Skip to content

Diepe smeedkunst

2 juni 2010

Zoals ik liet zien in het stukje Het smeden van de taluw, zijn er meer mogelijkheden om woorden te smeden voor wie bereid is wat inniger met de taal bezig te gaan en wat dieper in haar verleden te graven. Zo kan men een voorbeeld nemen aan de woordenschatten van de zustertalen van het Nederlands –de andere Germaanse talen– of zelfs van het Oudgermaans. Hieronder zal ik een wat uitgebreider voorbeeld geven van de werkwijze die ik voorstel.

Stel dat ik een alternatief voor het leenwoord muziek wil. Dat woord is (waarschijnlijk via Frans musique) ontleend aan Latijn mūsica, dat zelf is ontleend aan Grieks mousikḕ tékhnē ‘muziek’, letterlijk ‘de kunst der muzen’. Nu bestaat er voor het woord muziek al min of meer een alternatief, namelijk toonkunst. Los van het feit dat toon zelf ook een leenwoord is, is het best een goed woord. Het is echter niet het meest welluidende woord, noch het meest buigzame. Toonkunstig en toonkunstenaar voor ‘muzikaal’ en ‘musicus’ zijn niet bepaald verbeteringen wat mij betreft. Er is zo al gauw sprake van een mondvol en/of een tongbreker.

Met welke (wortelen van) woorden kunnen we nog meer een evenwoord voor muziek smeden? We hebben in hetzelfde betekenisveld voorbeelden als klank, klinken, deun en wijs. Wat zouden we bijvoorbeeld met deun ‘melodie’ kunnen doen? Deunen in de zin van ‘muziek maken’ en van daar uit deuning voor ‘muziek’? Het woord vloeit wat gemakkelijker dan toonkunst, maar zodra we deuner voor een ‘musicus’ bepalen, komt de associatie met döner kebab. En hoe zou de vorm voor ‘muzikaal’ moeten luiden? Deunig? Nee dank u. Sowieso, deun heeft wat mij betreft al een te informele lading.

Dan ga ik liever wat dieper graven in onze taal. Ik weet bijvoorbeeld dat het woord zwaan (van Oudgermaans *swanaz) een vorming is bij de Oudgermaanse wortel *swen-, *swan-, *sun-, die zoveel als ‘klinken, luiden’ betekent. (Wortelen hebben dikwijls een regelmatige klinkervariatie.) De oorspronkelijke betekenis van zwaan is dan ook waarschijnlijk iets als ‘de luider’ of ‘de zanger’. Maar van dezelfde wortel komen ook Oudengels swin(n) ‘geluid, melodie’, geswin ‘melodie’, swinsian ‘een (aangenaam) geluid maken, melodie of muziek maken’, swinsung ‘melodie, harmonie’ en swinsungcræft ‘muziek’. Net het soort woorden dat we nodig hebben.

Deze Oudgermaanse wortel is overigens zelf de voortzetting van de Proto-Indo-Europese wortel *suenH-, *suonH-, *sunH-. Het Oudgermaans is namelijk een vertakking van het Proto-Indo-Europees. Het Latijn is er ook een vertakking van. En zo vinden we in sonus ‘klank, geluid, geraas’ ook een spoor van die oude wortel. (Ontleende afleidingen daarvan zijn sonisch en sonate.)

Hoe dan ook, het idee is dat als we op zoek gaan naar een evenwoord voor muziek, dat we gebruik kunnen maken van de Oudgermaanse wortel *swen-, *swan-, *sun-, door er met voor- en achtervoegsels allerlei afleidingen van te maken, en deze aan te passen naar hedendaagse klanken. We zouden ook een voorbeeld kunnen nemen aan de Oudengelse woorden en zo uitkomen bij zwin ‘melodie’, zwinzen ‘muziek maken’ en zwinzing ‘muziek’. We kunnen daar aan toevoegen zwinzer ‘musicus’, zwinzig ‘muzikaal’, zwinzel ‘muziekinstrument’ en zwinzenis ‘muziekstuk’.

Uiteraard spreken dergelijke woorden niet voor zich, als men ze voor het eerst hoort. De vraag is of ze enig kans van slagen hebben. Ik denk echter dat het best mogelijk is om een soort traditie te maken van een dergelijke, meer innige benadering tot onze taal, ook binnen het onderwijs, waardoor het uiteindelijk de normaalste zaak van de wereld wordt om woorden te smeden aan de hand van de oude wortelen.

Hoe dieper wij gaan, hoe heter wij de vuren kunnen stoken.

Advertenties
7 reacties leave one →
  1. 2 juni 2010 19:37

    Nou “deun” is inderdaad nogal plat, maar ik loop nog niet echt warm voor je “zwin”. In de eerste plaats zou ik dan “zwinnen” doen i.p.v. “zwinzen” wat ongetwijfeld verantwoorder en correcter is. Taal is evenwel niet altijd even correct en veel “klankwetten” zijn ook slechts wetten omdat de meeste klanken zich volgens een bepaald patroon verlopen. 😉

    ‘Zwin” is overigens ook een “natuurlijke geul in buitendijkse grond”. Een woord dat me terug doet denken aan een Suske en Wiske verhaal waarin zij naar “het Zwin” gaan. Het heeft bij mij dus een vakantie/Vlaams/gezellige klank.
    Daarnaast is er nog “gezwind”, wat men wel wil verbinden aan “gezond”. Ik weet het zo net nog niet hoor..

    Misschien dat je eens het Saksische “dream” kunt uitpluizen?. (Niet: “droom”, maar “lied”. “Dream of the Rood”)

    Tot slot denk ik dat de ouden muziek niet los zagen van de maker of oorsprong ervan: dus is een idee als “skaldenkunst” of “citerspel” dichter bij wat het in essentie is. Meer dan onze losgekoppelde notie dat we een MP3 of plaat o.i.d. “muziek” noemen, terwijl het een opname is.

    • Olivier van Renswoude permalink*
      2 juni 2010 23:51

      Enig voortbouwen op de stam *swen-, *swan, *sun- hoeft ook niet noodzakelijkerwijs de Engelse woorden te volgen. Het was maar een voorbeeld/optie.

      En sowieso: het ging me in dit stuk niet zozeer om het woord muziek. Het was vooral slechts een voorbeeld om te laten zien wat voor werkwijze ik bedoelde met “diepe smeedkunst”.

      Het Zwin dacht ik ook nog aan. 🙂 Liep het oude Friese rijk ooit niet van het Zwin tot… ja tot waar eigenlijk?

      Angelsaksisch dréam ‘muziek, vreugde’ en Saksisch drôm ‘vreugde’ zal ik ook nog even onder de loep nemen.

      En je opmerking over de ouden onderschrijf ik. Ze zullen het ongetwijfeld “van de maren” hebben gevonden, zulke spookmuziek. 😉

  2. 2 juni 2010 22:17

    Dat u alternatieven aanbiedt voor woorden die nog maar net onze taal zijn binnengetreden (bijv. computer) is best sympathiek te noemen. Maar wat zijn precies de argumenten om dat ook voor een woord als muziek te doen? De relevantie van deze oefeningen ontgaat me.

    Niemand heeft moeite met spreek- of schrijfwijze. Weinigen ervaren het woord nog als uitheems. Het kent een rijke geschiedenis in onze taal: Vondel had het in 1652 al over minnelijck muzijck — en dan citeer ik heus niet de vroegste vindplaats.

    Daarbij vind ik uw methoden ondoorzichtig. Ze zijn selectief anachronistisch. Waarom kiest u bijvoorbeeld voor zwinzing en niet voor zwinst? Het suffix -ing is relatief jong: het is ontstaan aan het einde van de middeleeuwen. Ouder is -st, zoals we dat terugvinden in o.a. komst, winst, gunst én, in deze context niet onbelangrijk, kunst.

    Dat gezegd hebbende, moet ik toegeven dat ik steeds met veel nieuwsgierigheid naar het resultaat van uw zwoegend smeden toelees. U gelijkt een alchemist. Uw streven is even nobel. (En even dwaas.)

    • Olivier van Renswoude permalink*
      3 juni 2010 00:12

      Zoals ik ook tegen Dauwvoeter zei: de “behandeling” van het woord muziek diende slechts tot voorbeeld. Al is het wel waar dat ik uiteindelijk voor alle leenwoorden een of meer alternatieven zou willen hebben. Het is niet hun “uitheemsheid” op zichzelf waar ik op stuit, maar hun vorm; ik streef een (wat mij betreft) sterkere innerlijke samenhang en harmonie in vorm na. Verder ben ik een groot liefhebber van stafrijm, en daarbij is het van wezenlijk belang om evenwoorden (synoniemen) te hebben. Binnenkort zal ik een bericht over stafrijm plaatsen, om toe te lichten wat ik bedoel. Hoe dan ook: ik wil niet vervangen, slechts alternatieven bedenken.

      Wat het achtervoegsel -ing (en diens oudere variant -ung) betreft: dat is volgens mijn bronnen een stuk ouder dan u zegt. Het EWN noemt de volgende voorbeelden uit het Oudnederlands: “fīringa ‘viering’, furi-settinga ‘voornemen’, hatinga ‘haat’, offringa ‘offer’, bivunga ‘beving’, predigunga ‘preek’, wonunga ‘woning’ [alle 10e eeuw; W.Ps.], warninga ‘waarschuwing’, manunga ‘vermaning’, etc. [alle ca. 1100; Will.]”

      Dat is wat is overgeleverd; ongetwijfeld bestond het achtervoegsel al voordat dat het opdook in deze voornaamste van Oudnederlandse bronnen. Het achtervoegsel komt immers in alle Germaanse talen voor, zoals ook in het Oudengels, in… swinsung. 😉

      Het achtervoegsel -st vind ik overigens niet zo mooi wanneer het een andere medeklinker volgt. Dan heb ik liever zoals het vroeger in sommige gevallen kon zijn, met een tussen-klinker. Misschien moet ik maar demonstratief dienist, kommost en kunnust schrijven. Ik houd immers wel van klinkersymmetrie.

      Ten slotte: ik ben blij dat u mijn zwoegend smeden met nieuwsgierigheid volgt, en de moeite neemt om te reageren. (Waarvoor dank!) 🙂 Zelfs al leidt het nergens toe; het spelen met taal is heerlijk genoeg.

  3. 3 juni 2010 07:11

    Alchemisten jagen immers ook op goud door met lood te werken?. 😉

    Spelen met taal is dansen met je ziel.

    Wat het suffix -ing betreft: dat lijkt me inderdaad veel ouder. Ik vind het altijd erg interessant hoe we een voorouder/god/held (hangt van je zienswijze af denk ik) “Ing” hebben en datzelfde als suffix dienst doet als “afstammeling van-“. Zo zou ik mij kunnen voorstellen dat een “tekening” de nakomeling, het gevolg is van “tekenen”.

    Niet te smal denken hierbij, dit is immers Alchemie -waarin alles met elkaar in zinvol verband staat…hoe absurd ook soms-, en laat de associaties maar stromen.
    Voor ons “moderne”, huidige mensen “betekent” een woord vaak slechts 1 of 2 dingen, terwijl dat woord een hele “beteniswaaier” heeft met een kern “iets” als basis….een “idee” dat tot uitdrukking wil komen in de klanken. Soms lukt dat beter dan anders.

  4. Anneke Meijer permalink
    24 januari 2015 22:43

    “Oorspel” klinkt mij goed…

  5. Luc Vanbrabant permalink
    25 januari 2015 09:13

    Kunnen we iets opbouwen met het ‘lijk’ uit huwelijk?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s