Skip to content

Groenheid

7 mei 2013

Hildegard van Bingen

In 1151 in het klooster Rupertsberg te Bingen aan de Rijn voltooit de Duitse abdis Hildegard het boek Scivias (‘weet de weg’), haar eerste van drie werken in de mystiek, waarin zij de visioenen van het “levende licht” van God opschrijft die zij al sinds haar vroegste jeugd heeft gehad. Deze werken, alsmede haar vele muziekstukken en haar verhandelingen over onder meer de helende kracht van verschillende kruiden, maken haar in haar eigen tijd al vermaard, en zij onderhoudt met menig vooraanstaande een briefwisseling. Heden is zij nog onverminderd als ‘Zienster van de Rijn’ het onderwerp van grote belangstelling.

Een van de begrippen die Hildegard van Bingen bezigt in Scivias en verdere geschriften is viriditas, een woord dat al bij eerdere geestelijken uit de pen vloeit, doch nergens zo’n belangrijke plaats inneemt als bij haar. Viriditas, letterlijk ‘groenheid’, draagt hier een bijzonder vermogende lading die maar moeilijk te vangen is. In ruimere zin is het ‘vergroenende kracht’ en ‘levenskracht’ – in de volste zin staat deze groenheid voor Gods levende aanwezigheid in het bloeien van de natuur, voor de frisheid van de Aarde, voor het sap dat stroomt door de nerven van lover en loot, voor het groeien en gedijen van de geest in Christus, voor het vervuld zijn met het sap van goddelijk leven, en meer. Groenheid is niet eenmaal het ene en andermaal weer het andere, maar altijd al het bovengenoemde tezamen, een ondeelbaar begrip zoals beschreven in de werken van Owen Barfield. Hildegard ziet de groenheid evengoed in maagdelijke schoonheid als in het gras en de bomen en noemt de Heilige Maagd Maria de “groenste tak”.

Groenheid is samen met wijsheid (sapientia) en vochtigheid (humiditas) geschonken door de zonneschitterende genade Gods. Hier tegenover is de dorheid (ariditas), die staat voor het verloochenen van de trouw en de geest, van de deugden en dier groenheid, voor alles dat verschrompelt en vergaat bij het Oordeel.

In het kader van de groenheid is ook de eigen taal te bezien die Hildegard ontwikkelt, de zogenaamde lingua ignota. Meer dan duizend van haar eigen woorden zijn overgeleverd, bijna uitsluitend zelfstandige naamwoorden: God is Aigonz, man en vrouw zijn jur en vanix, licht en duisternis zijn limix en conchsis. Voor allerhande zaken geeft zij een naam in haar eigen taal, of ontvangt zij als het ware een nieuwe naam, waarbij de z [ts] opmerkelijk veel voorkomt, zoals in anziur ‘boer’, diriz ‘ring’, harzima ‘veld, akker’, mazanz ‘mes’, razil ‘gif’, scaruz ‘zwaan’, talizima ‘muur’ en zamzila ‘beuk’, om slechts enkele voorbeelden te noemen.

Deze hernoeming is Hildegards lof der groenheid; door alle dingen een nieuwe naam te geven bezint zij zich op elk en bevestigt zij dier groenheid. Voort duurt de scheppende kracht en fris is de wereld. Net zoals bij de eigen talen van J.R.R. Tolkien nodigen nieuwe namen uit tot het zien van dingen in een nieuw licht, licht dat evenwel eeuwig is: het “levende licht” van God dat groenheid toont in al dier wonderbaarlijkheid.

Verder
Hildegards “O Nobilissima Viriditas”, zoals gezongen door Beatrix Thiel.
Wie meer wil lezen over Hildegards eigen taal zij verwezen naar het doorwrochte boek uit 2007 van Sarah L. Higley: Hildegard of Bingen’s Unknown Language.
Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s