Skip to content

Het woeden des weders

1 september 2014

schuur4

Er is veel te lieven aan de blauwe hemel van zachte en warme zomerdagen, als er hooguit wat wolken als witte watten in alle rust overvaren. De deuren kunnen open en tot ver in de avond is er gelegenheid tot spel en ontspanning in de buitenlucht. Vader Hemel lacht en het licht straalt neer op het land. En toch, hoe woester de wolken worden, hoe schoner het schouwspel is. Zie het duistere zwerk dreigen en hoor het rommelen in de verte: oerkrachten komen over!

We hebben voor zulke tijden wat woorden gereed, zoals wind, regen, hagel, donder en bliksem, en ook vlaag, bui, onweer en storm. Maar kent u ook schuur, schie, bijze, rijde, unst, hare en beur? Bij dezen een kleine herinnering…

schuur (m./v.)
Betekent ‘regenbui, met name een korte en krachtige met harde wind’. Het woord zal nog door de meeste lezers herkend worden omdat het nog voorkomt in verscheidene streektalen, zoals in het Drents in de vorm schoer. Het beantwoordt ook aan Fries skoer, Duits Schauer, Engels shower, Noors en Zweeds skur en IJslands skúr. Het gaat terug op Oudgermaans *skūraz/*skūrō. Volgens de meeste duidingen is het verwant aan schuur ‘eenvoudig gebouw ter berging’. Beide werpen immers een schaduw of bedekken wat zich onder hen bevindt. Beide zijn bovendien te verbinden met schuilen.

schie, schuw (o.)
Is ‘bewolking, donkere lucht, (donkere) wolk’ en komt van dezelfde wortel als schuur hierboven. Het komt van Oudgermaans *skewan/*skeujan en is overgeleverd als o.a. Oudengels scéo ‘wolk, bewolking’ en Oudnoords ský ‘wolk, donderwolk’, dat weer is ontleend als Engels sky.

bijze, bijs (v.)
Betekent ‘zeer koude wind, noordenwind, stormwind’ en ‘regenbui, hagelstorm, onweersbui’. Het wordt nog gebruikt in het zuiden van de Lage Landen en luidde in het Oudnederlands bísa. Het Oudgermaanse grondwoord *bīsō is wellicht verwant aan bijster, dat vroeger ook ‘wild’ betekende’ en streektalig biezen, bissen ‘wild rondlopen (van getergd vee)’. Misschien dat het uiteindelijk teruggaat op Proto-Indo-Europees *ǵhu-ei-, een verlenging van de wortel *ǵheu- ‘gieten’ (ook wel ‘onstuimig zijn’), vanwaar anderszins Oudgermaans *geutanan (Nederlands gieten).

rijde, rij (v.)
Is een oud woord voor ‘storm’ en gaat net als Oudengels en Oudnoords/IJslands hríð terug op Oudgermaans *hrīþō ‘storm’, van een wortel met de betekenis ‘heen en weer gaan, schudden’, vanwaar ook o.a. Middelnederlands ridde ‘koorts’, Duits Reiter ‘zeef’ en Nederlands rein, als dat oorspronkelijk ‘gezuiverd, gezeefd’ betekende. Aan rijden ‘gaan’ is het niet verwant, want dat heeft nooit een h- voor de -r- gehad.

unst (v.)
Is een ander oud woord voor ‘storm’ en vindt zijn weerga in Oudhoogduits unst en Oudengels ýst. Het komt van Oudgermaans *unstiz, dat meestal wordt verbonden met de wortel *an-, *ōn- ‘ademen, geest hebben, leven’ en vermoedelijk dus ook ‘waaien’. Hierbij bedenke men dat adem, wind en geest vroeger als één werden gezien.

hare, haar (v.)
Geeft ‘scherpe, koude, schrale wind’ en ‘doordringende kou’ aan en is nauw verwant aan (of een verbogen vorm van) Oudgermaans *harwaz ‘scherp, snijdend’, dat is overgeleverd als Duits herb ‘bitter’. De onderliggende wortel is *her-, *har- ‘snijden’.

beur (m.)
Verzacht ten slotte al het bovenstaande want is een oud woord voor ‘gunstige wind, zeilwind’ en ‘goede gelegenheid’. We komen het ook tegen in o.a. Oudnoords byrr, Oudengels byre en Middelnederduits bore. Het is vermoedelijk afkomstig van de wortel *ber-, *bar- ‘dragen’, waarvan ook gebeuren en het vergeten woord beren ‘dragen’, dat nog schuilt in ontberen en waarvan het voltooid deelwoord nog voortleeft als geboren.

Beeld
Genomen door Robert Voors, enige rechten voorbehouden.
Verwijzingen
INL, Middelnederlandsch Woordenboek, webuitgave
INL, Oudnederlands Woordenboek, webuitgave
INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal, webuitgave
Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)
Orel, V., A Handbook of Germanic etymology (Leiden, 2003)
Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, webuitgave
Ringe, D., A History of English Volume 1: From Proto-Indo-European to Proto-Germanic (Oxford, 2006)
Vaan, M. de, “The etymology of shower” in Die Sprache 41/1 (1999), blz. 39-49
Vries, J. de, Altnordisches etymologisches Wörterbuch, 3. Auflage (Leiden, 1977)
Advertenties
2 reacties leave one →
  1. Luc Vanbrabant permalink
    5 september 2014 18:10

    Zo’n artikel kan mij altijd opbeuren!
    Inderdaad, ‘bise’ zit nog in onze zuiderse streektaal.
    Schie, vlaag en bui worden ook alle drie, inwisselbaar, gebruikt voor een voorbijgaande gemoedsbeweging.
    Als er mist over de velden hangt, dan ‘smoort’ het bij ons. Als die mist in heel fijne pareltjes durft uit te vallen dan begint het te ‘smuken of te ‘smuiken’. Onze motregen zal wel verwant zijn aan het Engelse ‘smog’. Miezeren heet bij ons ook zeveren. ‘Het zevert’, uit men alleen bij weer waar de hond ook binnen moet voor blijven. En zever heeft toch altijd met vocht te maken. ‘Zever’ werd vroeger gebruikt als synoniem voor het ‘sap’ van een plant. Als een plant zeverde, liep er vocht uit haar stengel.
    Als een bise een echte plensbui wordt, heet ze in België een ‘drache’ (‘ch’ als ‘sj’ uitspreken) Misschien van het Frans, want als die bui bij ons plenst op 21 juli, onze nationale feestdag, dan spreken we van een ‘drache national’. Toch kan ik niet nalaten te denken aan het Oudnederlands ‘threskan’. Het Franse Wiktionnaire laat ‘drache’ namelijk komen van het Duitse ‘dreschen’, uit het Oudhoogduits ‘dreskan’. Dan heeft dat te maken met regendruppels, zo groot als graankorrels.
    Waait het hard, dan giert het hier. Van ‘schuur’ hoorde ik nog nooit, maar ik ken wel ‘schurde’: de zee is schurde vandaag, onstuimig en woest. Het woord wordt ook buiten het weer gebruikt. Een schurdige vent is een gevaarlijk en gewelddadig individu.
    Met nog wat geduld zien we later op het jaar misschien heel fijne sneeuwkorreltjes vallen, nog geen vlokken. Dan begint het te ‘kriselen’ (krijzelen, kriezelen).
    Arrige wind kan koud, guur en schraal over onze huizen jagen. Ik zie daar een vorm van ‘boos’ is, maar ‘haar en hare’ besmette wellicht dat woord, zodat we vroeger ook ‘harriachtig’ weer moesten verdragen.

    Vriendelijke groeten,
    Luc Vanbrabant

  2. Walter Gauwloos permalink
    7 september 2014 14:15

    In het dialectwoordenboekl van AA Weijnen kwam ik ook het woordje ‘GAAL’ tegen. In Noord-Holland betekent het : ‘bui’,zoals het Engels ‘gale’.In het Noors betekent ‘galen’ slecht(gezegd van het weer).Gaal betekent ook ‘ruw, onstuimig’.Alweer een nieuw woordje voor weerstoestanden.
    Walter

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s