Skip to content

Bottijd

30 maart 2016

bottijd

Het is ieder voorjaar weer een groots en uitbundig schouwspel in de nog koele buitenlucht. Overal aan de stengels van bomen en andere gewassen ontvouwen en ontwikkelen zich op wonderlijke wijze bloemen en bladeren en ook nieuwe stengels, tot heel het land weer fris in groene schik is. En al deze pracht vindt haar oorsprong in die kleine, bescheiden knoppen – de beginselen van groei, van ontstaan en bestaan in het licht van deze oude Middelgaard.

Men pleegt ieder zulk bol buideltje ook wel een bot te noemen, of met een vergeten vorm van verkleining een bottel, zoals nog in rozenbottel. En dit bot is een waar kleinood, want met recht is te zeggen dat het hoort bij een zeer oude groep woorden die ook alles te maken hebben met het leven in de zuiverste zin, waaronder (ik) ben en Engels to be en body en ook Grieks phúsis ‘oorsprong, natuur’.

Een oude wortel
Het Nederlands is, zoals u weet, een vertakking van het Oudgermaans, een taal die tweeduizend jaar geleden werd gesproken en zelf met onder meer het Grieks, Latijn en de Keltische talen een vertakking was van het Proto-Indo-Europees.

In deze duizenden jaren oude taal bestond een woord waarvan de wortel verscheidene vormen had, zoals *bheh2u-, en waarvan de betekenis uiteenliep van ‘zwellen, groeien’ en ‘ontkiemen, ontstaan, verrijzen’ tot ‘ontwikkelen, worden’ en ook ‘zijn’. Bekende voortzettingen en afleidingen van dit oude woord zijn Sanskriet bhávati ‘(hij) wordt, is’ en bhū- ‘wereld’, Latijn fuī ‘(ik) ben geworden/geweest’ en futūrus ‘zullende zijn’ en Grieks phúō ‘(ik) breng voort, groei, ontspruit, ben van aard, enz.’ en het reeds genoemde phúsis ‘oorsprong, natuur’.

Zijn en leven
Binnen het Germaans leidde het onder meer tot *bewanan, dat zich langs Oudengels béon ontwikkelde tot Engels to be en in het Nederlands slechts in de vervoeging (ik) ben en vandaar (jij) bent. De betekenis van dit werkwoord is dus in de loop der tijd vernauwd tot ‘zijn, wezen’. Maar voor wie de oudere, volle betekenis nog kent heeft het woord een grotere uitwerking. Zo ook in The Silmarillion, het bijbelachtige werk van de katholieke, Engelse schrijver en geleerde J.R.R. Tolkien. Daarin lezen we hoe Ilúvatar (dat is Alvader) de Wereld schept in het bijzijn van de engelachtige schare der Ainur:

Then there was unrest among the Ainur; but Ilúvatar called to them, and said: ‘I know the desire of your minds that what ye have seen should verily be, not only in your thought, but even as ye yourselves are, and yet other. Therefore I say: Eä! Let these things Be! And I will send forth into the Void the Flame Imperishable, and it shall be at the heart of the World, and the World shall Be; and those of you that will may go down into it.’ And suddenly the Ainur saw afar off a light, as it were a cloud with a living heart of flame; and they knew that this was no vision only, but that Ilúvatar had made a new thing: Eä, the World that Is.

Toen was er onrust onder de Ainur; maar Ilúvatar riep tot hen, en zei: ‘Ik weet het verlangen van uw geesten, dat wat gij gezien hebt werkelijk zou zijn, niet alleen in uw gedachten, maar zelfs als gij zelf zijt, en toch anders. Daarom zeg ik: Eä! Laat deze dingen Zijn! En de Leegte in zal ik voortzenden de Vlam Onvergankelijk, en het zal in het hart van de Wereld zijn, en de Wereld zal Zijn; en zij van u die het willen mogen daarin neerdalen.’ En opeens zagen de Ainur van verre een licht, als ware het een wolk met een levend hart van vlam; en zij wisten dat dit niet slechts zicht was, maar dat Ilúvatar een nieuw iets had gemaakt: Eä, de Wereld die Is.

In een andere hoedanigheid leefde het oude Proto-Indo-Europese woord voort als Oudgermaans *būanan, dat zich vervolgens ontwikkelde tot onder meer Nederlands (ver)bouwen. Daar was de betekenis niet vernauwd tot ‘zijn, wezen’, maar verschoof het naar ‘leven, wonen’ en ‘telen, bewerken (van land)’ en uiteindelijk naar ‘oprichten, samenstellen’. Afleidingen hiervan zijn onder meer gebuur ‘mede-woner’ en boer ‘(land)bouwer’, met een gewestelijke -oe- in stede van de klankwettige, Nederlandse -uu-.

Knoppen en andere dikke dingen
Om dan weer terug te keren naar ons ‘knop’-woord: een voltooid deelwoord van het hier besproken *bheh2u- was *bhh2u-tó-, de voorloper van Grieks phutós ‘natuurlijk gegroeid’ en het verzelfstandigde phutón ‘gewas, schepsel, telg’. Een zogenaamde individualiserende vorm van dit voltooid deelwoord was *bhh2utōn ‘(de) gezwollene, gegroeide, enz.’ En dit ontwikkelde zich vervolgens tot Oudgermaans *budō (genitief *buttaz, datief *budeni) en uiteindelijk tot ons bot ‘knop’. Overigens een mannelijk dan wel vrouwelijk woord, dus de bot.

Het woord is vervolgens moeilijk te scheiden van het onzijdige bot in de betekenissen ‘been’ en ‘uiteinde van een touw’, noch van het bijvoeglijke bot ‘stomp’. Al deze woorden verwijzen immers in de kern naar iets dat dik en gezwollen is –al dan niet aan de uiteinden– en dus eerder bol dan scherp.

Dit zien we ook bij het woord in de zustertalen: zo betekent Duits Butze (nevenvormen Butz en Butzen) vanouds niet alleen ‘knop’ maar ook ‘klokhuis’, ‘gezwel’, ‘homp’ en zelfs ‘schrikgestalte’ (nu vooral nog in de samenstelling Butzemann ‘boeman’). Engels bud betekent ‘knop’, maar gewestelijk vinden we nog buddy ‘tros, homp’ en buddle ‘bubbel’. Het Engels heeft daarnaast nog butt, dat in de algemene taal ‘dik uiteinde’ en daarmee ook ‘achterwerk’ betekent en gewestelijk bovendien ‘boomstronk’ en ‘hoop, homp’. Oudnoords bútr ‘boomstronk’ hoort er ook bij, met een secundaire lange klinker.

Verder zijn er nog Oudhoogduits buzzenti ‘zwellend (van moed, kracht)’ en Middelnederduits buddich ‘gezwollen’ en budde ‘spook, masker’. Dat laatste ligt in betekenis dicht bij het reeds genoemde Butze(mann), maar ook bij Gronings borries, barries (van ouder *bodd-), een benaming voor zowel een dikkerd in het algemeen als een angstaanjagende zwarte hellehond uit de oude verhalen.

Groeien doet het lijf
Dan is er nog Engels body, dat afkomstig is van Oudengels bodig en ooit zijn evenknie had in Oudhoogduits botah. Hierin valt een achtervoegsel te ontdekken dat volgens de Duitse taalkundigen Hans Krahe en Wolfgang Meid ooit onder meer werd gebruikt om een geheel mee aan te duiden, alsook een verlichaming van een eigenschap. De wijze waarop het menselijke lichaam van een gezwollen ineengebogen hompje uitgroeit tot een ranker geheel van ledematen heeft dan ook genoeg overeenkomsten met uitkomen van een knop tot een prachtige bloem of blad in al diens groenheid.

Beeld
Gemaakt door Ripplestone Garden. Enige rechten voorbehouden.
Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s