangers dient te hebben van een plaats waar men kan naar wijzen, en niet een plaats waarover men dient te redeneren. Uw besluit: “Aldus kon *gabraz verwijzen naar weideland dat in de winters onderloopt en zich bij leegloop in het voorjaar als vet en vruchtbaar toont. Of *gabraz kwam ook ‘overvloedig’ te betekenen, in werkzame zowel als lijdzame zin, en kon dan des te gemakkelijker voor zulk weideland gebruikt worden.” Dit kan bezwaarlijk een plaatsnaam zijn. Dergelijke plaatsnamen bestaan gewoon niet.

      2. Ik gaf u antwoord: Mansion en Carnoy komen langs in het stuk. Net als Tavernier-Vereecken, die weliswaar germaniste was maar in dit geval een Keltische herkomst voorstelde.

        Als de door Dauzat e.a. gegeven oordnamen afgeleid zijn van persoonsnamen—zoals u zegt en ik wil aannemen—helpen ze ons hier niet verder en doen ze hier niet ter zake. Het vraagstuk is immers eerstens de herkomst van gaver als wóórd, dat gewis niet van een persoonsnaam afgeleid is.

        Ik heb vastgesteld dat dit woord kennelijk ook ver buiten Vlaanderen voorkomt, in het oosten en noorden van het Germaanse vasteland, ter aanduiding van oorden in zeer vergelijkbare landschappelijke omstandigheden. Aldus de veronderstelling dat het woord van Germaanse herkomst is. Ik zie geen aanwijzingen voor het tegendeel (ontlening).

        Er wordt geen beredenering in naamgeving aangenomen. Aan de hand van vergelijkbare waternamen heb ik voorgesteld dat het woord gaver voorheen in de vorm van *gabraz de betekenis ‘rijk, welig’ of ‘overvloedig’ had en als zodanig gebruikt werd voor weiden die zich kenmerken door overstroming en vruchtbaarheid. In sommige gevallen werd het woord een oordnaam of deel daarvan.

      3. Die persoonsnamen van Dauzat e.a. doen wel terzake. Als men met de Keltische woorden GAB4RO- ‘geitebok’, in Oudiers CABOR, GABAR, en GABRA ‘geit’, in Middenwelsh en Oudcornisch GAVAR namen van personen kan vormen, kan men er ook plaatsnamen of riviernamen mee vormen waarbij op enigerwijze naar geiten wordt gewezen.

        Ik herhaal: plaatsnamen ontstaan door het wijzen van de weg naar een herkenningspunt dat iedereen kent of de aandacht kan trekken van voorbijgangers: bijvoorbeeld de eigendom van een gekend iemand, een opmerkelijk uiterlijk kenmerk hebbend, of alleszins aantoonbare zichtbare betekenis heeft voor de omwonenden. Uw omslachtige reconstructie heeft geen herkenningswaarde. Wijzen naar een ondergelopen weide kan, maar dat in de naam van die plaats een eigenschap zou aangegeven worden dat die na de winter vruchtbare grond oplevert, is ongeloofwaardig. Een voorbijganger die men de weg wijst kan dat niet zien. Uw soort plaatsnaam bestaat nergens.

      4. Ik weet niet hoe vaak ik het zeggen moet, maar gaver was aanvankelijk niet een oordnaam maar een woord, een soortnaam, een appellatief, een algemene aanduiding, in dit geval ter onderscheiding van een bepaald soort grond, tussen andere als weide, made, meers, ouw, beemd, wis, waard, groede, dries, kwelder, schor, broek, moer, veen, ga zo maar door.

        Gavers waren dus een bekend begrip: mensen wisten wat en waar ze waren op vaste plekken in hun eigen omgeving, jaar na jaar, en konden onderling ernaar verwijzen met een gebruikelijk woord, dat later kon verstenen tot een oordnaam, zoals made tot Made (Noord-Brabant), groede tot Groet (Noord-Holland) of dries tot Dries (Nederlands-Limburg). De buren te gavere werden allengs de buren te Gavere. De beek die langs de vertrouwde gaver(s) stroomde werd de Gaverbeek. De gavers aan de rand van het dorp werden De Gavers. Het kleine gaverke verderop werd Gaverke. Enzovoort. Voorbijgangers die de omgeving niet kennen en wegwijzing vergen hoeven helemaal geen rol te spelen.

        En ik hoef niet aannemelijk te maken dat of hoe zoiets als een gaver tot een oordnaam had kunnen leiden. Het is klaarblijkelijk meerdere keren gebeurd.

      5. Zucht!!! Kringredenering op kringredenering

  2. Leuk stuk. Ik vind deze de moeite, ook al is het blijkbaar een gissing.

    “De Potter en Broeckaert opperden bij gissing een samentrekking van ga-over in de zin van een oversteek van een stroom.”

    Mijn gissing is dat we hier idd een samentrekking van ga-over kunnen opperen, maar dan in de zin van het over-lopen van een stroom. Het water gaat over het land, wat het drassig maakt.

  3. Interessant stuk. Ieder jaar maak ik wel een wandeling op het domein van de Gavers in de buurt van Harelbeke. Nu zal ik het doen met wat meer achtergrondinformatie dan voorheen. Bedankt.

    Ik ken nog heel wat plaatsen die Gaverbeek of Gaverbos of iets dergelijks heten. Tussen Deerlijk en Harelbeke lag een leengoed dat de Gavere heette, met in 1087 een Razo de Gavera. Bij Dentergem heette een hofstede dan weer ten Gavere. Ook in Geluwe was die naam te vinden als meers en heerlijkheid. Een paar bladzijden lang zijn dergelijke toponiemen te lezen bij Karel de Flou in zijn woordenboek der toponymie (vierde deel).

Geef een reactie op Willem Reactie annuleren