Skip to content

Noor

10 mei 2011

Ðá wes þér án of Norwegan þe wiðstód þet Englisce folc, þet hí ne micte þá brigge oferstígan, ne sige gerechen.

Het is gezegd dat in het jaar van Onze Heer 1066 in de slag bij Stamford Bridge, toen een Engels leger een heerschaar wijkingen uit Noorwegen verraste, er een enkele reus van een wijking de nauwe brug over de Derwent hield om tijd te winnen voor zijn medekrijgers. Houwend met een geweldige Deense aaks doodde hij welhaast veertig Saksen eer hij werd overwonnen. Ze hadden hem met pijlen kunnen vellen, tot hun schande, als zij hem niet zo hadden bewonderd.

Het is een dadenreeks voorbeeldig van de welbeschouwde mannelijke, lichamelijke levenskracht waar ik geen woord voor kende. Tot ik in een van de streektalen van onze lage landen –namelijk die van Zaanland– een zeldzaam doch oeroud woord ontdekte: nor, dat zoveel als ‘fut, levenskracht’ betekent. Het is bij het bekijken van diens herkomst dat men de volle waarde van dit woord kan kennen.

Want, zoals A.A. Weijnen toont in zijn Etymologisch dialectwoordenboek, dit woord is waarschijnlijk te herleiden tot een oeroude wortel die ‘man; kracht, levenskracht’ betekent. Deze wortel ligt ook ten grondslag aan woorden in wijdverwante talen: Bretons nerz ‘kracht’, Litouws nóras ‘wil’, Sanskriet nár- ‘man, mens’, Grieks anêr ‘man’ en Sanskriet sūnára- ‘vol levenskracht’. En deze wortel heeft men ook in verband gebracht met de naam van de oude godin Nerthus, die volgens de Romeinse geschiedschrijver Tacitus door sommige Germaanse stammen werd vereerd, die in oorsprong één en dezelfde is als de naam van de oude god Njörðr uit de Scandinavische mythologie.

Verder ken ik geen verwanten in enige andere Germaanse taal of streektaal, maar ongetwijfeld was het woord wijder verbreid in het oude Germanië – ik durf te zeggen dat dichters het in de mond hebben genomen in hun lofzangen en heldendichten. De Oudgermaanse vorm zou ik dan reconstrueren als *nuram, en de Nederlandse vorm zou ik bepalen als noor. Het is een onzijdig woord, dus wij spreken van het noor. Vergelijk voor de klankontwikkeling hoe Oudgermaans *spuram heeft geleid tot Nederlands (het) spoor.

Het noor is dus de mannelijke, lichamelijke levenskracht. Het is de wil tot leven, met geweld als het moet, grenzend aan moed, roemzucht en geldingsdrang. Het is wat die arme Saksen in 1066 op de brug over de Derwent in zulk een sterke vorm tegen een hoge prijs mochten meemaken. Dat het woord zo lijkt op Noor, Noorwegen en noord is overigens toeval – een heuglijk toeval niettemin.

Ten slotte kunnen wij het noor onderscheiden van enkele andere, vergelijkbare begrippen. Zo is er de tier, welke meer de glorieuze, bloeiende levenskracht is (komend van een wortel die zo veel als ‘schijnen’ betekent). Daarnaast is er de vaag, te weten de kracht kenmerkend van het jeugdige leven. En er is de keest: de kiem of het beste, edelste, meest wezenlijke van iets.

~

Advertenties
4 reacties leave one →
  1. Kasper Nijsen permalink*
    16 mei 2011 19:19

    Een fascinerende vondst weer. Vooral de mogelijke verbinding met Nerthus spreekt tot mijn verbeelding – maar het kan toch haast niet dat deze wortel van alle Germaanse talen alleen nog in de streektaal van het Zaans nog voorkomt?

    • Olivier van Renswoude permalink*
      17 mei 2011 21:08

      Ja, dat is wel een bezwaar, dat het niet in de andere Germaanse (streek)talen is overgeleverd. Anderzijds, zulk een beperkte verspreiding komt wel vaker voor. In het Oudijslands bijvoorbeeld vinden wij ook woorden die duidelijk verwanten hebben buiten het Germaans, maar die in de andere Germaanse (streek)talen spoorloos zijn. Doch helaas schieten me daarvan nu geen voorbeelden te binnen.

    • Olivier van Renswoude permalink*
      23 mei 2011 17:06

      Een ander voorbeeld van een woord dat in slechts één van de Germaanse talen is overgeleverd en inmiddels is uitgestorven:

      Oudnoords nór ‘schip’, van Oudgermaans *nōwiz. Verwant aan –u raadt het al– Latijn nāvis ‘schip’ (waarbij nāvigāre ‘zeilen’) en Grieks ναῦς (naus) ‘schip’. De Nederlandse vorm zou volgens mij noe luiden. Vergelijk hoe Oudgermaans *rōwaz ontwikkelde tot Middelnederlands roe ‘rust’.

      Let op: dit woord is niet verwant aan Zaanlands nor (Nederlands noor).

  2. walter gauwloos permalink
    13 juni 2011 13:27

    Nog een woordje dat ermee te maken heeft nl de voornaam :NORBERT
    volgens het woordenboek der voornamen ofwel :beroemde man uit het noorden ofwel
    stam ‘northo’=kracht. Dus schitterend (brecht) door kracht

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s